Het beroemde prentenboek naar Struwelpeter(1905)–Heinrich Hoffmann– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 17] [p. 17] VI. De geschiedenis van den wilden jager. Eens trok de wilde jagersman Zijn grasgroen nieuwe pakje an, Nam weitasch, kogels en geweer En ging op jacht. Dat deed hij meer. Hij droeg een bril op zijnen neus En stapte wilder dan een reus, De haas verstopt zich in een kool En is om 't jagertje in den jool. Fel scheen de zon, heet was het weer, Te zwaar werd 't groote schietgeweer, De jager strekt zich uit in 't gras, Dat kwam ons haasje juist van pas, Dat zachtjes naar den jager liep, Toen deze luide snurkend sliep. Het nam 't geweer en ook den bril En liep toen ijlings weg, heel stil. Den bril nu had het haasje net Zich zelven op den neus gezet, En schieten wil het met 't geweer, En ziet, dat vreest de jager zeer. Hij loopt bang weg en jammert: ‘och, Mijn lieve menschen, help me toch!’ [pagina 18] [p. 18] De wilde, wilde jagersman Draaft voort, zoo hard hij draven kan, Tot hij geheel was uitgeput En radeloos sprong in eenen put. De haas schoot toen poef, pif, pof, paf, 't Geweer des wilden jagers af. Zijn vrouw zat rustig op de stoep En dronk er koffie; 't kopje, floep! Dat schoot het haasje stuk, in twee! En 't vrouwtje klaagt nu ach en wee! Maar bij den put zat op het grint, De haas z'n oudste zoon. Dat kind [pagina 19] [p. 19] Dat kreeg de koffie op den neus. Geloof je 't niet? 't Is tòch zoo, heusch! Het riep: ‘Wie heeft mijn neus verbrand? Het doet zoo'n pijn, ik heb het land.’ Vorige Volgende