Dichtwerken (deel 1 en 2)(1949-1950)–Guido Gezelle– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 429] [p. 429] Hoe vaart gij Nog een brief Hoe vaart, hoe vaart gij nu, mijn kind, dien 'k, vechtend in de vlagen, weleens, en 't mick mij grootschgezind, heb door end door gedragen: hoe vaart gij nu? Al dikwijls, als bij nacht het waait en 't luchtruim door malkander draait, en d'herteklop wil stille staan van schrik, dan is 't op u da' 'k peize: hoe vaart gij nu? Het zij gij Noord- of Westerwaard, het zij gij Zuid of Oost invaart, het zij gij ... zal 'k, o zal 'k, mijn kind, nadien u eenmaal wederzien, spijts weêr en wind? o Band die herte aan herte bindt, houdt sterk en breekt niet af aleer we, in 't graf eens neêrgegaan, weêrom de blanke veder slaan en stieren door de locht, weêr opgestaan, de blijde tocht naar Hem, die, winkend ons zoo lang misschien, Zijn winken heeft ontzeggen zien, en Zijn' beminde stem! - Hoe vaart gij nu, mijn kind, hoe vaart gij nu? o Zegt het mij, 'k verlang, hoe vaart, hoe vaart gij nu? (Aan Edm. van Hee) 5 Oogst 1860 Vorige Volgende