Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina t.o. 38]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina t.o. 39]
| |
DE DOOD van HABEL. | |
[pagina 39]
| |
De Dood van HabelHeva baarde. De Moeder aller levendenGa naar margenoot+ kust enen Zoon. Manninne voelt het moederlyke bloed voor de eerstemaal om het harte woelen. Met ene, ik weet niet welke, vergenoegende aandoening beschouwt zy haren Eerstgeborenen. Een Zoon, dien zy in de eerste, in de tederste omhelzingen, daar zy hem al koesterende aan den boezem drukt, en uit haar eigen borsten drenkt, den naam van Kain geevt. In tegenwoordigheid van haren vrolyken en Godlovenden Adam roept zy op elken oogwenk van het kind: Ik hebbe enen zoon, een manlyk kind van den Here verkregen. Juichtaal, die van den eersten Vader op het minnelykste beantwoord word. Onder dat ogenblikkelyk vermaak, dat 's werelds Moeder verrukt, zoo dikwerv zy haren Kain beschouwt; ontsluipen haar allengskens de eerste nare denkbeelden, wegens het verliez van Edens gelukzaligheden. Hare onstelde Hartstogten raken in bedaren. Zoo word het woedend geklos der eeuwigknorrende golven vlak gekemd, wanneer na het ophouden der bulderende Orkanen, de zuivere Zon den bewogen Hemel opklaart, al het onweder naar zynen schuilhoek jaagt, en het geteisterd Aardryk zyne vorige stilte geeft. Adam bestaart zynen Kain, als de vrugt van zyne zoo zuivere, zoo getrouwe huwlykslievde. Dog onder dit bestaren, daar de wezenstrekken van het kind zig vestigen, ziet hy iets in het gelaat, als in den Spiegel der Ziele, dat hem enen | |
[pagina 40]
| |
norschen, weerbarstigen, en trotschen aart voorspelt. Ga naar margenoot+Ondertusschen gevoelt zyne lieve Hulpe zig ten twedenmale zwanger, en baart op den juisten tyd haren tweden Zoon, dien zy: de Ydelheid van al het ondermaansche meer en meer gewaar wordende: Habel noemde. Een kind wiens zagten aart en geschiktheid van zeden in de evenredige trekken van zyn blozend en vol wezen, en vriendelyke opslag der ogen te ondekken is. Hy groeit met zynen broeder Kain op, terwyl het huizgezin van Adam door lieve dogteren vermenigvuldigd word. Ga naar margenoot+Hy groeit met Kain op, gelyk ene zagte Lelie met den scherpen distel. Hoe verschillend in werkzaamheden zyn deze twee telgen des Stamvaders van het menschdom. Habel toont al vroeg dat zyne zeden het aanvallig, het vriendelyk aangezigt niet beliegen. Vader en Moeder ondekken in hem ene gehoorzame Ouderlievde, meer teder, meer aanklevende dan in Kain. De spelen zyner Jeugd zyn niet dan onschuld, dan bekorelyke lievtaligheid jegens zyne Huizgenoten. De jaren zyner Jonglingschap zyn Godvrugt. Wat enen diepen Eerbied toont hy onder Adams Godsdienstige plegtgebaren! hoe wydt hy zynen Geest, door Vaders onderrigt gevormd, zynen weldoenden maker. Hy zondert zig op gezette stonden af, om zig aan zynen Schepper te verbinden, en daar mede als met zynen Vriend te verkeren. Ga naar margenoot+De jeugd van Kain daarentegen, is wreed. Zyne oplopenheden stuiten niet zelden de onnozele vermaken van Hevaas kinderen. Zy moeten het Kain eeuwig gewonnen geven. Zyne stugheid, zyne woestheid stoort met een hortend geweld, | |
[pagina 41]
| |
de eenstemmigheid hunner kinderlyke spelen. Kains Jonglingschap word door trotsche wangunst aangeblazen. Hy kan niet dulden, dat iemand anders dan hy van zyne Ouders gelievkoost word. De minste Lovspraak welke hy uit den mond zyner Moeder hoort ten voordele van zynen broeder, verbittert hem. Hy is op de minste belediging zoo woedend in drift als ene beirinne, die, op Roov uit zynde, hare jongen verliezt. Het denkbeeld van Oudsten verhovaardigt hem. Hy wrokt, en zweert zig eenmaal aan zynen Broeder te zullen wreken van den gewaanden haat, die zyne Ouderen hem toedragen; om dat zy alle hunne laffe lievkozingen aan den verwyvden Habel te koste leggen. De Helle bemeesterd ondertusschen zyn harte. De Verleider van het menschdom hout zyne driften, zyne woeste oplopenheden by den toom. Hy leert Kain huichelen. De vervloekte geveinzdheid, de Eerstgeborene aller ondeugden, waar mede de Duivelskonstenaar Moeder Heva ten valle bragt, bezet zyne Ziele. Kain veinst. Met een helsch ongenoegen in het hart behandelt hy den onnozelen en op geen kwaad bedagten Habel voor het uiterlyke vriendelyk. Is dit dan het Lot der beste Deugd, dat zy eeuwig van den nyd verbeten word. ja, gewis, die helharpy
Aast nimmer op geringe Zielen,
Dat voedzel is haar veel te laf;
Zy zit den braavsten op de hielen,
En jaagt haar prooy tot in het grav.
De kwaadsmedende Kain laat, terwyl hy met vereelte handen de stugge kluiten der aarde breekt, | |
[pagina 42]
| |
en bekwaam maakt ter vrugtbaarheid, zynen broeder gerust in de schapenhoeding.
O kain! 't oog, dat alles ziet,
Dat hert en nieren kan doorgronden,
Dat uwen levensloop bespiedt
Ziet in uw Ziel, een nest vol zonden,
Een monster van wanschapenheên,
Dat zoo 't U eenmaal kwam voor ogen,
Een schrik zou jagen door de leen.
Word dus de menschheid U onttogen! . . .
Dan eindelyk verscheen die dag, O dodelyke dag! waar op het treureindigend Blyspel stond uitgevoerd te worden. Dag, waar van de wyde wereld tot aan derzelver voleindiging zoude gewagen. Ga naar margenoot+Adam en Heva hebben vastgesteld hunne twee oudste Zonen aan twee hunner dogteren in het Huwelyk te verbinden. Welk enen plegtigen toestel, die al zynen tooy van de eenvoudige natuur ontleent, word er niet gemaakt voor den dag der Bruilovt. De Zoon der aarde is bezig de sierlykste vellen der gedode dieren uit te zoeken, en die in een mengeling van koleuren aan een te voegen, om zig en zyne Egtgenote, om de Bruidegommen, en Bruiden daar mede te versieren. De geboude Ribbe is bezig kranzen te vlegten van welriekende kruiden, van bloemen, waar in de kleuren van den Regenboog spelen, en van loov, dat eeuwig zyn groenheid bewaart. De ondertroude slaan tenten op, in de schaduwe van enen Cederbosch, dat leevt van gevederde Orgelen. Zy besteken die tenten met jeugdige mirt, met frissche palm, en knappende Laurier. Zy bestroien de vloeren | |
[pagina 43]
| |
met welriekend tym, met madelieven, zoo vrolyk als de vriendelyke lagchjes van ene lieve schoonheid, en zuiver als de versgevallen sneeuw; zy knopen aan 't verhemelte geurig rosmaryn, met koele rozen, en lelien der dalen, waar by de pragt der Heerschappye niet te vergelyken is. Kortom al het huizgezin van Adam is in beweging en rept de handen om de blyde bruilovt met vrolykheid te helpen vieren. Kain gelaat zig wonder in zynen schik te wezen. De gelieven worden onder de Zegenspreking, en onder het opheffen der gewyde handen van den eersten Aardspriester gepaard. De tegenwoordigheid der Godheid ontdekt men aan die Majesteit en ongemene glanz, waar mede al dien vrolyken oort opgeluisterd word. God is met het gezelschap van het eeuwiglievend koor der zuivere Engelen daar tegenwoordig, en geevt de verëende paren de vrugtbaarheid ter morgengivte. Nauwlyks ryzt de Godvrezende Habel uit het huwelyksbedde, of hy vermaant zynen broeder Kain, om te zamen als hoofden des huizgezins hunne Dankofferanden der Godheid, wegens het genot van zoo vele gunstbewyzen aan te steken. Kain stemt hier in. Maar in dat toestemmen ontvalt aan zyn gelaat een glimlach, die de valschheid van zyn hart ontdekt. Evenwel wil de broederlievende Habel gene loze agterdogt voeden. De argwaan is hem onbekend. Zy bepalen tyd en plaatze ter offerande.
Och Habel! och onnooz'le! gaat gy henen,
Om Gode een Lam te slagten? daar uw bloed,
Uw eigen bloed, gezogt word van den genen,
Met wien gy gaat als 't Lam ter slagting doet.
| |
[pagina 44]
| |
Ga naar margenoot+De volgende morgen, eer de gouden Zon de toppen der bergen, nog bevogtigd met den waaszem des nagts, bepurperde, had regtveerdige Habel het beste gedeelte zyner kudde met hare vettigheden den Here afgezonderd. Zyn groen Outer is gereed. Zyne offerdieren zyn geslagt. Hy zit opgetogen in heilige bespiegelingen. Hy is gelovig met zyne godvrugtige gedagten werkzaam omtrent het zaad der Vrouwe, dat na de afgetekende eeuwen, van het zaad der slange in de hielen gestoken, als een Lam ter slagtinge zal geleid worden. Dat Zaad, dat als de schuldovernemende Borge van alle de Uitverkorenen de geschondene Majesteit der hoogste Regtveerdigheid zal verzoenen. In deze Godzoekende eenzaamheid ziet hy Kain van verren schoorvoetende en al prevelende aankomen. Habel ryzt op, loopt hem te gemoete, omarmt hem, vraagt: is het wel met mynen Broeder? en klautert met Kain den groenen heuvel op. Kain bejegend Habel met ene, ik weet niet welke gemaakte vriendelykheid. De waan is de blaazbalg die het vuur zyner wraakzugtige trotzheid in vlam zet. Nog smoort hy denzelven in zynen nydigen boezem. Hy bereidt van de gezondste vrugten des Lands een spyzoffer. De offeranden zyn gereed. De Broederen leggen dezelve op de rokende Outers. Hoe eerbiedig, hoe demoedig verrigt de Godvrezende Habel zyne plegtgebaren! hoe . . . . . . Maar welk ene zeldzame ontmoeting! Habels opregte Godsvrugt troont de gunst der getrouwe Godheid neder. Godheid, wier belovte luidt: ik ben een beloner des genen die my zoekt. De grond waar Habel op staat word rondom hem verhemeld. Er daalt in ene zagte stilte ene lui- | |
[pagina 45]
| |
stervolle wolke, die haar licht over die zyde van den Heuvel, waar zyne offerande ligt, vol heerlykheid verspreidt" De Offerären horen een geluid uit het middenGa naar margenoot+ der Wolke. Een geluid, dat Habel op ene gantsch lievelyke wyze verzekerd van het byzonder welgevallen, dat God in zyne ernstige en kuische Godsdienst neemt. Met een schiet, sneller dan den blikzem, een straal van vuur uit de verlichte donkerheid, waar in de Godheid zig verborgen houdt, en verteert op ene gantsch ongewone manier het hem zoo heilig toegewyde Offer van Habel.
Myn Habel toont het aller eerste voorbeeld
Van Vroomheid, en geevt de allereerste proev:
Dat God den dienst zyns volks behaaglyk oordeelt,
Schoon hy geen dienst van enig mensch behoev.
Wat doet Kain? Neemt hy een broederlykGa naar margenoot+ welgevallen in de gunste welke Habel bejegent? Och! neen. Zyn Offer ligt in enen dikken damp te smoken. Het word van de regtveerdige goedheid, die de schuilhoeken van zyn wangunstig en moordzugtig hart doorziet, versmaad. Er klinkt tot hem zoo een aangenaam, zoo een hemels en zielvervrolykend geluid niet. Hemel! . . . . . daar barsten alle zyne godloze driften op, gelyk enen vloed die door dam en dyken bruischt. Habel keert naar huiz, verengeld in ziel en zinnen. Kain knarst op zyne tanden, stampt met zyne voeten, slaat met vuisten op de begalde borst, daar zyne ogen als vuurvlammen van wraakzugt branden. Hy dreigt dien lavhartigen, die nergens van weet dan lui en ledig op het klaver te zitten, of met zyne zagte handen het | |
[pagina 46]
| |
uier te melken, en met zyne verwyvde en vleiende gebeerden hem, die met een mannelyken Ga naar margenoot+geest en sterker Lighaam begaavd is, veragtlyk maakt in de ogen Gods en der menschen: hy dreigt dien jongen, die hem in zyn eerstgeboorte regt durvt braveren, den hals te breken. God zelv, bestaat hy, in deze zyne woede aan te druischen. De hoogste lievde, die hare schepzelen bemint, neemt een heilig belang in het gevaar, waar in Habel zig onwetende bevindt. Zy wil den razenden Kain stillen, spreekt hem aan, en zegt: waarom zyt gy onsteken? waarom is uw Ga naar margenoot+aangezigte vervallen? is er niet indien gy weldoet beloninge? daar, indien gy misdoet de straffe gereed zal wezen. Habel is tot u genegen. Hy is wel te vreden, dat gy als Eerstgeborene over hem verheven zyt. Dan de Hel poogt het van God te winnen. Zy stilt op nieu de onstuime driften van Kain, en geevt hem der geveinzdheid ter bewerking over. Zy leidt zodanig zyne ziel en zinnen, dat hy tot den opregten Habel naderende alle zyne woede verbergt, voornemende zynen Broeder onder schyn van vriendschap te vermoorden.
Myn Habel die met zuivere gedagten
God offerde en Gods min won, kon het hart
Zyns Broeders niet verwinnen nog verzagten:
O neen! de Deugd baart de ondeugd eeuwig smart.
Het golvende koren van veinzaart Kain stond nu in vollen tooy, het scheen of een goudvloed over al zyn land gevallen ware. Hy nodigt Habel naar buiten om op het veld die zeën korenairen te zien. Wat verrukkend Landgezigt! hier plante hy Boschaadjen, waar van de takken, door | |
[pagina 47]
| |
den last der granaat en oranjen appelen aan denGa naar margenoot+ grond bogen. Daar nodigde de purperen muskadel den wandelaar om zig met zyne zappen te verkwikken, ginds was de grond met welriekende kruiden en bloemen zoo bevallig bemaald, dat het tapytwerk van Egipten en Tyrus er niet by is te vergelyken. De oren wierden hier gestreeld door de melodie der zingende vogelen, waar van natuur alleen Meesteresse was. De ogen verdwaalden in Cederdreven, die hare voeten als in de kimmen schenen weg te steken. De mond proevde niet dan frissche vrugten, daar de handen de welriekende Dudaim, blaauwe Hiacynthen, en veelkleurige Anjelieren konden zamenstrengelen, en de voeten de duizendschonen onder het kruipend kamil drukten. Kains Landstreek scheen ene schetze van het voorheen zoo zalige Paradyz. Hier is het werwaarts het broederpaar zig heen begeevt. Zy treden te zamen na dezen lievelyken oort. Lieve Habel! gaat gy met uwen Broeder naarGa naar margenoot+ buiten! wat onheil wagt U, onnozelen, die onder 's Broeders onthaal zoo in uwen schik zyt! wat dodelyk onheil wagt U hier! Er schuilt, er schuilt een vergivtige adder onder het lagchend gras.
Wyk Habel! wyk onnooz'le voor uw' Broeder!
Wat moogt gy hem verzellen in het veld,
Als waar hy uw bevryder en behoeder?
Zyn nydig hart heeft uwen moord besteld.
Habel begint te spreken van de goedheid des Lands, en ziet in het minste spruitjen de oneindige Almagt, en eeuwige Wyzheid des goeden Scheppers uitstralen. Hy tragt zynen Broeder van | |
[pagina 48]
| |
het Schepzel tot de volmaakte oorzaak der geschapenheden, die hem door zoo vele weldadigheden tot zyne gemeenschap nodigt op te leiden. Maar dit kan niet anders dan de trotzheid van Kain, die van zynen jongeren Broeder gene zedeleszen dult, in hete toorn onsteken. Zyne verbolgenheid word hard. De Satan port hem nu eindelyk den lang bedagten Broedermoort te volvoeren. Dus zou hy zyn Eerstgeboorte regt handhaven. Goede God! hy ziet Habel aan met ogen rood van wraak. Hy rukt in de losbarsting zyner woede, terwyl de geweldhebber der Wereld zyne armen versterkt, enen boom uit den grond, breekt denzelven voor zyne kniën, grypt het zwaarste eind in de hand, en slaat met enen slag zynen onschuldigen, onnozelen, en op geen kwaad Ga naar margenoot+bedagten Broeder, zodanig op het hoofd, dat het brein en bloed den Moordenaar in het verbolgen aangezigt spat . . . . . Helaas! . . . . . . Habel geevt enen schreeuw! . . . . . Hy valt! . . . .
En God, die met zyne alziende ogen,
Het feit beschouwt uit 's Hemels Paradyz,
Rukt Habels ziel ontbonden naar den hogen,
Daar ze eeuwig leevt op herelyker wyz.
Daar ligt nu de vermoorde onnozelheid! . . .
Zy viel ter aarde neêr, gelyk door dondervlagen
Een hoge Cederboom ter neder word geslagen.
Daar ligt d' onnozelheid, door 's broeders euvelmoed,
Gewenteld in het brein en in onschuldig bloed,
Een eeuw'ge duisternis bedekt haar stervende ogen:
Haar rode mond word blaauw met lootverw overtogen,
En 't aangezigt verliezt al zyn bekoorlykheen:
Gelyk een bloem, die, door den Mayer afgesneen,
Ligt neêrgevallen in het stov en slyk der paden.
En geur en kleur en glanz verliezt uit hare bladen,
| |
[pagina 49]
| |
Het hoog gebergte zag het stuk, en klaagt en weent.
De Pison, opgesierd met goud en ryk gesteent,
Vlood van den schrik te rug, en 't aardryk riep van ond'ren,
En deed zyn stem om wraak in 't oor der Godheid dond'ren,
Die neder kwam en 't bloed hing tot een eeuwig merk
Van Habels onschuld, aan den Hemel van Gods Kerk.
De rook van uw bloed, gelovig gestorvene Habel! klimt tot uwen Verbonds God. Die zal zig van dien misdaad aan Kain wreken. Die . . . maar ginds daalt alrede de vergramde Godheid, gereed om de Phiolen harer toorne over den Broedermoordenaar uittestorten. Alles weerlicht op hare aankomste. Kain vlugt . . . de ontzaggelyke Heer, by wien ene vrezelyke Majesteit is, houdt hem door zyne donderende stemme staande.Ga naar margenoot+
Sta boze Broedermoorder!
Sta Godsdienst rustverstoorder!
Waar vlugt gy zoo verwoed,
Na 't godlooz plengen van onnooz'len Habels bloed?
Verbeet ooit Wolv verwoeder,
Een Lam, dan gy uw' Broeder?
Wat vlugt gy Kain? neen
Blyv staan. God roept u zelv: waar vlied gy Kain heen?
Kan hy God antwoord geven?
Waar is uw Broêr gebleven?
Dus vraagt God: maar, helaas!
't Bescheid, dat Kain geevt is teffens booz en dwaaz.
Nog regeert vermetele trotzheid het wraakgierig hart des Broedermoorders. Nog poogt hy zynen Rigter te trotzeren. Wat weet ik het, zegt hy, waar mynen Broeder is . . . ben ik gesteld om op mynen Broeder te paszen? | |
[pagina 50]
| |
Ga naar margenoot+Wagt, goddeloze! Wagt
Al vraagt het God, hy weet wat moord gy hebt volbragt,
De bloedstem heeft te voren
Geklonken in zyne oren.
Daarom zyt gy verdoemd.
Vervloekt zyt gy, die 't kwaad met leugens nog verbloemt.
Maar, is het niet eigen aan de snorkende waan, dat zy, door hogen magt vernederd, in lavhartigheid, en vertwyffelde wanhoop verkeert? zoo gaat het thans met 's werelds eerste Moordenaar. Hy hoort zyn Vonnis in de uiterste razerny der Ga naar margenoot+wanhoop. Hy word vervloekt . . . Wat hebt gy gedaan? vraagt God, daar is ene stemme des bloeds uwes broeder dat tot my roept van den aardbodem. Ende nu, zyt gy vervloekt: van den aardbodem die zynen mond heeft opgedaan om uwes Broeders bloed van uwe hand te ontvangen. Als gy den aardbodem bouwen zult, hy en zal U zyn vermogen niet meer geven: gy zult zwervende ende dolende zyn op aarde. De Oort, die gruwelde van dezen doodslag, de Landstreek wel eer de offerplaatz der eerste Broederen, waar nu het bloed van regtveerdige Habel om wrake roept kwynt onder dezen vloek. Kain brult uit.
Myn straffe is zwaarder dan
Ik boze Moordenaar, ik Zondaar dragen kan.
Och! Broeder Habel! Ach!
Onzalig uur! wen ik uw Deugd met nyd aanzag!
Waar berge ik my vol vrezen!
God heeft my reeds verwezen,
Vervloekt voor zyn gezigt.
Dog waar ik henen dwaal, ik dwaal my zelv in 't licht.
| |
[pagina 51]
| |
Wee my! ik word hoe langer
Verlegener en banger:
Ik vlugt naar 't Land van Nod,
Wel verre en wyd van hier, maar nimmermeer van God.
Zoo klaagt hy in zyn zwerven:
En wenscht vergeevsch te sterven:
Maar God begeert, dat hy
Blyvt leven tot zyn straf, en ziele tyranny.
God tekent hem ten voorbeeld,
Dat hy hem heeft veroordeeld:
En zegt: wie Kain slaat,
Ik, ik zal zevenvoud doen wreken zynen daad.
Dool, dool den Broedermoorder!
Gy draagt uw Rustverstoorder,
't Benaude hart altyd,
Dat U van binnen als een vuur, het leven slyt.
Door het gelove heeft Abel een meerder offerande Gode geoffert dan Kain, door welk hy getuigenisze bekomen heeft dat hy regtveerdig was, alzoo God over zyne gaven getuigenisze gav: en door het zelve gelove spreekt hy nog na dat hy gestorven is. |
|