Briefwisseling van Hugo Grotius. Deel 6
(1967)–Hugo de Groot– Auteursrechtelijk beschermd2161. 1635 juni 27. Van N. van ReigersberchGa naar voetnoot10.Mon frère, Eergisteren heb ick met den ordinaris geschrevenGa naar voetnoot11; desen comt nu over zee bij occasie van een van de domestycke van monsieur d'AvauxGa naar voetnoot12, die wt Pruissen commende hierdeur passeert. Sal alleen dienen om uEd. te verseeckeren, dat de brieven van den 15Ga naar voetnoot13, die ick op saterdach behoorde te hebben gehadt, mij eerst gisteren naermiddach sijn geworden ende dat geopent, gelijck veele andere deselffde fortuyne tot Brussel hebben gelopen, daervan nochtans het pacquet van de Staten, waerom het apparent meest is te doen geweest, vrij is geweest. Wat wech wij voortaen bequaemst sullen vinden, moeten wij examineren. Ondertusschen vinde ick niet quaet, dat uEd. de mijne sent onder het couverte van B.Ga naar voetnoot14, daerdoor alle aen mij voor desen gesonden wel ende seer tijdelijck sijn bestelt. Van ons leger hebben wij niet als lopende tijdyngen ende is hetselve, daer soo naer als hier. Te Rotterdam, daer, gelijck uEd. wt mijnen lestenGa naar voetnoot15 sal hebben verstaen, niet is gevordert, sal ick alle mogelijcke devoiren doen, oock met uEd. broederGa naar voetnoot16 spreecken van het senden van de boucken. Wij en horen noch geen | |
seeckerheyt, dat eenych secours voor den cardinaelGa naar voetnoot1 wt Duytslant comt. Het sal veel wesen, soo dat wert beleth, maer niet al, want, tensij Vranckrijck meerder troupes int velt brenge ende ander diversie maecke, soo laet het hem aensien, dat de grote macht van beyde de geconiungeerde legers door het een water (?) off het ander sullen werden beleth yet van importantie, dat is over de Schelde off aen de zeekant, wt te rechten. Ick en kan niet sien, dat degene, die over de handelynge met Vranckerijck sijn gebruyck, het daervoor houden, dat den conynckGa naar voetnoot2 met Spaengien is gebroocken, ofte van die sijde wert gepresteert hetgene geseyt wert te sijn belooft. Waerover oock geen cleyne onlust is bij veele, bijzonder tegens SerranusGa naar voetnoot3, aen denwelcken tot tweemaal bij CimonGa naar voetnoot4 is zeer scherpelijck geschreven, dat hij niet weynych is verwondert, dat ManliusGa naar voetnoot5 soo veel hadde belooft, hij hem nu hout off alles waer gepresteert ende nochtans soo weynych effecten sijn gevolcht. AristotelesGa naar voetnoot6 sal oock van deselffde materie op deselffde maniere schrijven, hetwelck uEd. can dienen om te weten, dat Cimon hem niet hout voldaen van VindexGa naar voetnoot7, veel min van Manlius, dewelcke door te veel toeseggens op de belofte van anderen sijn selven dieper heeft geïntriceert als hij voorsichtelijck had behoren te doen. Waervan hij groten ondanck dragen sal, ende sijne saecken, die andersints niet goet en sijn, meer ende meer veraachteren. Waeromme oock seer bedenckelijck is, off IrenaeusGa naar voetnoot8 in dese constitutie van tijt IustinusGa naar voetnoot9 behoort te wenschen met Serranus in nader intelligentie gebracht, ende off niet beter is, dat Stellae broederGa naar voetnoot10 sijn selve dieper inwickele, sonder dat hij van FelixGa naar voetnoot11 eenyge addresse ontfange. Andersints hadde IovinianusGa naar voetnoot12 daervan al beginnen te spreecken, maer wert considerabel geacht, off men sonder GracchusGa naar voetnoot13 dat bij de hant sal nemen, hetwelck in alle gevalle bij veranderynge vanselffs sal werden geredresseert, ende is niet apparent, dat Serranus bij VerusGa naar voetnoot14 langer als een iaer sal blijven. Doch dat sijn maer coniecturen, die door veranderynge van tijt ende saecken oock connen veranderen, dewelcke ick evenwel hebbe willen aenroeren om, mijn consideratiën uEd. mededeelende te toonen, dat op de saecke van ConstansGa naar voetnoot15 wel wert geleth. Sal met mijn gebiedenisse eyndygen ende uEd. schrijven dickwels ende van alle saecken verwachten. UEd. dienstwillygen broeder
| |
Desen 27 Iuny 1635. | |
NumerianusGa naar voetnoot1 is geweten geweest, gelijck of hij bij faute van verschaffen van eenych gelt oorsaecke ware, dat de schepen, gedistineert om de Spaense te beletten binnen Duynkercke te commen, niet tijdelyck in zee sijn geraeckt. Doch heeft hij hem bij Aristoteles tot contentement daervan gepurgeert met redenen, dat de schepen onder hem horende contentement was gegeven, ende soo degene, daermede sij mosten gaen, seyl hadden gemaeckt, geene van alle difficulteyt soude hebben gemaeckt te volgen; dat niemant van de matroosen een maent ten achteren was, ende dat de capiteynen hadden belooft de reyse te doen, die daervan oock niet souden gebleven hebben in gebreecke. UEd. sal connen oordeelen, wie het pack op de schouderen wert geleyt. | |
Adres: A Madame Madame de Groot Au logis de Monsieur Grotius, Ambassadeur de Swede A Paris. In dorso schreef Grotius: 27 Iuny 1635 N. Reigersberg. |
|