| |
| |
| |
X
Door bonzen op de deur werden wij den volgenden ochtend gewekt. Hoewel de slaap ons bizonder verkwikt had, waren wij bedrukt en terneergeslagen. Wij waren gevangen en de spanning was er uit. Van nu af aan zouden wij niet zelf meer doen, maar werden wij gedaan. Wij lieten ons lusteloos van de stroozaken glijden.
De Hermandads waren al in volledige uitrusting. Zij wezen ons een kraan waar wij ons langzaam onder hun toezicht waschten. Voorloopig hadden wij geen haast meer. Daarna brachten zij ons warm drinken en een stuk brood. Onder hun oogen troffen wij de verdere toebereidselen voor het vertrek naar Limoges. Wij keken om ons heen en snoven de ochtenddauw van den tuin op. Het zou wel anders worden binnenkort. Een heerlijk landschap trouwens, zonder deze politie.
Wij liepen denzelfden weg dien wij gekomen waren naar het station terug. Het was nog steeds prachtig herfstweer. Op het station keek ik uit naar de kaartjesverkoopster, die ons had aangebracht. Zij was er niet. Ik was van plan geweest nauwkeurig op te letten hoe zoo iemand er uit moet zien. Gisteren was het mij ontgaan. Wij hadden een expressetrein en hooge bergen, maar vooral vrijheid
| |
| |
voor oogen, ondanks onze vermoeidheid. Allerminst deze noodlottige dame. Misschien, als wij maar notitie van haar genomen, of een compliment hadden gemaakt, was het noodlot anders geloopen. Zelfs al stonden onze afgematte zintuigen daar niet naar. Wie weet!
Onze Garde had al plaatskaarten. Ook gaven zij ons het geld terug van de biljetten naar de Zwitsersche grens die zij den vorigen avond keurig hadden teruggebracht. O, zij wisten heel goed hoe het hoorde, deze agenten. Wij moesten vooral niet denken met Duitschers te doen te hebben. Van de vriendelijkheid wisten zij niet wat te bedenken om het ons naar den zin te maken. Behalve ons te laten loopen! Hoe moest dan het papier geteekend worden dat het parket in Limoges bij het in ontvangst nemen van onze personen zou afteekenen. Zonder papier bij den chef terugkomen. Dan konden zij dadelijk wel het maquis inwandelen.
Wij hadden gemakkelijk praten! Wij waren vrijgezellen! Dat was iets heel anders. Zij hadden een vrouw en kinderen. Neen, wij moesten niet denken dat zij het geen ellendig karwei vonden.
‘Je zou met ze te doen krijgen!’ zei Reinier gramstorig toen wij voor hen een coupé binnenstapten. Wij werden in 't midden van de banken geplaatst, de agenten zaten ieder bij een deur. Nu en dan probeerden zij ons moed in te spreken, dat het in Limoges misschien nog in orde kwam met de papieren. Wij geloofden het nu wel. Wij keken elkaar mistroostig aan.
‘Dit wordt geen Zwitserland!’ zei Reinier.
| |
| |
Wij stapten uit in het groote, gemoderniseerde station van Limoges. De gendarmen fluisterden met elkaar.
‘Heeren!’ zei de roodharige. ‘Mijn metgezel en ik wilden U een glas aanbieden!’
Reinier wilde vierkant weigeren doch ik gaf hem een hoofdknik.
‘Zooals U wilt!’ zei ik toeschietelijk.
Wij liepen met onze bewakers naar het buffet in de ruime wachtkamer en zij bestelden vier glazen. Wij stonden tusschen de uniformen in aan den comptoir.
‘Dit is beter werk dan wat ons te wachten staat,’ zei ik beteekenisvol, terwijl ik het glas ledigde. ‘Zoo moest men door kunnen gaan!’
‘U heeft gelijk!’ beaamden de gendarmen.
‘Nog vier stuks!’ zei ik tegen den buffetchef, alsof het een beklonken zaak was.
‘Neen, neen, dat gaat niet!’ protesteerden de agenten. ‘Wij kunnen onmogelijk te laat komen!’ Ik begreep dat de vlieger niet opging en had daarom niet de ware overtuiging aan te dringen.
Zij rekenden af en haastten zich met ons uit het station. Buiten het station sloegen zij een breeden weg in naar beneden, die op een plantsoen toeliep. Zij stopten bij het plantsoen en de roodharige sprak met eenige verlegenheid:
‘Heeren, nu komt een bizonder onplezierige zaak. Wij moeten U de handboeien aandoen. Het spijt ons buitengewoon, maar het is voorschrift.’
‘Wij willen niets missen wat er bijhoort!’ zei Reinier ironisch.
| |
| |
Wij hielden de polsen op en de boeien klikten dicht.
‘Het is eervoller dan die dronk van zooeven,’ dacht ik. ‘Dit is de werkelijkheid.’
Wij kwamen in het paleis van Justitie aan en werden een hall binnengebracht.
‘Ik moet U nu opgeven aan den procureur!’ zei de roodharige, ‘maar ik zal probeeren uit te visschen wat er met U gebeurt.’ Hij verdween met de begeleidingspapieren in een kabinet.
Er kwam een jongmensch op ons af, dat zich als advocaat presenteerde. Hij vroeg wat er aan de hand was. Wij stelden hem op de hoogte.
‘Het kan wel eens uitwijzing worden,’ luidde zijn commentaar. Hij gaf ons zijn kaartje. Ja, hij wilde zich wel met onze zaak belasten.
‘Duizend francs voorschot is mijn tarief.’
‘Hij bevalt mij niet!’ zei Reinier. ‘Let eens op die roofdierklauwen.’
Doch de man hield spraakzaam en technisch vol.
‘Zonder hulp ziet het er leelijk uit,’ preciseerde hij. ‘De schoft chanteert gewoonweg!’ zei Reinier. Sinds onze gevangenschap sprakenwij ongegeneerd Hollandsch in het bijzijn van anderen. Het bevrijdde ons eenigszins van het slechte humeur.
De roode gendarm kwam terug. Zijn gezicht stond bedenkelijk. Hij liep er in het groote gebouw bij als een schutterige dorpsveldwachter, die nu pas de draagwijdte van zijn optreden overzag.
‘Het wordt gevangenis!’ zei hij onthutst.
‘Dan weet U nog niet wat daarna gebeurt!’ klonk de falset van den advocaat.
| |
| |
‘Maakt U de boeien even los!’ zei ik tegen den gendarm. ‘Ik moet hem geld geven.’ Ze gingen af en ik gaf den advocaat zijn duizend francs. Vrijwel onmiddellijk maakte hij zich uit de voeten.
‘Wij moeten u thans overbrengen naar de gevangenis!’ kondigde de Garde aan.
‘Het is niet zoo best met het in orde maken van de papieren voor de verdere reis verloopen, wat U gisteren voor ons dacht te bereiken!’ zei Reinier giftig.
Wij werden uit het gebouw geleid. De roodharige die mij aan de ketting van de boeien hield was na Reiniers opmerking in de war geraakt en mopperde.
‘Het is een schandaal! U bent toch geen misdadigers!’ klaagde hij. Ik kon nog steeds niet onderscheiden of zijn verontwaardiging echt was of alleen maar geveinsd, opdat wij hem op het laatste stuk geen moeilijkheden meer zouden bezorgen.
‘Waarom liet U ons gisteren niet in den trein stappen. Nu is het te laat!’ zei ik bitter.
De gevangenis naderde en de gendarm zweeg.
‘Is het eigenlijk te laat?’ dacht ik bij mezelf. Wij liepen op een trottoir langs een leeg marktterrein. Misschien waren wij nog honderd meter van de plaats van bestemming. De gendarm keek naar den grond voor zich uit en leek niet erg ingenomen met dit laatste pijnlijke deel van zijn handwerk. Met dat restant van gewetensbezwaren deugde hij niet heelemaal voor zijn vak. Wanhopig dacht ik na om er gebruik van te maken, doch vond alleen maar het grofste geschut.
| |
| |
‘Luister!’ zei ik tegen hem. ‘Wij hebben zes gouden Louis bij ons. Het is ons heele bezit. Laat ons loopen en ze zijn voor U en Uw collega. Daar kunt U voorloopig mee uit de voeten.’
‘Als hij deugt,’ dacht ik, ‘kan hij alleen maar verontwaardigd zijn.’
Maar hij bleef naar den grond kijken, terwijl wij doorliepen.
‘Ik durf het niet aan!’ zei hij tenslotte bijna toonloos.
‘Het is alleen maar een laffe politielummel!’ dacht ik bij mezelf. ‘En door deze knechten hebben wij ons laten pakken. Met vijftig Louis waren wij vrij geweest!’
Zoo kwamen wij bij de gevangenis aan, een massief gebouw uit den tijd van Napoleon. De andere gendarm belde aan. De deur werd geopend en wij stapten binnen. De portier nam ons scheldend in ontvangst. Onze begeleiders verdwenen schuw langs ons heen. In het voorbijgaan ontweek de roodharige mijn blik.
Wij werden in het kantoortje van den portier geroepen. Omslachtig werden onze bizonderheden opgeschreven en vingerafdrukken genomen. Ons geld werd geteld en opgeborgen. Reinier overhandigde zijn goudstukken in de punt van een zakdoek geknoopt. De portier maakte de knoop open en bekeek ze belangstellend. Ik hield de mijne in de pot zalf in de actetasch.
Een ijzeren hek werd geopend. Wij stonden in de donkere hall van de gevangenis en moesten ons naakt uitkleeden. Een vloekende cipier onderzocht
| |
| |
onze bagage. Hij bekeek de pot zalf en maakte hem weer dicht. Met de boeken maakte hij van alles een bundeltje en bracht het naar het magazijn. Onze kleeren en jassen konden wij weer aantrekken. Toiletartikelen en tabak bleef bij ons. Reinier mocht zijn tondeldoos behouden.
‘Waar zijn je goudstukken?’ vroeg Reinier toen wij alleen stonden.
‘In de tasch, die naar het magazijn is!’
‘Dan ben je ze stellig kwijt!’ zei Reinier.
‘Ik denk dat die portier zich over de jouwe ontfermt!’ antwoordde ik. ‘Zag je hem grijnzen, toen hij die dingen bekeek!’
Voorloopig hadden wij ze niet noodig.
Veel stommer was, dat wij niet flink wat tabak hadden ingeslagen. De vloekende cipier, die een lucht van drank en knoflook verspreidde kwam terug. Met veel geraas gooide hij een tweede ijzeren hek open.
‘Haast je,’ schreeuwde hij ons toe.
Wij waren nu in de eigenlijke kooi, met cellen op twee verdiepingen.
De cipier stak een sleutel in een slot en gooide een celdeur open. Wij stapten binnen. De deur sloeg achter ons dicht.
Een zonderling tafreel deed zich aan ons voor. In de beperkte ruimte stonden oude schoolbanken tegen de beide wanden geplaatst. Die attributen uit den kindertijd contrasteerden sterk met de gezichten van de lieden die er in hingen en ons schattend opnamen. Van de twaalf man, die de cel herbergde zaten er twee op den grond, tegen den
| |
| |
korten wand van den buitenmuur onder het tralievenster. Een slordig, verwaarloosd gezelschap, dat weinig illusies liet omtrent het regime wat te wachten stond. Wij monsterden de medegevangenen onthutst en vroegen ons af hoe het in die opeengepropte samenleving bij langer verblijf te harden zou zijn.
Een zigeuner, een beweeglijke en lachlustige man, voerde het hoogste woord.
‘Jullie hebben zeker tabak bij je!’ verwelkomde hij ons, alsof hij ons jaren kende.
Die hadden wij en daar wij begrepen, dat er van nieuw aangekomenen een gebaar werd verwacht, gaven wij een rondje tabak. De geste lokte een tegengebaar uit. Er werden twee zitplaatsen voor ons op de banken ingeruimd.
‘Ik had nooit gedroomd, dat wij nog eens op schoolbanken zouden zitten!’ verzuchtte Reinier. Wij vormden het onderwerp van gesprek om ons heen.
‘Hoe komen jullie hier?’ werd gevraagd.
Onze binnenkomst bracht eenige tekst en uitleg met zich mee en wij gaven een kort relaas van de lotgevallen.
‘Heelemaal uit Holland komen om door de politie in dit hok geduwd te worden!’ zei een Elzasser, wiens gelaatskleur een vaste klandizie van langen duur verried.
‘Hooren jullie!’ zei de zigeuner Ferraz triomfantelijk: ‘Fijne heeren daarbuiten! Als ze menschen die niet zooals wij gestolen hebben in gevangenissen stoppen.’
| |
| |
Vroeger had ik vanwege mijn ongehoorzamen aanleg in gevangenissen gezeten en de spot van den zigeuner op de ‘fijne lieden’ buiten, waar de maatschappij mee bedoeld werd, kwam mij bekend voor. Ook de gevangenis is een maatschappij en de gevangenen zijn menschen met rancunes en een moraal die door hun botsingen met buiten wordt gevormd.
Zij herkennen elkaar in celgesprekken en voelen zich door gelijkgerichte affecten altijd weer verwant in hun afkeer van het andere. Maar zelden wortelt die wrok in een diepe persoonlijke afkeer tegen de wet en de gestelde machten. Zij willen slechts de welstand op hun beurt en desnoods met alle middelen.
Dat de vrijheid ons hoog zat, daar stonden zij niet bij stil. Onze verschijning was voor hen een welkome aanleiding om op de justitie en haar dienaren te hakken. Waarschijnlijk vonden zij het alleen maar dom en onverstandig dat wij ons druk maakten om iets waar ons voordeel niet mee gemoeid bleek. Maar dat was nu niet aan de orde. Wij verstrekten hen een onderwerp om de eigen haat tegen de overheid op te ontladen. Want hoe dan ook wij zaten met hen in 't zelfde schuitje.
Trouwens, de gipsy Ferraz was bepaald een amusante dief en niet onderdanig. Hij bleek met een van de cipiers in een meeningsverschil gewikkeld over een pakket, dat zijn vriendin die in Limoges verblijf hield, hem gestuurd had. Hij wilde dit pakket hebben en de cipier weigerde het te halen. De strijd was bij ons binnenkomen al eenige tijd
| |
| |
aan den gang. Nu en dan bonsde Ferraz op de deur, tot ze geopend werd en de cipier verscheen. Dan ontstond een hevige woordenwisseling met scheldwoorden over en weer, waarbij de zigeuner stellig vindingrijker was. Het duurde, tot de cipier de deur weer nijdig dichtklapte. De zigeuner wist niet van ophouden en een kwartier later herhaalde de scène zich opnieuw.
Dit duel werd onderbroken omdat ik plotseling op den witgekalkten muur van de cel een groote wandluis zag loopen. Ik maakte aanstalten dat beest dood te drukken, maar de zigeuner was mij voor en duwde mij in de bank terug.
‘Om Gods wil!’ zei hij onthutst. ‘Doe het niet. U zou ons allen strafcel bezorgen. Het is ten strengste verboden een wandluis op den wand dood te drukken. Dat geeft vlekken op ons etablissement. Het moet anders!’
Hij haalde een leeg lucifersdoosje uit den zak en wipte de luis behendig naar binnen, waarna hij hem op den vloer vertrapte.
‘Zijn die hier veel?’ vroeg Reinier bezorgd.
‘Hier is van alles!’ zei de zigeuner ernstig. ‘Wandluizen, hoofdluizen, huidluizen en kleerenluizen. U kunt kiezen. Heeft U nog niets gevoeld!?’
‘Neen!’ zeiden wij bedremmeld.
‘Dat komt wel!’ zei de zigeuner geruststellend: ‘Eén nacht slapen in de vertrekken boven en U bent door den vuurdoop heen.’
De deur van de cel werd opengegooid.
‘Looppas,’ commandeerde een cipier.
Het gezelschap sprong op de been, liep de celdeur
| |
| |
uit door de gevangenis naar een open deur, die op een binnenplaats uitkwam. Wij sjokten met de anderen mee. Een half uur liepen wij daar achter elkaar in 't rond nu en dan door tierende cipiers tot den looppas aangemaand. Op een ommuurde aarden ruimte, waar een paar zielige boompjes hun laatste bladeren stonden te verliezen. Het was niet veel, maar het was tenminste frissche lucht. Twee maal per dag vond dit festijn plaats, 's ochtends en 's middags.
Daarna werden wij weer naar binnen gecommandeerd. Een compleet gekkenhuis, deze grijnzende tuchthuisboeven in den looppas, geëncadreerd door vloekende en tierende cipiers, die hier en daar een slag of een trap uitdeelden als het niet vlug genoeg naar den zin ging.
Terug in de cel keken Reinier en ik elkaar hoofdschuddend aan.
‘Frankrijk is een mooi land!’ zei Reinier, ‘maar men moet er niet in een gevangenis komen!’
Ik dacht aan den gedichtenbundel van Tristan Corbière, die in het magazijn opgeborgen lag. Hij mocht dan wel over het gevang geschreven hebben ‘Boudoir plus qu' honnête, où le sage est chez soi’; dit sombere bolwerk in Limoges waar men opeengehoopt in vervuilde cellen bijeenhokte, stelde hooge eischen aan wijsheid. Vooral de trappen, die ik bij het binnenkomen na het luchten had zien uitdeelen, lagen mij zwaar op den maag.
‘Wat zou er gebeuren, als je zoo'n vent terugtrapt!?’ vroeg ik Reinier.
‘Ik zou het maar niet probeeren. Je delft hier toch
| |
| |
het onderspit!’ antwoordde hij. ‘Je doet beter bij het naar binnen- of buitengaan niet bij de laatsten te hooren!’
Zelfs in het gevang liepen de laatsten van de laatsten nog de klappen op.
Het eten was in aantocht. Met veel geraas en gesmijt werd het voor de celdeur aangesleept. Wij kregen ons blik volgeschept. Een waterachtige soep waar blokjes koolraap in dreven. Toen wij het leeg hadden, waren wij nog even hongerig als te voren. Wij beseften dat wij een harden dobber tegemoet gingen en alle zeilen moesten bijzetten om er niet onder door te gaan. Wij draaiden een cigaret om het onbevredigde gevoel van honger te overstemmen.
Ferraz de zigeuner werd uit de cel naar het bureau geroepen. Hij kwam zegevierend terug, een groot pakket onder zijn arm, dat hij op de bank voor hem zette.
‘Ach mijn dierbare vriendin!’ zuchtte hij verteederd. ‘Zonder haar goede zorgen zou het leven ondragelijk zijn!’
Hij speelde met het pakket voor hem op de bank en schoof het naar zijn buurman, den Elzasser, die acht jaar tegemoet ging.
‘Open jij het pakket!’ zei de gipsy. ‘Ik durf niet. Het kon eens tegenvallen.’
Hij had het pakket bij de contrôle al gezien, en speelde comedie, maar die speelde hij allercharmantst. Er kwam een groote gebraden kip uit en een brood en cigaretten. De kip werd vakkundig gesplitst met een mes, van een ouden lepel gesle- | |
| |
pen. Alle veertien man kregen een stukje van de kip. Wij aten het langzaam en met smaak op.
‘Als de dieven eens geen trouwe vriendinnen hadden!’ zei ik tegen Reinier, ‘zou het er gek voor ons uitzien.’
Nooit in mijn leven had ik goudstukken bezeten. Nu ik ze eindelijk had, konden wij er zelfs geen brood voor krijgen. En er was niemand, die wij voor een pakket konden schrijven. Ik bekeek het kaartje van den advocaat. Er stond zelfs geen adres op.
‘Wij hooren nooit meer iets van dien vent!’ profeteerde Reinier.
De zigeuner Ferraz gaf ons nog een cigaret. Hij was goed geluimd. Een man, die zich nergens ongelukkig voelt.
‘Wij moeten haar bedanken!’ zei hij tot den Elzasser. ‘Pak jij potlood en papier.’ De Elzasser zette zich in positie. Ferraz dicteerde een bizonder bloemrijke aanhef en een paar zinnen.
‘Lees mij eens voor wat je geschreven hebt,’ zei Ferraz. De Elzasser las voor.
‘Kan men zooiets wel schrijven, meester?’ vroeg Ferraz mij. Beduusd door dit vertrouwen bij vluchtige kennismaking, gaf ik als opinie dat het mij zoo best leek.
‘Waarom vraagt hij mij dat?’ dacht ik. Ineens begreep ik het. De zigeuner kon lezen noch schrijven. ‘Ik weet niets meer!’ zuchtte hij bedroefd.
‘Schrijf, dat ik van haar houd,’ bedacht hij zich, blij iets gevonden te hebben. Zijn stemming wisselde met de seconde.
| |
| |
De Elzasser keek op het papier.
‘Het staat er al!’ zei hij dof.
‘Schrijf dan: oneindig veel!’ zei de ander.
De Elzasser keek weer op het papier.
‘Dat staat er ook al!’ zei hij secuur.
‘Dan weet ik niets meer!’ zei de zigeuner: ‘Bedenken jullie maar wat.’
‘Schrijf dat ze nog een kip stuurt!’ adviseerde een grappenmaker.
‘Neen!’ zei Ferraz beslist. ‘Dat is niet chique. Zij doet het toch wel.’ Hij krabde zich achter het oor en voegde er aarzelend aan toe: ‘Laten wij tenminste hopen!’
Hij stak een cigaret aan en liep de cel op en neer. Iedereen deed nu ernstig zijn best. Ferraz zelf bemoeide zich er niet meer mee. Na eenig geharrewar, werd het met passen en meten een grillig, maar toch wel attent schrijven. Tenslotte was het epistel voltooid. De Elzasser las het plechtig voor. Hij was er nog niet mee klaar of Ferraz barstte in lachen uit en sloeg zich van pret op de knieën.
‘Ontbreekt er wat aan?’ vroeg de Elzasser boos.
‘Jullie zijn gek het hoofd op zoo'n brief te breken,’ zei Ferraz. ‘Mijn geliefde kan evenmin lezen of schrijven!’
In de sleur, waarin wij beland waren, verzachtte de komieke noot van zoo'n scène eenigermate de fatale wending, die onze tocht genomen had. Wij waren in de vaart gestuit en in dit oude gevang achter deugdelijke tralies opgesloten. Maar nu dit eenmaal zoo was, hadden wij het met onze mede- | |
| |
gevangenen in deze cel voor preventieven, heel wat beroerder kunnen treffen.
Van de gebruikelijke delinquenten in dit verblijf was de gipsy Ferraz al een niet alledaagsche persoonlijkheid. In de politieke categorie werd de opgewektheid vertegenwoordigd door een jeugdig Gaullist, Bloch, wiens uitbundigheid niet in het minst geleden had in de reeks van gevangenissen, waardoor hij gesleept was voor hij hier in Limoges verzeilde.
De waardigsten en ingetogensten van het geheele gezelschap waren twee Spaansche republikeinen, Blanquiz en Rey. Goede veertigers, die bij de ineenstorting van de republiek naar Frankrijk uitweken. Eerst verbleven zij tot het begin van den grooten oorlog in afschuwlijke kampen. Na den franschen nederlaag werden zij door het regime van Pétain opnieuw gepakt. Langer dan een jaar zaten zij nu al weer in dit gevang, zonder ooit verhoord of veroordeeld te worden. Zij mengden zich nauwelijks in het gesprek en omdat zij er verschillende politieke opvattingen op nahielden, spraken zij met elkander ook niet meer, dan de gewone beleefdheid vereischte. Beiden hadden in hun geheele houding en in doen en laten een waardigheid en onaandoenlijkheid bereikt, waar Reinier en ik ons slechts poovere en onthutste nieuwelingen naast gevoelden.
Wij stonden pas aan het begin van het onzekere lot, dat deze lieden al zoo lang boven het hoofd hing. Zij hadden er tot dusver het leven afgebracht en wanhoopten niet ondanks een somber bestaan.
| |
| |
Eens moest de vrijheid aanbreken. Dat was voor hen, hoezeer zij van meening over die vrijheid verschilden, een uitgemaakte zaak. Reinier en ik bewonderden hen als twee wezens uit een andere wereld. Wij wisten heelemaal niet of wij zoolang beproevingen konden doorstaan. Wel waren wij verontwaardigd en tegelijk beschaamd door den loop der dingen, die ons in dit hol had gebracht. Wij hoopten hun graad van onaandoenlijkheid nooit te bereiken. En evenmin hun waardigheid, die met zulk een verschrikkelijken prijs betaald werd.
Al wisten wij heelemaal niet hoe en wanneer, wij waren vastbesloten de eerste de beste kans te benutten om ons lot weer in eigen handen te nemen. En omdat hier voorloopig niet de minste kans toe scheen, waren wij prikkelbaar en slecht gehumeurd en doorstonden de eerste aanvallen van de luizen, die op kwamen dagen toen de zon door het tralievenster scheen en de cel warm en broeierig maakte met slecht verholen kwaadaardigheid.
Ook de gedachte dat tienduizenden in Europa zich in eenzelfde positie bevonden gaf ons geen enkele troost. Wij waren door eigen stommiteit tegen de lamp geloopen. De treinmachinist in Issoudun, had ons nog nadrukkelijk gewaarschuwd. Wij hadden een nacht in een leege schuur, of desnoods langs een weg moeten uitslapen. Nu zaten wij ons hemd naar onraad af te zoeken en maakten elkaar en ons zelf verwijten. Ons tekort schieten viel slechts goed te maken door de situatie te forceeren, als het moment zich voordeed. Daarom waren wij ge- | |
| |
ergerd en ongeduldig, niet waardig of onaandoenlijk.
Het nachtverblijf waar de medegevangenen ons een weinig opgewekte schildering van hadden opgehangen tartte iedere voorstelling die wij konden maken. Alleen al de ceremonie die er aan voorafging, alvorens men in die vuilnishoop belandde, vormde een circusvoorstelling op zichzelf. De ouverture werd aangekondigd door luid bonzen van de cipiers op de celdeuren. De gevangenen knoopten de kleedingstukken vast los in verband met de snelle afwerking van het verdere programma. Ineens werd de deur opengegooid en in looppas ging het door de gevangenisruimte naar de ijzeren trappen om de bovenverdiepingen te bereiken, waar de slaapcellen zich bevonden. Dit alles ging vergezeld van het oorverdoovende lawaai, dat het aansleepen van de ijzeren latrines op de betonnen vloeren maakte. Daarbij kwam het luide en onzakelijke strengheidsvertoon van de cipiers, dat de verwarring van de trappenbestormers alleen maar vergrootte. De ongelukkigen die bij deze expeditie het laatst kwamen, kregen het onverkwikkelijke karwei 's ochtends de latrine te ledigen.
Als de gevangenen zich eenmaal op de gangen voor de deuren van de nachtverblijven ontkleed en hun kleeren op den grond of op de balustrade gedeponeerd hadden en de rust enigszins terugkeerde, werden zij in de houding gecommandeerd. De man die de latrinecorvee had deelde de dekens uit. Een
| |
| |
cipier opende het nachtverblijf en de latrine werd onderzocht op verboden dingen, zooals rookgerei of vijlen.
Vervolgens werd appèl gehouden. Al dien tijd stond men spiernaakt op de galerij naast de nachtverblijven. De dekens in de eene hand; het uitgetrokken hemd in de andere. Wanneer de naam van den gevangene door den cipier werd afgeroepen trad men op hem toe, zwaaide met de deken en het hemd om aan te toonen dat er niets in verborgen was. Op luizen werd niet gelet. Die had iedereen. De cipiers vermoedelijk niet minder.
De vloer van het nachtverblijf was met een laag stoffig oud stroo bedekt. Het was zaak zich hier snel te installeeren voor het licht werd uitgedraaid. De beste plaatsen waren langs de wanden, het verst van de latrine vandaan. Sommigen hadden toch een cigaret en lucifers meegesmokkeld. Een enkele haal van een buurman was een groote gunst. De gesprekken voor het slapen werden voornamelijk gevuld door de erotiek, die zich buiten afspeelde. Ook kwamen vakproblemen aan de orde, werden straffen geschat en kreeg men een overzicht van den toestand in andere gevangenissen. Deze hier, leek ons de hel al aardig te benaderen. Volgens kenners liep het best los en bestond er in Frankrijk nog heel wat anders.
Wij waren nog steeds bizonder vermoeid en ondanks het ongedierte dat in het vuile stroo tot leven ontwaakte en op prooi uitging, sliepen wij. Wel werd men nu en dan wakker gestoten door iemand die in het duister de latrine opzocht. Geleidelijk
| |
| |
aan begon zich een afschuwelijke stank te verspreiden omdat dit voorwerp overliep. Doch daar wende men aan, zooals men aan den rampspoed wende als men die latrinecorvee kreeg toegewezen en het overvolle ding 's ochtends op de stortplaats moest omkeeren en schoonmaken. Zonder bij het dragen op de gangen te morsen, want dit ontketende het hevigste gebrul van de cipiers. Als compensatie kreeg men daarna een uitvoeriger waschtijd toegemeten.
Het allerwonderlijkste van het toch al zoo burleske gevangenisregime was de poging tot zindelijkheid die op de Zondagen ondernomen werd. Door de wijze waarop het werd uitgevoerd ontaardde dit streven in een regelrechten aanslag op het leven. Zelfs de onbewogen Spanjaarden, Blanquiz en Rey, fronsden de wenkbrauwen wanneer de beproeving, door hen de ‘corrida’ genoemd, in aantocht was.
Een cipier kwam in de cel aanzeggen, dat men zich gereed moest houden. Men ontkleedde zich in de cel, pakte zijn zeep en maakte een punt van zijn handdoek nat om de komende gebeurtenissen beter op te vangen.
Na eenig angstig afwachten stootte de cipier een vervaarlijke strijdkreet ‘Naar het bad!’ de cel in. In den looppas ging het naakt door de gevangenishall. Voor een zijdeur werd appèl gehouden. De deur werd geopend en de bloote lijven, die overal wonden en insectenbeten vertoonden repten zich door den kouden herfstmiddag naar het slachtveld toe.
| |
| |
In een hoek van die binnenplaats bevond zich een overdekte ruimte, waar bakken warm water aan de planken zoldering bevestigd waren en men tot over de enkels in de modder wegzakte. Achtereenvolgens trok een cipier de bakken open. Het warme water beet in de wonden, doch daarvoor had men de illusie dat het tenminste eenige insecten tot zwijgen moest brengen. Glijdend en spattend in de modder van den aarden grond, waschte men zich in ijltempo. Binnen de minuut bleken de bakken leeg. Een helsch getier en gevloek ontstond van mannen die nog met zeep in de oogen en op de huid stonden, met zwartere voeten en beenen dan zij voor het bad er op nahielden. Zoo goed en kwaad het ging, krabde men de ergste modder weg en zette het vervolgens op een loopen over de koude binnenplaats, naar de cel terug. Het verwijderen van de meegebrachte modder en het bijkomen van de doorstane verschrikking was nauwelijks voorbij of men voelde alweer de beten van de overlevende beesten. Men had hen hoogstens aan het schrikken gemaakt en nu begonnen zij langzaam doch geduldig wraak te nemen.
|
|