| |
| |
| |
VII
Ach, het doodsche en grauwe Parijs in het schrale ochtendlicht buiten het Gare du Nord. Hoe geheel anders had ik mij dat in Holland gedurende de afwezigheid van een paar jaar voorgesteld. In het nog steeds onaantastbaar gebleven droombeeld van dit eene vaste punt in mijn verleden. Zelfs zooeven in het locaalspoortje had ik nog gepopeld van ongeduld en klopte het hart mij in de keel. Niet vanwege politie of Duitschers, ditmaal. Om iets van een andere orde.
De oude intimiteit tusschen Parijs en mijzelf stond op 't spel. Al moest het triest zijn, ik had nog een glimp van hoop gekoesterd, dat het weerzien een herkenning zou behelzen. Niet omdat ik er door ijver had uitgemunt of mij er zoo veel van het leven had voorgesteld. Ik had er alleen maar niets gedaan. Onbezwaard gezworven langs anonyme straten en van caféterrassen gekeken naar het verkeer en de menschen die voorbijkwamen.
Iets dierbaars blijft in ons voortleven in de gedaante waarin wij het verlieten. Desnoods tegen beter weten in klampen wij ons aan de illusie vast. Des te verder wij van de plek van die illusie verwijderd zijn en hoe somberder ons bestaan, des te hardnekkiger geven wij ons over aan dat droom- | |
| |
beeld. Het valt pas in scherven op het moment dat de tastbare werkelijkheid ingrijpt.
Als het in die nog steeds hachelijke situatie waarin wij verkeerden niet zoo zot geweest zou zijn, wellicht was ik in tranen uitgebarsten toen ik gewaar werd dat het luchthartige Parijs, waar ik acht jaar van mijn leven had liggen, niet langer bestond. Ook Reinier en de Franschen zelf konden hun deceptie ternauwernood verbergen. Maar het was een slecht moment voor ontboezemingen. Het gevaar kon ons ieder moment overvallen in de gedaante van een agent die ons bij een hoek van de straat tegemoet zou treden. In die vroegere acht jaar had ik het ook wel nooit tot een carte d'identité gebracht. Doch niemand had daar bij een vage zwerver aanstoot aan genomen. In dit hardhandige tijdperk waarin men zonder de vereischte stempels op zijn minst een staatsgevaarlijk individu, een rebel is, zouden die zaken zeker anders staan.
Stijf en rillerig van den doorwaakten nacht in den goederenwagon tastten wij den weg langs holle straten naar de buitenboulevards, terwijl wij onze schreden een zoo zakelijk mogelijk air trachtten te geven. Er was in dit nocturne Parijs zooveel niet, dat wij aanvankelijk slechts onthutst naast elkaar voortliepen. Bovendien waren wij geprikkeld door de vermoeidheid die zich meester van ons begon te maken. Niets bleek minder waar dan de veronderstelling, dat Parijs ons gemakkelijk op de een of andere manier zou absorbeeren. Wij hadden zelfs verzuimd van te voren een vast plan te trekken.
De winkels waren gesloten, de blinden waren toe
| |
| |
voor huizen en hotels, de café's waren nog dicht. Wij kwamen wat voorbijgangers tegen, die zich huiverend en in zichzelf gekeerd, de kraag omhooggeslagen naar hun werk begaven. Nu en dan een spaarzame fietser, die zich langs het asphalt repte. Geen taxi, geen autobus vertoonde zich in de straten van de stad, die ons hol aangaapte onder den bleeken ochtendhemel. Slechts het gestommel van de metro, dat bij tusschenpoozen door de rasters van de Boulevard Barbes opklonk, bewees dat wij ons werkelijk in Parijs bevonden.
De Place Pigalle lag vrijwel uitgestorven voor ons. Bij een eenzamen krantenverkooper aan het metrohek kochten wij een paar dagbladen. Het kon ons niet in 't minst schelen, dat zij gelijkgeschakeld waren. Het was ons allereerste contact met een menschelijk wezen in Parijs. Een oude man, die ons uit rooddoorloopen oogen versuft aanstaarde en het niet verder bracht dan een bedroefd schouderophalen toen wij naar een naburig café informeerden.
‘Weinig joyeus, dit entree!’ zei ik tegen Reinier en de Franschen. Toch moest er iets geprobeerd worden. Ik kreeg een idee.
Wij sloegen de Rue Pigalle in. Bij een hotelletje, waar ik vroeger een zolderkamer bewoond had, belden wij aan. Wij wachtten en belden nog eens, doch er verscheen niemand. Het beloofde moeilijk te worden. Ontstemd zwalkten wij de Rue Pigalle verder naar beneden en bij den voet, aan de Place de la Trinité vonden wij eindelijk een geopend café. De vloer werd nog vlijtig geschrobd en stoe- | |
| |
len werden uiteengezet. Maar er bestond geen bezwaar tegen onze binnenkomst en wij zegen dankbaar neer op de roodleeren banken van het zijdeelte. Wij hadden voorloopig een dak boven het hoofd.
De kellner onderbrak zijn bezigheden en bracht ons vier glazen van een warm vocht, dat de plaats van koffie innam. Wij hielden krijgsraad. Wat wij tot nu toe van Parijs gezien hadden moedigde niet aan tot een lang verblijf. Toch moesten wij probeeren althans eenige uren te slapen. Waar? Een hôtel? Met het invullen van fiches kon dat bij onzen onregelmatigen toestand een riskante geschiedenis worden. De Franschen toonden zelf weinig vertrouwen in hun hotelstand.
‘Zij werken allemaal voor de politie!’ zei Delaunoy met duidelijke verachting.
Reinier en ik hadden kennissen in Parijs. Wel hadden wij daar in jaren niet van gehoord. Maar het viel te probeeren en desnoods konden we in een atelier op den grond slapen. Op dit moment was het te vroeg om te telefoneeren. Beter was nog een uur te wachten. In dien tijd zaten wij hier niet kwaad. Een doodgewoon café op den hoek van een straat, zooals er duizenden in Parijs zijn.
We haalden onze laatste proviand te voorschijn en lieten een flesch wijn aanrukken. In de kranten lazen wij dat de bezetters op alle fronten groote overwinningen boekten. Aan de comptoir stonden eenige Parijzenaars dezelfde kranten te lezen, bij hetzelfde vocht dat wij gedronken hadden. Hun gezichten drukten weinig uit bij de lectuur. Zij
| |
| |
wisselden geen woord commentaar. Niemand nam eenige notitie van onze aanwezigheid. Nu en dan maakte een van ons achter zijn krant een dommelende hoofdbeweging, doch vermande zich weer, om de aandacht niet op zich te vestigen.
De Place de la Trinité waar wij op uit keken raakte bevolkt. Een enkele auto schoot voorbij en een paard trok een kar op luchtbanden voort. De eerste ochtendzon koesterde het plantsoen voor de kerk van de Trinité en ook de wijn bracht ons in een wat fleuriger stemming. Ten slotte hadden wij het in één dag van dicht bij de Hollandsche grens tot in Parijs gebracht. Indien wij voorzichtig bleven, zouden wij het wel verder brengen.
De eerste Duitsche soldaat, die ik in het verkeer opmerkte, gaf mij een pijnlijke gewaarwording. Het was maar een gewoon soldaat en hij was ongewapend, doch hij stak met hoofd en schouders boven iedereen uit. Ik wees hem den anderen aan, toen hij aan de overzijde van de straat ons raam passeerde, onbewust van den haat die wij hem nazonden.
‘De smeerlap!’ siste de jonge Renaud, voor wie het de eerste Duitscher was die hij sinds zijn gevangenneming in '40 zoo diep in zijn land zag.
Ik moest bekennen, dat die eene soldaat in Parijs mij meer bevreemdde dan de velen die ik in Holland had gezien. Hier was de ongelijkheid te ergerlijk.
Reinier verdween in de telephooncel. Het duurde eenigen tijd voor hij terugkwam. Aan zijn gezicht
| |
| |
zag ik dat hij nul op het request had gekregen. Een schilder die dikwijls bij hem exposeerde was buiten de stad. Bij een ouden commandant, een vriend van zijn vader, had hij geen gehoor gekregen. Maar de commandant was een langslaper. Dat viel wat later nog eens te probeeren.
Het was mijn beurt. Ik stapte de cel binnen en draaide het nummer van een groote uitgeverij. De leider van de service de presse in dat bedrijf had mij met raad en daad bijgestaan toen ik voor den oorlog in Parijs een blaadje uitgaf. Wanneer ik hem te pakken kreeg twijfelde ik niet aan zijn hulpvaardigheid.
De stem van een telephoniste klonk en ik vroeg naar zijn naam. In gedachte zag ik de groote hall van de uitgeverij, waar de telephoniste zat, voor mij. Hoe dikwijls had ik daar gezeten als ze door het apparaat gezegd had: ‘Hallo, hallo, ne quittez pas’ en dan met mooie vlugge handen uit een kanten mouw over het schakelbord gemanoeuvreerd had.
Nu hoorde ik alleen maar een verbaasden uitroep: ‘Hij werkt hier al twee jaar niet meer!’
‘Weet U waar hij te bereiken is?’ vroeg ik.
Zwijgen aan den anderen kant. Ineens een booze mannenstem die mij onvriendelijk toesnauwde:
‘Wie spreekt daar?’
Dit had ik niet voorzien en ik hing de telephoon op. Ik was nooit flink met dat instrument geweest. Nu vertrouwde ik het minder dan ooit. Het blad van de uitgeverij was trouwens onder de bezetters blijven doorverschijnen.
| |
| |
Een kennis op een andere uitgeverij schoot mij te binnen. Ik draaide het nummer. Voor het doorkwam hing ik de hoorn weer op. Dat ik daar niet aan gedacht had! De schrijver die ik nu beoogde was een verwoed pacifist en een vriend van Giono. En Giono had zijn pacifisme zoo ver gedreven, dat hij de Duitschers om den hals was gevallen. In Holland zou ik niet voor iedereen mijn hand in het vuur durven steken en hier stond ik in 't wilde weg contact te zoeken. Ik kreeg het warm in de kleine telephooncel. Bovendien was ik vermoeid en pijnigde vergeefs mijn geheugen af of iemand te benaderen viel, waar wij ons lot aan konden vastknoopen om tenminste even op verhaal te komen. Doch ik stond alleen maar voor het groote niets. Misschien dacht ik aan te veel lieden tegelijk. Maar niet één naam teekende zich voor mij af als een reëele mogelijkheid. De paar menschen waar ik zeker op kon rekenen, moesten al lang ondergedoken zijn, zoo niet erger. Ineens besefte ik dat het leven hier ook heimelijker, verstolener en afzijdiger geworden was en dat een tamelijk willekeurige oproep door een telephoon slechts argwaan kon wekken.
Met dat poovere resultaat keerde ik naar de anderen terug. Wij staken de hoofden bijeen. Dit Parijs beviel ons niet. Wat lette ons, het zoo spoedig mogelijk te verlaten. Als we vast poolshoogte namen bij het Gare d'Austerlitz, hoe laat er treinen naar Vierzon liepen. Van de sergeantsche in Dilsen hadden wij daar het adres van een hotel- | |
| |
letje gekregen, waar men raad wist voor den overtocht van de demarcatie-lijn. Zoo lang wij niet diep in onbezet Frankrijk zaten, was onze veiligheid weinig waard. Tot nu toe was het ons voor den wind gegaan, als wij ons aan de vastgestelde route hielden. Dit rondzwalken los daarvan leek nergens naar. Over de eerste vermoeidheid waren wij heen. Het heldere herfstweer werkte stimulerend tot verdere daden. Maar voor we die treinreis begonnen, die zeker een uur of zes in beslag zou nemen, dienden wij eerst flink te eten. Daar meende ik raad op te weten.
Dicht bij het Gare d'Austerlitz, naast het Gare de Lyon, in een steeg, de Impasse Raguinot kende ik een goed arbeidersrestaurant. In een van de dicht opeengebouwde volksbuurten, rond de Bastille gelegen.
Wij rekenden af en gingen de straat op. Het verkeer was al drukker en in het Metrostation van Trinité hadden wij moeite in de propvolle wagens te komen. Toch snoof ik met welbehagen den geur van de Metro op. Die was tenminste zich zelf gebleven. Het gedrang bij de haltes met in- en uitstappen was heviger dan ooit. Bij het overstappen raakten wij Renaud bijna kwijt. Als een speelsche hond was hij een jonge dame, die hem had toegelachen, achterna gegaan. Op 't laatste moment toen wij al op 't punt stonden in de Metro voor 't Gare de Lyon te stappen kwam hij aanhollen.
‘Verdomde oorlog!’ gromde hij verstoord, ‘laat iemand niet de kans een vrouw het hof te maken zooals het behoort.’
| |
| |
Hij had goed geslapen in den goederentrein en voelde zich bijzonder fit.
Armand Funel, de patroon van het restaurant in de zonderling smalle Impasse Raguinot, stond in zijn blauwen voorschoot glazen af te wasschen, toen wij binnentraden. Wij namen plaats dicht bij de keuken, waar het fornuis te gloeien stond en een goeden etensgeur verspreidde. Ik ging naar den comptoir en een lach gleed over zijn gezicht toen hij mij herkende en de hand schudde.
‘Dat is lang geleden!’ verzuchtte hij met zijn accent uit de Midi. ‘Dat waren nog eens andere tijden!’
Met een geheele bende uit het Quartier Latin, mijn oude Chineesche vriend Wang voorop, waren wij hier dikwijls binnengevallen. Wij hadden dan goed gegeten en gedronken en uitbundig plezier gemaakt met de Italiaansche arbeiders die dit restaurant frequenteerden. Het groote moment was dan altijd, wanneer zij na de grappa's hun opera's begonnen voor te dragen, waarbij zij elkaar voortdurend in de rede vielen en wilden corrigeeren. Voor mijn vrienden en mij was dit met wijn besprenkelde muzikale dispuut de vaste Zondagavondsche uitgang geworden.
Nu was het allemaal bloedige domme ernst. De vriendin was uit mijn leven verdwenen. De Italianen waren vijanden geworden. Als een opgejaagd zwerver stond ik in die feestelijke ruimte van weleer voor den goedigen Funel, die mij bezorgd aankeek.
| |
| |
Ik gaf hem een hoofdknik en hij volgde mij naar de keuken.
‘Wij zijn uit Holland ontsnapt!’ viel ik met de deur in huis, ‘mijn Hollandsche vriend en ik. De twee Franschen bij ons, zijn ontsnapte krijgsgevangenen uit Duitschland. Weet U een veilig hotelletje in de buurt, waar wij kunnen slapen? Daarna willen we zoo vlug mogelijk naar de demarcatie-lijn.’
Funel schudde spijtig het hoofd.
‘Ik durf U niets aanraden!’ zei hij langzaam. ‘Op den dag een hotel nemen wekt al argwaan. Bovendien zijn er voortdurend razzia's in de hotels in de buurt om arbeiders naar Duitschland te sleepen!’ Het klonk naar de waarschuwing van den begeleider van den goederentrein en ik kon niets anders dan hem gelijk geven.
‘Ik zal U in ieder geval maar iets heel goeds klaarmaken, dat heeft U wel noodig!’ besloot Funel.
Ik voegde mij weer bij de anderen en nu waren wij vastbesloten, nog voor den avond Parijs te verlaten.
Funel zette borden dampende minestrone voor ons neer en een flesch Côte du Rhône. Wij hadden het noodig en ook de machtige escaloppes, die hij vervolgens kwam aandragen.
‘Er is niet zoveel keus als vroeger!’ verontschuldigde Funel zich, tamelijk overbodig. Wij aten niet, wij zwelgden. Vooral de Franschen genoten, want in lang hadden zij geen knoflook meer geproefd. Wij namen nog een flesch Côte du Rhône en kregen groote brokken Gorgonzola voor ons. Ten
| |
| |
slotte begonnen wij ons zoo geweldig te voelen, dat de demarcatie-lijn ons niet langer een onoverkomelijke hindernis toescheen.
Ik rekende af en praatte nog wat met de Funels in hun kleine kamertje achter het restaurant. Hun kind, die ik nog als baby gezien had was een groote jongen geworden. Mevrouw Funel had lange brooden doorgesneden en sandwiches klaargemaakt belegd met dike stukken lever. Dat was hun bijdrage voor onderweg. In geen geval mochten wij het betalen. Wij namen hartelijk afscheid. Het oogenblik had het verleden alweer voor mij verdrongen en ik was blij midden in het nu door den vijand beheerschte gebied, menschen te hebben getroffen, die ons goedgezind waren.
Toen wij weer op straat liepen langs het Gare de Lyon voelde ik mij al niet meer de opgejaagde zwerver van daarstraks. Reinier, die het meest vasthoudend was in practische dingen, stelde voor nu dadelijk de situatie en den treinenloop bij het Gare d'Austerlitz te verkennen. Goed gehumeurd door de kookkunst van Armand Funel en ietwat zwevend door den wijn, wandelden wij langzaam langs den Boulevard, die van het Gare de Lyon naar de Seine voert. Wel bleef Parijs leeg, veraf en onwerkelijk. Toch welde er ondanks het prachtige herfstweer bitterheid in mij op. Die niet tastbare droefenis, die ons steeds weer aanraakte als wij een stoffige leege boulevard voor ons zagen, viel te verklaren. Het oude en schoone was onder den voet geloopen door de nieuwe horde. Het sceptische vermoeide Frankrijk had zich niet kun- | |
| |
nen verweren tegen de plompe energie van de vlijtige barbaren. De elegische rust van de redelijkheid vormt altijd een uitdaging voor de broeiende mystiek van de rancune. De eenige hoop bleef dat die mystiek door haar mateloosheid zou barsten.
Wij bereikten den anderen Seineoever over den Pont d'Austerlitz, die herinnerde aan den tijd dat zich over Europa nog iets meer verspreidde dan alleen soldatenlaarzen.
Schuin tegenover het station namen wij plaats in de zon. Bij een ijzeren tafel op de klapstoeltjes van een terrasje voor een van de ouderwetsche caféhuisjes, die zich langs de Seinekaden bevinden. Onder de gele bladeren van de boomen langs het ruiterpad keken wij over de Seine, die strak in haar bedding voor ons lag.
‘Kijk!’ zei Reinier en hij wees naar een motorschip, dat aan de overzijde bij de brug lag gemeerd. ‘Italiaansche oorlogsmarine!’
Die ontbrak er nog aan. Wij tuurden met weerzin naar de met groote petten en een vracht van gouden tressen versierde kleine mannetjes, die aan boord van het schip, druk en stoer liepen te doen.
De nabijheid van die vergulde profiteurs ontlokte ons zelfs geen ontboezeming. Wij wendden ons af. Delaunoy ging op verkenning naar 't station. Hij kwam terug met de boodschap, dat er geen trein voor 5 uur naar Vierzon liep. Het was nu pas één uur.
Reinier kondigde aan, dat hij van plan was den commandant, dien hij per telephoon niet had kun- | |
| |
nen bereiken, een bezoek te brengen. Ook de Franschen wilden nog wat rondloopen. Ik gevoelde een matelooze behoefte, alleen te zijn. Om vier uur zouden wij elkaar op ditzelfde punt weer treffen. Dan was er nog volop tijd om de biljetten te nemen en de situatie met den trein in oogenschouw te nemen.
Bij Raspail stapte ik uit de Metro en ging de eerste de beste kapperssalon binnen. Een stil zaakje en ik was spoedig aan de beurt. Onder een groote photo van het zoo weinig zeggende gezicht van den ouden heer Pétain werd ik ingezeept.
Ik las het onderschrift: ‘Honneur, travail, familie!’ Dingen waarvoor ik in het leven nooit bizonder warm was geloopen. Frankrijks nieuwe leuzen. Al waren die gelijkheid en broederschap sinds '89 wel wat scheefgezakt, dat de eenvoudige vrijheid zoo was weggemoffeld leek mij wel een veeg teeken.
Terwijl het oude kappertje mij zorgvuldig schoor probeerde ik achter het masker van het portret voor mij aan den wand te komen. Zou het alleen maar een seniele ledepop zijn? Of wachtte hij het moment af, den Duitschers een loer te draaien.
Als alles goed liep konden wij morgen onder zijn machtsbereik zijn en in de practijk vaststellen hoe het er mee gesteld was. Toen de oude kapper mij afspoot vergeleek ik hem met het portret aan den muur. Met een militaire pet op 't hoofd en een uniformkraag aan, zou hij veel van den maarschalk weghebben.
Ik maakte die opmerking, zonder te bedenken dat
| |
| |
het als een vrijpostigheid kon worden opgevat, eigenlijk in allen ernst.
‘Het wordt meer gezegd, Mijnheer!’ zei de man verheugd en terwijl hij plechtig naar de photo keek: ‘Hij is een groot patriot.’ Ik werd met veel strijkages afgeborsteld, wat wel noodig was om onder het voetlicht van den grooten patriot niet te veel op te vallen.
Verfrischt liep ik tusschen de muren van het Cimétière Mnotparnasse naar de Rue Froideveaux. Bij den ingang van een atelierblok vroeg ik naar een goede Hongaarsche vriendin. De concierge keek mij wantrouwend aan.
‘Ze woont hier niet meer!’ was alles wat zij mij waardig keurde voor ze de deur van haar loge met een venijnige klap dichtsloeg.
‘Die stand is er ook niet vriendelijker op geworden!’ dacht ik bij mijzelf, terwijl ik den weg naar Raspail terugging en mij bezorgd maakte over de mogelijkheid dat Erszebeth in moeilijkheden zou verkeeren omdat zij Joodsche was. Na den oorlog vernam ik dat die onvriendelijke concierge iedereen bij de deur had afgescheept. Erszebeth had zonder ernstige incidenten haar atelier bewoond.
In de papeterie naast de Rotonde kocht ik prentbriefkaarten. Een officier van de Wehrmacht was voor mij aan de beurt. Hij had moeite zich verstaanbaar te maken en was eigenlijk heel nederig. Ik kreeg de vreemde ingeving hem te helpen, misschien wel uit ironie met de situatie om hem tot extra kruiperigheid te verlokken. Maar de papetière
| |
| |
was zoo ijzig onbeschoft, dat er niets bij hoorde en ik het achterwege liet.
Aan de overzijde in de tabac van de Dôme kocht ik postzegels. Ik herkende het groffe gezicht van een gérant van dat café, die voor het terras stond. Maar met dien man had ik moeilijkheden gehad toen hij een clochard eens op een brutale manier van het terras verwijderde en dit was niet het moment voor een verzoening.
In de librairie van de Rue Bréa vroeg ik naar een boekje dat in '39 verschenen was, waarop de juffrouw mij verbaasd en onderzoekend aankeek. Dat scheen dus ook al niet meer te kunnen. Door de Rue Va vin zakte ik af naar den Jardin du Luxembourg en het werd mij vreemd te moede.
Door het hooge ijzeren hek wandelde ik den Jardin binnen, die er prachtiger dan ooit in zijn herfsttooi bijlag. Hoeveel voetstappen had ik hier niet liggen. Nu, op dezen middag, waar ik mij van tevoren zoo op verheugd had, liep ik er weer en toch was het of ik er niet bij hoorde.
Wel waren het dezelfde paden en grasperken en dezelfde rijen boomen waarop de zon in de goudgerande bladeren speelde. Ook de beelden en de banken stonden op hun oude plaats, en de doorkijk naar den Boulevard St. Michel en naar het Observatoire was nog altijd even wijd en majestueus. Doch terwijl ik langzaam rondslenterde bleef de droevige gewaarwording mij vervolgen, die zich in den prillen ochtend al aan mij had opgedrongen: ‘Het is het wel. Maar het is het toch niet!’
| |
| |
Vroeger was een wandeling hier verlossend geweest. De dagelijksche zorgen waren daarbij van mij afgegleden, zooals men uit overtollige kleeren stapt. Ten slotte bleef altijd de vrijheid en de frissche lucht over, waarmee bergen te verzetten vielen. Ach, die eenvoudige luxe van de eigen beschikking over het veege lijf, had ik haar ooit wel voldoende gewaardeerd.
Nu ik het oude Europa zoo vol politievlegels wist, dat zelfs deze wandeling in het Luxembourg, waar ik zoo naar gesnakt had er door vergald werd, voelde ik mij door spijt en bitterheid verteerd.
‘Ik heb er te weinig tegen gedaan!’ beschuldigde ik mezelf. ‘Altijd weer het onontkoombare probleem: zich bemoeien met de macht, die altijd bevuilt en schurk worden op zijn beurt of zich te laten doen met wrok en rouw in het hart. Want de gelatenheid bereik ik niet, nu niet en nooit.’
Misschien had de ontmoeting in het park met een oude bekende, een vluchtige herkenning in den blik of een enkel woord van gedeelde smart den afschuwlijken twijfel waarin ik verkeerde van mij af kunnen nemen. Maar ik ontmoette slechts onbekenden met strakke gesloten gezichten.
Bij het groote bassin, waar de palmen nog buiten stonden, nam ik plaats op een steenen bank en keek naar de kinderen, die daar argeloos met bootjes op het water speelden, alsof er geen oorlog bestond. ‘Dit zou het weer kunnen zijn,’ dacht ik bij mezelf, terwijl ik den kristalhelderen straal van de fontein zich op de grijze steenen van het Senaatsgebouw zag afteekenen.
| |
| |
Er kwamen twee soldaten van de Luftwaffe voorbij. Zij liepen daar heel vreedzaam, maar zij waren het andere.
‘Dit is het zeker niet,’ besloot ik en stond op. Langzaam slenterde ik naar den uitgang.
Het Panthéon hing in de lichte herfstnevel boven de leien daken van de Rue Soufflot. Ik keek den leegen Boulevard St. Michel naar beneden, doch wilde mij de deceptie van die wandeling besparen. Ik koos de steile Rue Monsieur le Prince, toch al zwaar genoeg van herinneringen.
In die stille straat keek ik omhoog naar mijn oude zolderkamer, waar ik zoo vlijtig de overschatting van den geest had beoefend, zonder mij er om te bekommeren of de grond onder de voeten werd weggegraven.
‘Ach Diderot!’ dacht ik opstandig. ‘U had nog gemakkelijk spreken over het groote ongeluk zich niet in zijn kamer te kunnen opsluiten. Hoe zou U in deze Europeesche tragedie gehandeld hebben. In deze twintigste eeuw, waren wij op ons twintigste jaar toegewijde lezers en op ons dertigste meenden wij eenig licht te bespeuren. Maar op ons veertigste zijn wij nog slechts gedesillusionneerde lieden en op ons vijftigste, als wij voordien niet in een kogel zijn geloopen, worden wij bij de een of andere politieclub ingelijf d of vegeteeren in een dwangarbeiderskamp.’
Neen, ik was een sentimenteele idioot geweest, die mooie grafzerk van het verleden nog eens te willen optillen. Wat had ik mij niet van deze wandeling voorgesteld en welk een onafgebroken marte- | |
| |
ling was het geworden. De verachting voor een bestaan dat steeds armzaliger moest worden, snoerde mij de keel dicht. Toch was ik niet van plan het veege lijf zoo zonder meer over te geven. In het postkantoor tegenover de Place de l'Odéon haalde ik de prentbriefkaarten uit mijn zak en stuurde ze aan de opgekregen adressen. Om de plaats aan te duiden, schreef ik op één daarvan: ‘Beste Charles, je oom Anatole en ik hopen het feest van den 30sten verjaardag van onzen dierbaren neef, den grooten Meaulnes, door te brengen in Vierzon.’ Ik wist dat de geadresseerde het boek vàn Fournier kende.
Ik hield nog één kaart over. Die adresseerde ik aan mijn verloren vriendin, die overigens meer voor Frankrijk dan voor mij de tocht wel mee had willen maken. Hoewel de plekken, waar wij vroeger samen hadden rondgezworven, nu alleen maar een deceptie waren, schreef ik op de kaart: ‘Parijs is nog steeds een prachtige stad.’
Ik deed de kaarten in de bus. Maar ik hoorde ze nog niet vallen of ik voelde spijt van dien gifangel dien ik had uitgestoken. Zelfs op dit moment had ik die poovere genoegdoening niet achterwege kunnen laten. Neen, ik was nog niet heelemaal van haar bevrijd. Men ontsnapt gemakkelijker aan den machtigsten vijand dan aan de meest weerlooze geliefde.
Geërgerd stapte ik in den Metro, die mij naar onze plaats van afspraak bracht. Behalve den maaltijd bij Funel en dat ook nog slechts ten deele door de herinneringen aan vroeger, was dit verblijf in
| |
| |
Parijs één voortdurende obsessie geweest.
De anderen die al op mij wachtten, was het niet beter vergaan. De commandant van Reinier verbleef momenteel in Nice. Wij pakten onze bagage in het caféhuisje bijeen. Bij den ingang van het Gare d'Austerlitz stond een duitsch militair met een helm op en een geschouderd geweer. Hij ging volkomen op in het stokstijf stilstaan. Wij namen plaatsbewijzen en vonden na eenig zoeken vier plaatsen in een ouderwetsche coupé van een wagon zonder doorloop. Beurtelings verrichtten wij op het perron wat ons onderweg kon overvallen. Er heerschte de gewone drukte bij een vertrekkenden trein. Familieleden, die de hunnen wegbrachten. De wagens van de weermacht waren schaarsch bezet en behalve voor de plaatskaarten verscheen er geen enkele contrôle.
Wij voelden ons loom en vermoeid, maar erg opgelucht toen wij op de houten derde-klassebank uit Parijs wegreden. Wij lieten het gesprek in de volle coupé aan de andere reizigers over en keken door de vensters naar den vallenden avond die op de grijze velden en wegen neerdaalde. Nu en dan dommelden wij in slaap, zoover de ruimte het toeliet. In dien halven bewustzijnstoestand zakten wij dieper naar het hart van Frankrijk.
|
|