| |
| |
| |
XV
Wij verlieten het café en kwamen op den betonnen weg van het kamp. Bij het zwarte gat van den ingang naar het onbewoonde eiland doken wij naar binnen. Het was ongeveer kwart voor tien. Langzamerhand wisten wij op dit verlaten gebied aardig den weg. Het maanlicht was behulpzaam bij het vinden van de open barak. De deur kraakte even bij het binnentreden. Wij pakten de houten plankjes, die wij in een hoek klaar hadden gezet. Op de teenen liepen wij door de barak naar het venster in den zijwand, waarvan de ruiten stuk waren. Van dat punt vandaan konden wij zien wanneer de bewakers voor de aflossing in aantocht waren tusschen de twee eerste hagen prikkeldraad. Misschien hoorden wij hen ook wel, wanneer zij met elkaar spraken of over de rails liepen. Maar we hoorden noch zagen iets.
‘Zouden ze schieten, als ze ons bezig zien?’ vroeg ik me af en zag nog heelemaal niet in hoe wij het klaar moesten spelen.
Ik keek den anderen kant uit. Vreemd. Zooeven had daar nog een lantaarn gebrand. Nu was die plek donker. Ik stak mijn hoofd buiten de barak. De lantaarns verderop waren eveneens uit.
‘Kortsluiting!’ fluisterde ik tegen Reinier. Wij
| |
| |
liepen door de barak naar buiten. Waar wij ook keken, het geheele kamp lag in 't donker.
‘Vlug,’ zei Reinier en schoot op het prikkeldraad toe. Hij zou wenken als ik komen moest. Ik drukte mij tegen den wand van de barak. Op drie meter afstand lag hij op den grond bij den paal aan het prikkeldraad te morrelen. Door het maanlicht kon ik zijn bewegingen volgen. Geen bewaker werd zichtbaar. Ineens zag ik Reiniers plankje rechtop staan tusschen het draad en den grond. De opening was wijder geworden. Hij stak zijn hoofd er door, vervolgens de schouders. Langzaam schoof hij vooruit. Ik was steeds aan het plan blijven twijfelen. Nu voltrok het zich voor mijn oogen. Ik kroop naar Reinier toe, zonder wenken af te wachten. Zijn schoenen waren er nog niet doorheen of mijn hoofd was er al onder. Ik zag Reinier over de rails kruipen. Behoedzaam, om er niet tegen aan te schoppen. Ik schoof onder het draad door. Er scheurde iets in den rug van mijn jas, maar ik kwam vooruit. Achteraf mochten wij het slechte eten dankbaar zijn. Ik lag voor de rails en reikte Reinier mijn plankje toe. Voorzichtig trok ik het zijne onder het eerste prikkeldraad vandaan. Op een afstand hoorden wij stemmen. Bewakers die in gesprek waren en afwachtten tot de storing voorbij was. Als het licht nu aanging, moesten ze ons wel ontdekken. Ik trilde van opwinding, doch beheerschte mij zoo veel mogelijk en hielp Reinier bij het schuiven van het plankje onder het tweede draad. Wij duwden vertwijfeld en eensklaps lukte het. Even wachtten wij af of wij te veel lawaai
| |
| |
gemaakt hadden met het prikkeldraad, doch de stemmen klonken rustig verder. Wij schoven er de een na den ander onderdoor. Wij kropen een paar meter verder en rustten uit van de opwinding.
Hier lagen wij uit het gezichtsveld van de bewakers naast een paar lage struiken.
Daarna hervatten wij de kruippartij, de plankjes in de hand geklemd. Op den grond voor ons, tastten wij den smallen greppel af, die uit het kamp vandaan onzichtbaar was. Wij waren er voor gewaarschuwd door Hörner, en kropen er overheen. Het licht van de maan wees den weg. In het pikdonker zouden wij misschien weer naar de tweede versperring teruggekropen zijn. Nu zagen wij de laatste draadomheining voor ons naderen. Zij was breed, maar niet hoog. Wij beraadslaagden wat te doen.
‘Klimmen!’ besloot Reinier. Wij stonden op en hielpen elkaar in de versperring, die luchtig was opgetrokken en klauterden er overheen. Hier en daar liepen wij een scheur op. Ten slotte waren wij er uit en stonden op een smallen weg.
Ik keek achterom en zag mijn plankje recht overeind aan het begin van de laatste draadversperring staan. Het was stom, want zooals het rechtop in het maanlicht tegen de versperring aanstond, was het duidelijk waar wij het kamp verlaten hadden. Maar ik dacht niet aan teruggaan om het te verwijderen. Wij waren er uit. Wij staken snel den landweg over langs het kamp en schoten een kreupelbosch in. Na een veertig meter hield het op en kwamen wij in een open grasveld terecht. Wij
| |
| |
waren nog steeds sprakeloos en liepen door het drassige grasland, zonder dat het bij ons op kwam iets te zeggen.
De sensatie dat wij weer vrijuit liepen, was die eerste minuut te overweldigend. Het roerlooze landschap, waarin een enkele boom zich verhief, verhevigde nog de intensiteit van die vreemde gewaarwording. Dit verlengstuk van het leven waarin wij plotseling rondliepen ademde zulk een absolute stilte, dat wij er aanvankelijk beduusd van waren. Zooiets hadden wij sinds lang niet meegemaakt. Langzaam verwijderden wij ons over den drassigen bodem in noordelijke richting van het kamp vandaan. Het duurde zeker tien minuten voor wij de spraak terugvonden. Al dien tijd moesten wij er aan wennen, dat wij het waren, die hier rondwaarden.
Aan de overzijde van het grasterrein liep een glooiïng omhoog van een weeke moerassige substantie. Bij den top bleven wij staan en wendden ons om. De lantarens van het kamp waren weer opgevlamd. Wij konden ons nu oriënteeren. Duidelijk zagen wij den omtrek van het kamp in de ellips van lampen. Er was geen twijfel aan, wij waren er uit.
‘Daar hebben wij weken tegen aangehangen!’ zei Reinier.
Al hadden wij verschrikkelijk geboft met de kortsluiting, toch waren wij wat beschaamd dat wij ons zoo lang hadden laten vasthouden door de suggestie van het prikkeldraad.
‘Dat ontsnappen uit een concentratiekamp zoo
| |
| |
gemakkelijk gaat, had ik nooit durven droomen!’ bekende ik.
‘Pas maar op!’ zei Reinier. ‘Wij moeten nog aan de zuidzijde zien te komen.’
Aan de oostzijde was de ingang van het kamp. Wij besloten de boog om het kamp in westelijke richting te maken, om het dorp Guers heen. Ondanks het lichte victorieuze gevoel, dat zich meester van ons had gemaakt, durfden wij toch geen cigaret op te steken.
Wij vochten ons moeizaam door het struikgewas van het moerassige heuvelachtige terrein, waarbij wij tot over de enkels in den bodem wegzonken. Slechts langzaam kwamen wij vooruit, terwijl wij opzij naar de lampen van het kamp bleven kijken om niet te dicht in de buurt te geraken. Als wij te diep in den drabbigen grond wegzakten veranderden wij van koers naar een drooger gedeelte. Zeker een uur waren wij bezig met ingespannen passen en meten toen wij het eerste huis van het dorp Guers bespeurden. Op een veertig meter afstand verhief het zich in het maanlicht.
Wij beraadslaagden, hoe wij naar het Noorden zouden afbuigen. Nu dadelijk of ook nog den boog om het dorp Guers maken.
‘Het kost te veel tijd!’ hakte Reinier den knoop door. ‘Wij moeten opschieten!’
Achter elkaar slopen wij langs het boerenerf, en bereikten den dorpsweg die door Guers liep, met boerenhuizen aan weerszijden. Wij zagen geen mensch, staken vlug den grindweg over en klommen over een hek heen. Wel kraakte het meer dan
| |
| |
ons lief was en zette een steen zich met geraas in beweging bij het neerspringen, zoodat wij het hart vasthielden, maar daar bleef het bij. Soms blafte een hond bij de huizen waar wij langs zigzagden. Een tijdlang hielden wij ons dan doodstil achter een haag gehurkt en trokken pas verder als het geluid verstomde. Rondom dit bewoonde gedeelte van ons traject was de grond vaster en drooger. Wij slopen gebukt langs een breede heg, die een flinken lap grond afbakende. Aan het eind hielden wij plotseling halt. Voor ons, op nog geen honderd meter afstand, zagen wij ineens het zand van het kerkhof van het kamp, met de houten kruisen erop, onder het lamplicht van de lantarens. Geschrokken, klommen wij over den heg van den akker heen. In tegenovergestelde richting kropen wij door den akker tegen een heuvel op. Aan de andere zijde van den heuvel bereikten wij een moerassig bosch. Het geluid van een beek kondigde een nieuwe moeilijkheid aan. Het water was een vier meter breed en leek te diep om te doorwaden. Wij zochten langs den oever tevergeefsch naar een dam. Ten slotte vonden wij een rij groote steenen, waar het water overheen stroomde. Zij bleken spiegelglad toen wij ons er plonsend door het water overheen repten. Natte voeten hadden wij al en het maakte weinig verschil.
Aan de overzijde van de beek, helde het bosch op gemakkelijken vasten grond omhoog. Wij dwaalden er door en kwamen er uit. De lichten van het kamp waren opnieuw een flink stuk verwijderd. Bovendien schoten wij nu sneller op dan in het moeras,
| |
| |
al gaven de puntige stokken van wijngaarden die elkaar slordig afwisselden soms lastige problemen. De hellingen werden steiler en aan den afstand van de lichten van het kamp te oordeelen moesten wij aan den voet van de Pyreneeën zijn.
Wij ontworstelden ons aan een nieuwe wijngaarde en stonden eensklaps voor een wit boerenhuis, waar alles in diepe rust verkeerde. Wij bliezen uit.
‘Als je het hier eens probeerde!’ zei Reinier. Het was langzamerhand de rolverdeeling geworden, dat hij de technische problemen behandelde, wat hij bij het prikkeldraad op zoo'n bijzonder vaardige wijze had verricht, terwijl ik er aan te pas kwam, als er gepraat moest worden.
Wij konden hier niet steeds blijven ronddolen, doch moesten den bergweg naar Mauléon bereiken.
Ik liep op de deur van het boerenhuis toe, maar bleef er geboeid voor staan en wenkte Reinier.
‘Kijk, wat een prachtige deur!’ zei ik bewonderend en betastte het verweerde eikenhout.
‘Idioot!’ schold Reinier. ‘We zitten hier niet op kunstgeschiedenis. Je lijkt Herr Breitenstein wel!’ Hij had gelijk. Wij waren weliswaar een paar uur op het vrije pad, maar het kamp was nauwelijks een kilometer van ons vandaan. Al hadden we de poppen keurig opgevuld in de bedden achtergelaten, wanneer de ontsnapping ontdekt was, konden de bewakers ons op de hielen zitten.
Ik liet den zwaren klopper eenige keeren op de eiken deur vallen en wij wachtten onzeker af. Eindelijk kwam een vrouwspersoon uit een bovenraam hangen en vroeg wat er aan de hand was.
| |
| |
Zoo dicht bij het kamp kon zij ons niet binnenlaten. Zij raadde ons aan zoo vlug mogelijk voort te maken. Heel duidelijk, legde zij ons uit hoe wij het bergpad naar den hoofdweg voor Mauléon konden bereiken. Wij dankten haar en het raam klapte weer dicht. Ons eerste contact met de samenleving was goed verloopen en het stemde ons hoopvol. Zonder hulp zouden wij er nooit komen. Er waren dus ook goede Franschen, die iemand niet aan de politie verrieden.
Zonder veel moeite vonden wij het bergpad en bereikten den hoofdweg. Hier klopten wij de ergste modder van de kleeren en begonnen vastberaden in de richting van Mauléon te loopen.
Een stevige dertig kilometer lag voor den boeg. Het was zaak de nachtelijke uren te benutten.
Grimmig en zwijgend repten wij ons voort. Het eenige geluid kwam van onze schoenen op den verharden weg. Maar hoe stevig wij den pas er ook inzetten, het leek toch alsof wij niet opschoten. Bij ieder open stuk in de bergen stelden wij vast, dat de ellipsvorm van de lichten van het concentratiekamp zich niet noemenswaard van ons verwijderde. Soms dachten wij dat gehate lichtperk, waartusschen zich al onze misère van de laatste weken bevond, voor goed kwijt te zijn. Doch dan zakte een bergglooiïng en bleven de lichten zich weer aan onze hielen vastklampen. Pas later drong het tot ons door, dat in bergen de afstand dien men aflegt, weinig heeft uit te staan met de zichtbare verwijdering van het punt van uitgang. Wij bleven die lichten bijzonder ontmoedigend vinden en ver- | |
| |
snelden den pas, tot we ze op een gegeven moment definitief kwijt waren.
Wij haalden vrijer adem en verminderden tempo. ‘Pas op!’ waarschuwde Reinier. ‘Het is niet als bij ons. De bergen zitten je gauw in de beenen!’
De maan was achter de wolken schuil gegaan en nu en dan viel er een regenbui. Doch het weer was niet verontrustend. Het eenige bijzondere dat zich op den weg voordeed was een fietser, die ons op een krakende fiets uit tegenovergestelde richting naderde.
Wij drukten ons plat tegen den berm naast den weg en hoorden den fietser voorbijrammelen. Misschien, als hij ons zag, is hij wel evenzeer geschrokken van de twee gedaanten, die zich zoo plotseling in den berm van den weg verscholen en was hij ook erg opgelucht toen hij voorbij was. Vanwege het late uur veronderstelden wij een politieman en daar hadden wij voorloopig genoeg van.
Wij wachtten tot hij voorbij was en kropen uit onze schuilplaats te voorschijn. Wij zetten ons moeizaam in beweging. De klim- en valpartijen van het eerste deel van onzen tocht deden zich gelden. Veel zaaks konden wij onmogelijk meer zijn. Twee uitgeteerde scharminkels, die iedere werkelijke inspanning al lang ontwend waren. Met natte modderige vodden aan de leden en schoeisel dat in de modder van Guers ongeveer den genadeslag had gekregen.
Op het moment na het verlaten van het prikkeldraad hadden wij even het zwevende gevoel, vleugels te hebben, gekend. Na de uren van worsteling
| |
| |
met de bittere realiteit van de moerassen en heggen en dezen eindeloozen bergweg hier, beseften wij heel duidelijk dat wij niet meer waren dan een paar armetierige vogelverschrikkers, met nog steeds den dood op de hielen.
Wij hadden al lang niet meer het tempo van het begin op den hoofdweg en bleven menigmaal staan om uit te blazen. Dan sukkelden wij weer verder en langzamerhand werden iedere honderd meter een krampachtig gevecht.
‘Te bedenken!’ zei Reinier, ‘dat de werkelijke Pyreneeën nog heelemaal aan de beurt komen!’ Wij kwamen aan een kruispunt. Voor ons lag een woest en somber ravijn, dat ons zelfs in het halfdonker al den indruk gaf hoe die werkelijke Pyreneeën er begonnen uit te zien. Op een vermomd richtingbord aan den rand van het ravijn viel te ontcijferen, dat de weg die links afboog naar Montcaillol, de onze was.
Op een vergaan vrachtwagenchassis, dat van den weg verwijderd in het kreupelhout lag, rustten wij uit en rookten de eerste cigaret. Wij schrokten de laatste proviand die wij in het kamp hadden aangeschaft, naar binnen en hielden krijgsraad.
‘Als wij voorloopig eens met Montcaillol inplaats van Mauléon genoegen namen,’ opperde Reinier. Ik zweeg en keek naar het zwarte ravijn voor ons. Ik dacht aan onzen leverancier in het kamp, den bewaker, die mij van het bestaan van den aartspriester in Mauléon op de hoogte had gebracht. Al had ik nooit met priesters verkeerd, een schijf van de aartspriesterlijke ham bij een goeden teug wijn
| |
| |
trok mij wel hevig aan. Als de hoogeerwaarde goed in het pak zat, viel er misschien wel een te leenen, hoewel dat bij nader inzicht eerder een belemmering dan nuttig zou zijn.
Maar zooals wij hier, bemodderd en vermoeid aan onze Gauloises in den regen trokken, begreep ik dat het aartspriesterlijk huis in Mauléon voorloopig onbereikbaar voor ons moest zijn. Een eenvoudige dorpspastoor zou al een bijzonder nuttige tusschenschakel kunnen vormen.
‘Als wij eerst!’ sloeg ik voor, ‘in Montcaillol zien of er een kerk is. Daar wachten wij tot de pastoor aan de klok voor de vroegmis trekt. Is die pastoor voor Vichy, dan ziet het er slecht uit. Is hij goed dan zal hij ons verder helpen!’
Langzaam en stijf van het zitten sloegen wij den weg naar Montcaillol in en bereikten het gehucht na een vertwijfeld half uur van doorzetten. Het was niet veel meer, dan een driehoek met wat huizen en een kerkje in het midden. Wij zigzagden over den weg met suizende hoofden en knikkende knieën.
Bij de kerk rammelde ik aan de deur. Ze was dicht. Reinier ontdekte dat de grafsteenen van het kleine kerkhof om de kerk tot onder het uitstekende dak doorliepen.
Wij kozen er een als ligplaats uit. Het was weliswaar hard, maar droog en wij hadden geen andere keuze. Wij luisterden naar den druilenden regen en kregen het gevoel, dat nog maar zeer weinig ons scheidde van hen, die wij tot op zulk een dichten afstand genaderd waren.
| |
| |
Op korten afstand onderscheidden wij een boschje, waar een verlicht venster doorstraalde. Dit kon van alles zijn. De dorpspolitie of de pastoor verdiept in de studie. Wij wisten het niet. Wij wachtten geluidloos af wat gebeuren ging. Wel werd er in onze buurt uit de richting van het boschje gepraat. Nog al luid. Het leek alsof iemand daar in zich zelf mopperde. Misschien een man, die ontevreden met zijn bestaan, dit heen en weer loopend uitte.
Soms maakte hij een geeuwend geluid, dat in proesten overging, zweeg weer eenigen tijd en gaf vervolgens eenige ondefiniëerbare klanken te hooren, die in een korzelig gesnuif verstierven. Dan hielden wij op den grafsteen onzen adem in, om onze tegenwoordigheid niet te verraden en kwam het eenige geluid van den overvloedig neersuizenden regen. Voor ons gevoel lagen wij daar uren.
Pas bij het lichter worden konden wij de naaste omgeving beter onderscheiden. Ineens deden wij de verrassende ontdekking, dat de achterzijde van het boschje gevormd werd door een varkenshok. De ontevreden in zichzelf pratende en mopperende man, was een dik en rozig varken, dat ons opmerkte en ons met de snuit door de haag van het kerkhof gedrukt, verwonderd uit zijn kraaloogjes aankeek.
Het geluid van schreden op het grindpad naar de kerkdeur, waarschuwde, dat beslissingen naderden. Een vrouw met een wollen omslagdoek stond voor de deur en haalde een sleutel te voorschijn. Zij had ons niet opgemerkt op onze vreemde plaatsen.
| |
| |
Zij opende de deur en ging de kerk binnen. Wij stonden van de grafzerken op en schoten achter haar aan de kerk binnen. De vrouw schrok hevig van onze verschijning en wij niet veel minder van haar ontsteltenis. Wat konden wij beginnen als ze de vlucht nam en alarm sloeg.
Wij stelden haar gerust. Neen, wij waren geen kerkroovers. Slechts een paar vertwijfelde lieden, waarvan de huid op het spel stond. Wij waren Hollanders en ontsnapt uit het concentratiekamp van Guers en wij wilden den pastoor spreken.
De vrouw kalmeerde en beloofde de boodschap over te brengen. Zij luidde de kerkklok en spoedde zich heen.
De pastoor daagde spoedig op. Een kleine kwieke man, die eerst uitvischte met wat voor lieden hij te doen had. Met het bonnetje op het hoofd en het soliede accent van de Pyreneeën in de spraak, stond hij ons zakelijk te ondervragen.
Wij verhaalden ons avontuur en daarna maakte hij weinig omslag.
‘Venez Messieurs!’ besloot hij bemoedigend.
Voor ons uit dribbelde hij over den weg. Wij volgden hem op den voet. Hij loodste ons de plaatselijke herberg binnen. Een verbaasde patroon en diens allervriendelijkste vrouw, die ons meewarig opnamen, gaf hij energieke opdrachten die ons als muziek in de ooren klonken.
‘Geeft U deze heeren goed te eten en te drinken. Inmiddels kunnen zij zich bij het vuur drogen!’ Hij moest naar den ochtenddienst.
‘Later in den ochtend kom ik U halen!’ zei hij.
| |
| |
‘Rust voorloopig vast uit!’ De pastoor liet ons alleen in het café.
Dit was het echte café. Niet de poovere namaak in de trieste barak van Guers. Wij zetten ons aan een tafel bij het haardvuur. Een paar kippen liepen kakelend heen en weer en pikten een graantje uit het stroo op den steenen vloer. Alles deed hier huiselijk en vertrouwd aan. Dit was de goede samenleving, die wij te lang gemist hadden.
De patroon kwam aandragen met cigaretten, glazen en wijn. De vrouw vloeide over van uitroepen als ‘Arme lieden, arme lieden’ en sneed dikke coteletten van een groot stuk vleesch, die ze in het haardvuur bakte, met eieren er op.
Eten en drinken! Hoe had het ons geobsedeerd! Eerst in de oude Napoleontische gevangenis in Limoges, daarna in het concentratiekamp van Nexon en ten slotte in Guers. Soms waren wij beschaamd, dat wij over niets anders meer praatten. Nu werd het voor onze oogen werkelijkheid, of het de gewoonste zaak van de wereld was. De baas kwam met oude broeken aan. Wij trokken de onze uit en droogden ze dicht bij het vuur met de sokken.
De restanten van de schoenen zetten wij onderaan bij den open haard. De goede vrouw haalde naald en draad en repareerde de scheur in den rug van mijn jas, die aan het prikkeldraad was blijven haken.
Wij hielden de voeten dicht bij het vuur en vielen op het eten aan. Wat er nog te gebeuren stond, dit kon niemand ons meer afnemen. Ook dronken
| |
| |
wij een stevig glas landwijn. Wij begonnen al philosophisch rond te kijken en zagen het leven met héél andere oogen dan achter het prikkeldraad. Te bedenken, dat er een oorlog aan den gang was met allemaal dwaze en luide dingen, waar men op de een of andere manier in gesleurd werd. Terwijl men veel beter hier kon zitten in deze gelagkamer van dit cafétje in de bergen, bij goede hartelijke menschen en een plezierig etentje en een glas wijn. Wat een armzalig gedoe al dat heldendom.
De waardin schoof twee gemakkelijke stoelen bij het vuur, waarin wij sliepen naast onze droogende spullen. Toen de pastoor ons kwam wekken was het al middag. Wij borstelden de modder van de kleeren en van de schoenen. Wij namen bijzonder hartelijk afscheid van onze weldoeners en wandelden met den pastoor naar huis.
In zijn studeervertrek stond een nieuwe maaltijd klaar, met veel zorg bereid en keurig gedekt. Wij verorberden de lekkernijen alsof wij nog niets genuttigd hadden. Ondertusschen praatten wij met den pastoor over den tocht door de Pyreneeën die wij tegemoet gingen.
Hij gaf ons den naam van een café in Mauléon, waarvan de eigenaar, de Spanjaard Sanchez passeurs kende, die dit werk regelmatig verrichtten. Daarna trok de pastoor zich terug om ons te laten slapen. Reinier installeerde zich op de rustbank in het vertrek en geholpen door den dikken wijn van den pastoor ging ik spoedig onder zeil in een ouderwetschen schommelstoel. Tegen den avond wekte de pastoor ons opnieuw. Hij was reisvaardig en
| |
| |
vergezelde ons een heel stuk buiten Montcaillol op weg naar Verdoz. Hij legde ons nauwkeurig uit hoe de route verder naar Mauléon verliep. Als niets bijzonders zich voordeed zouden wij er over anderhalf uur zijn.
Maar er deed zich iets bijzonders voor. Voorbij het viaduct, toen wij den spoorwegovergang overstaken wenkte de wachter, die wijdbeens voor zijn baanhuis stond, ons toe.
‘U bent zeker ontsnapt!’ zei de man.
‘Ja!’ zeiden we openhartig. In zijn werkplunje maakte die man allesbehalve den indruk van een politieverklikker.
‘Loopt over de spoorbaan!’ raadde hij ons aan. ‘Daar komt U niemand tegen en de laatste trein is al voorbij!’
Wij dankten hem en togen over de dwarsbalken op weg. Mauléon was een eindpunt en het leek bijna symbolisch, dat wij voor dit laatste traject nog de medewerking van de rails kregen.
‘Het begint ons mee te zitten!’ zei ik tegen Reinier.
Maar al vlug bleek het loopen over die dwarsliggers een vermoeiend karwei. Zij lagen niet op gelijke afstanden en dit gaf een hortende beweging aan onzen tred. Toch wilden wij, nu wij eenmaal op weg waren, niet meer terug. Na eenigen tijd werden we duizelig van het kijken naar de dwarsbalken die onder ons voorbij schoten. Bovendien hadden wij te snel achtereen veel gegeten, waar onze magen slecht tegen konden. De dikke wijn van den pastoor begon te werken. Zonder ontmoe- | |
| |
ting met lastige voorbijgangers werd het toch nog een heel benauwd traject.
Wij stopten herhaaldelijk om te rusten. Eindelijk kwamen wij buiten adem op het verlaten station in Mauléon aan. ‘Deutsche Reichsbahn’ ontcijferden wij op twee vrachtwagens, die tegen een buffer stonden. Wij liepen hier schichtig omheen.
Het stille café van den Spanjaard vonden wij schuin tegenover het station. Sanchez was een voorzichtige dikke man, die ons met kennelijk wantrouwen van achter zijn comptoir bejegende. ‘Met passeurs heb ik mij nooit ingelaten!’ weerde hij onze avances af.
Wèl was hij bereid ons aan te duiden waar het huis van den aartspriester zich bevond. Wij togen op weg en kwamen in de buurt van een kerkplein waar veel volk op de been was. Daarna raakten wij aan het dwalen en werden het oneens over den juisten weg. Wij waren vermoeid door den martelgang over de rails en gejaagd omdat het stadje Mauléon een vrij druk verkeer had. Naar politie hadden wij geen enkel verlangen. Wij keerden naar het kerkplein terug en een eenvoudig burger wees ons in den hoek het huis van den aartspriester.
Ik belde aan. De deur ging open en een lange magere man in een wijde jas met een groote béret basque stond voor mij. Het was de aartspriester van Mauléon.
‘Wat wilt U?’ vroeg hij stroef.
Het magere gezicht, met strenge oogen boven een scherpen neus, was niet om beuzelarijen tegen te houden.
| |
| |
In vier zinnen bracht ik hem op de hoogte van onzen toestand. Hij kon ons niet binnenlaten, want hij had bezoek, dat ons in geen geval mocht zien.
Hij sprak Duitsch, wat wel vreemd klonk, maar het was niet het moment voor zulke teere zaken. Misschien dacht hij, dat men in Holland Duitsch spreekt of wilde hij laten hooren, dat hij in zijn krijgsgevangenschap toch iets had opgestoken.
Van het bordes voor zijn huis, wees hij ons een straat aan.
‘Die gaat U in en slaat de eerste rechts af. Vierhonderd meter verder aan uw linkerhand staat een gesticht. Daar trekt U aan de bel en zegt U, dat ik U stuurde. Ik zorg verder voor U.’
Zonder commentaar af te wachten klapte hij de deur dicht. Wij vonden de straat, de zijstraat en het gesticht, waar een bergwand zich stijl achter omhoog verhief.
Wij trokken aan een zware ijzeren trekbel, die luid galmde, doch er verscheen niemand.
Hier en daar ging een venster open. Maar door het traliehek zagen wij niemand naderen. Wij trokken nog eens aan de bel en wachtten af.
Nu werd een deur van de binnenplaats geopend en een non trad naar buiten, omgeven door een stoet werksters met bezems in de handen.
Ook deze ontvangst liet zich niet vriendelijk aanzien. Langzaam naderde de non het traliehek, omringd door haar getrouwen. Op een afstand bleef het gezelschap staan en richtte een lantaarn op ons. ‘De aartspriester heeft ons naar U toe gestuurd!’ riep ik door het hek naar binnen.
| |
| |
Na eenigen verderen uitleg zakten de bezems en wij werden binnengelaten. Wij beseften, dat wij ondanks het goede voer van den afgeloopen dag er allesbehalve geruststellend uitzagen.
Doch de naam van den aartspriester verrichtte wonderen. Binnen vijf minuten hadden Reinier en ik een ruim en zindelijk vertrek tot onze beschikking.
‘Echte bedden!’ zei ik onder den indruk en streek over de lakens.
‘Echte waschbakken!’ zei Reinier. Hij pakte zijn zeep en tandenborstel en toog onmiddellijk aan den arbeid. Een non kwam binnen en informeerde vriendelijk of wij gegeten hadden.
‘Neen!’ jokten wij allebei.
Wij schaamden ons. Maar nu wij een keer bezig waren, konden wij het niet meer laten. Een half uur later werd een groote maaltijd binnengebracht. Door een van de werksters die ons zooeven nog met den bezem had bedreigd. Ook die maaltijd verdween zonder zichtbare inspanning. Wij waschten ons zorgvuldig, schoven tusschen de schoone lakens en voelden ons onmetelijk weldadig.
‘Het is bijna om katholiek van te worden!’ verzuchtte Reinier.
Wij sliepen een gat in den volgenden dag. Niemand kwam ons wekken of storen. Wel was een groot ontbijt voor ons klaargezet.
‘Het wordt beangstigend!’ zei Reinier. ‘Hoe kunnen wij dit ooit goed maken.’
In den namiddag kwam een radiotelegrafist op
| |
| |
bezoek, die luide zijn misnoegen over Pétain ten beste gaf. Wij hadden alle redenen het met hem eens te zijn. Verder bracht hij opwindend nieuws. Tegen den avond van den volgenden dag werden wij gehaald. Met de auto van den bakker zouden wij voorbij St. Engraz gebracht worden.
Met drie andere Franschen moesten wij dien nacht over de Pyreneeën.
Wij keken elkaar tevreden aan. Wij waren weer in goed vaarwater beland en het hing nu alleen maar van onszelf af. Wij dankten den man, die nog eenige tirades op Pétain afstak, voor hij verdween.
Nauwelijks was hij vertrokken of Reinier kreeg het met de maag te stellen. In den waschbak gaf hij een slijmachtig vocht over. Hij was kwaad en geërgerd dat op het laatste oogenblik dit onheil opdaagde.
In deze rustige en zindelijke omgeving beseften wij pas goed, hoe zeer wij waren afgezakt. Wij konden ons nu met andere menschen vergelijken en de spiegel boven den waschbak sprak bovendien weinig bemoedigende taal. Wij waren nog steeds hondsmoe en de maag van Reinier baarde ernstige zorgen voor den tocht die op komst was.
Toch konden wij niet van het dampende avondmaal, dat binnengedragen werd, afblijven. Wel aten wij nu bedachtzamer en lieten zelfs een kleinigheid staan. Wij hadden graag alles opgegeten, maar durfden niet meer.
Wij gingen vroeg naar bed om voor den grooten dag goed uitgerust te zijn. De lakens gaven zulk
| |
| |
een sensatie van vredigheid en rust dat wij ondanks de spanning den slaap vonden. Uit het gebouw drong trouwens geen geluid tot ons door en een raam dat op een binnenplaats uitzag, met een wand van de Pyreneeën als achtergrond, was de eenige communicatie met de buitenwereld. Men had ons in ieder opzicht met rust gelaten, behalve met overvloedig en goed voedsel.
Op den middag van het vertrek, kwam de non die ons binnengelaten had, afscheid nemen. Zij gaf ons tabletten chocolade en een heel groot brood, dat wij voorzichtig op de tafel legden. Zij zou onzen dank aan den aartspriester overbrengen voor de bijzondere wijze waarop hij ons verder hielp.
Pas na den oorlog heb ik de schuld jegens de kerk eenigszins kunnen delgen. Ik stond op het lage achterbalcon van lijn 2 in Amsterdam, die over het Koningsplein reed. Een pastoor die uit de Krijtberg kwam, wilde op de rijdende tram springen. Bij die beweging raakte hij in zijn rokken verward en dreigde onder de tram te vallen. Ik kon hem nog juist bij de rokken grijpen en sleurde hem de tram binnen. Ik was minstens evenzeer onthutst als hijzelf en stapte bij de volgende halte uit.
Ik liep een café binnen en bestelde een borrel.
‘Ziezoo!’ dacht ik, ‘tenminste iets terug voor de Pyreneeën!’
De radioman kwam opgewekt met den bakker opdagen. Hij schonk ons een fleschje Armagnac voor de bergen als het koud werd. Reinier stak het in den zak en ik nam het brood voor mijn rekening. Gezien onze magen was dat waarschijnlijk de beste
| |
| |
verdeeling. Het vrachtautotje stond op de binnenplaats klaar. Wij stapten achterin tusschen de brooden. Het hek ging open en wij togen op weg. Met horten en stooten, want steeds stopte de bakker en deelde met zwierig gebaar het brood uit aan zijn cliënten, die op zijn gebruikelijke route wachtten. Het was al donker en achter in onzen bak waren wij nauwelijks zichtbaar. Eensklaps kwam hij voorbij een café waar door de open deur gezang van Duitsche soldaten tot ons doordrong:
‘In der Heimat, in der Heimat; dort gibt's...’ Voor langen tijd zou het het laatste Duitsch zijn. Het was Kerstavond en de gemoederen waren nu zeker niet in een stemming om ieder pad van de Pyreneeën te bewaken. Voor St. Engraz pikten wij nog twee Franschen op die van de partij waren. Jonge kerels, Vandamme en Vanneau. Iets verder op een afgesproken plek, een vliegenier met een ingeplakt gezicht en nogal veel noten op den zang. Dumaïl.
Voorbij de laatste huizen van St. Engraz reden wij geheel in het donker. Slechts de autolampen verlichtten den weg, die tegen de bergen omhoog ging. De bakker die onderweg bemoedigende grapjes had gemaakt, stopte. Achter de hut stonden de passeurs ongeduldig op den grond te trappelen. Zij bekeken ons schoeisel en schudden het hoofd. De jonge Vanneau was blootshoofds, zonder jas. De bakker draaide zijn auto en reed terug naar Mauléon. De kleinste van de twee passeurs zocht takken uit, waarvan hij ons ieder een stok sneed. Behalve het brood had ik nu geen bagage meer.
| |
| |
Reinier had al wat het zijne bleef, in zijn regenjas geknoopt. De passeurs monsterden ons nog een keer en de tocht begon. In een sliert achter elkaar trokken wij de bergen in. Het was acht uur. Reiniers maag had zich vandaag rustig gehouden en wij hoopten het beste ervan. De passeurs liepen voorop. Basken, die zonder zichtbare inspanning klommen en daalden. De Franschen liepen in 't midden en wij vormden de staart. De eerste uren vielen ons verschrikkelijk mee en zonder krampachtig te worden, konden wij de zwenkingen van onze voorgangers bijhouden. Bovendien waren wij vastbesloten het tempo niet door onze mindere physieke conditie te drukken. Het weer was droog en helder en wij hadden geen moeite den adem naar het tempo te regelen. Wel had ik het soms benauwd bij een gladden bergrand naast onheilspellende diepten, doch in 't algemeen bleven de moeilijkheden beneden de verwachting. Langzamerhand begon ik het zelfs amusant te vinden. Ondanks alle tegenspoed van de laatste maanden, waren wij aardig op weg om het doel te bereiken.
‘Pam zou plezier in mij hebben!’ dacht ik als er weer een berghelling achter ons lag.
Ook de passeurs en de Franschen konden niet ontevreden zijn. Wij bleven steeds in de nabijheid van de groep en bereikten gezamenlijk het eerste rustpunt van den tocht. Een grot gevormd door een overhangend rotsblok, waar wij eenige versnaperingen nuttigden en Reinier een slok Armagnac nam. Ik had er nog geen behoefte aan, maar reserveerde hem voor het koudere traject, dat ons in de
| |
| |
sneeuw wachtte. Wij praatten met de Franschen en waren allen welgemoed en opgeruimd. Voor de passeurs was dit alles niets bijzonders, het was hun dagelijksche taak. Vroeger maakten zij dit parcours met smokkelwaar, nu legden zij het met menschen af. Zij kenden iederen bergtop en boomgroep. De bergen hadden voor hen geen verschrikking meer. Wij waren niet gaan zitten, uit angst stijf te worden en waren opgelucht toen men verder trok.
De schoenen roffelden achter elkaar op brekende takken en verdorde bladeren. Langzamerhand daagde de eerste sneeuw op. Eerst slechts verspreide dunne plekken. Maar na een uur werd de sneeuw dichter en werden de glinsterende ijsspleten zichtbaar. De groep teekende zich nu zwart af op de sneeuw en het tempo zakte aanmerkelijk. De passeurs spraken ons bemoedigend toe en wachtten, wanneer iemand achter geraakte. Het begon tot mij door te dringen dat er met bergen niet te spotten viel en dat het allerminst de pleziertocht zou worden, die zich in het begin liet aanzien. Onze ademhaling werd onrustiger en de pauzes werden talrijker.
Doch geruststellend werkte de verklaring van de passeurs, dat de helft van den tocht achter den rug was. Straks als wij op het hooggebergte een hut bereikten, die daar in de sneeuw lag, zou men een langere rustpauze nemen voor het laatste traject. Wij sjokten zwijgend verder, terwijl wij nu en dan door breekijs zakten, wat het loopen vertraagde. Minder en minder zag ik kans op het maanover- | |
| |
goten sneeuwlandschap rondom te letten, zoozeer had ik de aandacht noodig om het lijf voorwaarts te koersen. De sneeuw werd dikker en nog steeds ging het omhoog. Soms raakten wij een stuk bij de anderen achter. De gedachte, dat wij reddeloos verloren zouden zijn wanneer wij zoek raakten, was voldoende om den afstand weer in te loopen. Niet vanwege de beren en wolven, die de goedige Beier ons in vooruitzicht had gesteld. Doch door onze totale onbekendheid met dit gebied, zouden wij zeker verdwalen en in de sneeuw omkomen. Het amusante van het begin raakte er heelemaal af. Dit werd een naakte harde strijd op leven en dood en geleidelijk aan kwam het mij voor dat de passeurs wel een wat langzamer tempo konden aangeven. Ik maakte een opmerking in die richting, nadat wij ze met veel inspanning weer een keer hadden ingehaald, maar hun antwoord klonk minder troostrijk dan aanvankelijk.
‘Het ergste komt nog!’ zeiden zij.
‘Nog erger!’ zeiden wij geschrokken tegen elkaar. Wij verdubbelden onze energie om niet meer achter te raken. De stukken die men gezamenlijk liep vergden minder inspanning. Ook de Franschen kregen het met de sneeuw te kwaad. Alleen de Basken stapten regelmatig en onverstoorbaar verder. De eerste valpartijen kwamen. Niet dat men zich in de dikke sneeuw bezeerde. Maar het was vermoeiend zich steeds opnieuw op te richten en het zwaartepunt weer in de loopbeweging op te vangen. Bovendien verloor men afstand die ingehaald moest worden. De regelmatige sliert die wij
| |
| |
op het onbesneeuwde traject vormden was een brokkelige en wankele groep geworden.
Een koortsachtige spanning maakte zich van ons meester. Ondanks de koude voelde ik dat het zweet langs mij gutste. Wij hadden niet den minsten lust meer grapjes te maken en ploegden ernstig achter de krakende groep aan. Het werd mij te moede of al mijn beenderen meekraakten.
Wij bereikten het hooggebergte en de sneeuw werd nog dikker. Hij begon tot de knieën te reiken en ik probeerde zooveel mogelijk de gebaande sporen van de voorgangers te houden. Reinier zag doodsbleek. Ik nam zijn regenjas met zijn bagage over. ‘Als zijn maag het maar niet begeeft!’ dacht ik. Maar ik durfde geen opmerking tot hem te maken. Zooiets vecht men beter alleen uit.
Eensklaps bleven de passeurs staan. Zij wezen op een paar sporen en schudden het hoofd. Aandachtig bekeken wij ze.
‘Die zijn verloren!’ was hun commentaar. Het maakte indruk en wij begrepen wat ons te wachten stond als wij afvielen. De stoet trok verder.
Zeker een uur vochten wij grimmig verder tegen de dieper wordende sneeuw. Vallend en opstaand. Ten slotte hadden wij de hut bereikt. Wij zetten ons op den grond. Reinier kwam met zijn Armagnac te voorschijn en wij rookten een cigaret. Nog een derde van den tocht lag voor den boeg. Het was twee uur 's nachts. Om drie uur konden wij Spaansch grondgebied bereiken. Dan waren wij er nog niet, maar het ergste was achter den rug. Wij aten onze tablet chocolade in de hut. De Fran- | |
| |
schen waren tevreden dat wij konden volgen. Zij waren op de hoogte van ons avontuur in Guers. Bij het licht van een zaklantaarn vormden wij een vermoeid, doch hoopvol geheel.
Wij stonden op om verder te trekken. Het stuk dat volgde op de rust was monsterlijk. Nu en dan verdwenen wij tot aan het middel in de sneeuw. Iedere meter woog loodzwaar. Vallen en opstaan werd gewoonte. Alles in en aan ons werd sneeuw. Iedere stap bonkte in het hoofd na. Soms bleef ik langer liggen dan wenschelijk was. Dan zag ik de anderen zich verwijderen en hielp de angst mij weer op de been. Wel gebruikten de passeurs op dit barre stuk meer clementie. Hun pauzes werden talrijker en op de beurt staken zij ons den stok toe en sleepten ons een stuk door de sneeuw. Zelfs dit karwei scheen die kerels weinig moeite te kosten.
Eindelijk werd de sneeuw minder dik.
‘Wij zijn in Spanje,’ kondigden de passeurs aan. Zwijgend bleven wij een tijdlang in het weidsche sneeuwlandschap staan en keken naar het noorden. De aviateur Dumaïl bukte zich en bad hardop in de sneeuw. De passeurs vergezelden ons nog geruimen tijd in Spanje tot de sneeuw nauwelijks meer over de enkels kwam en harde droge stukken zichtbaar werden. De Franschen betaalden hen. Wij hoefden niet te betalen, omdat wij heelemaal uit Holland kwamen. Zij wezen ons temidden van de woeste bergen hoe wij verder moesten, zooals men iemand op de Munt in Amsterdam den weg naar het Centraal-Station wijst. Als wij nog duizend meter rechtdoor liepen, zouden wij een ge- | |
| |
baand pad aantreffen, dat zich van de bergen afwond en in Spanje in een vallei uitmondde. Zij wezen ons in de verte een rots aan. Voorbij dat punt moesten wij links afslaan. Daar konden wij het pad niet missen.
Zij namen afscheid en begonnen bedaard de wandeling terug.
Wij liepen in de aangegeven richting, sloegen voorbij de aangewezen rots, zoo veronderstelden wij, linksaf. Wij liepen verder en zochten voorzichtig en zorgvuldig, hoe doodvermoeid wij ook waren. Doch wij slaagden er niet in het bergpad te vinden. Wij rustten uit op een rotspunt aan den rand van een ravijn. Tot dusver had ik Reiniers regenjas, waarin hij zijn bezittingen geknoopt had, gedragen. Nu werd het mij werkelijk te zwaar. Ik zei het hem en hij antwoordde, dat ik dan maar wat moest weggooien. Ik knoopte de jas open en het eerste wat er uitviel was de tandpasta. Ik smeet de tube in den afgrond.
‘Verdomd!’ riep Reinier ineens helsch. ‘Wel mijn tandpasta. Maar dat brood dat je in de hand hebt, gooi je niet weg.’
Hij werd verschrikkelijk kwaad en ik kon het opeens niet hebben. Alle kleine meeningsverschillen die wij onderweg onderdrukt hadden of in de gevangenschap verzwegen, laaiden hier bij dien afgrond, nu wij bijna vrij, maar volkomen uitgeput waren, tusschen ons op. Als een paar bootwerkers stonden wij elkaar uit te schelden, gereed om elkaar aan te vliegen. Wij hadden elkaar in den afgrond gegooid als wij niet te afgemat waren geweest.
| |
| |
Men kan niet blijvend de verantwoording voor het leven van den ander dragen. Op den duur wordt het te veel. Dit was voor ons beiden de woedende reactie op elkaars overspannenheid en zelfs de sneeuw en de bergen rondom, vermochten die aanvankelijk niet te kalmeeren.
‘Sterf!’ zei ik ten slotte en gooide het brood ook in den afgrond, de tandpasta achterna.
Reinier bond opeens in en keek mij met open mond aan. Een brood weggooien! Terwijl een brood na Guers en Nexon heilig was. Waarschijnlijk begreep hij dat ik ook echt uitgeput was, maar het kon mij nu niets meer schelen. De Franschen hadden bij onze hevige woordenwisseling groote oogen opgezet, doch daar het in 't Hollandsch plaats vond, hadden zij niets begrepen.
De aviateur Dumaïl was in zijn eentje op zoek naar het onvindbare pad gegaan. Plotseling hoorden wij zijn stem op zij van ons. Wij vroegen hoe hoog de afstand was, die hem van ons scheidde.
‘Acht meter!’ luidde het antwoord.
Wij moesten ons laten glijden. Ik was nog zoo geërgerd door de ruzie, dat ik zonder iets te zeggen over het rotsblok heenstapte.
‘Wat stom!’ dacht ik ondanks mijn kwaadheid.
Maar ik greep mij al vallend aan de struiken in den rotswand vast en kwam ongedeerd naast Dumaïl terecht. Het was de derde sprong sinds ons vertrek uit Holland. Dit keer sprong ik niet mis. De overigen kwamen de een na den ander langs den rotswand afzakken. Mijn hoed was afgewaaid bij den sprong.
| |
| |
Het bleek dat wij niet op het pad terechtgekomen waren, maar in de drooge kiezelsteenbedding van wat zomers een riviertje was. Wij daalden het voorzichtig af en probeerden, door steenen voor ons uit te gooien, hoe ver wij konden gaan. Het bleek een heel stuk te zijn. Reinier greep bij het zoeken naar een steen in iets zachts. Het was mijn hoed, die zoover naar beneden was gerold.
Wij lachten om die absurde vondst, midden in de duisternis van de Pyreneeën en de ruzie was voorbij. Eensklaps bemerkten wij, dat de kiezelsteenen geen geluid meer gaven. Daar viel de bedding van de beek naar beneden. Hoe diep, was onmogelijk te schatten. Wij hielden krijgsraad met de Franschen. Ik stelde voor, den ochtend af te wachten tot het licht werd. Als wij verdwaald waren en wij gingen nu verder dolen, riskeerden wij slechts verder van Spanje verwijderd te raken.
Wij nestelden ons in de bedding van de beek en er werd eten te voorschijn gehaald. Een van de Franschen, de zwijgzame Vandamme, zag dat wij niets meer hadden en reikte ons een snede brood met rôti de porc toe. Met een schuldig gevoel, doch met graagte aten wij die op. Wij zaten in de bedding uit den wind en probeerden in slaap te geraken. Ondanks de koude vielen wij in een onrustigen sluimer tot het daglicht kwam. Wij bevonden ons aan den rand van een afgrond die een honderd meter diep reikte. Doch tuschen de berghellingen door zagen wij in de diepte een vallei met een heel klein blokje, een huis. Wij klommen opnieuw een stuk omhoog uit de bedding van de beek. De berg- | |
| |
helling waarop wij belandden, wond zich met regelmatige slingers af. Wij bereikten de vallei met het huis in nog geen half uur. Op den bevroren grond lag het cadaver van een paard. Een sombere man in gescheurde kleeren, reed op een muilezel voorbij, zonder ons een blik waardig te keuren. Wat verder op sleepten baardige kerels boomstammen naar een riviertje, die tot houtvlotten aaneengebonden werden. Wij plukten ijspegels die van den bergwand afhingen om den dorst te lesschen. Een diepblauwe lucht hing boven de woeste natuur. Uit het dal weerklonk het brokkelig gezang van een flamenco. Wij waren in Spanje.
|
|