| |
| |
| |
IX
In het station van Issoudun sprongen wij uit den wagon op onbezet fransch grondgebied. Wij wilden den machinist aan wien wij de radicale oplossing van de afschuwlijke situatie in Vierzon dankten, van nabij zien en klommen op de locomotief die na stond te trillen. Hij hing in zijn werkplunje vol olievlekken tegen de handles van de locomotief. Wij drukten hem de hand. Ja, hij had de springpartij met belangstelling gevolgd. Mijn capriolen in het donker waren hem niet ontgaan.
‘Ik keek door het raam naar achteren,’ vertelde hij. ‘Ik zie er een spartelen om binnen te komen. Dat gaat mis, denk ik, en wil afremmen. Maar het volgend moment zie ik niets meer en hoor ook niets. Hij zit er wel in, neem ik aan. Toen heb ik er maar haast achter gezet.’
Ik bekeek den man, zooals hij tegen zijn vibreerende machine leunde en geamuseerd praatte, alsof het de gewoonste zaak van de wereld betrof. Nonchalant en ongedwongen uit vanzelfsprekende waardigheid.
‘De machine behoeft den mensch dus niet de baas te zijn als men er zoo'n eigen initiatief mee kan ontwikkelen,’ dacht ik hoopvol. Hij monsterde ons belangstellend en vriendelijk.
| |
| |
‘Wat gaan jullie nu uitspoken?’ vroeg hij.
Reinier zei hem, dat wij van plan waren verder te trekken naar Zwitserland.
‘Pas op voor de politie onderweg. Die deugt nooit, maar in onbezet Frankrijk is zij valscher dan ergens anders!’ waarschuwde hij.
In den roes van den geslaagden overtocht maakten zijn woorden weinig indruk. Het ergste van alles, de demarcatie-lijn, was achter den rug. In twee etmalen waren wij de Duitschers kwijtgeraakt. Het zou zonde zijn, dit tempo op te geven, nu alles goed ging. Misschien liep de rest wel even gesmeerd. Wij namen afscheid van den man, die gevaar voor zichzelf geringschatte, doch het voor anderen onder oogen zag. Hij wilde van geen dank weten. Het pakje sigaretten dat ik hem aanbood, omdat ik hem toch iets wilde aandoen, weigerde hij lachend maar beslist.
‘U zult ze hard genoeg noodig hebben!’ zei hij. Wij sprongen uit de locomotief. Met Delaunoy en Renaud trokken wij het stadje Issoudun binnen. Voor het eerst sinds twee jaar liepen wij 's nachts door straten, waar lantarens brandden.
Vrij spoedig vonden wij een hotel. Wij traden binnen. Op nachtlogies was geen kans. Niet in geheel Issoudun trouwens. De plaats bleek afgestampt met reizigers. Zelfs met goede papieren, was men blij met een bed op een gang. Wij kwamen heelemaal niet in aanmerking.
Maar wij waren door de gebeurtenissen van de laatste uren veel te opgewonden om aan slapen toe te zijn. Met een zitplaats in de ruime gelagkamer
| |
| |
van het hotel namen wij graag genoegen. Reinier zag zelfs kans, zich in een toilet te scheren. Wij bestelden sandwiches en waren blij met een kop warm drinken, dat ons door een norschen en onvriendelijken kellner werd gebracht.
Er hokte een bont gezelschap lieden van een ondefiniëerbare herkomst en met onduidelijke bezigheden aan groote tafels in dat vertrek bijeen. Op het late uur van den nacht deed dit drukke verblijf in zoo'n klein stadje zonderling aan. Hier en daar zaten fransche soldaten in slordige oude uniformen kaart te spelen. Na de jaren van stramme correctheid, die wij bij de bezetters gewend waren, deed het mij weldadig aan.
Doch Reinier zei critisch: ‘Een verslagen leger!’ Het bracht mij bij de werkelijkheid terug. Dit onbezet Frankrijk bestond na de nederlaag in '40 van een gunst of uit tactiek. Niet uit eigen kracht. Als men dat vergat, kon men zich vrij wanen. Maar hoe lang nog? Bij de eerste de beste verwikkeling van beteekenis zou het lot van dit gebied eveneens bezegeld worden.
De fransche reismakkers vloeiden ook al niet over van dankbaarheid om hun terugkeer. Hier en daar hadden zij aan de tafels hun licht opgestoken over den nieuwen toestand dien zij aantroffen en een praatje gemaakt.
‘Ik geloof niet, dat ik blijf!’ zeide jonge Renaud, nadat zij bij ons terugkeerden. ‘Ik wil naar Afrika zien te komen. Desnoods met het vreemdelingenlegioen.’
Delaunoy, de onderwijzer, zweeg. Vermoedelijk
| |
| |
dacht hij aan zijn vrouw en kind in de Pas de Calais. Hij zag er moe en miserabel uit, en zijn hoest scheurde nu en dan hoogst onheilspellend door het vertrek.
Er kwamen twee jonge soldaten binnen, die aan tafel bijschoven. Het gesprek werd algemeener en ging over den toestand.
‘Ach!’ zei een van hen afwerend. ‘Er zijn al zoo lang geruchten, dat de Duitschers binnenvallen. Maar als ze komen, zullen wij ze heel Frankrijk uitslaan.’
Het klonk erg sympathiek en ook wel goedbedoeld uit den mond van dien jongen man, maar tegelijk ontroerend naief.
‘Zou de oude heer Pétain er zoo over denken?’ vroeg ik Reinier.
Hij haalde de schouders op.
‘Wij zullen er niet op wachten en vandaag verder gaan.’
Het leek mij het beste. Wij hadden geen papieren en bovendien, nu de fortuin ons goed gezind bleek, waarom wachten tot het getij keerde.
Wij deelden ons besluit mee aan Delaunoy en Renaud.
‘Jullie zijn nu toch vrij!’ zei Delaunoy bezorgd. ‘Wij willen graag nog iets vrijer zijn!’ antwoordde Reinier voorzichtig.
‘Wij brengen jullie naar den trein,’ zei Renaud hartelijk. ‘Jullie waren goede kameraden onderweg.’ Zelf moesten zij in Issoudun wachten om zich bij een comité te melden, dat zich over ontvluchte krijgsgevangenen ontfermde.
| |
| |
‘Waar komen zij vandaan?’ vroeg de andere fransche soldaat met een hoofdbeweging naar Reinier en mij.
‘Uit Holland!’ zei Delaunoy.
‘Is dat ook bezet?’ informeerde de soldaat argeloos.
‘Ja!’ zei ik mild, de geografische zwakte van de Franschen kennend, ‘en België en Denemarken tot en met Noorwegen toe!’
‘Zut, de smeerlappen!’ schold de soldaat verontwaardigd.
‘Je zult zien, Henri!’ richtte hij zich tot zijn wapenbroeder, ‘ze komen hier ook. Ze hebben nooit genoeg, die veelvraten!’
Henri keek zorgelijk, ondanks zijn vastberadenheid van zooeven om de veelvraten uit heel Frankrijk te slaan.
In dat eene uur in onbezet Frankrijk voelden wij aan alle kanten het ongewisse en de onzekerheid om morgen. Het was te bespeuren in de onvriendelijkheid van den kellner, die ons bediende, en in de gemelijke gezichten van de eerste gasten van het hotel, die hun slaapplaats verlaten hadden en voor het ontbijt de gelagkamer binnendruppelden.
Dat gevoel kwam door reten en kieren van het vertrek op ons af. Al bevond de bron van ergernis zich op twintig kilometer afstand. Wij liggen open, wij hebben geen wapenen, wij zijn onbeschermd, wij weten niet, waar wij met onszelf aan toe zijn en morgen kunnen zij hier binnenwandelen. Dat viel op de gezichten van de menschen aan de tafels te lezen.
| |
| |
Wij stonden op van de tafel en namen met Delaunoy en Renaud afscheid van de anderen. In het vroege licht zwalkten wij wat door het stadje Issoudun, dat scheef en slaperig in den dauw van den ochtend hing. Aan de trage voeten merkten wij, dat wij er nu wel een goed eind op hadden zitten. Het denken ging nog slechts bij brokstukken. Maar als wij die met inspanning bijeengaarden, kwamen wij tot de slotsom: ‘In den trein.’
Op het station vischte Delaunoy uit, dat wij naar St. Sulpice en Laurière moesten om over te stappen voor den expresse Bordeaux-Genève. Wij gaven hem geld en hij kocht de biljetten voor ons tot St. Sulpice. Wij slenterden het perron op. Eerst naar Chateauroux, daar overstappen voor St. Sulpice en Laurière.
‘Wonderlijke naam,’ dacht ik.
In het station stond een groep ontsnapte krijgsgevangenen in gesprek bijeen. De begroetingen waren joviaal. Wat men nu ging doen? Ja, wat te doen? Alleen in Issoudun waren op één dag meer dan duizend aanmeldingen gekomen voor het vreemdelingenlegioen, eens het meest verafschuwde legercorps in Frankrijk. Uit vrees om eveneens uit onbezet gebied naar Duitschland te worden gezonden als arbeider voor de ‘relève’.
‘Zij gaan hier nu ook merken, wat Duitschers zijn!’ zei Delaunoy.
Zij lachten er zelf om deze Franschen, die hun paar jaar krijgsgevangenschap er op hadden zitten. Waarom zouden zij er niet om lachen. Dit onbezet Frankrijk was immers scherts.
| |
| |
Wij liepen met onze vrienden door naar het perron, waar de trein naar Chateauroux klaar stond. Reinier en ik zetten het koffertje en de actentasch in een leege coupé. Wij waren toch wel wat gedrukt door dit afscheid. Twee etmalen vol dreigend onheil hadden wij met hen gedeeld, hindernis en ongemak. Wij waren er samen doorgerold en zij stonden ons zeer na. Met zijn vieren liepen wij naast den trein op en neer. Wij haalden herinneringen op en ineens viel het mij op, dat zij er op den killen herfstochtend in hun dunne colbertjasjes wel wat rillerig uitzagen. Wij trokken de trui uit en maakten ze cadeau als aandenken. Wij schreven elkaars namen en adressen op voor na den oorlog. Dat gaf mij eenige moeite. Oorlog of geen oorlog maakte geen verschil voor mijn woonprobleem. Ik gaf ze het adres van een café in de binnenstad van Amsterdam.
De trein stond op vertrekken. Wij stapten in en drukten handen door het coupéraam. Langzaam begon de trein te rijden.
‘Bonne chance!’ riepen zij ons achterna. Wij sloten het raam en gingen zitten.
‘Het is wel leeg zoo!’ zei ik.
‘Het waren beste lieden!’ zei Reinier. Toen zeiden wij langen tijd niets. We waren afschuwlijk moe en strekten ons uit op de banken. Toch konden wij den slaap niet vatten. Zoo bolderden wij in den ochtend door het wijde midden-Frankrijk naar Chateauroux.
Ik herinner mij niets meer van dat stuk tusschen Issoudun en Chateauroux. Wij hadden geen land- | |
| |
kaart en sindsdien ben ik er niet toe gekomen om op te zoeken hoe groot die afstand was. Te reconstrueeren wat uit de memorie verdween, wordt geforceerd. Zooals het in het geheugen achterbleef, was het al vreemd genoeg. Vermoedelijk was ik tijdens het beleven van dit traject te versuft, dan dat indrukken zich konden vormen. Misschien hebben wij toch wel geslapen, al lijkt het mij niet waarschijnlijk, omdat onze angst de plaats van bestemming voorbij te rijden, alles overheerschte.
Wel zie ik ons weer zitten in een café in Chateauroux aan een tafel met de vreemdsoortige flesch er op, die men bij de surrogaatkoffie verstrekte. Een vergaan vrouwspersoon, met plakkaten verf op het gelaat, zat achter de kassa van het café op een verhooging. Onder het vloekende licht van neonbuizen, dat door spiegels weerkaatst werd. Wellicht werd dat overdadige lichtfestijn in dit café in die stille zijstraat verhevigd door den grauwen toestand, waarin ons bewustzijn zich bevond. Het meest kwam onze ontreddering nog overeen met hoe men zich voelt na een doorwaakte nacht bij veel alcohol. Maar dan minder joyeus, want we konden niet slapen, doch moesten verder.
Wij zaten daar heel stil en geluidloos met warme hoofden en suizende slapen te worstelen tegen de crisis van het derde etmaal dat wij op de been waren. Ook weet ik niet meer, hoe wij vandaar naar het station zijn gezwalkt. Slechts het plaveisel van kleine ronde keien, zooals men het bij ons wel in oude provincieplaatsen aantreft, zweeft mij nog voor den geest.
| |
| |
Zeker is, dat wij in den goeden trein belandden. Wij waren toen de bewustzijnscrisis aan het overwinnen, al zakte het hoofd nu en dan van de schouders. Maar wij mochten niet aan den slaap toegeven op gevaar, St. Sulpice en Laurière, het kruisstation van de lijn Bordeaux-Genève te missen. Het was een lange trein en het was moeilijk genoeg, de namen te ontcijferen, die de conducteur bij de tusschenliggende haltes afriep. Bovendien konden wij onze desolate vermoeidheid niet te zeer ten toon spreiden. Wij hadden dit keer twee medereizigers, die in de andere hoeken van de coupé zaten en een gesprek voerden over Frankrijk's politiek.
‘Ze hebben ons beet gehad!’ zei de man in den hoek schuin tegenover mij op bitteren toon tegen zijn opponent.
‘In ieder geval, ze hebben ons beet gehad!’ herhaalde hij. Het was een man met een dikke hoornen bril op een scherp gezicht. Hij was gekleed in jachtkleedij met een musette opzij.
Zijn opponent zei ook iets, wat ik niet verstond. De man met de bril werd heftig.
‘Pétain heeft groot gelijk. Hij doet niets. Wij hebben ondervonden, waartoe het leidt, voor anderen de kolen uit het vuur te halen. Wij hadden in '40 niets moeten doen. Nu betalen wij er voor!’
Ik wisselde een matten blik van verstandhouding met Reinier en daarna dommelden wij weer half in. De coupé was warm.
Soms schrok ik weer wakker, omdat de scherpe met zijn kraakstem in den hoek weer herhaalde:
| |
| |
‘Ze hebben ons beet gehad. We hadden ons er buiten kunnen houden. Nu zijn wij het offer van het Engelsche en Amerikaansche kapitaal. We moeten heelemaal niets doen. Pétain heeft duizendmaal gelijk!’
‘Doe ook maar niets als je er te beroerd voor bent,’ dacht ik bij mezelf, ‘maar laat ons ten minste slapen.’
Toch bleven wij door dien venijnigen keffer op ons qui-vive. Opnieuw kwam een halte. Het was een verschrikkelijke boemeltrein. Nog steeds geen St. Sulpice. De trein trok weer op en wij staarden een tijdlang door de coupéramen naar het landschap. Velden en bosschen, die in het heldere herfstweer voorbijschoven. Ik trok een denkbeeldige lijn van Bordeaux naar Genève. Die moesten wij nu toch naderen. Zouden wij een stuk boven Lyon zijn? Misschien waren wij nog niet eens op de hoogte van Clermond Ferrand, maar dan westelijker. Wat deed het er eigenlijk toe? Hoe zou de Zwitsersche grens er uit zien. Bergen natuurlijk. Dat kon een afschuwelijke klimpartij worden. Voor die begon, moesten wij uitslapen.
Eindelijk stopte de trein in St. Sulpice-en-Laurière. Wij veerden op en stapten uit. Wij keken rond en zagen elkaar teleurgesteld aan. Was dit een kruisstation aan een groote expresse-route? Dat kleine stationsgebouwtje? Er liep een weg voor met een paar landelijke huisjes aan de overzijde. Dit was alles wat bij dien weidschen naam de aanblik bood.
Wij gaven onze kaartjes aan den uitgang af en
| |
| |
vroegen hoe laat de expresse kwam. Om half vijf en het was nauwelijks drie uur. Anderhalf uur moesten wij in ieder geval wakker blijven. Als wij eenmaal in den expressetrein zaten, zouden wij dit gestumper en wachten wel inhalen. Wij gingen het stationsgebouwtje weer aan den ingang binnen om de biljetten te koopen voor Genevoix. Het laatste grensstation voor Zwitserland. Daar hadden wij in Dilsen een adres opgekregen van een hotelletje, waar wij konden slapen en poolshoogte nemen voor den tocht over de bergen.
Er zat een vrouw in een grijze stofjas achter het loket in het stationsgebouwtje. Wij bestelden de biljetten. Zij schreef de plaatsbewijzen uit. Wij betaalden en staken de papieren bij ons. Wij gingen het perron op en ontdekten zelfs een wachtkamer met een buffet. Er was niets te eten, dat zouden wij wel in den expresse doen.
Wij dronken een paar koppen viandox en keken door de ramen van het vertrekje, naar de huizen van het gehucht.
‘Coiffeur’ ontcijferde ik op een van de huizen aan de overzijde van den weg.
Ik had het noodig. Reinier was zoo energiek geweest zich 's ochtends in het toilet van het hotel in Issoudun te scheren.
Ik stond op en liet hem knikkebollend aan het tafeltje achter. Ik verliet het station en stak den weg over naar den kapper. Er was wat dorpsjeugd onderhanden, die mij bevreemd aangaapte. Tenslotte was ik aan de beurt. Ik ging op den stoel zitten en werd ingezeept. Het was mij te moede of
| |
| |
ik een bad kreeg. Gisteren om denzelfden tijd had ik in Parijs op zoo'n stoel gezeten tegenover het conterfeitsel van den heer Pétain. Nu waren wij midden in zijn gebied en het liep verschrikkelijk mee. Ik liet mij afspuiten. Met hernieuwde energie stak ik den weg naar het station over.
Reinier zat in de wachtkamer te dutten, doch ontwaakte bij mijn binnenkomst.
‘Hoe laat is het?’ geeuwde hij.
‘Vier uur!’ zei ik. ‘Nog een half uur.’
Hij stond op en rekte zich.
‘Ik ga de ledematen strekken op het perron!’ zei hij en liep de wachtkamer uit.
Ik haalde nog een viandox bij den ouden man aan het buffet en keerde er mee terug naar het tafeltje. Met kleine teugjes dronk ik het warme vocht. Ik voelde dat de vermoeidheid langzaam verminderde. Het scheren had mij opgeknapt. De klok boven het buffet wees tien over vier. Nog twintig minuten. Dan zouden wij in den trein zitten als er geen vertraging kwam. Waar zou Reinier rondhangen?
Door de ruit van de deur keek ik op het perron. Ik verstijfde van schrik en hield de adem in. Het noodlot stond in vol ornaat voor de deur.
‘Wij zijn verloren!’ flitste door mijn brein.
Toen dook ik snel op een anderen stoel, waar ik van het perron af niet zichtbaar was.
‘Nutteloos, kinderachtig!’ dacht ik wanhopig.
Reinier stond op het perron, vlak bij de wachtkamer te praten met twee agenten van de Garde Mobile.
| |
| |
‘Wat kan ik doen, zoolang zij mij niet hebben,’ overlegde ik. ‘Met een stoel een ruit aan den wegkant in slaan en ontvluchten. Ze hebben revolvers op zij. Voor ze beseffen wat er aan de hand is kan ik een eind weg zijn. Reinier heeft ze stellig niet gezegd dat ik bij hem ben.’
Ik keek naar den ouden man achter het buffet. Hij zat met een lucifer zijn nagels uit te halen.
‘Gesteld ik kom weg,’ rekende ik verder. ‘Verschuil mij in een bosch. Hoe krijg ik Reinier daarmee vrij.’
Er kwam nog steeds niemand de wachtkamer binnen.
‘Wat kan ik uitrichten,’ dacht ik ontmoedigd. ‘Ik mag hem niet alleen in de handen van de politie achterlaten. Terwijl ik het initiatief tot dezen tocht nam. Misschien valt het mee en is er met die kerels te praten... Valt het niet mee, dan maar samen zien wat er van komt.’
Ik stond op; deed de deur open en voegde mij bij Reinier.
‘Dat is de ander,’ zei een van de agenten.
Ik zweeg.
‘Het is een rotkarwei!’ zei de andere agent, een sterke roodharige kerel.
‘Maar wij kunnen er niets aan doen!’ hervatte hij. ‘Het vrouwmensch dat U de plaatskaarten verkocht heeft U verraden. Zij heeft den chef opgebeld. Wij zijn er op uit gestuurd en moeten met U terugkomen.’
‘Zij kunnen er nooit iets aan doen!’ dacht ik. ‘Onder alle windstreken doen zij wat de chef zegt
| |
| |
en leveren menschen aan den beul uit. Dan gaan zij naar huis en laten hun kinderen op de knie rijden. Honneur-patrie-famille!’
‘Zoo kunt U toch niet verder reizen!’ probeerde de roodharige ons te overtuigen. ‘U heeft geen papieren. Misschien valt dat eerst te regelen!’
Hij zag er niet eens valsch uit en scheen met ons ongeluk begaan. Maar hoe tactisch Reinier op hem inpraatte, ons in den trein laten stappen die over een kwartier komen moest, dat konden wij uit ons hoofd zetten.
‘Wij hebben opdracht U te halen!’ herhaalde hij. ‘Daar komen wij niet onder uit!’
Neen - hij was geen vriend van de Duitschers en zijn collega evenmin. En dit was nu eenmaal een rotwereld. Maar opdracht was opdracht.
‘Wij zijn stom geweest!’ dacht ik bij mijzelf. ‘Met onze slaperige hoofden hebben wij biljetten gekocht voor een te langen afstand en met een te doorzichtige bestemming. Dat valsche wijf heeft argwaan gekregen en ons opgehangen.’
Ja, nu waren wij klaar wakker, maar gevangen.
‘Waar wilde U naar toe?’ vroeg de andere agent mij.
‘Een zieke tante opzoeken, die in een sanatorium bij Davos vertoeft,’ zei ik kommerlijk.
‘En U?’ vroeg hij Reinier.
‘Ik ben officier en was van plan over Zwitserland naar Engeland te gaan om mij bij mijn regeering te melden!’ antwoordde hij.
Ik schrok. Dit antwoord leek mij tegenover deze politiedienaren paarlen voor de zwijnen. Had hij
| |
| |
daarom eerst beleidvol met deze lieden gepraat, om zich nu zoo bloot te geven. Of was hij verbitterd, omdat de zaak voorloopig toch verloren stond.
‘Gaan jullie ons aan de Duitschers uitleveren?’ vroeg ik.
‘In geen geval,’ zei de roodharige beslist. ‘Maar komt U nu mee, dan zult U zien dat het wel meevalt. De trein kan ieder moment binnenrijden en wij willen U vervelende geschiedenissen besparen!’ Wij beseften dat er niets anders opzat en liepen tusschen de gehelmde Gardes Mobiles het station uit. Als lammeren werden wij langs de huisjes van het gehucht geleid. Zij sloegen een pad in, dat tegen een heuvel opvoerde. Bij den top hoorden wij den expresse aanstormen. Wij keken om. Daar ging de vrijheid met witte pluimen rook tegen den blauwen hemel voorbij. Tranen van spijt en ergernis sprongen ons in de oogen en wij liepen gebukt verder.
Wij daalden den heuvel af, te ellendig om met elkaar te praten. Te plotseling had het noodlot ons overmeesterd. Dat wij zoo onverwachts in een zielig bundeltje gevangenschap veranderd waren was te veel om te verwerken. En wij waren te vermoeid en te nerveus om te overleggen, wat ons boven het hoofd hing. Zoo bereikten wij de politiepost in een verwilderden tuin.
Het viel niet mee. De chef, een gedrongen man met dikke vleeschrimpels in een korten hals, bleek een ordinaire flic zonder meer.
Hij schreef onze bizonderheden in een boek en liet
| |
| |
die bezigheid vergezeld gaan door kwaadaardige en arrogante opmerkingen. Zijn ondergeschikten die ons gearresteerd hadden en aanvankelijk trachtten een goed woord te doen, kregen een veeg uit de pan, waarop zij met schuldige gezichten zwegen. Vervolgens begon hij ons uit te foeteren, omdat wij met onze ongenoode komst de waardigheid van onbezet Frankrijk beleedigd hadden.
‘Al die vreemdelingen!’ zei hij schamper. ‘Dat denkt maar door Frankrijk te kunnen loopen zonder een papier in den zak. Vroeger is dat zoo geweest, maar dat wordt anders. Die brengen onze positie in gevaar zooals hen goeddunkt. Wij zullen daar een eind aan maken. Wij zullen ze bezorgen wat hun toekomt.’
Het geheele slechte geweten van onbezet Frankrijk uitte zich door den mond van dit geborneerde sujet, dat ons breeduit en langzaam zat te treiteren.
Opeens kon ik het niet langer harden. Mijn zenuwen lieten mij in den steek. De overgang van de opwindende maar prinsheerlijke zwerftocht, tot de armzalige en vernederende positie waarin deze vettige flic ons bij den strot had werd mij te machtig. Ik snikte van walging en woede en riep:
‘Houdt op. Als U toch van plan bent ons aan de Duitschers uit te leveren, omdat U zelf het smerige werk niet wilt doen, leen mij Uw revolver. Ik kan mij hier in den tuin wel een kogel door den kop jagen.’
Ik was er op dat moment aan toe. Ik zag er geen gat meer in. Ik begreep dat ons plan in duigen was
| |
| |
gevallen en de ontmoediging was te hevig. Liever hier, in dien verwilderden tuin zelf doen, dan wat bij de Duitschers na een afschuwelijke uitlevering ook te wachten stond.
De dikke man keek mij verbaasd aan. Pas later maakte Reinier mij er op opmerkzaam, dat het niet gebruikelijk is een politiechef zijn revolver te leen te vragen. Maar de man bond in.
‘Haal ze te eten!’ snauwde hij tegen de roodharige, die met zijn collega de scène had bijgewoond.
‘Sluit ze op en breng ze morgenochtend naar Limoges, dan moet men daar maar verder zien.’
Hij stond op, stak zijn revolver, die voor hem op 't bureau had gelegen bij zich en verdween in een aangrenzend vertrek.
‘Hij heeft een slecht humeur!’ trachtte de roodharige ons te troosten. Maar het was ons verder allemaal hetzelfde. We gaven den man geld om eten voor ons te halen en bleven onder bewaking van den anderen Garde Mobile achter.
Reinier zat somber voor zich uit te staren en ik voelde mij leeg en versuft na mijn uitbarsting.
‘Daar zijn wij de Duitschers te glad voor af geweest!’ verzuchtte Reinier.
Wij keken door het venster naar buiten.
Een paar lantaarns waren in de namiddagschemering opgevlamd op den heuvelrug naar het dorp toe. Wij betaalden hier den prijs voor dat valsche licht. In de duisternis van het bezet gebied hadden wij ons tenminste nooit teveel aan optimisme bezondigd. En ik dacht op een allesbehalve vriende- | |
| |
lijke wijze aan Pam, door wien ik in deze onderneming verwikkeld was geraakt.
‘Hij heeft je er toch bij gezegd dat het je den kop kon kosten,’ bedacht ik intijds. ‘Je wilde toch zoo graag nog eens door 't Quartier Latin wandelen. Er bestaat geen Quartier Latin meer. Er is nog slechts een wereld van aanbrengers en politiebedienden en hun vlijt roeit het persoonlijk avontuur en de zorgeloosheid uit, zooals je ervaart. Je hebt je verdiende loon voor je eigenzinnigheid. Daar heb je je vriend Reinier trouwens in meegesleept. Als het mis loopt, is het eerste waar je aan denkt, je een kogel door je kop te schieten. Dat zou je nu trouwens ook al niet meer doen.’
Het was waar! De gendarm was met twee dampende pannen eten opgedaagd en wij vielen er op aan als uitgehongerde wolven. Toen wij het op hadden, waren wij al een stuk rustiger. Wij waren niet in de handen van de Duitschers en wij leefden. Er was immers van alles mogelijk. Er bestond nog zoo iets als ontvluchten.
De twee Gardes kwamen met dekens opdagen en brachten ons naar de cel. Een apart steenen gebouwtje, waar twee britsen stonden met stroozakken er op. Zij beseften wellicht zooiets als de schaduwzijde van hun vak, want gelijk twee schuldige huisknechten spreidden zij de bedden. Als blokken lood vielen wij neer. En spoedig waren wij in een bodemloozen slaap. Misschien verzuimden wij in dat gebouwtje de beste en snelste kans tot ontvluchten. Maar wij kwamen er zelfs niet aan toe ons te overtuigen of de deur op slot was. Wij sliepen.
|
|