| |
| |
| |
VIII
Versuft en rillerig stegen wij onder de groote glazen kap van het oude station van Orléans uit den trein. Voor de richting Vierzon moesten wij overstappen. In de drukke restauratie kochten wij een paar flesschen wijn om de levensgeesten die wij noodig hadden op te frisschen. Wij hadden volop tijd. Ineens bleek de jonge Renaud zoek.
Wij zochten hem en vonden hem terug op een van de perrons, waar hij verlangend naar een trein keek, die klaar stond voor Tours, uit welke plaats hij afkomstig was. Alle overredingskracht was noodig hem te overtuigen op 't laatste moment geen dwaasheid te begaan.
Ten slotte zwichtte hij voor de rustige argumentatie van Delaunoy: ‘Je hebt alle misère van de ontsnapping niet getrotseerd om je thuis weer willig te laten inrekenen en terugsturen.’ Ter vergulding van de bittere pil bood Reinier hem de beste flesch aan, die wij hadden bemachtigd. Mokkend en schoorvoetend liet hij zich naar den trein voor Vierzon meeloodsen.
‘Is hij zóó wel beter af? Hebben wij het recht hem dit op te dringen?’ kon ik niet nalaten bij mijzelf te overwegen.
In een schamel verlichte roodbehangen coupé van
| |
| |
een spoorwegrijtuig, dat op de tentoonstelling van 1900 had kunnen staan, dronken wij den wijn uit en aten de belegde brooden van den goeden Funel.
De portieren werden dichtgeslagen en de trein zette zich steunend in beweging voor den tocht door het laatste stuk bezet Frankrijk. Wij zaten alleen, en achterover leunend op de uiteengezakte zitplaatsen van de versleten coupé bespraken wij den overtocht van de demarcatie-lijn, die hortend en stootend naderde. Hopelijk zouden wij eerst wat kunnen slapen in het Hôtel du Centre in Vierzon, dat wij in Dilsen hadden opgekregen. Hoe wij in onzen vermoeiden toestand een tocht van eenige uren konden volbrengen, waarbij wij voortdurend op ons qui-vive dienden te zijn, was ons niet recht duidelijk. Ten slotte verzandde het gesprek in het ongewisse. We zouden wel zien en zwegen.
Bij een van de stations die de boemeltrein aandeed stapten twee jonge meisjes en jonge mannen in. Zij waren oogenblikkelijk in een dorpsgesprek over de danspartij van den laatsten Zondag verwikkeld. Hoe benijdenswaardig leken mij hun beuzelarijen. ‘Zij hebben gelijk, duizendmaal gelijk!’ dacht ik bij mezelf.
Ik keek naar buiten, waar de maan over ononderbroken boomtoppen van bosschen scheen. De bosschen van de Cher-et-Loir, waar de groote Meaulnes van Fournier op zoek naar het verloren kasteel had rondgezworven. Hoe dikwijls had ik mij vroeger voorgenomen nog eens zijn voetsporen in deze contreien te volgen. Doch steeds was ik in Parijs
| |
| |
blijven hangen, in de overigens plezierige sleur van iederen dag. Nu ik eindelijk in dezen boemeltrein op Vierzon aanrolde, stonden de Duitschers in die bosschen en bewaakten paden en wegen. Geen zweem van litteratuur in een Watteau-decor viel te verwachten. Alleen naakte, hardhandige werkelijkheid.
De trein stopte weer bij een halte en het viertal stapte schertsend en lachend uit. Wij bleven alleen, doch hadden geen lust meer tot praten. Het was overbodig. De volgende halte was het eindpunt Vierzon. Hier zou gehandeld moeten worden.
Er liepen nogal wat Duitschers in uniform op de perrons van Vierzon, toen wij uit den trein stapten. Zij praatten luid met elkaar. Het leek of er een misverstand heerschte en er hing een sfeer van verwarring. Ik hoorde er een hardloopen en bevelen klonken over en weer op de perrons. In de spanning van het moment verstond ik ze niet. Niemand lette op ons en wij liepen langzaam doch gelijkmatig naar den uitgang. Hier bevond zich geen Duitscher.
Renaud knoopte een gesprek aan met den man die de kaartjes in ontvangst nam. Hij vertelde, dat hij uit Duitschland ontsnapt was en informeerde tegelijk naar het Hôtel du Centre.
‘Waren jullie van plan de lijn over te gaan?’ vroeg de man bezorgd.
‘Ja!’ antwoordden wij gretig.
‘Arme bliksems!’ zei de man. ‘Jullie zijn op het ongelukkigste moment gekomen. De baas van
| |
| |
“Centre” is vanmorgen gearresteerd. Gisternacht kwam een Engelsch vliegtuig in de buurt neer. De Duitschers hebben de piloten niet gevonden. Het regent arrestaties in Vierzon.’
Wij keken elkaar ontzet aan. Op het beslissende moment viel de zaak in duigen.
‘Wij moeten toch ergens slapen!’ zei ik tegen den spoorwegman. Op 't zelfde oogenblik realiseerde ik hoe belachelijk het klonk. De verdere consequenties wilde ik nog niet zien. Hadden die Engelschen zich niet ergens anders kunnen laten neerschieten, dan juist bij Vierzon op het moment dat wij hier aankwamen.
De spoorwegman haalde de schouders op. Natuurlijk, die man kon er niets aan doen.
Misschien omdat wij het noodlot niet waar wilden hebben, besloten wij toch naar het hotel te gaan. Het lag op korten afstand van het station. Het was niet ver voor twaalven. Dan moesten wij ergens binnen zijn. In de smalle straat langs de spoorbaan kwamen wij voor het hotel dat er met de luiken toe, pikdonker uitzag. Wij belden en omdat er niemand verscheen, bonsden wij op de luiken.
Wij stonden zwijgend in de stille straat en keken elkaar verwilderd aan. Als het ons niet lukte binnen te komen, waren wij hier in de open straat een gemakkelijke prooi voor iedere willekeurige patrouille die voorbij kwam. In onze wanhoop bonsden wij nog eens heel hard op de luiken. Er ging een raam open op een bovenverdieping en een vrouw werd zichtbaar.
| |
| |
‘Gaat U in hemelsnaam weg!’ snikte zij. ‘Ze hebben mijn man meegenomen!’
Als een doodskreet klonk het door de stille straat. Wij trachtten haar te kalmeren, maar tevergeefs. ‘Gaat U toch heen!’ huilde de vrouw door als een gewond dier. ‘Moeten ze de kinderen ook nog meenemen. Vervloekte oorlog!’
Wij stonden er verslagen bij. Neen, wij hadden niet het recht die vrouw in haar ellende ook nog het gevaar van onze veege lijven op te dringen. Het raam werd gesloten en alsof wij in een boozen droomtoestand verkeerden, wankelden wij naar het station terug. Wij zaten afschuwlijk in den val. Met al die speurende Duitschers op 't pad, was het nog slechts een kwestie van tijd of wij moesten gepakt worden.
Bij het station vonden wij den kaartjesman terug. Delaunoy en Renaud attaqueerden hem dadelijk. Zij praatten bezwerend op hem in. Hij kon toch zijn landgenooten niet zoo maar door de Duitschers laten grijpen. Wist hij niet een plek waar wij ons voorloopig konden verbergen. Morgen zouden we wel weer verder zien. Reinier en ik stonden er beamend bij. Als de woede van de Duitschers, opgewekt door het niet vinden van de Engelsche piloten, zich op ons koelde, was het bekeken. Ik dacht aan het lot van de cadetten uit Breda, die op de demarcatie-lijn gepakt en gefusilleerd waren en voelde mij slap en nerveus.
De vrienden bleven bij den spoorwegman aandringen. Hij schudde het hoofd en hief de handen machteloos omhoog.
| |
| |
‘Arme duivels!’ zei hij. ‘Het is afschuwlijk zoo dicht bij je doel gepakt te worden. Ik wilde dat ik wat kon doen. Maar ik kan niets doen!’
Wij zagen het hopelooze van den toestand zelf in, maar verwachtten toch van dezen man een wonder.
Alsof hijzelf het magere blijk van meeleven wat erg schraal vond in onze benarde positie, streek hij met den vinger langs den neus.
‘Wacht!’ zei hij, ‘maar begrijp mij goed: ik mag jullie niets beloven!’
Hij wachtte even alsof hij reeds te veel had gezegd.
‘Absoluut niets!’ hervatte hij. ‘Ik zal met kameraden van den nachtdienst praten. Misschien is er iets op te bedenken, hoewel wij nu verschrikkelijk op de vingers worden gezien. Gaat zoo lang in het wachtlokaal zitten, dan stuur ik straks iemand.’ Verdoofd door den tegenslag, dien wij in zoo'n kort tijdsbestek moesten incasseeren liepen wij naar de wachtkamer. Een onherbergzaam, verveloos vertrek, waar nog een heele groep kennelijk gestrande individuen, met sombere gezichten bijeenhokte.
Naast een koffer, dichtgesjord met touwen, waarin hij vermoedelijk zijn geheele hebben en houwen vervoerde, zat een oude man in een wonderlijke vervallen kleedij op een bank. Hardop en met monotoon stemgeluid vloekte hij er onafgebroken voor zichzelf op los.
‘Die stinkbende. Dat boeventuig. Die dievenrotzooi. Dat crapuul van den duivel.’
| |
| |
Hij sprak uit wat iedereen in dit wachtlokaal dacht, doch allen waren op dit hachelijke moment te strak en neerslachtig in zichzelf gekeerd om zelfs te reageeren.
‘We zitten er leelijk tusschen!’ zei Reinier zacht tegen mij, nadat wij bij de deur waren gaan zitten. Ik knikte met het hoofd, te verslagen om iets uit te brengen.
‘Die ongelukkige identiteitskaarten, die toch nergens op lijken kunnen wij beter verscheuren!’ fluisterde Reinier verder. ‘Daar krijgen wij alleen des te zekerder de kogel mee!’
Wij haalden die lorren uit den binnenzak en verscheurden ze in kleine stukjes. Mijn vingers trilden toen ik de snippers door een ijzeren rooster in den vloer wegduwde. Ik dacht er niet rooskleuriger over dan Reinier. Maar nu hij het woord ‘de kogel’ zoo duidelijk had geuit, voelde ik dat het leven misschien nog maar heel kort was en ik nog heelemaal niet klaar was om straks voor een of anderen stationsmuur, die metalen dingen in het lijf te ontvangen. Ik had mij den dood nooit zoo precies voorgesteld, behalve dien van de meeste menschen, op veeren bedden. Hoewel ook die mij nooit had bekoord, leek dit einde in een duisteren nacht, met alle ongeordende wanhoop in mijn wezen, mij het afschuwlijkste van alles.
‘Waren wij toch maar in Parijs gebleven,’ dacht ik bij mijzelf. ‘Desnoods hadden wij daar in een bordeel overnacht! De meest afstootende vrouw is altijd beter dan de kogel.’ Mijn handen waren nat en klam van narigheid.
| |
| |
De deur van de wachtkamer ging open. Een soldaat van de Feldgendarmerie, het geweer over den schouder, trad binnen en keek norsch en onderzoekend in 't rond naar het troepje trieste menschen, dat stond of op de banken hing. Het werd doodstil in het lokaal. Slechts de oude man, die waarschijnlijk met alles in het leven al had afgerekend en het alleen nog maar achteraf vervloeken kon, ging op dezelfde toonhoogte met zijn verwenschingen door.
Ik was zoo ver nog niet. Ik voelde mij wee en slap en wendde mijn blik van den Duitscher af, die daar gramstorig maar zwijgend over ons lot stond te beslissen. Ik zag, dat Reinier achteloos aan zijn sigaret trok en hem beheerscht aankeek. Ik had ook moeten staan en niet zoo als een vod in elkaar moeten hangen. Ik bewonderde zijn koelbloedigheid op het moment, dat mij eindeloos leek te duren. Terzelfder tijd schaamde ik mij over mijn eigen verval. De Duitscher keek nog eens argwanend en dreigend rond. Hij haalde de schouders op en verliet het lokaal.
Klaarblijkelijk had hij geen Engelsche piloten in het afgezakte gezelschap gezien. Wij herademden voorloopig.
Die situatie werd te benauwend en kon niet voortduren. Het was nu ver over twaalf en wij hadden hier niets meer te zoeken. Er liep geen enkele trein meer in de richting waar wij vandaan kwamen, noch in een andere richting. Wellicht had de Duitscher het gezelschap te groot gevonden en was hij versterking gaan halen. Dan was het beter dit
| |
| |
lokaal te verlaten en in de duisternis een heenkomen te zoeken. Als de kaartjesman niets voor ons kon uitrichten en wij langer wachtten, riskeerden wij ook deze laatste wankele kans te verspelen en zouden wij alleen maar als slachtvee worden weggevoerd. Ik besprak mijn vermoeden met Reinier en de Franschen. De opinies waren verdeeld. Ten slotte besloten wij te wachten, omdat wij buiten heg noch steg kenden en wij ook daar een patrouille tegen het lijf konden loopen.
Nauwelijks hadden wij dit doornige probleem afgehandeld of de deur van het wachtlokaal kletterde opnieuw open. De kaartjesman verscheen in de deurpost en wenkte ons. Wij volgden hem naar buiten. Zijn interventie gaf ons moed. Hij gaf ons haastig aan een arbeider over en verdween. De arbeider voerde ons het perron af langs het stationsgebouwtje. Wij volgden hem op den voet. Voorbij het emplacement stapte hij dwars door wat struikgewas. Bij een open ruimte hield hij stil voor een langwerpige aarden schuilkelder, die haast een loods was opgetrokken.
‘Verberg je hier zoolang!’ zei hij. ‘Als er minder Duitschers op de been zijn kom ik jullie halen.’ Hij liet ons achter. Ik stelde voor niet in den schuilkelder te kruipen, omdat die zeker in aanmerking kwam om een blik in te werpen, wanneer de Duitschers het terrein afzochten. Wij kropen in den hoek dien de schuilkelder vormde met den rechtopstaanden wand van de loods, waartegen hij was opgetrokken. Daar lagen wat scherven en oud
| |
| |
roest, waar wij overheen stapten. Het gelukte om ons in die spleet te installeeren.
Wel was onze positie niet erg ruim en lagen wij in den neerdruilenden regen. Maar wij waren hier veiliger dan in de sinistere stationswachtkamer. Plat tegen den schuinen wand van den aarden schuilkelder aangedrukt, wachtten wij op het verdere verloop van de dingen. Wij hielden ons doodstil in den modder, zonder te verroeren. Delaunoy lag voorop, vervolgens ik, daarna Reinier en Renaud. Nu en dan hoorden wij voetstappen en hielden den adem in. Eén keer hoorden wij een vloekenden Duitscher, die zich weer verwijderde. Daarna hoorden wij een langen tijd niets, behalve het neersuizen van den regen.
Af en toe kreeg Delaunoy voor mij, het te kwaad met een opkomenden hoestaanval. Ik kon het dreigende gegrom in zijn lichaam hooren opkruipen. Er moest iets kapot in hem zijn. Hij kromde zich om niet aan den bevrijdenden hoest toe te geven. Op het punt dat ik dacht dat hij los zou barsten porde ik hem in den rug. Niet uit boosaardigheid, eerder om hem te bezweren en bij te staan. Maar hij hield zich steeds in.
Op den duur kreeg ik, door den velen regen die op ons neerdaalde en ons doorweekte, een onhoudbaren aandrang. Ik probeerde aan iets anders te denken, maar het hielp niet. Ik moest het probleem onder oogen zien. Opstaan was onmogelijk zonder lawaai met het oud roest en de scherven te maken. In den broek doen, leek mij zelfs in deze omstandigheden iets ontmoedigends en afschuwlijks. In- | |
| |
eens vond ik de oplossing. Ik drukte mijn lichaam met de rechterhand in de hoogte, maakte de kleeren met de linkerhand open en waterde onder mijzelf door. Reinier, die achter mij die vreemdsoortige manipulatie zag, had ondanks de ernst van den toestand moeite niet in lachen uit te barsten.
Eenige uren verkeerden wij in onze beknelde doch overigens rustige positie, toen wij het licht van een lantaren over den schuilkelder zagen zwaaien. Het verwijderde zich en kwam weer naderbij. Wij hoorden de onzekere voetstappen van iemand die zocht. Bijna onhoorbaar beraadslaagden wij met elkaar. Was het een Duitscher? Daar waren de bewegingen te voorzichtig voor. Zou het de spoorman zijn? Toen zagen wij het licht weer heel duidelijk en hoorden dichtbij vloeken in onvervalscht Fransch:
‘Merde alors... waar hangen jullie uit?’
Wij klauterden verstijfd uit onze spelonk.
‘Jullie hadden je goed verstopt!’ zei de man. ‘Zoo goed, dat je den trein bijna gemist had.’
‘Welken trein,’ vroegen wij verwonderd. Het was nog in 't holst van den nacht en er reed geen trein voor zes uur.
‘Naar onbezet Frankrijk!’ zei de man. ‘Straks komt een trein voorbij de plek waar ik jullie neerzet. Hij rijdt daar langzaam. Op dat moment spring je. Vóór vijf uur, zijn jullie in Issoudun.’ Sprakeloos volgden wij den man. Hij had zijn lantaren uitgedoofd. Wij kwamen weer bij de spoorbaan terecht. Een vijfhonderd meter buiten het station, waarvan wij de verlichte seinen onder- | |
| |
scheidden, stak hij de sporen over. In een kromming van de baan stopte hij. Twee bij twee zette hij ons naast masten van de electriciteit die de geleiding voor de treinen droegen.
‘Vergeet niet te springen,’ waarschuwde hij. ‘De trein komt niet terug!’
Wij keken hem na tot hij in de duisternis verdween.
Ik stond naast Reinier bij den electriciteitsmast en wij voelden ons al een heel stuk opgewekter.
Een wonderlijk bizarre vertooning, dit leven!’ overwoog ik bij mezelf. ‘Nog geen paar uur geleden zaten wij op de vernederendste wijze in zak en asch en nu vinden wij onszelf alweer iets, omdat een paar anonieme spoorwegarbeiders een trein voor elkaar hebben geprutst, die ons regelrecht naar onbezet Frankrijk brengt. Later ben ik misschien nog eens trotsch op dat exploot, waar ik zoo bitter weinig zelf aan doen kon!’
Toch waarschuwde er iets in mij, de dingen niet te hooggestemd te bekijken. Wij waren er nog niet. Beter was het aandacht aan de situatie te besteden.
Waar wij stonden, was de spoorbaan zeker een twintig meter breed. Ik telde een twaalftal sporen, vierentwintig rails dus. Wij moesten opletten als de trein er aankwam niet over de rails te struikelen, wanneer wij den aanloop namen. Ik moest er aan denken Reinier te waarschuwen als het zoover was. Het begon op een heel spannenden droom te gelijken.
| |
| |
Voorloopig konden wij geen gesprek beginnen, omdat een honderdvijftig meter van ons vandaan, een Duitsche schildwacht op een luchtbrug hoog boven de spoorbaan heen en weer liep. Hoewel die Duitscher vermoedelijk slechts opdracht had op die brug te passen en niet om op ons te letten, toch beseften wij, dat wij tegenover de welwillendheid van het noodlot verder alle egards van onzen kant in acht dienden te nemen. Wij stonden muisstil in den regen tegen den ijzeren mast aangedrukt in afwachting van den reddenden trein. Wij dachten niet meer aan slaap of vermoeienis. Ondanks de onwezenlijkheid van de vage situatie waren wij klaar wakker en iedere vezel van onze zenuwen was waakzaam en gespannen.
Plotseling kwam de trein aanrijden. Bij de bocht waar wij stonden minderde hij vaart. Hij verraste ons van een andere zijde dan wij hem verwachtten. ‘Pas op de rails!’ riep ik tot Reinier en nam den aanloop. Wij bereikten den trein over de rails van de spoorbaan springend. Hij had nog slechts een heel matigen gang.
Toen wij vlakbij waren, zagen wij tot onzen schrik, dat de coupé's van den trein vol slapende Duitsche soldaten zaten. Op open vrachtwagons stond luchtdoelgeschut.
Wij wisten niet hoe snel wij moesten omkeeren en drukten ons weer tegen den electriciteitsmast aan. Wij keken opzij. Delaunoy en Renaud waren niet in beweging gekomen. Wij hadden de waarschuwing van den spoorwegman, dat de trein niet terug
| |
| |
zou komen zoo letterlijk genomen, dat wij in de haast bijna de slapende Duitschers in de armen waren gevlogen.
De schildwacht op de brug had ons experiment niet opgemerkt. De trein was tusschen zijn standplaats en ons punt van aanloop doorgereden. Reinier kon niet nalaten mij te voeren over den bok dien ik geschoten had en fluisterde ironisch: ‘Pas op de rails!’
‘Je was er zelf ook ingevlogen!’ fluisterde ik terug. Ondanks den ernst van den toestand schoten wij in den lach.
Nauwelijks hadden wij ons na den valschen start weer in bedwang, of wij zagen, ditmaal aan onze zijde van de spoorbaan, een locomotief uit de richting van het station naderen. Dat moest hem zijn. Wij zetten ons opnieuw schrap. Het was een electrische locomotief met een goederenwagon er achter. Het gevaarte kwam langs Delaunoy en Renaud. Den een na den ander, zagen wij de Franschen door de open deur in den bijwagen buitelen. Nog dertig meter. Daar kwam hij. De deuropening schoof op borsthoogte naar ons toe. Reinier gooide zijn koffertje naar binnen en sprong. Er in.
Ik gooide mijn tasch naar binnen, greep met beide handen den rand van den goederenwagon, zette af en sprong. Mis.
Wel voelde ik dat mijn beenen van den grond af waren en tusschen de wielen van den trein zweefden. Doch ik had mijn bovenlichaam niet krachtig genoeg naar voren gegooid en hing alleen maar, steunend op mijn polsen op de deurrails van den
| |
| |
wagon. Wanhopig probeerde ik mij naar binnen te drukken. Doch de trein begon op te trekken en ik zakte eerder weg. De anderen zagen mijn benarden toestand. Zij grepen mij in den kraag en zeulden mij binnen. Van de opwinding bleef ik een poos uitgestrekt op den grond liggen. Het was alles bij elkaar wel wat veel geweest die laatste uren. De booze stem van Reinier bracht mij weer bij.
‘Maak geen comedie!’ zei hij kwaad. Doch het was geen comedie. Het was mij bloedige ernst geweest, niet alleen in bezet gebied achter te blijven en evenmin om onder den trein te springen in plaats van er in.
Ik had altijd een slechten kijk op bewegende dingen. Als ik eens op een rijdende tram sprong, kreeg ik steeds een klap van de leuning. Al op school waren mijn oefeningen aan de ringen een lachnummer voor de klas. Steevast maakte ik den goeden zwaai op het verkeerde oogenblik, wat alleen maar bewees, dat ik er een gezonde ruggegraat op nahield.
Misschien dacht ik wel teveel bij dat soort handgrepen, waardoor ik in de war raakte en het moeilijker maakte dan het in werkelijkheid was. Maar ik vond het onredelijk van Reinier te veronderstellen, dat ik zoo dicht bij den dood nog grapjes had willen maken. Ik was uit oprechte verbouwereerdheid op den vloer van den wagen blijven liggen en ook uit ergernis om mijn onhandigheid.
Die aanvankelijke wrevel maakte trouwens spoedig plaats voor het triomfantelijke gevoel, dat wij
| |
| |
bezig waren in een sneltreinvaart over de demarcatie-lijn te rijden. Links en rechts in de bosschen rondom, lagen nu overal Duitschers op de loer. Zij bewaakten paden en wegen over een diepte van zeker tien kilometer. Op 't zelfde moment zaten wij hier in dien wagen en begonnen ons alweer flinke lieden te voelen. Nauwelijks een paar uur geleden, verkeerden wij in den afschuwlijksten doodsnood en nu rookten wij sigaretten en schertsten alsof het zoo hoorde.
Er waren nog twee Franschen met ons in den wagen, behalve Delaunoy en Renaud. Ook ontsnapte krijgsgevangenen die gestrand waren. Op 't station in Vierzon hadden zij een benauwd uur doorgebracht in den wagon, tusschen de zoekende en schreeuwende Duitschers op het perron. Met ons zessen waren wij vol lof over de spoorweglieden, die met dit gewaagde verkeer hun eigen leven riskeerden. Er brandde toch nog wel een klein vuur in de duisternis. Zonder de reddende rails in Jeumont, evenals hier, zouden wij er minder blijmoedig aan toe zijn. Reinier en ik betreurden het, dat het in het vrije gedeelte van Frankrijk wel een minder gebruikelijke wijze van reizen moest zijn.
‘Als ik maar niet meer behoef te springen!’ dacht ik bij mezelf. Bij de Hollandsche grens was dat al niet best geweest. Maar hier nog minder. Waar zou de derde keer zijn. Bij de Zwitsersche grens waren het bergen. Die stonden stil. Hoewel een sneeuwlawine, waar ik wel eens van gelezen had mij ook niet alles toeleek. Het liefst was ik in dezen goederenwagon blijven liggen tot in Genève toe.
| |
| |
‘Waar zouden wij eindelijk weer in een bed belanden?’ vroeg ik mezelf af. Doch nu alles zoo vlug en goed verliep, was het misschien wel zonde om den tijd te verslapen.
Wij rookten sigaretten, wisselden reiservaringen uit met de nieuwe Franschen en waren het benauwde oogenblik van de aankomst in Vierzon vergeten. Langzamerhand moesten wij stellig op onbezet Fransch gebied zijn. Eindelijk de Duitschers achter ons. Ik dacht aan Holland. Zouden de kaarten aankomen? Uit onbezet Frankrijk ging geen post door. Maar uit Zwitserland viel wellicht een Roode-Kruis-boodschap te zenden. Zwitserland! Nooit had ik er een voet in willen zetten. Een volk van kellners en horlogemakers. Hoe konden we daar ooit weg komen. Het was geen land om de rest van den oorlog te blijven hangen.
Delaunoy had uit de verwarring van de kruip- en springpartij in Vierzon een flesch wijn gered. Zij deed de ronde en wij dronken op de vrijheid, die nu wel verder ons deel zou zijn. De locomotief snorde lustig over de rails. Het leek mij toe dat zij nu en dan van louter opgewektheid een luchtsprong maakte. Maar dat kwam omdat zij zoo weinig te trekken had. Wij vonden het schoone momenten, want wij waanden ons vrij in dien donkeren ochtend van den 13den October, die aan de deur van den goederenwagon voorbijschoof.
|
|