| |
| |
| |
XII
De eerste schreden in het concentratiekamp waren onfortuinlijk. Wij droegen de bagage voor Mme Hirschel, de joodsche dame met wie wij de reis hadden gemaakt, naar de ontvangstbarak, waar de inschrijving plaats vond. In de avondschemering zagen wij den ijzeren draad niet, die langs een barak gespannen was. Wij sloegen er overheen en vielen met de vingerknokels op een verhard grintpad. Het leek niets bizonders.
In de ontvangstbarak deden wij mercurochroom op de open plekken. Onder het lamplicht op een lange houten tafel maakten bewakers van het kamp hun geweren schoon. Overigens maakten zij geen onvriendelijken indruk, hoewel zij geen antwoord gaven op de vraag van Reinier of zij met die dingen schoten, wanneer iemand het in zijn hoofd haalde om weg te loopen.
Aan die tafel werden wij vlug en zonder overbodige opmerkingen ingeschreven. Geld en bagage konden wij bij ons houden. Daarna kwam het hoofd van de barak, waar ons verblijf was toegedacht ons ophalen. Een emigrant, die al sinds '33 in Frankrijk verbleef, voormalig advocaat in Keulen, Dr Marcus. Bij het begin van den oorlog had hij in het Fransche leger gediend. Desondanks
| |
| |
was hij in dit kamp beland, met onbekende doch onheilspellende bestemming.
Een hoffelijk, voorkomend man en een goed organisator. Hij verstrekte ons propere militaire dekens en eetgerei en wij volgden hem naar onze nieuwe woonplaats. Een lange houten barak, in het midden gescheiden door een primitief gordijn. In het voorgedeelte stonden de bedden der mannen. In het achtergedeelte, achter het gordijn, waar een kachel brandde, huisden vrouwen en kinderen. In totaal een veertigtal bewoners, die vergeleken met de gevangenisbroeders die wij zoo juist verlaten hadden een helderen indruk maakten. Houding en kleedij van deze menschen liet vermoeden dat zij nog niet lang aan een normaal leven onttrokken waren.
Doozen en koffers stonden naast de bedden, hier en daar was men in een kaartspel verdiept of werd een partij geschaakt. Bij de kachel praatten vrouwen. Het bonte tafreel, dat de aanblik bood maakte den indruk van een gezelschap landverhuizers, tijdelijk gedwongen in primitieve omstandigheden te leven. Dat dit een verhuizing in den dood kon worden, daar scheen men zich nauwelijks rekenschap van te geven. Er heerschte een eenigszins opgewonden, doch bepaald geen neerslachtige stemming.
Met een globale handbeweging stelde Dr Marcus ons als nieuwe lotgenooten bij de aanwezigen voor. Wij kozen ieder een bed uit en deponeerden onze bezittingen aan het hoofdeinde. Iemand bood aan ons de waschgelegenheid en de toiletten te wijzen.
| |
| |
‘Eerst moeten zij eten!’ interveneerde Marcus zakelijk, met besef voor den toestand. Vóór al het andere, dat wij door het gevangenisverblijf hadden in te halen, waren wij hier aan toe.
Een groote dampende bak eten werd binnengedragen en neergezet bij de bedden waar wij onze verblijfplaats kozen. Mme Hirschel had zich in het vrouwengedeelte teruggetrokken met het kind, dat al sliep. Wij konden de inhoud van den bak verorberen.
Macaroni met jus. Wel iets anders dan het weelderige menu, dat wij bij herhaling in het gevang hadden samengesteld voor den dag van onze bevrijding. Maar het rook uitstekend en het was goed bereid. De lange maand met waterige kost in Limoges had ons uitgehongerd. Dit was goed en stevig voer.
‘Niet kwaad voor 'n concentratiekamp!’ zeiden wij en lepelden ons etensblik eenige keeren vol. Eindelijk hadden wij den bak schoon leeg gegeten. ‘Het heeft mij bijzonder gesmaakt!’ zei Reinier. ‘Zoo zijn wij spoedig op krachten!’ beaamde ik.
Wij staken een cigaret op van het rantsoen, dat ons bij het inschrijven was verstrekt en voelden ons voor het eerst sinds langen tijd werkelijk voldaan. Domweg dierlijk voldaan, zonder zorgen van verstrekkender aard dan dit moment. Pas later drong het tot ons door, dat eenige lieden in de barak zich van hun bezigheden hadden afgewend en ons met een lichtelijk geamuseerde verbazing opnamen. Dr Marcus kwam op ons af.
‘Heeft het gesmaakt?’ vroeg hij.
| |
| |
Wij knikten bevestigend en tevreden.
‘Jammer genoeg!’ begon hij aarzelend: ‘krijgt U dit niet iederen dag. Alleen als menschen nieuw aankomen uit de gevangenis, krijgen zij dat blik vol!’
Wij voelden onraad opdagen.
‘Voor hoeveel man is anders die portie?’ vroeg ik voorzichtig.
‘Voor twintig personen!’ zei Marcus ernstig.
‘Voor twintig personen!’ herhaalde Reinier ongeloovig.
‘Voor twintig personen!’ echode ik beduusd na.
Wij keken elkaar geschrokken aan. Weg was de illusie, dat wij een tijd tegemoet gingen, waarin wij op krachten konden komen. Nu begrepen wij het kijken van de barakgenooten, die ons in nauwelijks tien minuten den bak hadden zien leegschransen. Wij schudden treurig het hoofd. Opnieuw bleken wij te groote optimisten. Op onze vingers hadden wij kunnen natellen dat men iemand niet in het concentratiekamp stopt om vet te mesten en hem daarna naar de slachtbank te brengen. Dat doet men nog wel bij echte kannibalen, maar niet in de beschaving.
Men wees ons de kraan aan bij een grindpad tusschen de barakken en wij waschten ons in den kouden avondwind, die over het heuvel-plateau blies. ‘Hier bevalt het mij ook niet!’ zei ik bij het afdrogen.
‘Wij moeten er vandoor!’ zei Reinier. ‘Voor de Duitschers deze kampen leeghalen.’
Wij begrepen, dat wij van kwaad tot erger ver- | |
| |
vielen. Bovendien had ik het vermoeden dat Reinier op mijn joodschen naam en uiterlijk mede in dit concentratiekamp was verzeild. In de barak waarin wij nu verbleven, was hij de eenige nietjood. Niet alleen dat ik hem in dit avontuur had meegesleept, hij deelde nu ook de hachelijke perspectieven van mijn afkomst.
Het zat mij dwars en ik begon er over te praten, maar hij weerde mijn bedenkingen resoluut af. ‘Als ik in Holland gebleven was, zou ik er misschien al erger aan toe zijn,’ zei hij.
De eerste nacht, dat wij weer in een bed sliepen, bracht niet de nachtrust die wij ons voorgesteld hadden. Zeker speelde het besef, dat het avontuur een steeds kwalijker wending nam, ons parten. Maar vooral werd het afschuwelijk koud in de dunne houten barak, waarin de kachel was uitgedoofd. Hoezeer de gevangenis van Limoges van ongedierte krioelde, achter de oude dikke muren was het aan onze aandacht ontsnapt, dat de winter voor de deur stond. Daar hadden wij 's nachts goed geslapen, ondanks de stank en de luizen. Van die beesten hadden wij een groote portie meegenomen. En in de plaatselijke warmte in onze bedden, in deze overigens koude barak, waar de wind door reten en kieren blies, hervatten zij, aangemoedigd door de ongewone hoeveelheid voedsel die wij verorberd hadden, hun bezigheden en hielden ons uit den slaap.
Voor wij een ontvluchtingspoging waagden, moesten wij in ieder geval van die plaag zien af te komen. Tegen den ochtend sliep ik eindelijk in.
| |
| |
Ik werd wakker, omdat de man in het bed naast mij, met een oude sok over het hoofd tegen de kou, hardop in zijn bed lachte bij een verhaal dat hij druk gesticuleerend vertelde. Iemand aan zijn voeteneind luisterde toe.
‘Constantinopel,’ zei de man met de sok op het hoofd, tot den ander. ‘Mijn waarde, ik heb nooit zoo gelachen als in Constantinopel. Stel U voor, daar breekt brand uit. Iedereen leeft er op straat en begint tegen elkaar te roepen: ‘Er is brand. Er is brand!’ In een oogwenk weet men het in de geheele stad. Dan komen de Turken uit alle hoeken en gaten te voorschijn. Zij rennen achter kleine handwagentjes met een slang er op, luid gillend: ‘Opzij voor de brand!’ Zij rennen allemaal achter de voorste aan, om hem in te halen. Soms komen ze op een totaal verkeerde plek uit. Maar als zij bij den brand aankomen, wacht de eigenaar van het brandend huis hen op. Er wordt onderhandeld over den prijs, terwijl het huis brandt. Als het geld betaald is, worden de slangen uitgerold. Doch dan blijkt er geen water of de slangen zijn lek. Wanneer de eigenaar méér geld geeft, worden slangen aan elkaar gelegd tot men water bereikt. Als de eerste straal water in de vlammen komt, stort het huis in elkaar en is de brand over. Dan pakken de Turken hun karretjes en hollen terug onder gegil: ‘De brand is gebluscht. De brand is gebluscht!’
Ik schoot in den lach om het zotte verhaal. De man had het boeiend en plastisch verteld. Zeker zag hij het gebeurde uit zijn jeugd weer levendig voor zich. Hij lachte zelf het hardst en wendde zich tot mij.
| |
| |
‘Ja Mijnheer!’ zei hij, nu in allen ernst. ‘Een stuk ongeluk ben ik geweest. Ik sufferd, ga weg uitzoo'n stad. Naar de beschaving, waar men zijn best voor moet doen, die deelachtig te worden. Ik probeerde mijn geluk in Frankrijk. En het resultaat? Daar zitten U en ik in een concentratiekamp. En dat noemt men leven! Was ik maar in Constantinopel gebleven. Men kan beter bij dien dievenbrandweer zijn huis zien afbranden dan hier achter prikkeldraad belanden!’
Hij stelde zich voor. ‘Jacques Saïdah.’ Hij was een turksche jood. Zijn vrouw en twee kinderen huisden in het achtergedeelte van de barak.
Hij deed de sok van zijn hoofd, verving die voor een platte pet en sprong uit zijn bed. Hij trok een blauw linnen werkbroek aan, schoot in zijn jasje en deed een shawl om den hals. Zooals hij daar naast zijn bed, toch al weer goed gehumeurd stond na te pruttelen, maakte hij den indruk van een Parijschen arbeider uit Ménilmontant of Belleville.
Ik sprong ook uit bed en kleedde mij aan. Reinier kwam de barak binnen. Hij had zich al laten scheren in de barbierssalon van het kamp, die door Spanjaarden gedreven werd en die hij zeer aanbeval. In de cantine had hij twee fleschjes gekocht, die het bloemrijke opschrift ‘Marie-Rose’ droegen. Op het etiket stond, dat het een feilloos middel tegen alle soorten luizen en ongedierte was. Wij zouden ons aan een Marie-Rose kuur onderwerpen.
Ik haastte mij naar de scheersalon van de Span- | |
| |
jaarden. Het bedrijf, dat zij in een gedeelte van een barak geïnstalleerd hadden zag er ordelijk en proper uit. Op een kachel, waar het warm water op stond, lagen kastanjes te roosteren. Zij verrichten hun werk zwijgzaam en waardig en brachten mij op de hoogte van de aanwezigheid van een douche in het kamp. Een landgenoot van hen vervulde de functie van badman daarbij. Zij wezen mij hoe ik hem het best kon bereiken.
Zij bevestigden den goeden indruk, die ik van Spanjaarden als medegevangenen in Limoges gekregen had. Zij waren niet dankbaar en niet vriendelijk, kletsten niet, doch bleven in zichzelf gekeerd. Wel hulpvaardig en solidair, maar op een plezierige nonchalante manier.
Ik haalde Reinier uit de barak op en wij maakten een verkenningstocht door het kamp. Goed geschoren en in de buitenlucht voelden wij ons al iets beter dan in de gevangenis. Het prikkeldraad was tweemaal manshoog, strak gespannen en stevig bevestigd. Op korten afstand daarbuiten was een breede greppel gegraven. Met sceptische blikken keken wij naar de uitkijktorens op de hoeken. Zij waren dubbel bemand. De geweerloopen glinsterden in de herfstzon. Achter de greppel liepen wachtposten.
‘Overdags is het onbegonnen werk!’ zei Reinier. ‘Hoe denk je er 's nachts overheen te komen?’ vroeg ik zonder veel overtuiging.
‘Met onze dekens!’ zei Reinier.
Wij wisten niet hoe het in het donker met de verlichting was gesteld. Wèl kon men 's nachts om te
| |
| |
wateren, de barak verlaten. Zoo bij de eerste kennismaking, maakte het bewakingsapparaat een ontnuchterenden in druk op ons. Heviger dan wij wilden bekennen.
Wij stonden onderzoekend achter het prikkeldraad en keken naar de heuvels rondom. Vettige opengewoelde aarde bood de aanblik. De suikerbietenoogst was achter den rug. Hier en daar werd een hoog opgetaste kar door paarden voortgetrokken. Verspreid op afstanden lagen hoopen modderige bieten opeengestapeld. La Haute Vienne. Wij waren in een van de rijkste landbouwdistricten van Frankrijk. En achter dit prikkeldraad heerschte honger.
Wij slenterden terug naar het meer bevolkte gedeelte van het kamp, waar de woonbarakken zich bevonden. Hoofdzakelijk ontmoetten wij oude joodsche mannen en vrouwtjes. Gebogen, rimpelige stumperds, vel over been, die eenmaal in Weenen, Praag of Berlijn een beter leven gekend hadden, dan het ruwe primitieve bestaan in winderige barakken op dit koude heuvel-plateau.
‘De “Honneur, patrie, familie” van Pétain is wel een farce!’ zei Reinier.
Onder het in lompen gehulde gezelschap bewoog zich langzaam een pittoreske figuur. Een Oostenrijker in kniebroek gekleed, met een wit schillerhemd erboven. Op het hoofd droeg hij een groene hoed met een veertje.
Wij vroegen ons af hoe die bergariër hier verzeild was, begonnen een gesprek en stelden ons als nieuwelingen voor.
| |
| |
Herr Schneckendorff, een vijftigjarige man, met een mager doch gebruind gelaat, was een vriendelijke en mededeelzame man. Bestuurslid van den Oostenrijkschen bond van natuurvrienden was hij geweest. Nadat degeen, die thans in Holland de scepter zwaaide, in Oostenrijk den staatsgreep bewerkstelligd had, was hij in de verbanning gegaan. Nu deelde hij het noodlot van de meest vogelvrijen op aarde, waar hij zoo schril mee contrasteerde.
De blijmoedige en idealistische man, die geen moment twijfelde aan de nederlaag van wat hij met een zangerigen doch verachtenden klemtoon ‘das System’ noemde. Hij kon ons het zelfs bewijzen op grond van biologische verschijnselen in de natuur. Ongetwijfeld zou hij ons dat als geheel nieuwe toehoorders hebben aangedaan, wanneer op dit moment niet een oorverdoovend lawaai in het kamp was losgebarsten. ‘Eten! eten!’ werd van alle kanten geroepen. Daar wij ondanks de macaroni van den vorigen avond toch al weer bizonder op die biologische noodzakelijkheid gebrand waren, namen wij afscheid van Herr Schneckendorff en haalden in de barak het eetgerei.
Wij voegden ons in den stroom van menschen, die zich naar de etensbarak in een uithoek van het kampterrein spoedden. Een groote houten schuur, waarin twee rijen lange tafels met banken er voor stonden opgesteld. Per tafel moesten twintig man aanzitten. Wij vonden een plaats bij onze barakgenooten en hadden uitzicht op de deur. Wij waren volkomen beduusd door den deerniswekkenden aanblik, die de binnendringende hongeroptocht
| |
| |
aanbood. Sommigen waren nog slechts aangekleede skeletten, met zwemmerige oogen diep in de kassen. Wat die ongelukkige menschenzee, voor zij een plaats had gevonden, die naar den zin was, aan geluid kon produceeren, stelde alles wat wij in het gevang hadden meegemaakt, ver in de schaduw. Vergeleken met de stumperds hier, was de oude Anastasio Fabio een welvarende man.
Bij onzen overbuurman, den turk Saïda, informeerde ik hoe lang die menschen hier al verbleven. ‘De meesten langer dan een jaar!’ was het antwoord. Het gehuil en gekrijsch was niet van de lucht en de bewakers hadden groote moeite het lawaai tot bedaren te brengen. Nauwlettend zagen zij toe dat iedere tafel door twintig man bevolkt werd. De rust keerde eenigszins terug. Per tafel werden twee man aangewezen om het eten te halen.
Zij waren nog niet terug en de eerste opscheplepels daalden neer op de borden of er ontstond opnieuw een verwarde herrie aan de tafels. Degeen die het eten verdeelde kreeg verwijten dat het niet eerlijk ging en dan kwamen er bewakers aan te pas.
De tafels, door onze barak bezet vormden een rustig eiland te midden van de uitgehongerde en overspannen menschen. Beduusd en hoofdschuddend observeerden wij het trieste schouwspel.
‘Hoe lang zal het duren,’ zei Reinier, ‘of wij maken net zoo'n spektakel voor een hap eten.’
Dat de dingen aan onze tafel ordelijk verliepen kwam slechts doordat onze barakgenooten nog niet lang uit het normale leven kwamen of regelmatig voedselpakketten ontvingen.
| |
| |
Onze blikken werden gevuld en het was inderdaad niet meer dan een twintigste van de portie die wij gisteren verorberden. Ditmaal bood het menu wortelen met uien en aardappelen. Het was weinig, doch uitstekend bereid. Aandachtig en behoedzaam aten wij ons blikje leeg.
Tot ons geluk zaten in ons gezelschap verwende lieden. Het eten smaakte hen niet. Wij hadden bij aankomst gedemonstreerd dat wij wel iets aankonden. Men was het niet vergeten en de resten werden ons toegeschoven. Zonder eenige gêne maakten wij er korte metten mede. Zoo kwamen wij toch nog aan een dragelijk maal. De nabije doodshoofden, die in deze etensbarak niet zeldzaam waren, hadden ons angst aangejaagd. Als we wilden ontvluchten, moesten wij zorgen dat het zoover met ons niet kwam.
De maaltijd was afgeloopen en wij staken een cigaret op. De barak liep leeg. Wij praatten wat na over het sombere evenement.
‘Als wij ons er in verdiepen en het ons erg aantrekken veranderen wij er niets aan, doch komen er nooit meer uit!’ zei Reinier.
Ik voelde dat hij gelijk had, maar kon evenmin aan de gedachte ontkomen, dat het zien naderen van het gebeente ons tot zelfzucht en zelfbehoud aanzette. Men kan de macht verfoeien en verachten, maar juist in de meest machtelooze positie, in een concentratiekamp, ontsnapt men niet aan het feit, dat de meest uitgehongerde het aflegt tegen de minst uitgehongerde. Alleen door den dood wordt men van machtsuitoefening bevrijd. Dan sterft het
| |
| |
laatste restje uitbuiter, dat ieder met zich meedraagt. Maar den dood wilden wij zeer beslist niet.
Ik zocht den Spaanschen badmeester op. Een knorrige man, die bijdraaide toen ik hem op de hoogte bracht van de menagerie die ons kwelde. Hij zou ons bij het douchehok opwachten. Wij pakten onze flesschen ‘Marie Rose’ en ondergoed. Vergeleken met de ‘Corrida’ in Limoges was deze douche een paleis. Een schoone betonnen vloer, een afloop die functionneerde en warm water zoolang het geduld van den Spanjaard reikte. Als hij op haast aandrong offreerde ik hem een cigaret en kregen wij weer eenig respijt. Wij besprenkelden ons rijkelijk met de ‘Marie Rose’, een bijtend vocht, waar wij het beste van hoopten en waschten ons ondergoed zorgvuldig uit.
Ten slotte vond de Spanjaard het genoeg en werkten ook de cigaretten niet meer. Maar wij konden bij hem aankloppen, als het weer noodig was.
Met dat zindelijke perspectief kleedden wij ons opgelucht aan. Op den duur moesten wij dien oorlog winnen.
Na de douche begon Reinier energiek langs het prikkeldraad van het kamp heen en weer te snelwandelen. Hij had uitgelegd, dat onze spieren door het gevang verslapt waren en oefening noodig was, om mobiel te blijven. Ik had daar andere opinies over en wilde de krachten sparen tot wij ze noodig hadden. Ik heb nooit in oefeningen geloofd, niet eens voor schrijven. Iets gaat, of het gaat niet.
| |
| |
Dan is er nog niets verloren. Misschien leert men wat bij het probeeren, maar zeker is dat heelemaal niet. Geduld voor oefeningen bezat ik nooit. Om er in een concentratiekamp mee te beginnen, leek mij zeker overbodig. Als het lukte te ontsnappen, zouden wij zelfs de hazen voorbijloopen. Daar twijfelde ik geen moment aan. Nu dit nog niet aan de orde was, zat ik liever op een stoel. In het midden van het kamp, was een leeszaaltje in een barak. Ik stapte binnen. De behoefte aan cultuur was niet hevig. Twee oude mannen zaten in een stoel te slapen. Tusschen verlepte kranten en geïllustreerde bladen vond ik een nummer van de Mercure de France met een stuk dagboek van Léautaud: ‘Georgette’.
Ik begon te lezen. Het noodlottige verhaal, zonder eenige illusie geschreven, kreeg mij zoo te pakken, dat ik niet langer in het kamp was. Toen legde ik het weg en was er weer. Ik bleef nadenken over de lectuur.
‘Wij blijven slaven,’ dacht ik, ‘ons leven lang, van hartstochten en gewoonten die ons drijven. Wij verwoesten wat ons het liefst is. Wij weten het en kunnen het niet laten. Wij hebben genoeg van de Georgettes, maar jaren later vreet de spijt ons aan, al spotten wij nog zoo fraai met ons gevoel. En als wij het konden herhalen, zouden wij hetzelfde doen. Dit heele leven is één concentratiekamp. Soms denken wij te ontsnappen, doch het is slechts, om ons in een andere gevangenschap te begeven. Wel vinden wij het verschrikkelijk zuur en vergaan van medelijden met ons zelf. Toch willen wij
| |
| |
aan dien dood in ons zelf blijven ontkomen. Tot het spel uit is, waar wij nog het meest benauwd voor zijn. De oude heer Léautaud weet tenminste om die vermoeienis te lachen, al blijft het wrang.’ Ik stond op en verliet het leeszaaltje. Op weg naar de barak ratelde een vreemdsoortige wagen voorbij. Een man, met een rood boersch gezicht onder een zwarte pet, zat op den bok. Het lijkenwagentje. Ik had het 's ochtends ook al gezien. Het knarste langzaam naar den uitgang. Niemand keek er naar om.
Ik besefte het gevaar van een al te philosophische houding bij dit bestaan in het kamp. Het leidde hoogstens tot een elegisch hunkeren naar het verleden, dat ook niet altijd fraai was geweest. Misschien had Reinier toch wel gelijk met zijn wandelsport.
Er waren trouwens voldoende hinderpalen, die de elegie in den weg stonden. Wij hadden het druk met alle mogelijke karweien, die de veranderde levenswijze meebracht. Het schoonmaken van de kleeren, zoo noodzakelijk na Limoges, vergde veel energie. Reinier bereikte daarin meer accuratesse dan ik. Wij waren voorbarig geweest met het wegschenken van onze truien aan de Fransche krijgsgevangenen Delaunoy en Renaud. De koude November-wind blies meedoogenloos door het kamp en had maling aan calorieëngebrek. Reinier slaagde er in, een jekker aan te schaffen en een oude Weensche emigrant praatte hem bij een zitting in de eetbarak een lange onderbroek aan. ‘Ein wunderschöner Plüschhosen’ verduidelijkte de man
| |
| |
trotsch. Er moest een reus in gehuisd hebben, want hij reikte Reinier tot de keel. Via de barakchef Marcus gelukte het mij een van onze goudstukken van de hand te doen. Wij kwamen niet uit met het cigarettenrantsoen en konden de verleiding niet weerstaan ze zwart te koopen. Als excuus voerden wij aan, dat wij den badman te vriend moesten houden, want de lijfdieren bleken hardnekkiger dan de Marie-Rose. Steeds meenden wij hen definitief uitgeroeid te hebben. Ondanks het heete douchewater trokken zij naderhand tergend aan het langste eind.
Een bewaker, die in het kamp dienst deed, een dikke en nogal domme man, interesseerde zich voor ons lot. Hij kwam uit Noord-Frankrijk, was vroeger voor zaken in Holland geweest en had na zijn demobilisatie dit wrange emplooi gevonden. Hij begreep niet, wat wij uit het goede Holland hier kwamen zoeken en wij lieten hem onwetend. Hij leek ons een nuttige relatie. Het was overbodig hem op de teenen te trappen. Als wij zijn sympathie konden gebruiken wanneer ons plan tot ontvluchten rijpte, kon dat slechts welkom zijn.
Verder waren wij Marcus behulpzaam bij de corveeën die zich voordeden, het halen van hout, het schoonhouden van de barak en de verdeeling van het broodrantsoen. De Turk Saïdah, die de schoonste verhalen vertelde, was door zijn goed humeur een voortdurende verkwikking.
De avonden in de barak rond de kachel die met veel zorg gekoesterd werd, waren niet zonder bekoring. In een hoek liep de Pool Zaslawski in
| |
| |
zijn gebedkleed gebeden op te zeggen. Een breede man, met een vollen ronden baard, die zijn eigen gang ging. De Duitschers Marcus en Bloch, speelden een partijtje skat met hun echtgenooten. Wij roosterden een boterham op de kachel, tot hij mooi bruin werd en aten hem daarna kruimel na kruimel op. Ondertusschen luisterden wij naar de verhalen over andere kampen zooals Rivesaltes en Vernet, van lieden die daar ervaring hadden opgedaan. Drancy bij Parijs was zeker het afschuwelijkst. Dit Nexon een van de beste. Voor de bewoners van onze barak vermoedelijk slechts een doorgangsverblijf. Niemand maakte zich ernstig bezorgd om de toekomst. Het bericht dat de Franschen de vloot in Toulon tot zinken hadden gebracht, voor de Duitschers haar bereikten deed de hoop in de harten rijzen. Ook dat de Duitschers bij Stalingrad niet verder kwamen. Aan die dingen klampte men zich vast.
‘Misschien komt de invasie nu spoedig!’ verzuchtte men.
Wij deelden dit optimisme geenszins, doch lieten het niet blijken. Wij wilden bovendien geen dupe worden van het wachten op gebeurtenissen, die, al verliepen zij gunstig, te veel tijd vergden. Afwachten beteekende, zichzelf met illusies paaien. Daarmee kwamen wij terecht bij zelfbedrog, dat initiatief, onder deze omstandigheden toch al moeilijk, uiteindelijk dooden moest. Maar iederen avond en ochtend werd er appèl gehouden en nog steeds waren wij aanwezig. En al vloog de tijd om, wij kregen er schoon genoeg van. Verder dan het af- | |
| |
tasten van het prikkeldraad en het loeren op vermeende kansen kwamen wij nog altijd niet.
Op een middag scharrelde ik rond in de buurt van het douchehok. Een berg oude blikken lag daar naast een kapotten wagen. Ik kroop onder den wagen door en kwam aan de achterzijde van de hoop afval. Ik bemerkte dat het platte dak van het douchehok slechts een drietal meters van den buitenmuur, die de voorzijde van het kamp voor een gedeelte vormde, verwijderd was. Tegen de andere zijde van het douchehok, was de ontvangstbarak aangebouwd. Het stuk muur was met glasscherven bezaaid, doch vlak achter den muur, buiten het kamp, stond een stevige boom. De ingang en het raam van het douchehok was naar de kampzijde gekeerd. Daarom waren wij niet eerder op deze ontdekking gekomen.
Ik haalde Reinier op. Wij kropen behoedzaam onder den wagen door. In de vrije ruimte tusschen het douchehok en den muur van het kamp, loerden wij als twee slimme vermagerde ratten, van het dak naar den boom achter den muur. Het nadeel van een ontvluchtingspoging zoo dicht bij den ingang, was de nabijheid van de ontvangstbarak, die den bewakers tot zitlokaal diende. Maar het voordeel was, indien wij niet teveel lawaai maakten, dat deze plek niet streng bewaakt werd. Bovendien stonden verder naar buiten van den muur verwijderd, nog andere boomen. Daar was het boschje, dat wij ons van de aankomst herinnerden. Van den boom groeide een zijtak ongeveer zes meter boven den grond in de richting van het
| |
| |
kamp. Wanneer wij op het douchehok klommen behoefden wij dien tak slechts twee meter naar ons toe te buigen om hem te grijpen.
‘Wij hebben een haak noodig!’ zei Reinier. ‘Een steen met een touw maakt te veel lawaai als wij hem er niet dadelijk goed overheen krijgen.’
Gespannen bleven wij verder rekenen. Na het avondappèl om tien uur moest het beste moment zijn. Op die klok, kon men nog wel zonder argwaan te wekken door het kamp loopen.
Wij verlieten de hoopvolle plek, maar onze gedachten bleven aan den haak hangen. Hij viel moeilijk te improviseeren, want hij moest stevig zijn.
‘Als wij onzen vriend, den dikken bewaker, in vertrouwen namen!’ opperde ik. ‘Wij behoeven hem niet dadelijk alles aan den neus te hangen.’
‘Het is te probeeren!’ zei Reinier. ‘Misschien kan hij ons voor een of ander karwei, zoo'n ding bezorgen, zonder dat hij zelf risico loopt!’
Wij zochten het kamp af en vonden hem bezig toezicht te houden bij het schoonmaken van de eetbarak. Wij wachtten geduldig af tot hij naar buiten kwam en schoten hem aan.
‘Het bevalt ons hier niet langer!’ zei Reinier tegen hem. ‘Wij willen er van door.’
‘Wat bedoelt U?’ zei de man verbaasd.
‘Wij willen ontvluchten!’ verduidelijkte Reinier. ‘U bent toch onderofficier geweest! U moet dus kunnen begrijpen, dat wij niet hier geduldig blijven afwachten, maar zelf ook weer eens wat willen doen.’
| |
| |
De man had iets militairs. Het feit dat Reinier officier was, had eenige in druk op hem gemaakt. ‘Ik begrijp U best!’ zei de man. ‘Maar als U buiten bent en U wordt wéér gepakt, dan komt U in een strafkamp, waar U iedere hoop wel kunt opgeven.’
Er was iets waars in wat hij zei. Wij zagen er na anderhalve maand gevangenis en concentratiekamp zeker opvallender uit dan in St. Sulpice en Laurière. Toch moest er iets geprobeerd worden.
Wij liepen met hem op. Tot dusver nam hij onze bekentenis nogal gewoon op.
‘Luistert,’ zei hij en bleef staan. ‘Vanmorgen kwam een lijst van veertig personen, die naar Guers in de Pyreneeën overgeplaatst worden. Ik kan kijken of U daar op voorkomt!’
Wij zwegen en keken elkaar aan. Gold dit een poging om zich op de vlakte te houden, nu het duidelijk werd, dat wij iets van hem wilden.
‘Gesteld, het lukt U hier!’ hernam de bewaker. ‘Dan moet U nog door half Frankrijk heen om bij een grens te komen. Als U in Guers ontsnapt is Spanje niet ver meer.’
Wij aarzelden. Wanneer het een voorwendsel was en hij nattigheid voelde, zouden wij het spoedig weten. Indien het waar was, dan konden wij ons beter eerst in Guers laten neerzetten. Vóór wij hier de kans kregen, gingen er ook wel een paar dagen heen. Wij waren nu ruim twee weken in Nexon. Als het niet te lang duurde voor het transport vertrok, was er niets verloren. Wij hadden ons plan niet ontvouwd en konden nog altijd zien.
| |
| |
‘Ik kom U vanavond zeggen of U op de lijst staat,’ zei de bewaker en liet ons staan.
Guers, zei ons niets, maar de Pyreneeën hadden een tooverklank.
‘Als het een grooter kamp is, dan dit hier!’ zei Reinier, ‘zullen wij ook daar een zwakke plek ontdekken.’
De vondst van den boom bij den muur was te kort geleden om er al afstand van te doen. Ik betreurde, dat wij pas nu aan die kans gekomen waren. Hoe de situatie in Guers werd, moesten wij afwachten. Doch de gedachte, dat wij waarschijnlijk binnenkort weer zouden reizen vervulde ons met een spanning, die wij te lang gemist hadden. En spoedig verdiepten wij ons in de meest opgewekte berekeningen.
‘Wanneer het transport geen verzinsel is!’ zei Reinier, ‘reizen wij op de kosten van den Franschen staat door bijna geheel Frankrijk!’
‘Als het daarbij lukt over de Pyreneeën te klimmen!’ steigerde ik opgewonden mede, ‘mogen wij achteraf nog erg dankbaar zijn dat wij het vervelende Zwitserland gemist hebben!’
Wij slenterden langs het prikkeldraad en keken nog eens naar het naakte heuvellandschap.
‘Heb jij ooit bergen beklommen?’ vroeg Reinier. ‘Echte bergen met sneeuw en ijs?’
‘Neen!’ bekende ik schuldig. Ik moest toch ook maar aan de wandelsport gaan doen, wanneer wij in Guers waren. Ongetwijfeld had ik in mijn bestaan te veel op caféterrassen gezeten en mij te weinig met de padvinderij opgehouden.
| |
| |
Wij liepen naar de barak terug en roosterden een boterham op de kachel. Het gerucht van het transport was al doorgedrongen. Alleen wist men nog niet waarheen. Er heerschte een nerveuze toestand. Men verdiepte zich in gissingen. Vooral de mannen met vrouwen en kinderen, maakten zich bezorgd over het ongewisse.
De Turk Saïdah kwam bij ons staan. Hij was bij hooge uitzondering somber gestemd.
‘Dat ik niet weet, of wij gaan is tot daar aan toe!’ verzuchtte hij. ‘Maar dat men niet weet waarheen! Wat een leven!’
Reinier keek mij aan. Saïdah met zijn gezin, had zeker recht het te weten.
‘Naar Guers!’ zeiden wij. ‘Vertel niet dat het van ons komt.’
Wij werden naar buiten geroepen. De bewaker liep heen en weer.
‘U staat op de lijst!’ zei hij. ‘Maar zegt niet dat U het van mij weet!’
Wij schoten in den lach, om die geheimzinnigp-doenerij.
‘Overmorgen, den 3den December vertrekt het transport! Doe dus geen dwaasheden meer!’ raadde hij ons aan. Wij dankten hem voor zijn moeite. ‘Een haak hadden wij nooit van hem los gekregen!’ zei Reinier. ‘Hij lijkt mij een haas.’
Wij doolden wat in het kamp rond en voelden ons al iets vrijer. De booglampen achter het prikkeldraad, interesseerden ons nu niet langer.
Naast een barak zagen wij Mme Hirschel vleiend in gesprek met een bewaker.
| |
| |
‘De arme drommel!’ zei Reinier. ‘Misschien probeert ze voor haar kind aan het transport te ontkomen!’
Terug in de barak bleek iedereen op de hoogte van de bestemming van het transport. Wij speelden een partij bridge met Marcus en zijn vrouw, doch de aandacht was er niet bij.
Den volgenden ochtend haastten wij ons naar de scheersalon van de Spanjaarden. Wij waren te vroeg, maar mochten bij de kachel plaats nemen.
‘Weet iemand iets van Guers?’ vroeg ik.
Eén van hen was er geweest na den burgeroorlog, kort nadat het gebouwd was. Er gingen tienduizend man in. Het moest dus een uitgestrekt kamp zijn.
‘Valt er te ontvluchten?’ vroeg Reinier.
Hij had het nooit geprobeerd. Waar moest hij heen? Naar Spanje kon hij niet terug. Zich opnieuw laten pakken had geen zin.
‘Voor U is dat anders!’ zei hij. ‘Franco zal U als Hollanders niet opeten.’
‘Hoe ver ligt Guers van Spanje?’ vroegen wij.
Daar liepen de meeningen over uiteen. De een zei dertig kilometer, doch een ander beweerde dat het wel zestig was. In bergland kwam het op een paar dagen trekken neer.
Den geheelen verderen dag heerschte een nijvere drukte in de barak. De namen van hen, die met het transport meegingen, waren bekend gemaakt. Ook de datum van vertrek. Er werd druk gepakt. Wij besloten geen Marie-Rose mee te nemen. Dat idyllisch klinkende spul had ons deerlijk in den steek
| |
| |
gelaten. Ook de wonden van onze handen waren niet dicht gegaan. Wij dachten dat het kwam van de koude in Nexon of door het vele douchen. Pas later beseften wij, dat het hongeroedeem was.
|
|