| |
| |
| |
XIII
Het was een complete legermacht, die den volgenden middag het kamp van Nexon binnentrok. Welgeteld vierentwintig man speciale gendarmerie van Pétain. Groote kerels die er met hun zwarte helmen en beenkappen, de revolvers opzij, duister uitzagen. Het transport gevangenen, mannen, vrouwen en kinderen, veertig in totaal, vormde een poover bundeltje armzalig menschenvleesch, naast die indrukwekkende soldateska. De schamele bagage, kartonnen doozen, met touwen dichtgesjord, een enkele meer welgesteld aandoende koffer er tusschen, accentueerde dat beeld van hulpeloosheid en ontreddering.
Indien het geen benauwende realiteit was, zou het lachwekkend geweest zijn, die trieste nerveuze kudde, waar wij toe behoorden, geëncadreerd door die gesloten formatie krijgshaftige mannen, die voorbereidselen troffen alsof het een veldslag gold.
De Turk Saïdah was over zijn neerslachtigheid heen. Hij wist nu waar het heen ging en zijn spotlust won het opnieuw. Hij loerde op een slachtoffer, dat opdaagde in de gedaante van een van de gendarmen, die in de buurt kwam staan.
‘Wij joden, moeten wel een eigenaardig volk zijn!’ zei hij ernstig tegen den gendarm.
| |
| |
‘In het gewone leven haalt men den neus voor ons op. Maar bij deze bizondere gelegenheid offreert men ons een lijfwacht, waar een koning verlegen van zou worden!’
De gendarm keek hem glazig aan, onzeker of hij voor den mal werd gehouden of niet. Hij beet op zijn snor en zweeg.
‘Ik geloof niet!’ zei Reinier tegen mij, ‘dat ik met een vrouw en twee kinderen in dit gezelschap nog den moed zou opbrengen grapjes te maken.’
Wij werden in tien rijen van vier gezet op de open ruimte naast de ontvangstbarak. De achterblijvers wuifden ons toe. Hier en daar werd gesnikt. Het hek van het kamp werd opengegooid. De wankele stoet zette zich langzaam in beweging, het kamp uit naar het station. Twee gendarmen liepen aan den kop. Tien aan beide zijden van de gevangenen en twee dekten de achterhoede.
‘Het is toch een vak om je rot te schamen!’ zei ik tegen Reinier, ‘de gemeenste souteneur is een heiland vergeleken bij dit uitvaagsel.’
Niet, dat die gendarmen sloegen of duwden, of scholden tegen de menschen. Zij deden alles heel ordelijk en welwillend. Maar zij deden het.
‘Dat Pétain een slappe seniele man is,’ dacht ik, ‘is tot daar aan toe. Die vindt men overal. Maar dat dit in Frankrijk gebeurt. Of er geen Fransche revolutie en geen Rousseau zijn geweest.’
Ik kon nog steeds niet verkroppen, dat in het land, waar ik mijn beste jaren had doorgebracht, het absurde en bespottelijke plotseling de baas bleek.
| |
| |
‘Waar is dat andere Frankrijk gebleven?’ dacht ik verbitterd.
Wel zag ik in de vallende schemering een paar verschrikte dorpelingen, die de droeve karavaan nastaarden.
‘Nu gaat het nog naar Guers!’ zei ik tegen Reinier. ‘Maar wat gebeurt er na Guers!?’
Wij naderden het stationsgebouw. Het vaste voornemen groeide in mij deze vertraagde moordpartij te glad af te zijn. Misschien hadden wij, zelfs tot nu toe nog illusies gekoesterd dat het wel los zou loopen. Deze vierentwintig gendarmen spraken duidelijke taal. Iedere stap die wij in de sombere stoet aflegden, doordrong ons van de noodzakelijkheid niet langer uit te stellen en af te wachten. Wij moesten initiatief nemen om aan de sleur van lijdzame gevangenschap te ontkomen. De adem van dit sinistere machtsapparaat liet geen twijfel meer over omtrent de uiteindelijke bestemming die ons werd toegedacht.
Wij dienden alles af te kappen, wat de aandacht van ontvluchting afleidde. In Guers van meet af aan een bestaan voeren, dat er op gericht was aan de andere zijde van het prikkeldraad te komen. Geen zelfbeklag of beklag van anderen, wat ook een soort van zelfbeklag is. Zich niet laten aanvreten door de wanhoop of laten neerdrukken door den honger.
Op het stationsemplacement stond een korte trein klaar. Een locomotief met twee personenwagens. De gevangenen werden ingeladen. Ook dat geschiedde langzaam en ordelijk, met nauwkeurige
| |
| |
voorzorgen. Het waren oude rijtuigen van een D-trein.
Coupé na coupé werd gevuld. Twee gendarmen namen in elke coupé plaats. Aan het gemak waarmee zij hun werk verrichtten viel te zien dat zij het niet voor den eersten keer bij de hand hadden. Het zou stellig de laatste keer niet zijn. Maar dood of levend, dan zonder ons. Daarvan waren wij overtuigd.
De coupé's van den trein waren onverwarmd. Het gehuil van de kinderen was niet van de lucht. Het werd pas eenigszins overstemd nadat de trein zich langzaam rollend in beweging zette.
Grimmig en vastberaden leunden wij tegen den wand van de achterste coupé van den wagon. Bij de ramen zaten twee gendarmen. In de gang van den trein liepen er vier heen en weer. Wij gingen een sombere reis tegemoet. 's Ochtends pas zouden wij aan den voet van de Pyreneeën aankomen. En achter de Pyreneeën lag Spanje.
Buiten de twee gendarmen, Reinier en mezelf was er een vijfde man in de coupé, de duitsche emigrant Corwin. In het kamp had hij iederen ochtend een groot pakket levensmiddelen uit de ontvangstbarak afgehaald. In de barak had hij de heerlijkheden daaruit op zijn bed opgestapeld. Als er kaas te voorschijn kwam riep hij boos: ‘Ze hebben mij weer kaas gestuurd, de idioten!’ Was het worst dan luidde het: ‘Nu sturen ze weer worst, de stommelingen!’ Dan pakte hij de kostbaarheden weer in en sloot zijn koffer met een sleutel af. Wij hadden hem nooit iemand iets zien weggeven. Wel had hij geprobeerd of wij bereid waren pakketten
| |
| |
voor hem aan ons adres te laten sturen, omdat wij geen pakketten ontvingen, maar op die manoeuvre waren wij niet ingegaan. Sindsdien was de relatie tusschen Corwin en ons koel.
Wij hadden trouwens weinig behoefte aan een gesprek. Nog geen twee maanden geleden, toen wij Frankrijk hoopvol binnentrokken in de gesloten goederenwagon, had het gebonk van de wielen ons als muziek in de oor en geklonken. Nu was het nog slechts een dreunende illustratie van een benauwende cauchemar.
Weliswaar hadden de gendarmen hun helmen afgezet en vervangen door een beret, wat hen een ietwat menschelijker aanschijn gaf. Maar hun revolvers bleven onder handbereik in de holsters. Ik moest even naar het toilet en twee van de vier man, die in de gang patrouilleerden bleven voor de deur staan. Een van hen hield zijn voet tusschen de deur. Het verbaasde mij, want het toiletraam was met planken dichtgespijkerd. Naderhand begreep ik, dat men de reizigers van dezen doodentrein niet eens zelfmoord gunde en er op stond hen weliswaar vermagerd, maar toch heelhuids op de plaats van bestemming af te leveren.
In de koude coupé, bij het gedreun van de wielen op de rails, daagde de honger op, die zich groot en pijnlijk in onze lijven nestelde. Het rantsoen eten voor de reis was 's ochtends in het kamp uitgedeeld. Voor ieder een tablet chocolade, een brood en twee kleine blikjes thon. In langen tijd hadden wij zulke heerlijkheden niet gezien. Hoewel wij beseften dat wij een dwaasheid begingen, hadden
| |
| |
wij ze oogenblikkelijk verslonden. Nu kwam, langzaam maar zeker de straf voor die gulzigheid. Maar het nieuwe rantsoen cigaretten leidde de aandacht af. Daarmee probeerden wij het knagende hongergevoel te overstemmen. Slapen onder die omstandigheden was illusoir. In al haar ellende was de gebeurtenis toch te opwindend.
Op het station in Brieve wachtten wij langen tijd om aan den trein voor Toulouse overgekoppeld te worden. Een allervriendelijkste rabbijn, vergezeld door twee dames van een joodsch comité kwam in den trein. Een man met een fraaien krullenden baard, beslist van optreden, die de gendarmen negeerde en de reizigers bananenpastei uitreikte.
‘Heb ik daar recht op,’ vroeg Reinier mij aarzelend, terwijl hij het pakje op de handpalm woog.
‘Als wij het zóó precies nemen!’ antwoordde ik, ‘heb ik maar recht op een half pakje!’
De gewetensbezwaren duurden niet lang. In een oogwenk verorberden wij den inhoud van het pakje. Daarna kregen wij nog een stuk chocolade. Het deed ons goed dat iemand in dien donkeren nacht, zich toch nog om ons bekommerde.
De rabbijn liet het niet bij zijn nuttige gaven. Door zijn bemoeiing werd de stoomverwarming in werking gesteld.
Na het troostrijke oponthoud reden wij verder. Wij zaten vlak achter de locomotief. Eerst hadden wij gekleumd van de koude, nu sloeg de atmosfeer in het tegendeel om. De verwarming van den ouden wagen kon niet getemperd worden. Sissend drong de stoom de buizen binnen en weldra zaten wij in
| |
| |
een gloeienden oven. Maar de ramen bleven gesloten. Hier en daar lekten dikke druppels water naar beneden. Zelfs de gendarmen kregen het door de hitte te kwaad en openden den uniformkraag. Hun groezelige borstrokken werden zichtbaar. Doch hun aandacht verslapte nauwelijks.
Op het station van Cahors haalde onze medereiziger Corwin zijn bagage uit het net. Hij ontsloot zijn koffer, liet zijn blik over de voorraad dwalen, maakte ten slotte zijn keus en begon langzaam kauwend te eten. Onze bananenpasta was al lang uitgewerkt. Wij keken naar Corwin's kauwende kaken en vervolgens naar elkaar, maar zwegen. Een jonge gendarm, die in de gang wacht had gehouden, ving onzen blik op.
‘Waarom eet U niet?’ vroeg hij.
Wij bleven zwijgen.
‘Heeft U geen honger?’ vroeg hij verder.
Corwin at rustig malend door. Wij schudden het hoofd bevestigend, doch gegeneerd.
De gendarm stond op en verdween. Binnen de minuut was hij terug. Hij had een pak brood in de and en reikte het ons toe.
‘De restauratie was open!’ hijgde hij.
Wij betaalden hem en verdeelden het brood.
Corwin had dit gebeuren met aandacht gevolgd. Hij trok zijn portefeuille en pakte er een honderd francs biljet uit.
‘Wilt U voor mij ook een pak brood halen?’ vroeg hij onvervaard.
‘U heeft nog den mond vol!’ zei de gendarm stug en bleef zitten.
| |
| |
Corwin haalde de schouders op en stak het biljet weer bij zich.
Het was een pijnlijke scène. Onze mede-gevangene door den Pétain-gendarm op zijn nummer gezet. En ik vond het pijnlijk voor onszelf. Ik verachtte die kerels en nu bleek zoo'n individu tot menschelijke eigenschappen in staat. Zou ik ooit op het probleem van de politie uitgekeken raken. Ik kon moeilijk ineens vriendelijk zijn door dat pak brood. Ik bekeek den gendarm. Het was een blonde jonge man, met een dom doch geen boosaardig gezicht. ‘Hoe komt U in dit vak,’ vroeg ik. Zijn collega's bij het raam waren in gesprek met elkaar.
‘Het was niet zoo gemakkelijk na den oorlog iets anders te vinden!’ zei hij afwerend.
‘Dat is toch geen reden om dit soort zaken op te knappen,’ zei ik.
‘Dat wist ik ook niet van tevoren!’
‘Bent U dan voor de Duitschers?’ vroeg ik.
Hij schudde ontkennend het hoofd.
‘Of tegen de Joden?’ vroeg ik verder.
‘Het is mij allemaal hetzelfde!’ zei hij onverschillig. ‘Men moet eten. Wat wilt U.’
Wij waren daar juist met veel overgave aan bezig, dus dat viel niet te loochenen. Maar het vak van onzen weldoener bleef mij dwars zitten.
‘Dan zou ik liever struikroover zijn!’ zei ik.
‘Dat is te riskant!’ zei hij.
‘Dit kan U ook den kop kosten, als het om draait!’ waarschuwde ik.
‘Denkt U?’ zei hij en alsof hij hardop in zichzelf dacht: ‘Daar heb ik nog niet aan gedacht.’
| |
| |
Er werd op 't raam geklopt en hij moest weer op wacht staan.
‘Voornamelijk dom’ zei Reinier toen hij weg was. ‘Maar misschien weet hij iets van Guers. Jaag hem niet op stang. Dat heeft toch geen zin!’
Voorbij Toulouse kwam hij opnieuw tegenover ons zitten. Op zijn vraag antwoordde Reinier, dat wij uit Holland kwamen.
‘U komt er wel ver vandaan te zitten, heelemaal bij Spanje.’
‘Daar moeten wij zijn,’ zei Reinier. De gendarmen bij het raam waren nog steeds aan 't praten.
‘Kent U Guers?’ vroeg ik om ons gesprek richting te geven.
Hij was er een paar maal met transporten geweest. Er zaten drieduizend man op 't oogenblik, hoofdzakelijk Joden en Spanjaarden. Een vriend van hem, waar hij in den oorlog als soldaat mee gediend had, werkte er als bewaker.
‘Vinden er wel ontsnappingen plaats?’ vroeg Reinier.
Hij haalde de schouders op. Uit ieder kamp viel te ontsnappen. Als je maar niet juist tegen een bewaker opliep.
Dan moesten zij je wel pakken. De een durfde nooit voor den ander. Hij zelf ook niet, daar wilde hij best voor uitkomen. Alléén stonden de dingen anders.
Hij gluurde naar de collega's in den hoek en vond dat het gesprek blijkbaar een wat vreemde wending nam, want hij zweeg. Wij lieten hem met rust. Ik leunde achterover in den hoek naast de
| |
| |
gang en probeerde in slaap te komen. Ondanks de benauwdheid en het lekken van de dampdruppels lukte het ten slotte.
Het bleeke ochtendlicht kwam de coupé binnen, toen ik wakker werd. De gendarmen bij het raam snurkten. Corwin at. Reinier was in gesprek met den jongen gendarm over Guers. Mijn keel zat dicht en ik had een afschuwlijken smaak in den mond. De gendarm gaf een slok wijn uit zijn veldflesch. Ik was versuft en verstijfd en niet tot een gesprek in staat. Mijn kleeren plakten aan het lijf en de luizen waren weer actief. Ik stond op om de beenen te strekken. De gendarmen in den corridor stonden toe, dat ik voor een open raam ging staan. Zij bleven dichtbij, zoodat ik er niet uit kon springen. Ik had alleen maar behoefte aan frissche lucht.
De gendarmen zagen er minder stoer uit dan bij het vertrek. Zij waren zelf vermoeid en verfomfaaid en geeuwden luidruchtig. Hoewel zij de voorzorgen niet opgaven, was de discipline toch aanmerkelijk verslapt. Ik was nauwelijks wakker en voelde niet de minste lust, iets te ondernemen.
‘Een trieste geschiedenis, dit bestaan,’ dacht ik gemelijk. ‘Men went aan alles, zelfs aan zijn beulen!’
Toch verkwikte de koude buitenlucht, die ik door het open raam opsnoof. Wij reden door een prachtig grijs landschap. Stille graslanden omzoomd door struikgewas. Afgewisseld door zacht glooiende heuvels, waar naakte wijnstronken tegen om- | |
| |
hoog reikten. Hier en daar aan een brokkeligen weg een gehucht. Verweerde boerenhuizen lagen heel intiem verzonken in de begrenzing van het bezit, door heggen afgebakend. Wij waren Tarbes voorbij en naderden Lourdes. De bedevaartstad, waarin wij woonden volgens de valsche persoonsbewijzen, die zulk een slordig einde hadden gevonden in de stationswachtkamer van Vierzon. Ach Vierzon! Het had er daar niet rooskleurig voorgestaan, maar wij waren er doorgerold. Toen was er nog sprake van een persoonlijk avontuur. Thans ondergingen wij slechts een massaal noodlot. Op dit moment nog met het geslagen gezelschap, waarvan het gesnurk, nu en dan onderbroken door dreinend kindergehuil, in de coupé's achter mij hoorbaar was. Straks in Guers gingen wij in eenige duizenden teloor. Welk een verschil maakte dat alles met den onbevangen herfstochtend die aan het open venster bijna tastbaar voorbij trok.
De dauw vervluchtigde van de velden. Het werd helder zonnig herfstweer. De heuvellijn daalde en het uitzicht werd wijder. In de verte werd een donkere massa zichtbaar, die breeder en hooger werd. De Pyreneeën.
Verlangend staarde ik naar de naderende bergen. De begenadigde menschheid was bizonder vernuftig in het elkaar dit verblijf op aarde, zoo zuur mogelijk te maken. Doch onverschillig en onaantastbaar verhieven de bergen zich onder den blauwen hemel.
‘Doorstooten over de Pyreneeën naar Lissabon!’ Hoe gemakkelijk had Pam dat gezegd in het nuch- | |
| |
tere kantoorlokaal van den voedseldienst in Amsterdam, nauwelijks twee maanden geleden.
Met alle misère onderweg opgedaan, aan het lijf en de gendarmen op den hals, waren ze toch nog opgedaagd. De Pyreneeën. Misschien was het een voorteeken. Tenslotte bestaat de macht slechts in zoover men er definitief voor capituleert. En dat waren wij nog steeds niet van plan.
De bergen voor mij boeiden mij. Ik besefte dat zij beslissend in het avontuur zouden worden. Kampen en prikkeldraad was menschenwerk. Als wij er den tijd voor kregen en niet voordien naar Duitschland werden gesleept of erger, viel daar met beleid en volharding stellig wel een leemte in te ontdekken. Maar in die bergen, die dreigend doch tegelijkertijd zoo verleidelijk naderden, kregen wij met oerkrachten te doen. En de winter was in aantocht. De gendarmen tikten mij op den schouder en maakten een eind aan de toekomstmuziek. Volgens hun opvatting had ik voldoende frissche lucht ingeademd. Die vermaledijde treinrit had mij toch goed gedaan. Gesterkt ging ik in de coupé zitten, waar Reinier ook heel monter naar de bergen zat te kijken.
‘Daar zijn ze eindelijk!’ zei hij veelbeteekenend.
Wij kregen een bijna feestelijk gevoel. De reis had ons ondanks haar sombere aspecten, opgebeurd. Wij snoven de vrijheid. De gendarm offreerde ons een appel en wij accepteerden dien zonder bedenken. Er stonden ernstiger zaken in het verschiet. De trein stopte nog in Chartres en Pau, dat half verscholen achter de heuvels te voorschijn kwam.
| |
| |
Daarna bogen wij af naar het Zuidwesten voor het eindpunt van de reis, Oloron. De gendarmen herstelden hun verward decorum. De helmen werden opgezet en de uniformen toegesnoerd. Onze gevoelens van haat waren gematigd. Wij hadden die kerels in hun borstrokken zien snurken als domme, zij het gewapende dieren. Binnenkort zouden wij ze kwijt zijn. Zij boezemden geen ontzag meer in. Voor het station in Oloron werd het slaperige gezelschap in vrachtauto's geladen en in snelle vaart reden wij naar het concentratiekamp Guers. Door een breede ingang tusschen een machtige prikkeldraadversperring kwamen wij binnen. De gendarmen sprongen van de vrachtauto's en hielpen de vrouwen en kinderen op den grond. De wachtposten van het kamp klapten het hek dicht. Wij waren in Guers. Op een grasveld voor het ontvangstbureau wachtten wij op de inschrijving.
De jonge gendarm zocht zijn vriend bij het bewakingspersoneel op. Tijdens mijn afwezigheid in den treincoupé, had hij Reinier voorgesteld voor ons aan de weet te komen, hoe het met kansen op ontvluchting stond. Een nogal zonderlinge bezigheid voor een gendarm. Overigens zat er geen risico voor hem aan vast. Straks zou hij met zijn kornuiten den aftocht blazen. Wat er verder met ons zou plaats vinden, daar was hij niet bij betrokken.
Wij keken van het grasveld, waarop wij met de medegevangenen heen en weer liepen, in het rond om de nieuwe omgeving te verkennen. De stem- | |
| |
ming van het gezelschap was landerig. Men was vermoeid van de sloopende reis, niet wanhopig. Wij waren gespannen hoe het eten zou zijn in dit geweldige kamp. Zes maal meer menschen waren hier dan in Nexon.
‘Het is in ieder geval warm,’ zei de Turk Saïdah en hij strekte zich behaaglijk op het grasveld uit. ‘Wij zullen wel zien wat het wordt!’
Wij waren eenige honderden kilometers zuidelijker dan Nexon en het temperatuursverschil was duidelijk voelbaar. Bovendien bevond het kamp zich in een vallei.
Die vooruitgang interesseerde ons slechts ten deele. Aandachtig bleven wij naar de Pyreneeën turen. Op nog geen vier kilometer afstand reikten zij omhoog. Duidelijk zagen wij het spoor van een weg, zich tegen den bergwand omhoogslingeren. Hier en daar ging het verloop achter een rotsverhooging schuil, doch wij konden het traject vrij goed volgen. Aan den voet van de bergen, waar de vallei begon af te dalen, stonden een paar wit gekalkte boerenhuizen.
Dicht om ons heen, zagen wij slechts prikkeldraad. Hier hadden wij eerst mee te maken. Ontmoedigend veel prikkeldraad, waar het oog reikte. Die hatelijke barrière tusschen de woeste bergen en het vermoeide troepje op het grasveld, gaf een gevoel van beklemmende triestheid. Bovendien zagen wij alleen in dit voorgedeelte van het kamp al een menigte bewakers.
Saïdah ving onzen teleurgestelden blik op.
‘Het ziet er mooier, maar hopeloozer uit dan in
| |
| |
Neon!’ zei hij. ‘Men mag hier wel vleugels hebben als men den plaat wil poetsen.’
Die gewaarwording kregen wij ook bij den eersten aanblik van al die obstakels. Drie rijen prikkeldraad telden wij. De voorste twee gingen nog, maar de verste versperring op een veertig meter afstand leek zeker vier meter diep. Nergens een boom te bespeuren die eenig aanknoopingspunt bood, zooals in Nexon. Wij troostten ons met de gedachte, dat het ontvangstgebouw het uitzicht op het overige deel van het kamp belemmerde.
De gendarm kwam terug en riep ons apart. Wij hadden geen hooge verwachtingen van zijn nieuws. ‘Ik heb mijn vriend gesproken en U beschreven,’ zei hij. ‘Als U een paar dagen hier bent, zal hij U weten uit te visschen. Hij kan U door het prikkeldraad extra voedsel bezorgen als hij de wacht heeft. Het eten is hier slecht.’
Die mededeelingen waren vaag, maar het klonk goed bedoeld. Extra voedsel konden wij bij gebrek aan pakketten zeker gebruiken.
‘U moet straks bij de contrôle Uw geld goed verstoppen,’ voegde hij er aan toe. ‘Bij de inschrijving neemt men het in beslag en het onderzoek is nogal streng!’
Deze waarschuwing was nuttig. Reinier besloot zijn goudstukken in mijn pot zalf te deponeeren. Voor het papiergeld zouden wij wel iets anders bedenken.
De gendarm nam afscheid en wij dankten hem voor zijn moeite.
‘Zie er uit te komen!’ zei hij bemoedigend.
| |
| |
‘U ook!’ kon ik niet nalaten te zeggen. Het drong niet tot hem door. Waarschijnlijk vond hij, dat hij zich al langer met gevangenen had ingelaten dan wenschelijk voor hem was. Hij haastte zich naar zijn collega's terug, die zich voor hun vertrek groepeerden.
Wij voegden ons bij onze lotgenooten en spoorden hen aan hun geld te verstoppen. Wij waarschuwden zelfs Corwin, die met zijn rug naar het gezelschap toegekeerd, vlijtig uit zijn koffer zat te schransen. Een lichte paniekstemming ontstond. Weldra waren de meesten, met argelooze gezichten in allerlei handgrepen verwikkeld. Een enkeling verviel na onze onheilsboodschap alleen maar in een nerveuze besluiteloosheid.
Ik was altijd slordig op mijn kleeren geweest. ‘Tot mijn nadeel!’ luidde het oordeel van welmeenende vrienden. Gaten en tornen in de kleeren, niet slechts zichtbare, maar ook minder opvallende, waren mij vertrouwd. In een oogwenk was ons kapitaal verborgen. Het papiergeld verdween tusschen het losgeraakte linnen en de watten in de schouders van mijn winterjas. Een ander deel in het kapotte binnenwerk van mijn schoenen. De scherpe stijven, die zichtbaar waren, noodden niet tot een handgreep uit. Zij sneden mij zelf soms in den voet. Voor ons vertrek had ik er wel even hoofdschuddend naar gekeken. Maar ik had verzuimd hen te laten maken. Thans kwam dit uitstekend te pas. Voor Saïdah verstopte ik nog een paar biljetten in de zoom van mijn broek, waar een gat in zat.
| |
| |
‘Het lijkt de Loterie Nationale wel!’ grapte hij. Reinier keek lichtelijk geërgerd naar het tafereel. Dat men voor geld dergelijke capriolen maakte, riep zijn weerzin op. Vroeger had ik nooit kans gezien geld langer dan vierentwintig uur in mijn zak te houden. Nu vond ik het jammer dien ouden schavuit van een Pétain iets cadeau te maken. Bovendien konden wij het hard noodig hebben als het lukte uit het kamp te ontsnappen. Daar moest de aesthetiek voor wijken.
Wij werden binnengeroepen en aan een lange tafel in het ontvanggebouw door geüniformeerde lieden ingeschreven. Tegelijk werd naar ons geld gevraagd. ‘Dat hebben wij niet!’ zei ik.
‘Wij zullen straks zien!’ zei de bewaker. Ik was stomverwonderd over den rijkdom van een Pool in ons gezelschap, Schlosser. Een onaanzienlijke man van een jaar of veertig, die in Nexon in een werkpak van den vroegen ochtend tot den laten avond allerlei karweien voor een vergoeding had opgeknapt en kleine handeltjes op touw zette. Hij had geen besluit kunnen nemen zijn geld te verbergen en wilde waarschijnlijk ook niemand laten merken, dat hij zooveel in zijn bezit had. Hij raakte totaal overstuur toen de ijzige controleur zijn geld opvroeg.
Ruim driehonderdduizend francs deponeerde hij met trillende vingers op de tafel.
‘Mijn geld, mijn geld!’ jammerde de man, terwijl hij zich vertwijfeld op de borst sloeg.
Het was een afschuwelijk tafereel. De huilende man, die daar in één klap werd beroofd van zijn
| |
| |
geheele vermogen, dat kennelijk zijn ziel en zaligheid uitmaakte. De geüniformeerde kerel achter de tafel bleef glashard, telde het geld, deed het in een lade en overhandigde den ander een reçu, alsof dit iets van zijn gemis kon goedmaken. Er dobberde in het lokaal een vernederende atmosfeer van rechteloosheid, die zich bruut op de gevangenen uitleefde. Wij werden naar de contrôlehokken gecommandeerd. Schoenen en sokken moesten uit, de kleeren eveneens. Ik had mijn veters losgemaakt en schopte den controleerenden bewaker mijn schoenen toe. Hij keek er in en haalde den neus op. Het was ook niet veel moois meer. Hij gooide ze opzij. Hij tastte mijn jas af, schudde mijn overige kleeren uit en ik was een moment bevreesd dat de biljetten op den grond zouden rollen. Ze hielden zich goed. Het was achter den rug. Neen, nog niet!
Hij keek in mijn tasch, greep den pot zalf, waarin de goudstukken op den bodem zaten en vroeg: ‘Waar is dit voor?’
‘Tegen de luizen!’ perste ik door een kloppende keel. Toen ik het eruit had besefte ik hoe juist de symboliek van die leugen was. Maar ik bleef te zeer onder den indruk van het moment om in den lach te schieten.
De controleur maakte den pot dicht en legde hem terug in de tasch. Reinier had de visitatie gemelijk en geërgerd ondergaan.
‘Dat je dien vlegel geen schop kunt geven!’ zei hij kwaad. Hij werd nu eveneens agressief.
Op het grasveld achter de contrôlebarak werden wij verzameld. Ik zocht Saïdah op.
| |
| |
‘U heeft de loterij gewonnen!’ zei ik en gaf hem zijn geld terug.
Hier en daar had men een veer gelaten, doch de meesten waren er heelhuids afgekomen.
‘Zoolang wij het leven hebben, loopt het wel los!’ troostte Marcus, die zijn rol van chef nog steeds met tact vervulde.
De Pool Schlosser was weliswaar de kluts kwijt, maar begon zijn gewijzigden toestand toch al onder oogen te zien.
‘Ik moet weer heelemaal opnieuw beginnen!’ klaagde hij.
Zelfs het concentratiekamp bood dien man nog een basis voor winstmogelijkheden. Wij waren sprakeloos. Wij zouden zelfs geen kans zien om honderd francs onder deze omstandigheden bijeen te krijgen.
In een leege barak waarin men ons binnenschoof, sprak een zonderlinge man met een grooten baard, de nieuwelingen toe. Een medegevangene, die in het kamp met de desinfectie belast was. Hij zou aanstonds tot onderzoek overgaan.
‘Is er iemand onder U, die weet dat hij tot de slachtoffers behoort! Geen valsche schaamte, alstublieft!’
‘Wij!’ riepen wij tegelijkertijd en stapten onder hilariteit naar voren.
Lang genoeg waren wij door de luizen gekweld. Nu die baardman aanbood ons er van af te helpen, was hij ons alleen daarom al sympathiek.
‘Morgenmiddag om twee uur in de desinfectiebarak. Kleeren en ondergoed meenemen!’
| |
| |
Wij waren de eenige vrijwilligers en konden het kamp intrekken. Wij moesten ons melden bij den chef van het eiland D, waarop ons gezelschap was ingedeeld.
Langs een breeden betonnen weg, die in de lengte door het kamp liep, evenwijdig aan de Pyreneeën, gingen wij op zoek naar het eiland D. Eerst kwamen wij langs een paar groote gebouwen, links en rechts van den weg, het ziekenhuis en het badhuis. Het kamp leek goed georganiseerd. Alles was met duidelijke borden aangegeven. Maar de lieden, die wij ontmoetten, waren vermagerd en wij begrepen dat het eten niet veel zaaks kon zijn.
Wij bereikten het woongedeelte van het kamp. De barakken waren op afzonderlijke gedeelten geplaatst, door een greppel met prikkeldraad, van den betonnen weg afgerasterd. Bij den ingang hing een bord met de letter van de eilanden. Ieder eiland op zichzelf vormde een klein kamp in het groote kamp. Al die voorzorgen maakten indruk. Hiermee vergeleken was Nexon een gemoedelijke bedoeling. Doch wij lieten elkaar geen teleurstelling blijken. Want wij hadden groote plannen, waarin voor ontmoediging geen plaats was.
Op het îlot D werden wij naar den chef van het eiland verwezen. Een medegevangene, die de taak had onze belangen bij de kampleiding te behartigen.
Zijn barak was stemmig ingericht. Een aparte slaapkamer was keurig met jute afgeschoten. In een hoek hing een plankje met boeken. De man zelf, zat in een fluweelen jasje achter zijn tafel in
| |
| |
paperassen te schrijven. Hij nam zijn lichten hoornen bril af toen wij binnentraden en begroette ons zeer vriendelijk.
‘Doktor Hans Breitenstein uit Hamburg,’ stelde hij zich voor. ‘Neen, geen medicijnen. Kunstgeschiedenis.’ Hij zette den hoornen bril weer op en schreef onze namen op een nieuw fiche.
‘Dat is interessant, een collega!’ zei hij verrukt, toen hij Reiniers beroep, kunsthandelaar, invulde. ‘Nu kunnen wij groote gesprekken houden over oude hollandsche schilderkunst!’
Reinier trok een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat de oude hollandsche schilderkunst hem op 't oogenblik gestolen kon worden. Doch hij beheerschte zich, om den man die zich in vriendelijkheden voor ons uitputte, niet in het harnas te jagen. Hoewel wij ons zelf een paar zielige stukken ongeluk vonden, probeerde hij ons er van te overtuigen dat wij hoogstinteressante persoonlijkheden waren.
‘Ik geloof dat ik iets voor de heeren weet!’ zei hij nadenkend en er kwamen rimpels in zijn voorhoofd. ‘Dit Guers is een ongelukkig kamp wat eten betreft. Maar bij Clermont-Ferrand is een kamp uitsluitend voor Hollanders. Daar krijgt U heel goed te eten. Ik zou voor mijn geachten collega en voor den schrijver overplaatsing kunnen aanvragen!’
Hij keek ons gelukzalig aan, alsof hij ons een groote weldaad voorstelde.
‘Dank U!’ antwoordde ik. ‘Doet U het in hemelsnaam niet. Wij blijven hier maar kort!’
| |
| |
‘Ach!’ zei hij spijtig, alsof een concurreerende instantie al een beter voorstel gedaan had. ‘Hebben de heer en iets anders voor?’
‘Wij zijn van plan te ontvluchten!’ zei Reinier droog.
‘Daarom zitten wij beter hier met slecht eten aan de Pyreneeën, dan bij Clermont-Ferrand met alle heerlijke dingen van de wereld!’ verduidelijkte ik. Dr. Breitenstein schoof zijn stoel naar achteren en keek ons verbaasd aan.
‘Ontvluchten. Ontvluchten!’ herhaalde hij. ‘Maar dat is onmogelijk! Hoe had U zich het voorgesteld?’ vroeg hij onthutst.
In den korten tijd dat wij in Guers waren hadden wij daar nog geen idee van. In de atmosfeer van dezen al te vriendelijken man, die zich met zijn plankje boeken en zijn keurig slaapvertrek zoo behaaglijk in de misère had geïnstalleerd, vonden wij al een duidelijke aanwijzing hoe het in ieder geval niet moest.
Hoofdschuddend schreef hij verdere bizonderheden op. Blijkbaar besefte hij dat van interessante gesprekken over oude hollandsche schilderkunst weinig terecht zou komen. Doch hij bleef ons vriendelijk, hoewel wat verwonderd te woord staan. Hij riep een hulp, die ons dekens en eetgerei uitreikte en aanbood den weg naar de barak te wijzen, die voor ons bestemd was.
Wij volgden dien hulp naar een leege barak in een hoek van het eiland D, dicht bij de prikkeldraadversperring aan den kant van de Pyreneeën. Dat leek ons de beste plaats, die men had kunnen be- | |
| |
denken. Tusschen de eerste en de tweede haag prikkeldraad liep een bewaker, het geweer op den schouder, heen en weer te slenteren.
Wij kozen de bedden het dichtst bij de deur uit. Weliswaar de koudste plek, maar voor ons doel het gemakkelijkst. Wij deponeerden de dekens op de matrassen en de bagage aan het hoofdeinde.
Naderhand verlieten wij de barak en gingen bij het prikkeldraad staan, een eind van den bewaker af. Wij keken naar de bergen, die ieder moment van kleur veranderden. Heel in de verte waren een paar besneeuwde toppen zichtbaar, die in de zon schitterden.
‘Wanneer?’ verzuchtte Reinier.
‘Ja,’ zei ik en dacht aan het hoe. ‘Wanneer?’
Langzaam slenterden wij naar de barak terug waar de anderen begonnen aan te komen. De vrouwen waren in het vrouwenkamp ondergebracht, dat zich verderop aan den betonnen weg achter het mannenkamp bevond.
Wij waren vermoeid en bovendien onder den indruk van het machtsapparaat dat ongenaakbaar tusschen onze gevangenschap en de verleidelijke Pyreneeën stond. Tegen den kunsthistoricus hadden wij hoog van den toren geblazen. Nu kwelde ons de omvang van het probleem, hoe te ontsnappen. Misschien moest het eerst een obsessie worden voor wij tot daden kwamen. Er is een krankzinnige overmoed voor noodig om in dit leven het lot te slim af te zijn. Maar wij waren nog lang niet in dien toestand.
|
|