| |
| |
| |
XIV
De baardman, een schrandere en energieke man, bevestigde den goeden indruk, dien wij bij de eerste ontmoeting gekregen hadden. Zijn desinfectie-afdeeling stond schuin tegenover ons eiland op een landtong aan den breeden betonnen weg door het kamp. Wij gingen er met de geheele plunje heen. Voor hij aan den arbeid toog, toonde hij vol trots hoe zijn installatie functionneerde. In een steenen schuur, die hermetisch afsloot en waar onze kleeren zouden achterblijven, kon hij door buizen phosphordamp ontwikkelen. Wij bevroedden niet, dat men in Duitschland op hetzelfde moment een soortgelijk procédé op menschen toepaste. Ook de baardman had daar stellig geen weet van.
Hij nam ons mee naar een andere schuur, waar wij ons uitkleedden en droeg enkele flesschen van een phosphor-oplossing aan.
‘Het zal vannacht wat branden, maar dan bent U er ook van af.’
Wij verhaalden hem het mes avontuur met de ‘Marie-Rose’.
‘Dat bocht klopt iemand geld uit den zak en het helpt niet!’ zei hij.
Ja, hij was Duitscher, uit Berlin-Gesundbrunnen.
| |
| |
Vakvereenigingsman en afdeelingshoofd uit de A.D.G.B. In '34 was hij uitgeweken. Vanaf begin '41 zat hij in dit kamp.
Terwijl hij den inhoud van de flesschen over ons uitkeerde en zorgvuldig over het lichaam verspreidde, praatte hij honderd uit.
In Amsterdam was hij een paar keer geweest. Fimmen en Sneevliet had hij goed gekend.
‘Hörner!’ had Fimmen hem in Januari '33 gezegd. ‘Blijf in Holland. Het gaat mis bij jullie.’ Met veel moeite was hij later over Zwitserland naar Frankrijk gekomen. Twee jaar was hij hier al. Bijna gek was hij geworden in het begin, door het zelfbeklag van de medegevangenen en zonder werk.
‘Ik ben nu eenmaal een vlijtige Duitscher!’ lachte hij. ‘Een mof, zooals men bij jullie zegt.’
Wij kregen een deken om het middel, die wij met een touw vastsjorden en ook een deken over de schouders. Hier en daar hadden stukken huid losgelaten. Maar we waren opgelucht door de vernietiging van de kwelgeesten en dankten den goeden Hörner, die er zeker weinig aan doen kon dat hij een mof was en hier bij Joden en Spanjaarden alleen maar een nuttig werk verrichtte.
‘Loopt maar eens aan, als U het koud hebt!’ noodigde hij joviaal uit. ‘Ik heb een stuk barak hierachter, waar de kachel brandt.’
Als twee Arabieren, liepen wij over den betonnen weg naar de barak terug.
‘Laten wij dien man te vriend houden!’ zei Reinier. ‘Als hij twee jaar hier is, kent hij dit kamp op
| |
| |
zijn duim. Wij hebben meer aan dezen luizenverdelger dan aan Dr. Breitenstein en de oude Hollandsche schilderkunst!’
‘Ik zal wel met hem over vakvereenigingen praten!’ stelde ik voor. Eigenlijk behoorde men aan zoo'n mof de pest te hebben. Nu wij met hem achter prikkeldraad zaten, kon ik daar toch niet aan meedoen. Echte pure verzetslieden in Holland zouden mij dit hoogst kwalijk nemen.
In de barak op ons eiland lagen versche stroozakken op het bed. Hörner deed de dingen grondig. Wij deelden de boeken en gingen buiten de barak in de zon zitten. In deze kleedij konden wij toch niet wegloopen. Wij waren hongerig en rookten een cigaret. Het eten in het kamp was slecht. Soep van koolbladeren en soep van koolraap, evenals in Limoges. 's Ochtends bij de broodverdeeling was al ruzie geweest. Men had den goeden Dr. Marcus verweten, dat hij het brood niet eerlijk verdeelde en vrienden bevoordeelde.
‘Ik kan een brood niet grooter maken dan het is!’ had Marcus waardig geantwoord. Nu de vrouwen in het vrouwenkamp waren, ontstonden wrijvingen tusschen de mannen en zij vonden het blijkbaar niet langer noodig zich te beheerschen.
‘Ik laat mij met geen enkele ruzie in!’ zei Reinier. ‘Ze zoeken het maar uit.’
De kleine Corwin was kwaadaardig, omdat men maar drie keer in de week een pakket kon ontvangen in plaats van lederen dag zooals in Nexon. ‘Dat wordt bittere honger, mijne heeren!’ schetterde hij. ‘Bittere honger en dat doen de Franschen
| |
| |
ons aan. In Duitschland zou men dit nooit gedaan hebben.’
‘Hij heeft nog twee volle valiezen onder zijn bed staan!’ meesmuilde Saïdah. Het gekrijsch begon hem te vervelen en hij zette zich naast ons in het gras. ‘Als de oorlog voorbij is, moet U bij ons in Niort op bezoek komen,’ noodigde hij ons uit. ‘Dan gaan wij op de rivier roeien. Er ligt een eiland in. De mooiste plek van Frankrijk!’
Met zijn zware stem beschreef hij het landschap. Hij was ons zeer dierbaar geworden. Zijn goedlachschheid was een verademing temidden van de kibbelende Polen en Duitschers, die zich om het minste geringste verongelijkt voelden.
Het optimisme van Saïdah in deze prikkeldraad-woestenij, waar zijn vrouw en kinderen nu in het vrouwenkamp waren, bedrukte mij toch. Hij zag den oorlog voortdurend als een kwestie van nog enkele maanden en wij durfden hem niet tegenspreken.
‘Dat ik op deze manier nog eens vrijgezel zou worden, had ik nooit vermoed!’ zei hij spottend. ‘U heeft geluk, dat U alleen bent!’ zei hij en staarde naar de Pyreneeën. ‘Als ik werkelijk alleen was zou ik probeeren daarover te komen!’
‘Wij zijn het van plan!’ zei Reinier.
‘Als ik U helpen kan met iets!’ bood hij spontaan aan. ‘Vergeet niet bij mij te komen!’ Hij had iets zeer trouwhartigs en nobels in het donkere gezicht.
Wij stonden op en liepen met zijn drieën naar het prikkeldraad. Achter de eerste haag lag de rails
| |
| |
van het treintje dat de faecaliën 's ochtends weghaalde. In een langwerpige ellips liep de rails om het geheele kamp. Anderhalve meter achter de rails lag de tweede prikkeldraadversperring. Hier stonden de groote booglampen, die 's avonds opvlamden op afstanden van ongeveer vijftig meter. In den drie meter breeden gang, tusschen de twee hagen prikkeldraad, liepen de bewakers op en neer. De derde prikkeldraadversperring was ongeveer veertig meter van ons vandaan. De twee eerste versperringen reikten tot borsthoogte. Niet onoverkomelijk, indien het niet steeds van de bewakers wemelde.
‘U moet den tijd van het afwisselen in de gaten houden,’ zei Saïdah. ‘Dan kletsen ze met elkaar!’ De avondsoep was in aantocht. Wij haalden het eetgerei in de barak op.
‘Hoe ontkomen wij aan de regelmaat van het kampleven?’ dacht ik wanhopig bij mezelf.
Die eerste dagen in Guers hadden wij veel practische zetten te verrichten voor eenvoudige levens-instandhouding, allerlei maatregelen en geloop waar niet aan te ontkomen viel. Behoudens enkele schuchtere verkenningstochten in het bereikbare gedeelte van het kamp kwamen wij geen steek verder. Wij deden de corveeën die ons opgedragen werden, naar behooren en vooral Reinier muntte uit in het schoonhouden van de barak. Het ongedierte waren wij werkelijk kwijt geraakt, waardoor wij al iets vrijer ademhaalden.
Op een ochtend dat ik bezig was mijn bed op te maken kwam Saïdah op mij toe.
| |
| |
‘Er staat een bewaker aan het hek die U spreken wil,’ zei hij.
‘Ik ken geen bewakers!’ antwoordde ik verbaasd. ‘Hij heeft gezegd: een lange Hollander met een bril!’ zei Saïdah.
Er ging mij een licht op. Wij waren het al vergeten. Van het woord van een gendarm verwachtten wij niets meer. Maar deze had dan toch woord gehouden. Ik ging naar buiten en liep naar het prikkeldraad.
Een bewaker op kromme beenen slenterde achter de draadversperring heen en weer, het geweer achteloos over den schouder. Toen hij mij zag aankomen kwam hij aan den anderen kant van de haag tegenover mij staan.
‘De gendarm die U hier heen bracht, heeft mij gezegd dat U eten kunt gebruiken!’ zei hij snel. ‘Ik heb een worst bij mij.’
Hij ging recht op zijn doel af en ik was er blij om. Ik had een zeer grooten trek in worst.
‘Hoeveel?’ vroeg ik.
‘Een kilo!’ zei hij. ‘Honderdvijftig francs.’
‘Goed!’ zei ik. ‘Hoe krijg ik haar.’
‘Zij zit in een zakje!’ zei de bewaker. ‘Ik loop nu naar den hoek van het eiland en gooi haar over het draad. Dan kom ik hier terug en wacht op het geld, dat U in het zakje kunt doen!’
Hij zette zich langzaam in beweging en wierp bij den afgesproken hoek het pakje met een boog in het gras. Ik dook er op af en bracht de schat in veiligheid in de barak onder mijn dekens op de matras. De honderdvijftig francs deed ik in het
| |
| |
linnen zakje. Daarna liep ik naar het hek terug, keek rond of alles veilig was en wierp het zakje naar den bewaker. Hij raapte het op, liet het onder zijn wijde cape verdwijnen en begon weer op en neer te loopen of zijn neus bloedde. De heele operatie had nog geen vijf minuten geduurd. Graag was ik een verder gesprek begonnen. Doch hij scheen er niet op gebrand, want hij wandelde langs de rails door naar zijn collega bij de volgende lantaren en begon een praatje.
‘Geen vriendelijke kruidenier!’ dacht ik bij mezelf. ‘Vraagt niet eens of er nog iets noodig is.’ Ik liep terug naar de barak, sloeg de dekens op en bekeek de worst met liefderijke blikken.
Reinier kwam terug uit de apotheek. Zijn vingers waren nog steeds open van den val in Nexon. Ik had er in mindere mate last van.
‘Er is wel een groote apotheek hier!’ zei hij sceptisch, ‘maar er is niets in!’
Ik sloeg de deken op en liet mijn vangst zien.
‘Hoe kom je er aan?’ vroeg Reinier argwanend.
‘Van een bewaker door het prikkeldraad gekocht,’ zei ik. ‘De vriend van den gendarm uit den trein.’
‘Onze relaties met de politie gaan vrucht afwerpen!’ spotte Reinier.
Wij sneden een stuk van de worst af en gaven het Saïdah. Verder besloten wij zuinig te zijn met de rest en er een week mee te doen. Iederen dag een schijf. Met een mes zetten wij strepen op het worstvel. Op onze ochtendboterham sneden wij de schijf voor vandaag nog eens door. Zoo leek het meer.
| |
| |
Het was een goede worst met een snuifje knoflook en wij aten onze portie langzaam en aandachtig op. Sinds de kip van den zigeuner Ferraz hadden wij zoo iets lekkers niet meer geproefd. Wij liepen in de zon langs het prikkeldraad, maar ik zag den bewaker niet meer. Blijkbaar was zijn dienst afgeloopen. Op zijn plaats stond nu een ander.
Na een half uur kreeg ik weer trek in worst. Doch dat zei ik niet.
‘Stel je voor,’ begon ik tegen Reinier, ‘dat ze haar gappen. Gisteren zijn er ook cigaretten in de barak gestolen!’
Wij haastten ons naar de barak terug. Ik sloeg de deken op. De worst lag onaandoenlijk in het papier, waarin ik haar gewikkeld had.
‘Als wij er nog een schijf afnemen!’ zei Reinier, ‘dan hebben wij tenminste wat gehad, wanneer zij haar werkelijk stelen!’
Ik wachtte op die verlossende woorden en sneed oogenblikkelijk weer twee schijven af. Wij moesten terugkomen in de apotheek. De dokter, een medegevangene, wist misschien toch nog iets voor de open handen.
‘En de worst?’ vroeg Reinier.
‘Ik zou haar in mijn tasch kunnen meenemen!’ stelde ik voor.
‘Dat wordt te gek!’ zei Reinier.
Het ding werd hinderlijk. Al onze gedachten draaiden om de worst. Het bezit werd al weer kwellend.
‘Laten wij haar maar opeten!’ zei Reinier, ‘dan zijn wij er tenminste van af!’
| |
| |
Door die kleine stukjes hadden wij voortdurend meer trek gekregen.
‘Wij kunnen veel beter één keer werkelijk iets goeds eten. Dan teeren wij er wel een week op!’ sloot ik mij opgelucht bij zijn voorstel aan.
Ik was blij dat ik de kleine schijfjes, met strepen aangeduid, kon overslaan en hakte de worst resoluut middendoor. Wij gingen met ons deel in het gras zitten met den rug naar de barak, om geen aanstoot te geven. Als twee verscheurende dieren rukten wij het eene stuk na het andere uit de worst, tot zij op was. Zij had geen twee uur geleefd. Hoe lang hadden wij dit primaire gevoel van welbehagen niet meer gekend. Wij staken een cigaret op en stelden den tocht naar de pharmacie tot morgen uit.
‘Dan kunnen wij tegelijk de maag laten schoonmaken!’ zei Reinier.
Wij keken naar de Pyreneeën die woest en onverschillig omhoog reikten en verdiepten ons in mogelijke complotten, die met den bewaker op touw te zetten zouden zijn.
‘Hij moest ons een ijzerschaar leveren,’ zei Reinier, ‘om draad te knippen.’
‘Zoo raakt hij zijn klanten kwijt!’ zei ik bedachtzaam. ‘Wij zullen eerst nog wat bij hem moeten besteden!’
Nu wij weer echt voedsel geproefd hadden leek het mij raadzaam eerst op krachten te komen voor wij den sprong waagden.
's Avonds wandelden wij met Saïdah naar een verderop gelegen eiland, waar in een barak, met
| |
| |
tafels en banken een café was ingericht. Een vettige man stond achter een bar en verkocht voor vijf francs een strooperig vocht, dat weinig opwindend werkte. Aan de tafels zaten lieden uit alle windstreken van de aarde bijeen. Er liep een groote Belg rond, die erg dik deed over de vele keeren, dat hij uit gevangenissen ontsnapt was. Hij had een landkaartje bij zich, waarop de route naar Barcelona stond uitgestippeld. Als hij vier deelnemers vond die ieder tienduizend francs schokten, wist hij buiten het kamp een relatie die het gezelschap er met de auto heen zou brengen.
‘Over de Pyreneeën!’ vroeg Reinier ironisch.
Dat natuurlijk niet! Een klein stukje moest geklommen worden. In Spanje was aansluiting op een andere auto. Het was een doorzichtige opdringerige tuchthuisboef met veel tatoueeringen op de handen en op de open borst.
Een groep versleten, maar waardige Spanjaarden, zat met kwalijk verholen minachting naar den dikdoener te kijken.
Nadat hij vergeefs trachtte ons voor zijn onderneming te interesseeren, verliet hij onze tafel.
‘Ik zou dien bandiet nog geen tien francs toevertrouwen,’ zei Saïdah zonder omhaal.
‘Zouden er werkelijk stakkers zijn, die er op invliegen!’ vroeg Reinier.
‘Met den dood voor oogen is men tot wanhopige dingen in staat!’ zei ik.
Ik schrok toen ik de woorden er uit had. Saïdah had vrouw en kinderen in het kamp en maakte zich nog steeds illusies. Maar hij was juist verdiept in
| |
| |
het observeeren van het wonderlijke gezelschap en had mijn opmerking niet gehoord of deed alsof.
‘In de ergste achterbuurt van Constantinopel zou men zoo'n triest café niet vinden!’ verzuchtte hij.
Wij stapten op en liepen langs den betonnen weg naar ons eiland terug. Ik keek naar de lantaarns die op regelmatige afstanden hun licht boven de prikkeldraadomheining uitstraalden. Zeker drie kilometer was dit kamp lang, te oordeelen naar de lantaarns. Eén was er uitgevallen. Het zou wel toe val zijn, een kapotte lamp of zooiets. Toch onthield ik het punt in het voorbijgaan. Morgenavond moest ik opletten of hij weer brandde.
Het bezoek aan het café van het concentratiekamp had mij neerslachtig gemaakt. Die atmosfeer van lieden, die zich hier kennelijk op hun gemak voelden en zaakjes deden, zooals men die in de buitenwereld ook deed, had iets stuitends.
‘Het kan niet. In een werkelijk café is men een vrij man!’ dacht ik.
De Spanjaarden, dat was iets anders. Voor hen was het afwachten. Zij konden nergens heen. Deze oorlog beteekende niets voor den afloop van den hunne. Als Franco zich neutraal handhaafde, kwam hij er slechts steviger door te paard.
Slenterend langs het prikkeldraad bracht ik den volgenden dag op ons eiland door. Ik was van plan den bewaker aan den tand te voelen over de naaste omgeving van het kamp. Al zou hij niet zoo ver gaan om ons practisch bij de ontsnapping te helpen, misschien kon hij een aanwijzing geven, die van nut kon zijn. Maar het bleef bij uitkijken.
| |
| |
Hij daagde niet op. 's Avonds wandelde ik met Reinier langs den betonnen weg door het kamp. De lantaarn die de avond tevoren niet brandde, was opnieuw in donker gehuld. Ook maakte het stuk kamp ervoor een onbewoonden indruk. Wij besloten er spoedig een speurtocht naar te ondernemen. Langer dan een week waren wij al in het kamp en nog geen enkel punt hadden wij ontdekt, dat eenige hoop gaf. In bed kon ik de slaap niet vatten. Ik besefte dat de Duitschers zoodra zij zich in dit vroegere onbezette Frankrijk goed geïnstalleerd hadden, zich met den inhoud van de kampen zouden bemoeien. Zij gingen veel te grondig te werk om zooiets na te laten. Het werd tijd dat wij haast maakten, nu wij nog in Fransche handen waren.
Ik nam mij voor Hörner met den baard op te zoeken en draaide mij van de eene zijde op de andere, zonder in te slapen. Het was gaan regenen. Het gesnurk van de anderen werd vergezeld door den neerdruilenden regen die eentonig op het dak van de barak tikte. Het maakte mij voortdurend droefgeestiger en hopeloozer.
Daar lagen wij, opgesloten achter een versperring, beschenen door lampen en bewaakt door heen en weer slenterende bewakers met geweren. Als wij niets deden was het eenige perspectief de langzame dood. Wanneer het niet door de Duitschers geschiedde, zou de honger zeker raad met ons weten. Wij waren gewogen voor een extra maaltijd. Ik woog juist iets boven de honderd pond, maar Reinier was er al onder en kwam er voor in aan- | |
| |
merking. Het zou nog minder worden als er geen uitkomst opdaagde. Ik voelde mij heel klein en nietig in den duisteren nacht bij de trieste regenvlagen tegen de barak.
‘Als ik nu kon bidden!’ dacht ik ineens vertwijfeld.
Maar het volgende moment schaamde ik mij.
‘Altijd ben je een opstandeling geweest!’ veegde ik mezelf de huid uit. ‘Nauwelijks besef je, dat je eens goed in de misère zit of je wilt op de knieën kruipen, omdat je bang wordt voor het groote niets. Bah.’
Ik voelde aan mezelf of ik het nog wel was, die op dit bed in de duistere barak lag en schrok. Ik zag mezelf op de knieën en schoot in den lach.
Als een heiden was ik opgegroeid. Geen gebed kende ik. Het groote dikke boek had ik nooit gelezen, behalve Job, dat een vriend mij eens had aangeraden. Een aangrijpend verhaal en Jobs verontwaardiging deelde ik, maar waarom hij ten slotte toch weer het moede hoofd neerlegde in den schoot van het wezen, dat toestond, dat hij zoo afschuwelijk beproefd werd, was mij nooit duidelijk geworden.
Met dit avontuur hadden wij hoogstens onszelf beproefd. Al stond het er hachelijk voor, nu was het een bijzonder baatzuchtige geschiedenis, hulp te vragen aan een instantie, waarvan ik niet in het bestaan geloofde. Dit kwam neer op mijzelf voor de mal te houden en de moeilijkheden in de werkelijkheid op een oneerlijke wijze van me af te schuiven.
| |
| |
Door het barakvenster zag ik, dat het begon te dagen en ik stapte het bed uit. Ik had behoefte alleen te zijn, desnoods in den regen. Ik kleedde mij aan en schoot mijn jas aan. Buiten waren de Pyreneeën nog maar nauwelijks zichtbaar. Het bovenste gedeelte was door regenwolken omhuld. Alleen de donkere benedenmassa van de bergen zakte er onder uit. In den stillen ochtend luisterde ik, bij het prikkeldraad naar den neersuizenden regen. Ik hoorde de langzame voetstappen van een bewaker. Hij draaide zich om, zag mij staan en kwam op mij af. Het was de bewaker die mij de worst verkocht had.
Hij groette vriendelijk en wij maakten een praatje. ‘Het moet nu mooi zijn daar in de bergen!’ zei ik met een hoofdknik.
Hij zweeg en schudde den regen van zijn cape.
‘Zou het lastig zijn er te komen?’ ging ik tot den aanval over.
‘Ik heb witte boonen bij mij!’ weerde hij af.
‘Alleen maar een kruidenier!’ dacht ik.
Hetzelfde manuaal van eergisteren voltrok zich. Met minder haast en voorzorgen, want er was in het kamp nauwelijks iemand op de been. Zijn collega verderop stond in het wachthuisje. In de barak stortte ik de boonen in mijn tasch en keerde naar het hek terug, waar ik hem den zak en het geld gaf.
Hij was minder gehaast dan den vorigen keer. Ik vertelde hem in groote lijnen hoe wij in Guers terecht kwamen en dat wij zoo dicht bij het doel niet van zins waren te blijven stagneeren.
| |
| |
‘Wij moeten hier uit, hoe dan ook!’ besloot ik.
‘Als U in Mauléon bent komt U er wel!’ zei de bewaker. ‘De aartspriester daar, is zelf twee keer krijgsgevangene in Duitschland geweest en ontsnapt. Die weet er wel raad mee!’
Ik knoopte het goed in de ooren.
‘Zonderling, dat ik na dezen nacht dadelijk naar den aartspriester verwezen word!’ dacht ik.
‘Hoe komen wij in Mauléon?’ vroeg ik.
Hij wees één van de witte huizen aan bij den voet van de Pyreneeën.
‘Als U daar aanklopt, wijst men U wel verder!’
Hij sprak met het hooge nadrukkelijke accent van de Basken.
‘Nu dichter bij huis!’ spoorde ik mijzelf aan.
‘Valt hier uit weg te komen!’ vroeg ik.
Het gesprek naderde zijn eigen domein. Tot dusver was hij toeschietelijk geweest.
‘U moet het moment goed kiezen!’
‘Wat is het beste moment?’
‘'s Avonds bij het wisselen van de wachten om tien uur. Wij staan dan meestal met elkaar te praten. Zoo heeft U anderhalf uur den tijd voor het avondappèl en den heelen nacht voor U om in de Pyreneeën te komen!’
Hij werd onrustig en begon om zich heen te kijken, maar er was geen mensch in zicht.
‘Nog iets practisch!’ flitste door mijn brein.
‘Een schaar om draad te knippen!’ zei ik. ‘Kunt U ons die bezorgen?’
‘Wij worden gefouilleerd voor wij in dienst komen,’ zei hij. ‘U loopt wat hard van stapel!’
| |
| |
‘Hij liegt!’ dacht ik. ‘Wel worst en witte boonen, maar geen schaar!’
Ik gaf het gesprek een andere wending.
‘Zou U ons doorlaten, als wij het toevallig bij U probeerden?’
‘Wanneer U niet juist door mijn beenen heen kruipt!’ lachte hij. ‘Ze zijn wel rond, maar dat gaat niet!’
Ik lachte zuur mee. Het was een gladde vogel, nu hij er zelf aan te pas kwam. Maar hij was op verdienen uit.
‘Wij hebben een goudstuk voor een schaar over!’ zei ik.
‘Hoeveel is dat?’ vroeg hij bedachtzaam.
‘Tweeduizend francs!’ zei ik.
Hij liep heen en weer en liet zijn gedachten over de zaak gaan. Daarna kwam hij terug.
‘Kan ik het zien, dat goudstuk?’
Ik haalde de pot zalf, die ik steeds bij mij droeg en pakte een goudstuk. Ik veegde het af en liet het hem zien.
‘Hier ligt ons hachje, op de holte van mijn hand,’ dacht ik. Toch wat beschaamd over dezen stuitenden handel.
Hij keek er naar met een blik die Shylock hem niet verbeterd zou hebben en ik borg het weer weg.
‘Ik zal zien!’ zei hij. ‘Al weet ik niet wanneer ik hier weer sta. Het was toeval, dat ik twee keer achter elkaar deze plaats kreeg!’
‘Het wordt een wedstrijd tusschen zijn geldzucht en angst voor zijn baantje!’ dacht ik. ‘Een miezerige geschiedenis.
| |
| |
Rumoer in de barak, kondigde aan dat de anderen op waren.
‘Tot den volgenden keer!’ zei de bewaker en liep naar zijn wachthok terug.
Ik ging de barak binnen en stelde Reinier op de hoogte van het gesprek.
‘Als hij ons maar niet aan de lijn houdt!’ was zijn opinie.
‘Dat merken wij gauw genoeg!’ zei ik.
‘Wat doen we met die boonen?’ vroeg Reinier. ‘Wij kunnen ze niet rauw opeten!’
‘Ik zal aan den baardman vragen, of wij ze op zijn kachel mogen koken,’ stelde ik voor. ‘Wij moeten bij hem ook iets probeeren.’
De gestadige regen, die na het zachte najaarsweer opdaagde, had het kamp in een onafzienbare slikmassa veranderd. Op de paden tusschen de toch al troostelooze barakken van het eiland zakte men over de enkels in de kleverige modder weg. Bij de waschbakken in de open lucht heerschte een onafgebroken gescheld en getier van de magere uitgeteerde mannen die weggleden terwijl zij trachtten zich te wasschen. Alleen op de toiletten zat men min of meer droog. Een soort van overdekte voetbaltribunes, met gaten in de banken. Zij waren 's nachts door lantaarns verlicht om de bewakers het toezicht te vergemakkelijken. In alle vroegte kwam het treintje langs de ringbaan om het kamp en haalde den oogst op.
De barakgenooten die in Nexon nog een welvarenden indruk maakten begonnen in Guers af te zakken. Zij werden overspannen en geprikkeld en
| |
| |
maakten ruzie om een bagatel. Het gezag van Marcus werd herhaaldelijk omstreden en hij geloofde het verder wel. Hij was met zijn keurige plus-fours aan een hek blijven haken. Hoewel zijn vrouw het gat zoo keurig mogelijk gerepareerd had begon hij zich gehinderd te bewegen. Allen daalden geleidelijk naar een staat van haveloosheid af. De modder versnelde het tempo.
Er waren werkploegen op het eiland samengesteld, die graafwerk verrichtten. Met list hadden Reinier en ik ons daarbuiten gehouden. Wij wilden de kleeren zooveel mogelijk sparen voor het groote moment en ons bovendien zoo weinig mogelijk vermoeien. Reinier had de wandelsport ook al geruimen tijd afgeschaft.
Wij werden zelf vlug geïrriteerd. Een keer bij de avondcorvee, vloog ik een man aan die mij den doorgang versperde toen ik de bus met het eten droeg. Ook had ik het met den arbeidsleider aan den stok gehad, een druk doenden Duitscher, die met hooge kaplaarzen aan, de monocle in het oog geknepen, toch nog zooveel mogelijk de tradities van zijn vaderland wilde hooghouden. Eén duidelijk antwoord bleek voldoende om hem uit de buurt te houden. Hij riskeerde zijn prestige niet aan een tweede treffen.
Achteraf lachten wij om zoo'n zotte vertooning, maar het was toch een veeg teeken. Wel sprokkelden wij hout in het kamp om een bijdrage aan de kachel in de barak te leveren. Dit kwam neer op het zoo onopvallend mogelijk afbreken van stukken hout van hekwerk en andere kampinstallaties.
| |
| |
Wij zwierven daarbij door de andere eilanden. Op die tochten mat ik overal den afstand tusschen den grond en het eerste prikkeldraad daarboven. Het werd zóó'n gewoonte, dat zelfs wanneer ik met iemand in gesprek was, mijn blik voortdurend naar het prikkeldraad af dwaalde. 's Nachts droomde ik er van, dat ik niet uit het draad kon loskomen. Dien eersten regenachtigen avond kookten wij 's avonds in de hut, die Hörner bewoonde. Hij had een niet al te groot stuk van een barak afgeschoten, dat hij goed warm kon houden. Wij bereidden de witte boonen in een ijzeren pot op zijn kachel. Hörner had een stukje spek en het werd een waar feestmaal.
Ik praatte met Hörner over zijn tijd in de vakvereeniging. Na het eten gaf Reinier een zwenking aan het gesprek.
‘U bent al zoo lang in dit kamp!’ zei hij. ‘Weet U waar het prikkeldraad het oudst is?’
‘Wij willen er uit,’ verduidelijkte ik. ‘De Pyreneeën over.’
Hörner legde zijn pijp neer.
‘Dat is nogal wat!’ zei hij en dacht na.
‘Er is een onbewoond eiland in het kamp, een driehonderd meter verderop. Eiland L. Zoolang ik hier ben, huist daar al niemand meer. De deur van de achterste barak staat open. Als U daar de toestand eens bekeek.’
‘Aan de Zuid- of de Noordzijde?’ vroeg Reinier. ‘Aan de Noordzijde!’ zei Hörner. ‘Twee eilanden voorbij mijn desinfectie-barak, op weg naar het vrouwenkamp!’
| |
| |
Stom, dat wij daar niet eerder aan dachten. De Pyreneeën hadden de vluchtplannen van den beginne af geïnspireerd en de zwerftochten door het kamp op zoek naar een zwakke plek waren tot de Zuidzijde beperkt gebleven. Daar vandaan was het trouwens de kortste afstand. Misschien werd de noordzijde minder scherp bewaakt. Aan die zijde had ik ook de uitgevallen lantaren opgemerkt.
Er werd op de deur geklopt en een man trad binnen in druipende plunje.
‘Een Beier!’ zei Hörner. ‘Een kameraad. Wij kunnen rustig doorpraten.’
Het was een lange man, die een volkomen afgestompten indruk maakte. Hij trok zijn bemodderde schoenen uit en zette ze bij de kachel.
‘Hollanders!’ stelde Hörner ons voor. ‘Ze willen er uit. De Pyreneeën over.’
‘Onmogelijk!’ bromde de man. ‘Daar zijn beren en wolven op 't oogenblik.’
Wij schoten in den lach. De man bemoeide zich verder niet met het gesprek. Hij maakte een half verdwaasden indruk en viel spoedig in slaap, het hoofd op de uitgeteerde borst. Wij namen afscheid van Hörner en dankten hem voor zijn raad. Het was nog geen negen uur.
Wij liepen over den betonnen weg in den regen. De stevige maaltijd had ons goed gedaan en de tip van Hörner over het onbewoonde eiland had de hoop verlevendigd.
‘Als wij eens dadelijk gingen kijken!’ zei Reinier. Wij bleven staan. Uit een barak klonk gezang op. Het was Chanoekah-feest. Saïdah had ons mee- | |
| |
gevraagd, doch wij hadden al met Hörner afgesproken. Het droefgeestige gezang drong met flarden tot ons door in de winderige regenvlagen.
‘Van den Bijbel ken ik alleen maar Job en van de Joden weet ik niet eens wat Chanoekah is,’ dacht ik bij mezelf. ‘Ik zal wel nooit ergens bij hooren.’ Wij liepen langzaam door in de richting van de eilanden voorbij Hörners desinfectieloods. Wij kwamen bij den tweeden ingang en schoten vlug het onbewoonde eiland binnen. Daar bukten wij ons, tot wij tusschen de barakken liepen. De uitgevallen lantaren bevond zich bij het einde van het eiland achter de laatste rij barakken. Wij tastten de rij af tot wij de geopende barak vonden. Die zou ons als basis kunnen dienen. Er lagen blokjes hout op den vloer en Reinier raapte er een op.
‘Het kan van pas komen!’ Hij legde het weg in een hoek.
Wij gingen de barak uit en naderden voorzichtig het prikkeldraad. Wij kropen er langs, beschermd door de duistere plek van de uitgevallen lantaren. Reinier tastte het onderste prikkeldraad af.
‘Dit hangt slap!’ fluisterde hij en bleef op de hurken zitten tusschen twee palen. Wij sloopen naar de barakken terug. De bewaker bij de volgende lamp had niets opgemerkt. Wij verlieten het onbewoonde eiland.
‘Het moet hier mogelijk zijn!’ zei Reinier op den betonnen weg. ‘Met blokjes hout, valt het draad iets omhoog te drukken. Een schaar zou beter zijn. Voor verderop. Wat daar is, moeten we nog afwachten!’
| |
| |
Wij kwamen weer voorbij de barak, waar het gezang uit opklonk, triest en aangrijpend.
‘Dat zij nog kunnen zingen!’ zei Reinier.
Ik zweeg. Ik had mij in den afgeloopen nacht genoeg met den godsdienst bezig gehouden. Ook werd ik nu te zeer in beslag genomen door het perspectief, dat Hörner's raadgeving voor ons geopend had.
‘Als ik die schaar maar van onzen leverancier los kan krijgen!’ verzuchtte ik.
‘Wij kunnen nog even afwachten, maar niet lang meer!’ zei Reinier. Hij sprak weer op de resolute manier als in het begin van den tocht. Wij kwamen voorbij het strafeiland, dat met meters hoog prikkeldraad omheind was. Bij den nauwen ingang naar den betonnen weg liepen twee bewakers met geweren. Een gewone gevangenis.
‘Daarin komen wij terecht, als het mislukt en ze ons weer pakken!’ zei ik onder den indruk van die nabije mogelijkheid.
‘Wij laten ons niet pakken!’ besliste Reinier.
Ik keek den volgenden ochtend vergeefs naar den bewaker uit. Het regende heviger dan gisteren. De Pyreneeën gingen bijna geheel in de wolken schuil. 's Middags kwam de rabbijn Rosenthal, uit Frankfort, in de barak. Een flinke besliste man, die naar ons vroeg.
‘Er is een landgenoot van U gestorven uit Amsterdam. Hij lag al een maand in het ziekenhuis!’ ‘Waaraan?’ vroegen wij. Wij hadden wel landgenooten op andere eilanden ontmoet, maar geen van hen had ons van dezen zieken man verteld.
| |
| |
‘Waaraan!’ zei de rabbijn verstoord. ‘Waaraan sterven de menschen hier! Honger, uitputting!’ Wij beloofden op de begrafenis te komen, den volgenden ochtend om elf uur. Ik was nog nooit in mijn leven naar een begrafenis geweest. Onder deze omstandigheden was het vanzelfsprekend. Ik hield niet van den dood, al van mijn jeugd af, toen ik dicht bij een kerkhof woonde en altijd den adem inhield, wanneer in den tijd van de Spaansche griep weer een lijkstoet voorbij kwam. Nu wij hier in dit kamp van den dood verbleven, onderging ik hem als iets dat dicht in de buurt was en ook ons deel kon worden, al vond ik hem nog steeds afschuwwekkend.
Doch de ontsnapping, die ons in bezit nam liet ons weinig aandacht voor ontroering en philosophie. 's Middags gingen wij met een paar stukjes hout in de handen om den indruk te geven alsof wij brandstof zochten, op weg naar het onbewoonde eiland.
Langzaam liepen wij daar in den regen van barak tot barak, ijverig naar den grond turend. Nu en dan raapten wij een houtschilfer op. De bewaker aan den anderen kant van het draad liet ons begaan. Los hout verzamelen in het kamp was toegestaan. Hij gooide ons zelfs een stuk hout toe, dat buiten ons bereik achter het prikkeldraad lag.
‘U mag het eerst wel drogen!’ riep hij.
‘Ja!’ zeiden wij dankbaar en zochten verder. Ondertusschen namen wij den grond tusschen de twee palen, die wij hadden ontdekt, goed op. Iets voor het prikkeldraad glooide het terrein omlaag naar de
| |
| |
rails toe. Oud prikkeldraad zat aan de palen. Dik waren wij niet. Het eenige voordeel van den honger. Wij keken elkaar bemoedigd aan. Ook in de tweede rij prikkeldraad, schuin tegenover de eerste, was de opening boven den grond iets grooter dan gewoonlijk. Wij hadden genoeg gezien en wandelden met het natte hout naar de barak op ons eiland terug.
Een poovere stoet vergezelde den volgenden dag onzen landgenoot naar het kerkhof, aan het einde van den betonnen weg, nog juist binnen de omheining van het kamp, bij het dorp Guers. Een moerassig stuk land, waarop een laag zand was aangebracht die niet verhinderen kon, dat het versch gedolven graf met water stond. Drie duizend graven lagen op die kleine ruimte dicht bijeen. Hier en daar eenvoudige houten kruizen, glimmend in den regen. De Spanjaarden hadden de grootste tol aan die maccabere plek betaald.
De rabbijn sprak fel en aanklagend in den stroomenden regen. Vertroosting op de eeuwigheid nam bij zijn toespraak geen plaats in.
‘Wij moeten blijven strijden, ondanks de overmacht, om wat van ons nageslacht in deze ramp gespaard blijft, de plaats onder de zon te verwerven, waarop wij recht hebben!’
Als een opstandige schim stond de rabbijn tegen den achtergrond van prikkeldraad en de omwolkte Pyreneeën.
Met holle slagen vielen de kluiten modder van de scheppen van de doodgravers op de houten kist en plonsden in het water. Wij stonden er ontdaan bij.
| |
| |
Wij hadden dezen onbekenden man uit Amsterdam ook kunnen zijn en konden het nog worden. Waarom deze man en wij niet? Wat men bij het graf van een doode voornamelijk betreurt, is dat dit lot onszelf eveneens boven het hoofd hangt. Zoo dicht bij de realiteit schrokken wij niet zuinig voor dat modderig perspectief. Wij maakten iets van een verlegen groet naar het graf en liepen met de schaarsche begeleiders terug.
‘Afschuwlijk!’ zei Reinier strak. ‘Het is tijd, dat wij hier weg komen!’
Het open graf in de modder van Guers lag den verderen dag wagenwijd in onze hersenen. Wij hielden het prikkeldraad op ons eiland voortdurend in de gaten, maar de bewaker daagde niet op. Wij besloten nog twee dagen te wachten. Den avond van den 20sten December zouden wij het wagen. Tegen Kerstavond konden wij bij het laatste stuk van de Pyreneeën zijn. Zoo ver van huis waren de Duitschers dan zeker dronken en zouden niet op iederen vierkanten meter van de Pyreneeën staan. Wij troffen voorbereidselen en ruimden vast uit onze bagage op, wat ballast werd. Er waren groote papieren zakken uitgereikt om in te slapen, nu het natte koude weer begonnen was. Die zouden wij opvullen, den avond van den 20sten en als poppen in de bedden achterlaten, voor wij naar het onbewoonde eiland vertrokken.
Het avondappèl om half twaalf verliep meestal vluchtig. Wij waren in de laatste barak die op het eiland aan de beurt was en de bewakers namen genoegen, wanneer iemand sliep, dat een ander riep:
| |
| |
‘Hij slaapt!’ Veel licht was er niet. Wij zouden Saïdah vragen of hij zich met het roepen wilde belasten. De opgevulde papieren zakken zouden onze lichamen moeten voorstellen.
De laatste dagen voor het groote moment waren wij koortsachtig in de weer. Ons papiergeld ging op aan een sigarettenvoorraad voor den tocht en een stuk vleesch, dat wij den avond voor het vertrek wilden verorberen. Van de boonen hadden wij nog een maal over. Bij Hörner zou het afscheidsmaal van Guers plaatsvinden.
Op den middag voor het vertrek, toen die beslommeringen afgedaan waren, stond ik bij het draad op ons eiland achter de barak. De regen was achter den rug. Het was goed strak weer geworden, maar een stuk kouder dan den eersten zonnigen tijd na onze aankomst. 's Avonds konden wij op wat maanlicht rekenen.
In de verte, hoog op de Pyreneeën waren vuren ontstoken, om het vee van de bergweiden te jagen. De winter kondigde zich aan in dien rossigen gloed, die zich op het netvlies vastprikte.
De bewaker, met wien ik onderhandelingen over de draadschaar had gevoerd, was niet meer verschenen. Op zijn plaats liep een breede kerel met kaplaarzen, die er barsch uitzag.
Toch kon ik niet nalaten een gesprek met hem te beginnen. Ik wees naar de vuren op de bergen en zei:
‘Wat zou ik dat graag van dichtbij willen zien.’ ‘Dat is mogelijk!’ zei de man.
‘Hoe?’ vroeg ik.
| |
| |
‘Voor twintigduizend francs laat ik U er door!’ zei hij onbewogen.
‘Die is tenminste duidelijk!’ dacht ik.
Wij hadden bij elkaar nog vijf goudstukken. Buiten het kamp brachten die tienduizend francs op. Ik dacht even na om te onderhandelen, maar zag ineens de plek op het onbewoonde eiland voor mij, die wij al zoo goed mogelijk geprepareerd hadden. ‘Merci!’ zei ik tegen den bewaker. ‘Die twintigduizend francs gaan we zelf verdienen!’
‘Probeer het!’ zei hij kortaf en liep door.
Ik ging naar de barak en vertelde Reinier het korte gesprek. Hij had zijn koffertje verkocht aan een Parijschen antiquair, Schalom, die sinds een paar dagen bij ons was binnengebracht en er rotsvast van overtuigd was, dat men zich slechts bij vergissing aan zijn persoon vergrepen had.
‘U zult zien, binnen twee dagen ben ik er uit,’ zei hij steeds. ‘Mijn vrouw zet alle relaties aan het werk.’ Wij hielpen het hem wenschen, want het was een aardige en geestige man, die met zijn wandelstok en zijn handschoenen wel wat detoneerde in deze armoedige omgeving.
Saïdah had mijn actetasch overgenomen. Ik had hem op een teekening precies aangeduid op welke plek van het kamp wij de poging waagden. Wat wij verder nog aan benoodigdheden meenamen droegen wij in den zak. Reinier droeg de regenjas over het korte wollen jasje dat hij in Nexon had aangeschaft.
Op het laatste moment probeerde Schalom ons nog van onze voornemens af te brengen.
| |
| |
‘U zult zien, de oorlog is spoedig afgeloopen. De Duitschers worden bij Stalingrad verslagen en de Engelschen en Amerikanen staan klaar voor de invasie. Het heeft geen zin meer, nu nog gevaar te riskeeren!’
Wij deelden zijn optimisme niet en namen afscheid. Saïdah drukte ons lang de hand en was zichtbaar ontroerd.
‘Ik zal U erg missen!’ zei hij.
Zelfs in de triestheid van Guers hadden wij samen dikwijls gelachen.
Het was een beklemmend moment. Zonder zijn vrouw en kinderen in het kamp was hij stellig van de partij geweest. Wij voelden ons schuldig tegenover de achterblijvenden toen wij het eiland verlieten.
Hörner had het maal al klaar in de pot op de kachel. Wij aten het vleesch en de boonen langzaam op en vroegen ons af waar wij een volgend keer weer te eten zouden krijgen. Hij stak ons ieder een handvol sigaretten in den zak. Met gebalde vuist, of hij voor een arbeidersvergadering stond sprak hij ons bemoedigend toe, toen wij afscheid van hem namen. Het was negen uur en wij hadden nog een uur voor den boeg. Wij liepen naar het eiland, waar het café lag, dicht bij het onbewoonde eiland.
Wij stapten het café binnen en namen bij den vettigen man achter de bar een glaasje van het zoetige vocht.
Wij keken in het geroezemoes van het rookerige hol naar het drukke gedoe van de menschen aan
| |
| |
de tafels en zeiden niet veel. Beiden waren wij toch wel erg onder den indruk van het moeilijke moment, dat naderbij kroop.
Wij hadden goed gegeten en ik had weer te kampen met hetzelfde weeë gevoel als tijdens den autotocht met den heer Bouman naar de Belgische grens toe. Ik maakte mij zelfs wijs dat wij er in dit kamp eigenlijk niet zoo beroerd aan toe waren en dat er misschien nog wel erger dingen in het verschiet lagen.
Ik waagde een opmerking in de richting van uitstel tegen Reinier, die meteen vuur spuwde.
‘Ben je heelemaal gek!’ zei hij kwaad.
‘We stellen niets uit. We gaan vanavond of ik ga alleen!’
Die verdiende schrobbeering bracht mij bij de werkelijkheid terug.
Waarom mezelf voor den mal te houden? Ik hoorde weer de kluiten modder op de doodkist neerploffen.
‘Er zit niets anders op dan een held te zijn!’ verzuchtte ik. Maar ik vond het verschrikkelijk moeilijk!
|
|