| |
| |
| |
XI
Het leven in iedere gevangenis komt ten slotte op hetzelfde neer. Het is een belemmerd en gehinderd bestaan dat op den duur de geestkracht ondermijnt. Maar men went er aan. Dit was hoogstens wat naargeestig door het vele ongedierte, dat er huisde en ons bij het abominabel slechte voedsel, beurtelings uit koolbladeren en koolraapsoep bestaand, nog sneller in een toestand van uitputting bracht. In tegenstelling tot de celgenooten ontvingen wij geen pakketten en daardoor vermagerden wij spoedig. Het kleine stukje kip, dat de joyeuse zigeuner Ferraz ons toeschoof, wanneer hij een poularde van zijn vriendin ontving of de paar gekookte aardappelen die de Spanjaarden ons van hun armoedig pakket aanboden, waren wel een delicatesse, maar het kon ons verval niet tegengaan.
Wij betrachtten in dit opzicht ook zooveel mogelijk de onaandoenlijkheid, al begonnen wij soms eindelooze gesprekken over de schranspartij, die wij zouden aanrichten, wanneer wij vrij kwamen. Dat wij die gelegenheid niet zouden krijgen, speelde geen rol bij die hongerfantasieën. Wel vroegen wij ons in dit verband af, hoe het met de goudstukken zou staan.
| |
| |
‘Je zult zien dat je ze kwijt bent!’ zei Reinier.
‘Ik vermoed dat de portier de jouwe al lang verbrast heeft!’ gaf ik terug.
Doch wij troostten ons met de gedachte dat wij papiergeld genoeg hadden om een overdadig eetfestijn aan te richten en iedere keer werd het menu rijkelijker en zorgvuldiger samengesteld.
Men went aan luizen en men went in mindere mate aan honger. Waar men niet aan went, is aan de onzekerheid van het lot. De dagen gingen voorbij en het werden weken. De jonge Gaullist Bloch werd op een ochtend weggehaald en hij pakte welgemoed zijn spullen om weggevoerd te worden.
‘Ze kunnen mij toch niet dwingen Pétain een groot man te vinden!’ zei hij spottend bij het afscheid.
Zijn plaats werd 's middags ingenomen door een keurig man van tegen de zestig, in jagerscostuum gekleed. Hij bleek ver boven zijn toeren en barstte dadelijk na zijn binnenkomst los:
‘Ik ben onschuldig. Nog nooit heb ik in een gevangenis gezeten!’
Het was Robert Dreyfus, een neef van den man die door de voorloopers van Pétain naar het Duivelseiland was gezonden. Hij had de demarcatielijn clandestien overschreden, omdat hij zich onder de Duitschers niet langer veilig waande. Na zijn aankomst in onbezet Frankrijk was hij gepakt.
‘Zijn oom heeft wel voldoende voor de geheele verdere familie gezeten!’ zei ik.
‘Als men Dreyfus heet, kan men alleen maar onschuldig zijn!’ antwoordde Reinier.
Tot zijn geluk kwam die onschuld spoediger aan
| |
| |
het licht en werd sneller door de vrijheid gevolgd, dan vijftig jaar geleden bij zijn oom. Daarom bleef de moeilijke en overbodige gang naar de ‘corrida’ hem bespaard.
Twee ochtenden later werden Dreyfus, Reinier en ik weggeroepen. Met een veertigtal andere gevangenen werden wij in het voorportaal naast de portiersloge gedreven. Twee aan twee met boeien aan elkaar gekoppeld, stelde men ons hier in een rij en voorwaarts ging het naar het Paleis van Justitie voor de rechtszitting. Dezelfde weg dien wij, al weer drie weken geleden met de wankelmoedige gendarmen hadden afgelegd voor wij in de cauchemar verzeilden. De keurige heer Dreyfus liep nerveus achter ons. Gekoppeld aan een onverschillige schavuit, die hem verzekerde dat zoo'n rechtszitting niets om het lijf had en toch van te voren bekeken was.
Onderweg struikelden een paar oude mannen over een stoep. Door de boeien konden zij zelf niet overeind komen en een gendarm kwam aan die lamentabele scène te pas.
In de rechtszaal met vrij veel publiek, gingen de boeien af en werd de bezending op de banken van de beklaagden geïnstalleerd. Wij kregen een plaats dicht bij de advocaten. Wij zochten vergeefs naar den advocaat, die wij bij ons eerste bezoek aan dit gebouw duizend francs voorschot verstrekt hadden.
‘Zie je, dat die vent een bedrieger was!’ zei Reinier.
| |
| |
‘Ik wed dat die duizend francs vandaag nog terugkomen!’ zei ik verbolgen.
Met dat al zaten wij hier zonder eenige hulp. Veel kon het ons eigenlijk niet meer schelen. In het volle licht en de bedrijvigheid van de zaal merkten wij pas hoe versuft en onwerkelijk wij geworden waren. Met ongeschoren gezichten zaten wij er groezelig, vermagerd en vervuild bij. En in onze kleeren ravotten de insecten. Wij waren al bij voorbaat geslagen. Het ging er nog slechts om voor hoe lang.
De zitting begon. De eerste die voorkwam, was een van de oude mannen die zoo juist gevallen was. Een Spanjaard van geboorte, Anastasio Fabio. Een man die ter grootte van een vuist een schijf uit zijn schedel miste, waar de hoofdhuid los overheen lag. Een oude stakkerd, tot wien het zelfs met behulp van een tolk nauwelijks doordrong waaraan hij zijn aanwezigheid hier dankte. Hij luisterde met open mond naar de uiteenzettingen van den aanklager en de vragen van den president, die de tolk voor hem vertaalde, doch die hem tot geen enkele reactie bewogen.
Hij keek slechts met groote verbaasde oogen van den een naar den ander, alsof hij moeite had te gelooven dat die imposante heeren zooveel aandacht aan zijn vervallen persoonlijkheid besteedden. Nu en dan veegde hij over zijn hoofd, alsof het ontbrekende stuk uit zijn schedel hem misschien raad had kunnen verschaffen. De president, een niet onwelwillend man met grijzend haar aan de slapen en nogal huiselijk in de zwarte toga boven
| |
| |
een sportpantalon, keek nog eens in de papieren of hij een lichtpunt kon ontdekken, haalde ten slotte de schouders op en tikte met de hamer. Anastasio Fabio was veroordeeld zonder dat er iets tot hem doordrong. Hij begreep evenmin dat het nu voor hem afgeloopen was en een ander aan de beurt kwam, want hij bleef vriendelijk en gewillig staan. Men moest hem beduiden dat hij weer kon gaan zitten. Ook dàt deed hij zeer inschikkelijk. De geheele draagwijdte van zijn ontmoeting met vrouwe Justitia was buiten hem omgegaan. Het bracht vermoedelijk weinig wijziging in zijn overigens al droevig lot.
Het proces Dreyfus was een wereldscher tafreel. Een welvarend advocaat hield een tactisch pleidooi waarbij Dreyfus merites zoo veel mogelijk op den voorgrond werden geschoven en het joodsche vraagstuk omzeild werd. Een hoog officier met veel goud op den kraag was apart uit Vichy overgekomen. Een jeugdvriend, die een inderdaad roerend getuigenis aflegde. Het was een moment stil in de zaal alsof een schim uit het verleden aanzweefde. Dreyfus zelf was zichtbaar aangedaan. De president hamerde en Dreyfus werd onmiddellijk in vrijheid gesteld. Hij werd druk gecomplimenteerd en wij waren blij voor hem want de man had zich erg ongelukkig gevoeld onder de verschrikking van het celbestaan, hoewel hij zich zoo flink mogelijk aanpaste.
Na eenige andere zaken was de beurt aan ons.
‘Zal ik spreken?’ vroeg ik Reinier bij het naar voren komen.
| |
| |
‘Het heeft geen zin!’ zei hij mat.
Wij lieten de aanklacht over ons heen gaan. Daar viel niets tegen in te brengen. Wij hadden Frankrijk zonder geldige papieren betreden en waren de demarcatielijn en fraude gepasseerd. Over de Duitschers werd niets gezegd. Eisch: één maand gevangenisstraf. Of wij nog iets te zeggen hadden. Reinier zag er onverschillig van af.
‘Toch zit het scheef,’ dacht ik opstandig.
Ik begon te spreken. Ik legde uit, dat wij ons zelf verdedigden, daar de advocaat dien wij voorschot verstrekt hadden, zelfs niet ter zitting verschenen was.
Er ontstond beroering op de advocatenbanken en de president verzocht mij den naam te noemen, die genoteerd werd.
Vervolgens schetste ik hoe en waarom wij naar Frankrijk gekomen waren. Eerder op een kunstzinnig dan een politiek plan zette ik uiteen dat Frankrijk voor een Europeaan meer dan alléén een geografisch begrip was, slechts toegankelijk voor geldige papieren. Frankrijk was altijd het toevluchtsoord geweest voor het vrije denken en de onderdrukte persoonlijkheid. Het viel ons moeilijk te gelooven dat in dien lofwaardigen toestand eensklaps verandering gekomen was.
Het was stil in de zaal. Hoe voorzichtig ik ook sprak, ik voelde in de atmosfeer dat het gewicht van den afwezigen machthebber op de zitting drukte en door dezen overigens niet onvriendelijken president ontzien moest worden en ik besloot dat aan te snijden.
| |
| |
‘Ten slotte,’ zei ik, ‘zijn onze landen nog steeds in oorlog met een, naar ik aanneem, in dit gebied nog niet tegenwoordige natie. Hoe Uw uitspraak ook luidt, wij blijven er van overtuigd dat Frankrijk eens weer het vrije land zal zijn, dat het altijd geweest is.’
Ik zweeg en uit het publiek riep iemand ‘Bravo’. De president hamerde af en sprak het vonnis uit: ‘Een maand gevangenisstraf.’
Wij gingen naar onze plaatsen terug.
‘Voor die eene week die wij nog hebben, was je toespraak wel wat nutteloos!’ zei Reinier sceptisch.
Het was natuurlijk overbodig, maar het had mij toch opgelucht. Ik tuurde de zaal in naar de plaats waar ‘Bravo’ had geklonken. Tenminste een die in dit onbezet Frankrijk de comedie niet meespeelde.
Na het beëindigen van de zitting werden de veroordeelden op een rij gezet.
‘U heeft goed gesproken!’ zei de gendarm, die ons weer de boeien omdeed en aan elkaar ketende, terwijl hij mij op de schouders klopte.
‘Ik zal dat vak nooit begrijpen!’ zei ik tegen Reinier die in den lach schoot om die contrasteerende bezigheden. ‘Ze zijn vriendelijk tegen je, kloppen je op de schouders, bieden je een drankje aan, vinden dat de wereld op 't oogenblik niet klopt, doen je de boeien aan en schuiven je weer in 't hok!’
Wij liepen met een iets bekorten stoet naar het gevang terug. Nu wisten wij waar wij aan toe waren. Een week was nog wel door te komen. Dan kon- | |
| |
den wij weer eens goed eten, de strijd tegen het ongedierte beginnen en probeeren verder te komen. In de gevangenis gingen de boeien af. De oude Anastasio Fabio nam de plaats van Dreyfus in. Hij bleek van dichtbij geweldig vies, maar niet zoo wezenloos als hij voor het gerecht den indruk maakte. Het eenige bezit, dat hij met zich door het leven sleepte was een bizonder vuile lap, waarmee hij de banken voor zijn nieuwe celgenooten begon af te vegen. Wanneer hem voor die werkzaamheden wat cigarettenpeukjes werden geoffreerd, was hij daar erg erkentelijk voor. Hij zette zich onder het tralievenster, pakte een stuk krantenpapier uit zijn pet, draaide zorgvuldig een cigaret zonder een tabaksvezel te verliezen en rookte die aandachtig en met diep welbehagen op. Helaas kon hij niet met rooken ophouden, wanneer zijn peuken op waren. Dan vervaardigde hij cigaretten van afgevallen boombladeren, die hij tijdens het luchten op de binnenplaats had opgeraapt. Was die voorraad eveneens uitgeput dan rookte hij cigaretten van louter krantenpapier en jaagde met dien stank iedereen hoestbuien op het lijf. Tot men weer een peuk aan hem afstond. Dan straalde hij over het diep gerimpelde gezicht, haalde zijn lap te voorschijn en begon de banken weer langzaam af te vegen.
Soms liep hij een klap op van een van de cipiers als hij te laat bij een deur aankwam na het luchten. Dan brulde hij het heele gevang bij elkaar en verzeilde in de strafcel. Maar hij kwam weer te voorschijn of er niets aan de hand was geweest en zette
| |
| |
steeds opnieuw zijn trouwe lap aan het werk. Hij praatte voornamelijk in zichzelf. Zijn gezondheid scheen onaantastbaar. Hij droeg niets onder het dunne gevangenisjasje dan een groezelig hemd. De luizen hinderden hem in geen enkel opzicht en hij krabde zich nooit. Hij lepelde zijn koolsoep met smaak op en scheen verder niet door honger gekweld te worden. In alles maakte hij den indruk of het geen probleem voor hem was dat hij hier of ergens anders het leven sleet.
Reinier en ik probeerden soms een gesprek met hem te beginnen. Hoewel hij vriendelijk was en ontvankelijk voor een goed woord werden wij geen steek wijzer omtrent zijn levenswandel.
Na de rechtszitting hadden wij opnieuw moed gevat. Onze bevrijding stond voor de deur, de zigeuner Ferraz gaf ons het adres van zijn vriendin, die een goed eetadres voor ons zou weten.
De avond na de rechtzitting werd ik bij den portier geroepen. De trouwelooze advocaat bracht onze duizend francs terug.
‘Ik hoop U nog eens te ontmoeten, als wij vrij zijn,’ was alles wat ik hem waardig keurde.
Hoofdzakelijk draaiden onze gedachten om de voortzetting van onze onderbroken tocht. Zouden wij nog trachten Zwitserland te bereiken?
De Spanjaard Blanquiz raadde ons aan dadelijk naar Spanje door te trekken.
‘Franco is toch al aan het bijdraaien en voor U bestaat daar geen gevaar!’
Het leek ons verleidelijker dan het zatte Zwitserland, ondanks Franco. En in Spanje waren wij
| |
| |
dichter bij Gibraltar of Lissabon. Als wij na Zwitserland weer door onbezet Frankrijk moesten, konden wij beter ineens gaan. Indien wij er tenminste bewegingsvrijheid voor kregen. Hoe het moest loopen na het verblijf hier met papieren, wij konden er slechts naar gissen.
Weldra namen wij afscheid van onze celgenooten, want met Anastasio Fabio werden wij overgebracht naar een cel van veroordeelden. Wij kwamen terecht in een grof en onbehouwen gezelschap van gewoontemisdadigers en moesten voor Fabio in de bres springen, omdat een van die kerels, die voor een moord zat, doch slechts een laf en miserabel individu bleek, den ouden man te lijf wilde. In een gespannen atmosfeer bleven wij bij dit gespuis voortdurend op ons qui-vive. Het waren de somberste dagen in de gevangenis. Te midden van een dom en achterbaks soort lieden. Wij misten den zigeuner Ferraz en de beide Spanjaarden ten zeerste. Anastasio Fabio bleef onverstoorbaar, zelfs nu ook zijn krantenrookerij afgeloopen was.
Den 10den November, met nog vier dagen voor den boeg heerschte tegen den middag een plotselinge opwinding in de gevangenis. Tegenstrijdige geruchten deden de ronde. De Amerikanen waren in Afrika geland en de Duitschers zouden onbezet Frankrijk binnengetrokken zijn. Reinier en ik schrokken hevig. Als dit waar was, beteekende het dat wij behalve de Franschen opnieuw de Duitschers op den hals kregen. Niet dat zij dadelijk dit gevang zouden binnentrekken om ons tegen den
| |
| |
muur te zetten, maar het heele avontuur over de demarcatielijn kon dan van voren af aan beginnen onder nog lastiger omstandigheden.
Bij het luchten waren de gevangenen bizonder opgewonden. Sommigen wisten te vertellen, dat de Engelschen en Amerikanen in Zuid-Frankrijk geland waren en Lyon gepasseerd zouden zijn.
Reinier was kwaad van ergernis over dit optimisme.
‘De idioten!’ schold hij. ‘Zij zullen eerst wel wat anders meemaken.’
Maar er moest iets bizonders aan de hand zijn. De cipiers vergaten zelfs te schelden en ons in den looppas te vloeken. Zij stonden in een zorgelijk gesprek bijeen.
‘Voor hen vind ik het uitstekend als de Duitschers er zijn!’ zei Reinier, ‘dan leeren ze tenminste wat gevangenschap beteekent.’
De cipier die het avondeten kwam rondbrengen was volkomen beschonken.
‘De hunnen zijn er!’ lalde hij. ‘Wat mij betreft donderen jullie allemaal op. Ik heb er geen zin meer in.’
Het was een van de ruwste potentaten uit het gevang. Nu stond hij daar met behuilde oogen. Zijn lef was ineengezakt. Toch klapte hij uit gewoonte de celdeur maar dicht.
Het fijne van de zaak kwamen wij pas den volgenden dag te weten. Bij het rondloopen tijdens het luchten vloog een formatie Junkers vrachtvliegtuigen langzaam over de binnenplaats heen. De gevangenen, verrast door het vliegtuiggebrom,
| |
| |
begonnen eensklaps uitgelaten te springen en te dansen en hieven de uitgestrekte armen ten hemel naar de toestellen, waarvan de hakenkruizen overigens duidelijk zichtbaar waren.
‘Ah, les Américains, vive les Américains,’ juichten zij wild en sloegen op elkaars schouders.
Reinier en ik keken elkaar aan, bevreemd over die massale uiting van idiotie. Toen barstten wij in lachen uit, ondanks het wrange van het geval. Het schouwspel was te potsierlijk. De hooge muren van de binnenplaats waren onbereikbaar. Anders had dit verwarde moment van misplaatste uitbundigheid de unieke kans verschaft om de plaat te poetsen. Voor de laatste paar dagen loonde een der gelijke onderneming niet meer.
Anastasio Fabio was de eenige, die de vliegtuigen geen blik waardig keurde. Duitschers of Amerikanen gingen hem niet aan. Zij speelden in zijn leven geen rol. Afzijdig van de algemeene opwinding had hij af gewaaide boombladeren opgeraapt en er een cigaret van gedraaid die hij gedekt door de wanorde gretig in een hoek stond op te rooken. Ik raakte er voortdurend meer van overtuigd dat het afwezige stuk uit zijn schedel hem veel vervelende en overtollige beslommeringen bespaarde.
Wij waren nog lang niet zoover. De binnenkomst van de Duitschers verwikkelde Reinier en mij in allerlei gissingen omtrent de wijze, waarop de verdere tocht beïnvloed kon worden. Ondanks deze verwikkeling zagen wij het feestmaal, dat wij van plan waren aan te richten, tastbaar en dichtbij. Toch zei één van ons af en toe, dat de vrijheid na
| |
| |
het gevang wel erg vaag zou kunnen zijn. Maar het liefst praatten wij er vlug overheen.
Voorloopig hadden de Duitschers de handen vol aan het groote stuk Frankrijk, dat zij er te bezetten bij kregen. Kazernes vorderen, bewapening aansleepen, de Middellandsche-zeehavens overnemen gaf voldoende werk, dan dat zij zich ernstig om onze aanwezigheid op dit grondgebied zouden bekommeren. De verwarring van den eersten tijd kon eerder gunstig voor ons uitwerken. Onder den druk van de nieuwe heerschers moest in de hoofden van de menschen in het voormalige onbezet Frankrijk wel iets veranderen.
Temidden van die schokkende evenementen in de buitenwereld, die zich in de gevangenis weerspiegelden in een lankmoediger optreden van de cipiers, brak de 14de November aan.
Na de middagsoep werden wij uit de cel geroepen. Wij namen afscheid van den ouden Fabio en maakten ons bezorgd hoe het hem verder moest gaan.
‘Wij koopen een pakket voor hem!’ zei Reinier. Men bracht ons naar het donkere voorportaal, waar een naakt uitgekleede nieuweling, onverschillig geluiden stond los te laten, die het menschelijk lichaam bij eenigen druk voortbrengen kan.
Een cipier droeg de bundeltjes bezittingen uit het magazijn aan. Ik pakte de pot zalf uit mijn tas en voelde op den bodem. De goudstukken zaten er. Ook van de overige dingen ontbrak niets. In het kantoor van den portier kreeg Reinier zijn goudstukken terug, nog steeds in den zakdoek geknoopt.
| |
| |
Het papiergeld klopte. Wij teekenden haastig. De eetpartij kon doorgaan. Toen kwam een afschuwelijke verrassing.
‘Jullie gaan naar het concentratiekamp!’ zei de portier nonchalant.
Wij stonden verstomd.
‘Naar het kamp van Nexon!’ verduidelijkte de portier.
‘Daar zijn wij niet toe veroordeeld!’ zei Reinier kwaad.
De man haalde de schouders op. Het was dezelfde onhebbelijke kerel, die ons bij het binnenkomen ‘Hoeden af’ had toegebruld.
‘Beschikking der justitie. 't Staat in de papieren!’ zei hij onverschillig. In het lage voorhoofd onder het dikke zwarte haar, was geen plaats voor iets anders.
Drie gendarmen stapten met kettinggerinkel het kantoor binnen. De onzichtbare hand van den gek die de wereld in rep en roer bracht reikte wel ver. Iedereen vond het blijkbaar de gewoonste zaak van de wereld, het hem naar den zin te maken.
‘Dat zijn ze!’ wees de portier ons aan. Voor deze nieuwe wending van het noodlot geheel tot ons doordrong, hadden wij de boeien weer aan de polsen. Om niet te kunnen ontvluchten werden wij elk aan een gendarm gekoppeld. De derde gendarm hield de deur van het kantoor open en de portier ontgrendelde de buitendeur.
Wij stonden buiten. Anders, dan wij het hadden voorgesteld. Al hadden wij wel eens aan een dergelijke mogelijkheid gedacht. Doch wij wilden het
| |
| |
niet waar hebben. Naarmate de straf opschoot hadden wij het steeds meer uit ons denken verbannen.
‘Die rechter met zijn plus-fours onder de toga leek een fatsoenlijk man!’ zei Reinier schamper. ‘Zou hij iets van dit gedoe afweten?’
Op het marktterrein buiten de gevangenis lagen Duitsche troepen gelegerd. Hun blinkende geweren stonden in bundels geschaard. De soldaten praatten in groepen bijeen, sommigen met het lint van het oostelijk front op. Met de helmen diep in de oogen en de handgranaten opzij, maakten zij een massieven indruk. Zij zagen er gezond en goed doorvoed uit, allesbehalve oorlogsmoe. Zij bekeken ons schattend toen wij aan de ketting van de gendarmen voorbij liepen. In dien zieligen toestand viel ons moeilijk aan te zien, dat wij eens het plan hadden naar Engeland te gaan.
Bij den aanblik van die indrukwekkende overmacht, vonden wij in ons hart, de Fransche gendarmen die ons aan de ketting hielden, zoo gek nog niet.
Als zij ons maar lieten loopen, wanneer wij een eind uit de buurt waren. Maar juist daartoe bleken zij niet te bewegen.
‘Jullie knappen wel een smerige zaak op voor de oude vijanden!’ zei ik tegen den gendarm die aan het andere eind van mijn ketting vastzat. Hij leek ook niet bijster gelukkig met zijn nieuwe meesters, doch kwam met het oude lied van vrouw en kinderen op de proppen en ik zweeg.
Dat het bergafwaarts met ons ging werd duidelijk.
| |
| |
Hoe en waar dit moest eindigen viel niet te overzien. Wij waren kwaad en verontwaardigd op het achterbaksche gesleep dat met ons plaats vond. Tegelijk beseften wij, dat zoo lang de Franschen er nog iets in zagen om met ons te sollen, wij uit de handen van de Duitschers bleven.
Misschien waren wij wel het kwaadst op onszelf, omdat wij slechts het allerfraaiste hadden gedroomd in onze onwezenlijke phantasieën over de Zwitsersche of Spaansche grens. De grootscheepsche schranspartij waarin wij ons verlustigd hadden viel leelijk tegen. De ontnuchtering was wel volkomen.
Op het station van Limoges zetten de gendarmen ons in een hoek van de hall neer, buiten den loop van de reizigers. Zij vatten hun taak niet licht op. Wel een verschil met de wankelmoedige dorpsveldwachters uit St. Sulpice en Laurière. Bovendien waren wij nu vervuild, ongeschoren en hadden de gelaatskleur, die het verblijf in het gevang meebrengt. Er werden geen egards aan ons verspild en de boeien bleven aan.
‘Het wordt geen drankje dit keer!’ zei ik tegen Reinier.
‘Het oog van den bezetter maakt den gendarm streng!’ railleerde hij terug.
Er kwam nog een gendarm opdagen met een tenger joodsch vrouwtje, dat een kind bij zich had. Hun verzorgde kleedij contrasteerde wel erg met onze verwaarloosde plunje. Zij hadden nog de atmosfeer van een warm goed huis om zich heen. De gendarm parkeerde hen bij ons.
| |
| |
‘Wanneer gaan we nu naar huis?’ vroeg het kind angstig van onze boeien naar de gendarmen kijkend.
‘Wij moeten eerst nog even met deze heeren mee!’ ontweek de moeder.
De heeren deden of hun neus bloedde. De trieste groep zette zich in beweging naar den gereedstaanden trein voor Nexon. Wij stapten in. De gendarmen namen plaats bij de deuren. Reinier en ik zaten naast elkaar. Het joodsche vrouwtje met haar kind, een jongetje van een jaar of vier tegenover ons. De trein begon te rijden.
‘Waarom hebben die mannen dat aan!’ vroeg het kind zijn mama, terwijl het op onze boeien wees.
‘Zij hebben pijn in den arm!’ zei de moeder met een bijna smeekenden blik tot ons. Wij hadden wel ergens anders pijn, doch speelden het bittere spel mee.
‘Ik wil naar huis, ik wil naar huis!’ begon het kind, dat zich niet op zijn gemak voelde, te huilen.
Wij zouden alles meemaken in dat concentratiekamp. Ook dat men huilende kinderen en vrouwen daarin opeendreef en liet verkommeren.
Ik keek de gendarmen verachtend aan. Doch die kindervrienden toonden ineens veel belangstelling voor het landschap buiten.
‘Nu overwegen zij, hoe rustig het kon zijn als er maar geen joden en vreemdelingen in Frankrijk waren, die hen al die overlast berokkenen!’ dacht ik bij mezelf.
Tenslotte sliep het kind in tegen zijn moeder, die
| |
| |
eveneens voorwendde te slapen. Het was wel de somberste reis, die ik ooit gemaakt had. De gendarmen zwegen, maar met gezichten of alles heel gewoon was.
Ik was opgelucht toen wij eindelijk in Nexon arriveerden. Buiten het station liep een straathond, een mager scharminkel, voor de trieste karavaan uit.
‘Ik wilde, dat ik in zijn huid kruipen en de beenen kon nemen!’ dacht ik bij mezelf. De ribben staken door zijn vel, maar op dit oogenblik vond ik hem in zijn onbekommerd gedrentel vergeleken met onzen miserabelen toestand een benijdenswaardigen rijkaard.
De hond keek nog één keer geringschattend om en verdween met een ren in een boschje. Wij sloegen een zijweg in en bereikten het concentratiekamp. Het was ongeveer een tweehonderd meter in het vierkant. Op de hoeken waren uitkijktorens met bewakers. Door de open ligging, eigenlijk op een heuvel-plateau, moest ontsnappen moeilijk zijn.
Een wachtpost opende het hek bij den ingang en wij werden binnengelaten.
‘Dit is dus het concentratiekamp!’ dacht ik. Sinds '33 had ik van die zonderlinge tijdsverschijnselen gehoord en gelezen. Eindelijk zat ik er dan in. Eigenlijk was ik verwonderd dat ik er nog zóó lang buiten gebleven was. Al had ik mij dikwijls met dat verblijf bezig gehouden, nu was ik er werkelijk door opgeslorpt. Twee jaar geleden was ik er bijna in beland na het meeningsverschil met de bezetters in het grasland. Een hooiberg en een boer
| |
| |
hadden uitkomst gebracht. Bovendien was er toen drank in het spel, die de werkelijkheid anders maakt.
Het hek klapte dicht. Er was geen twijfel aan. Dit was volkomen reëel. De handboeien werden afgedaan.
|
|