| |
| |
| |
VI
De eerste politieagent, dien wij in België zagen, stond met een witte helm op het hoofd, statig op een verhooging geplant, het drukke verkeer voor het station in Luik te regelen. Zijn aanblik deed ons weinig. Wij waren alweer ruimschoots gewend aan de vanzelfsprekendheid van het verblijf in dit land, waar de houding van de bevolking ten opzichte van de bezetting mij zorgeloozer toescheen dan bij ons.
Op dat stationsplein namen wij afscheid van onze illegale gefriseerde gouvernante. De Franschen met hun gebruikelijke omhelzing, die hen zoo gemakkelijk afgaat. Reinier en ik iets noordelijker.
Wij werden overgedaan aan een bezorgd kleurloos mannetje in een looden jas, die een klein café in den hoek van het plein met ons binnenschoof.
Hij bleek inderdaad in de war te zijn en aan een tafeltje begon hij ons hakkelend te vertellen, dat de dingen er niet zoo best voorstonden. Zoojuist was een aantal cadetten uit Breda aan de demarcatielijn gepakt en gefusilleerd. Reinier en ik keken elkaar bedenkelijk aan.
‘Hoe moet dat allemaal afloopen,’ zuchtte de man, die nerveus in de handen wreef, meer in zichzelf dan tegen ons.
| |
| |
Tot dusver was alles goed gegaan en nu wilde dit onzekere mannetje ons wijsmaken dat de zaak er slecht voorstond. Wij geloofden er eenvoudig niet in.
Op dat moment constateerde ik het zonderlinge phenomeen, dat de wankelmoedigheid van deze man mij vastbesloten maakte. De kalme energie van Bouman had mij aan mijzelf doen twijfelen.
Wij vroegen of de cadetten dezelfde route gevolgd hadden die wij van plan waren. Dat was niet het geval. Wel was de contrôle overal aanzienlijk verscherpt. Het klonk allemaal weinig opwekkend, maar we waren nu eenmaal op weg en moesten verder. De ervaringen van de Franschen die nog wel kans hadden gezien uit Duitschland te ontsnappen hadden ons bovendien gesterkt. Het zou met ons zoo'n vaart wel niet loopen.
De nerveuze man verdween uit het café. Wij waren nauwelijks vriendelijk tegen hem geweest en zijn zeurderige uiteenzettingen hadden ons eerder geirriteerd. Hij zou over een paar uur met valsche identiteitskaarten uit onbezet Frankrijk voor Reinier en mij terugkeeren. Ik maakte van die pauze gebruik door mijn eerste kaart met verjaardagswensch aan een van Pam's adressen te sturen. Verder speelden wij een opgewekte partij belotte met de Franschen, aten wat sandwiches en dronken een glas bier.
De poovere indruk van het verwarde mannetje bleek niet zonder grond. De valsche identiteitskaarten, waarmee hij terugkeerde leken naar niets. Reinier werd daarop ten onrechte met zwart haar
| |
| |
en ik met blauwe oogen gekenschetst, en bovendien ontbrak er vijftien centimeter aan mijn lengte. Van twee vertegenwoordigers in zaken hadden wij in onze slordige kleeding evenmin veel weg. En dat wij ons domicilie juist in de bedevaartplaats Lourdes toegewezen kregen, was ook al een vreemde sensatie. Hoe dan ook, achter de demarcatielijn diende ik als Emile Desjardins op te treden. Wij schoven die twijfelachtige dingen in onze binnenzak en betaalden den man een flink bedrag. Hierna opperde hij ineens de phantastisch klinkende mogelijkheid om met een expressetrein rechtstreeks Zwitserland binnen te rijden, zonder contrôle van de Duitschers onderweg. Wel zou dat een hoop geld kosten. Ik voelde dat dit op de een of andere manier met omkooperij van de Duitschers in verband moest staan en op zijn minst van hun gunst afhankelijk was. Het lokte mij niet aan, daaraan overgeleverd te zijn.
Reinier zat onder dit voorstel afwerend met het hoofd te schudden. Tot dusver hadden wij in deze materie de ervaring opgedaan, dat alle dingen die klopten door een ander soort menschen werd verricht, dan door dezen twijfelachtigen man en weinig of geen geld kostten. Niet, dat wij in dezen man een handlanger van de Duitschers zagen of dat hij er een ongunstige tronie op nahield. Afgezien van het feit, dat zijn voorstel het kapitaaltje, dat wij nog bitter noodig konden hebben zou opslokken, het klonk toch te rooskleurig. En dit contrasteerde weer met iets stumperigs en opgejaagds in zijn houding en gebaren. Ondanks zijn goede bedoelingen,
| |
| |
waar ik geen reden had aan te twijfelen, trad hij op als iemand, die zich bezig hield met dingen waarvan hij de narigheid en de spanning niet aan kon.
Neen, de gefriseerde sergeantsvrouw had ons een heel wat betrouwbaarder indruk gegeven en wij bleven vastbesloten ons aan haar reisroute te houden. Al was het voor ons een heele som, dat de Duitschers op dit moment van den oorlog al zoo corrupt zouden zijn en dergelijke manoeuvres plaats konden vinden, het wilde er bij ons niet in. Dan liever nog eenige keeren nachtelijke wandelingen en sluippartijen geriskeerd. Als wij daarbij gepakt moesten worden, hadden wij het aan ons zelf te danken. Wij namen nogal kil afscheid van dezen mistigen Luikschen man en kochten in het station vier derde-klasse biljetten naar Erquelines. Delaunoy en Renaud keurden ons beleid zonder omwegen goed.
‘Il avait l'air un peu louche, ce coco!’ was Renaud's commentaar en in mijn hart was ik het daarmee eens. Maar het kan heel goed zijn dat wij ons vergisten.
Ongetwijfeld had die derde-klasse wagen van den trein Luik-Parijs, waarin wij ons met veel moeite binnendrongen, weinig van een luxe-slaapwagen, zooals ik mij die één moment in de corrupte Zwitserland-expresse had gedroomd. Wij stonden hier als haring in een ton opeengeperst, temidden van verontwaardigde Belgen, die hun misnoegen met de bezetters, die royaal in aparte compartimenten zaten, niet verzwegen. Hoewel wij ons in den gang
| |
| |
waarin wij ons bevonden niet konden verroeren en erg blij waren, wanneer wij nu en dan een hap lucht door het geopende venster binnenkregen, waren wij erg ingenomen met dien compacten toestand, waarin het uitoefenen van een serieuze contrôle, practisch een onmogelijkheid was. In Dilsen waren wij goed uitgerust en deze benauwdheid was zeker te overleven.
In Charleroi liep de trein ongeveer leeg. Wij veroverden vier zitplaatsen. Grensarbeidsters die naar Frankrijk terugmoesten bevolkten nu de coupé's en zij begonnen op de meest vindingrijke wijze de pakjes sigaretten te verbergen die hun extra verdienste moesten opbrengen. Zij namen daarbij geheel ongegeneerde kunstgrepen te baat, zonder zich ook maar iets om onze aanwezigheid te bekommeren.
‘Oui Monsieur, qu'est ce que vous voulez, c'est le fric!’ zei een solide deern zakelijk tot Reinier. Voor zijn oogen had zij ongeveer een hoogstand verricht om haar tabak te verstoppen, hoewel zij daar iets anders mee blootgaf.
‘Je ne veux absolument rien!’ antwoordde Reinier afzijdig.
De smokkel die ons wachtte was van anderen aard. Hoe zouden wij over de grens komen? Wij hadden niet meer den omvang om achter de overigens imposante boezems van die arbeidsters schuil te gaan.
Voor Reinier kwam het griezeligste deel van de reis toen wij op het grensstation Erquelines uitstapten. Tusschen andere reizigers in, die den trein
| |
| |
verlieten, wachtten wij tot de trein optrok om de rails over te kunnen steken naar den uitgang toe. Eenige Duitschers in burger stonden onze groep dreigend te fixeeren, terwijl zij het hadden over het probleem wat wij konden zijn. Vooral mijn figuur scheen hun argwaan te hebben opgewekt. Ik stond met mijn rug naar hen toe, nogal voldaan over het vlotte verloop van de reis langs deze drukke verkeersader van België en had niet de minste weet van hun belangstelling. Reinier die het gezicht op hun had en ieder moment verwachtte dat zij ons aan zouden schieten, liet niets merken. Wel was ik verbaasd, nadat de trein voorbijreed, dat hij plotseling zoo'n haast aan den dag legde het station uit te komen.
Voorbij den uitgang, terwijl wij langs het station liepen vertelde hij wat er boven ons hoofd had gehangen. Voor degenen die een gevaar hooren uitleggen, waarin zij betrokken waren zonder het zich te realiseeren, is het, als dit gevaar eenmaal achter den rug is altijd plezierig, er nog even over uit te weiden. De Franschen en ik gingen er tenminste levendig op in. Al pratend en gesticuleerend sloegen wij den hoek om die op het station volgde.
Plotseling ontdekten wij dat er nu werkelijk iets niet in den haak was. Op nog geen twintig meter afstand was het witte hek van de grenspost. Duidelijke Duitschers met groote geweren in de groene uniform van de Feldgendarmerie er achter. Dit was niet wat wij hebben moesten. Als wij iets langer gelachen hadden om het gevaar waar wij zoo juist aan ontsnapten, waren wij ze in de armen geloopen.
| |
| |
Wij slikten onzen overmoed op de plaats in, draaiden op de hielen rechtsomkeert en verdwenen weer snel om den hoek van het station in de richting waar wij vandaan kwamen.
Aan de overzijde van het station vonden wij, na die nu door allen als werkelijkheid ondergane emotie, tusschen een reeks andere estaminets het Café des Sports, dat de sergeantsvrouw in Dilsen ons had opgegeven.
Wij nestelden ons aan een tafeltje in het rookerige café. Het was er vol met arbeiders, die na hun werk een glas aan den zinken comptoir dronken. Wij gingen er veilig schuil in het geroezemoes van stemmen en uitroepen. Niets louche in deze omgeving van menschen die een dagtaak achter den rug hadden. Portretten van wielrenners en een vitrine met prijzen aan de wanden, geheel zooals het hoorde. Wij haalden ons brood te voorschijn en de kastelein bracht bier.
De Franschen gooiden een balletje bij hem op over de grens. Het leek mij voorbarig, want hij luisterde slechts half en had het druk met het afwerken van de bestellingen.
Een jonge arbeider met een platte pet op, die naast ons tegen een tafeltje leunde, kwam bij ons staan. ‘Moeten jullie de grens over?’ vroeg hij zonder omwegen.
‘Is dat te zien?’ ontweek Reinier.
‘Het is zelfs te hooren!’ strafte hij ons af.
Ik vond ook dat de Franschen wat onbekookt te werk gingen en keek den man aan. Zoo in zijn werkplunje, met een fietstrui er over had hij wei- | |
| |
nig van den aanbrenger. Eerder van een naamloos arbeider, die uit ervaring oog voor andermans misère heeft. Hij legde meer belangstelling voor ons aan den dag, dan de handeldrijvende kastelein.
‘Ik zal jullie den weg wijzen,’ hervatte hij. ‘Het is heel eenvoudig. Jullie moeten wel vlug zijn, want ik ga naar huis.’
Korter en bondiger kon het niet. De man beviel ons en wij rekenden af. Wij keken elkaar aan en hadden geen wantrouwen. Hijzelf blijkbaar evenmin. Als hij er zoo op rekende aanstonds weer thuis te zijn moest het inderdaad niet veel bijzonders zijn. Wij stopten ons brood in den zak en gingen met hem naar buiten. Hij pakte zijn fiets bij het stuur en liep met ons op.
‘Ik breng U bij de Belgische douane!’ legde hij uit. ‘Hij geeft U aan een Franschen collega door. Er is niet veel gevaar bij!’
Geen zweem van praalzucht of dikdoenerij in den toon. Alleen maar geruststelling. Den weg dien wij aflegden zweeg hij of beantwoordde een enkele vraag. Hij informeerde niet vanwaar wij kwamen, noch naar onze plannen en voerde ons in de tegenovergestelde richting, de wij aanvankelijk gekozen hadden, toen wij de Feldgendarmerie bijna in de armen waren gekletst. Voorbij het stationsemplacement klopte hij op de deur van een loods.
Een dikke belgische douane, met roode koonen, een ijzeren bril op den neus kwam te voorschijn. Ook al een man die het kwaad in de wereld niet had uitgevonden.
| |
| |
‘Kun je deze jongens naar de andere kant brengen, Louis?’ vroeg onze gids.
Louis nam ons vriendelijk door zijn bril op en besloot:
‘Het zal wel gaan, mannen!’
Wij dankten onzen helper. Hij deed zijn beschermers aan de broekspijpen en reed weg op de fiets. Zijn bemiddeling had geen tien minuten geduurd. Louis ging de loods binnen, zette de pet op en deed de uniformjas aan. Zijn officialiteit straalde op ons af en wij waren zeer gerust.
Zoo'n zwijgzaam man als de onbekende helper zich getoond had, zoo'n kletskous was de douane Louis. Hij bracht ons op een smal weggetje langs een water, dat onder de spoorbaan doorliep. Ondertusschen praatte hij honderd uit over het goede weer, het moeilijke leven en de domme Duitschers. Wij waren het wel in alles met hem eens, maar keken toch met een bevreesd scheef oog naar een Duitsch soldaat, die op het spoorwegviaduct waar wij onderdoor moesten, heen en weer liep.
‘Hij doet niets!’ stelde Louis ons gerust. ‘Hij staat daar alleen maar voor de brug,’ weidde hij uit. ‘Als een Duitscher op een brug moet passen, dan past hij alleen maar op die brug.’
Wij liepen onder het viaduct en den Duitscher door en tot onze groote opluchting kreeg de douane Louis gelijk.
‘Niet dat wij van zooveel belang zijn!’ dacht ik bij mezelf: ‘maar op deze manier moeten zij den oorlog verliezen.’
Wij naderden het goederenstation van Jeumont.
| |
| |
Wij waren in Frankrijk. Louis gaf ons aan een Fransche collega over, die onze onaanzienlijke bagage geen blik waardig keurde. Het was de eerste Franschman, dien onze ontsnapte krijgsgevangenen sinds hun vlucht uit het kamp te zien kregen en zij vielen hem zoowat om den hals.
‘Voorzichtig vrienden!’ waarschuwde de man. ‘Als ge naar vrij Frankrijk wilt, is er nog alle kans om gepakt te worden, wanneer ge niet zwijgen kunt. Dit Frankrijk is niet, wat ge in '40 achterliet!’
Hij zette de domper op hun begrijpelijke uitgelatenheid en vergezelde ons naar Jeumont.
Ik was ontroerd toen wij in de vallende schemering Jeumont binnenkwamen. Het geklots van onze voetstappen op de houten spoorbrug, het getoeter en gesis van rangeerende treinen beneden ons, het ‘bonsoir’ van de passeerende douanen, het klonk mij allemaal feestelijk in de ooren. Even niet aan den oorlog en de Duitschers en onze hachelijke positie denken! Dit waren de vertrouwde, hobbelige keien, waarop wij liepen, tusschen oude vervuilde huizen en het waren fransche kinderstemmen die uit de deurportalen opklonken. Wat er ook boven ons hoofd hing, op dat moment genoot ik van die zangerige atmosfeer en misschien verhoogde het gevaar er de charme van. Had ik in wezen eigenlijk veel meer verlangd in die drie lange jaren van afwezigheid. Goed, de Duitschers waren hier, zooals zij overal waren, maar toch, het bleef Frankrijk.
| |
| |
Ik ontwaakte uit de mijmeringen, omdat Reinier en de Franschen beraadslaagden. Wij waren wel snel over de grens gekomen, maar omdat wij niet op den neringdoenden kastelein hadden gewacht, was de draad van de vastgestelde route ons ontglipt. Die moesten wij eerst weer zien aan te knoopen. Wij schoten een café-tabac binnen en bestelden een flesch goeden wijn om ons weerzien met Frankrijk op een waardige wijze te gedenken.
Wij installeerden ons breeduit, voelden ons in dien eenen dag met den hoestenden onderwijzer Delaunoy en den opgeschoten scholier Renaud al zeer verbonden. Wij hadden verderop in het café wel een Duitscher in burger opgemerkt, maar niets kon ons verhinderen op de vrijheid te drinken die ons aan het hart lag en waar wij ons een soort van pioniers van voelden. Langzamerhand gingen wij aangemoedigd door den goeden gang van het avontuur in een dergelijke rol gelooven. Natuurlijk, wij waren weerbare mannen en als het lukte de vrijheid te bereiken, konden wij helpen te verjagen wat ons hier dwars zat. Wij stootten de glazen aan. Zij hadden een goeden klank in deze oude café-tabac met de versleten rood leeren zittingen. Die Duitscher was trouwens te druk in gesprek met het vrouwspersoon, dat hij bij zich had.
De waardin die ons goed geluimd bijeen zag kwam een praatje bij ons maken. Neen, die Duitscher kon geen kwaad. Dat had hoofdzakelijk belangstelling voor een goed glas en voor vrouwen. Hij had al afgerekend en zou aanstonds wel weggaan. Dat wij ontsnapt waren, had zij al bij ons binnenkomen
| |
| |
gezien. Zij had een neef krijgsgevangen in Duitschland. Wij hadden geluk gehad. Sigaretten zonder tickets? Zooveel wij wilden.
Ze slofte weg en kwam met pakjes Gaulloise terug. Voor ieder twee en meteen in den zak en niet zeuren over betalen. Het was een plezier voor haar en als die Duitscher weg was kwam ze nog even praten. Nu moest ze omwasschen.
Wij voelden dat wij de sympathie mee hadden en dronken de flesch leeg. De Duitscher, het type aannemer, stond op en verdween met zijn buit uit het café.
Onze waardin kwam terug. Zij kende wel iemand in Jeumont, die raad met onze situatie wist. Als haar zuster kwam opdagen kon die ons er wel heenbrengen. Wij dronken nog een glas wijn en zagen den toestand rooskleurig in. Ik verstuurde de kaart aan één van Pam's adressen. Zonderlinge gewaarwording, in dit Fransche grenscafé te denken aan Holland, dat onherroepelijk van ons weggleed.
De zuster kwam, een magere vrouw in een wollen omslagdoek en wij stapten op onder de goedkeurende blikken van de tabakhoudster. Wij werden door Jeumont geleid en ik begon allerlei voortreffelijke kwaliteiten in het menschdom te ontdekken. De hoeveelste was dit al niet op dien eenen dag, die een paar armzalige zwervers van dienst was geweest. Ik werd zelfs zoo mild gestemd, dat ik er op dit moment niet aan dacht, dat die voortreffelijke kwaliteiten voortsproten uit het negatieve levensgevoel: af keer voor de anderen.
| |
| |
Wij kwamen op een breeden achterweg langs een spoorbaan. Daar zouden wij wachten tot de geleidster terugkwam, want zij moest ons eerst aankondigen. Wij bleven in gissingen achter. Zouden wij bij den man terechtkomen, die de lijn in handen had en hoe konden wij verder reizen?
In twee minuten stonden wij gevieren in het voorgedeelte van een grooten ijzerwinkel. De patroon bleek een groote forsche man, die de zaken streng en zakelijk aanpakte. De Franschen werden het eerst aan den tand gevoeld. Nummer van het regiment. Waar en wanneer zij gevangen waren genomen. Ik schrok. Wat zou ik op die technische vragen moeten antwoorden. Mijn pseudo-officierschap van O. & O. kon in deze omgeving alleen maar ridicuul klinken en mijn prentbriefkaarten-zending moest ik tegenover dezen ijzervreter, die kennelijk nog in den vorigen oorlog gediend had, maar heelemaal verzwijgen. Dat ik den ouden heer Léautaud op de Mercure de France in het Quartier Latin wilde opzoeken om een litterair praatje te maken, was bij dezen Moedigen ernst rondweg krankzinnig. Aan den heelen toon van dezen kolossalen man begreep ik dat er niets te spotten viel. Ik vestigde mijn geheele hoop op de krijgswetenschap van Reinier.
Het verhoor van de Franschen was afgeloopen.
De man verdween met ze naar achteren. Door de deur glipte een meisje van een jaar of vijf bij ons binnen en keek ons boos aan.
‘Jullie zijn geen Franschen,’ zei ze vinnig. ‘Jullie zijn Duitschers.’
| |
| |
‘Ook dat nog!’ dacht ik, onthutst over het onaangename, dat dit kind op dit toch al zoo loodzware moment teweegbracht.
Ik kreeg een inval en haalde een stuk chocolade uit mijn binnenzak. Maar het wantrouwen zat er bij het kind diep in.
‘Ik wil geen chocolade van Duitschers,’ zei het boos. Anders zouden wij het prachtig gevonden hebben. Op dit onzekere moment ondergingen wij het als een bittere krenking.
‘Smerige Duitschers!’ schold het kind. Wij waren nerveus en hadden het wicht wel een trap kunnen geven, maar zwegen.
‘Ik zal het woord wel voeren aanstonds!’ zei Reinier: ‘Rep maar niet van die O. & O. onzin.’
‘Smerige Duitschers!’ schold het kind, dat ons Hollandsch hoorde praten opnieuw.
Haar vader kwam terug. Hij pakte zijn dochter bij den arm en smeet haar achter de deur terug. Wij stonden tegenover dien donkeren man, die ons onvriendelijk aankeek.
‘Vertel maar hoe en waarom U hier komt.’
Reinier deed een kort en overzichtelijk relaas, zonder de dingen aan te dikken, doch ook zonder meer te zeggen dan hij kwijt wilde zijn. Ik werd als schrijver aangediend.
Ik lette op het gezicht van onzen ondervrager. Het bleef op onweer staan.
Hij liet Reinier uitspreken en wachtte even.
‘Het spijt mij,’ zei hij, ‘ik weet niets van U af. Deze lijn is voor mijn landgenooten en ik heb wat U betreft geen enkele opdracht.’
| |
| |
Er viel niets tegen in te brengen en ik besefte, dat wij gewantrouwd werden. Wij zouden dien tegenslag moeten nemen. Tegen wantrouwen valt niet te praten.
‘Ik dacht,’ zei Reinier nadrukkelijk, ‘dat onze landen samen in oorlog tegen een vijand zijn. Als U dat anders ziet zullen wij trachten alleen door Frankrijk te komen!’
Het was hoog spel, want waar moesten wij in dit gat een onderdak vinden om te beginnen. Ik zag dit Jeumont eensklaps heel wat minder vriendelijk dan bij aankomst.
De ijzerhandelaar had niets op Reiniers argument geantwoord.
‘Wacht nog even,’ zei hij en verdween weer naar achteren.
Wij bleven alleen. Reinier zag het somber in en de vermoeienis van den afgeloopen dag deed zich bij ons gelden. Wij liepen heen en weer in de ijzerkramerij.
‘Dat we voor spionnen worden aangezien!’ zei ik verontwaardigd.
‘Hij heeft gelijk!’ zei Reinier droog: ‘Ik zou niet anders doen in zijn positie!’
‘Het minste wat hij kan doen is dat hij ons een hotel wijst, dat niet vol met Duitschers zit,’ zei ik.
‘Of ons uit den weg ruimt, omdat wij al te veel weten!’ somberde Reinier.
Ik bleef staan. Daar had ik nog niet aan gedacht. In dit ijzerpaleis waren genoeg harde voorwerpen aanwezig voor die besogne.
| |
| |
‘Je denkt toch niet!’ begon ik, maar ik sprak het niet uit. Door zijn bondgenoot als een rat te worden doodgeslagen leek mij al te afschuwelijk.
‘Laten wij de beenen nemen,’ stelde ik kleintjes voor.
‘Neen,’ besliste Reinier, ‘dat staat gelijk met erkennen dat wij niet in orde zijn.’
We wachtten nog een poos, die mij eindeloos toescheen.
Toen de ijzervreter terugkwam keek hij nog even stroef.
‘Kom binnen,’ zei hij zonder verdere verklaring. ‘Jullie gaan mee.’
Wij volgden hem door een gang naar een groote verlichte ruimte. Delaunoy en Renaud zaten daar aan een ronde tafel te eten. In een hoek op stroo lag een man te slapen. Aan de bezorgde gezichten van onze reismakkers beseften wij, dat zij voor ons gepleit hadden en zij reikten ons met een veelzeggend gebaar het groote brood toe. De heerlijkste dingen, die ik in jaren niet had gezien stonden op de blanke houten tafel. Sardines en verschillende soorten kaas. Wij lepelden een bord soep uit een dampende marmite, dik van substantie en schonken wijn in. Onze ruwe gastheer zette een open blik thon naast ons neer, zonder een woord te zeggen. Wij vermeden een gesprek, al gaven wij ons moeite niet te laten merken, dat wij onaangenaam getroffen waren door het pijnlijke gesprek van daareven. Het was nu eenmaal oorlog en kleinzeerigheid was misplaatst. In deze verzamelplaats stond zijn hoofd in de eerste plaats op het spel.
| |
| |
Door aan te nemen, dat wij geen schurken waren en niet zouden doorslaan als wij gepakt werden, nam hij risico. Ik begon zelfs sympathie voor den man te krijgen. Stellig een harde, maar op zijn plaats. Ten slotte was een ijzerzaak geen litteraire salon. Dit niets zeggen, was mij liever dan een naderen uitleg of het meest welgekozen excuus. Als hij zou merken, dat hij geen verraders geholpen had en wij den mond konden houden, was het alleen maar goed voor het geval na ons nog anderen uit Holland kwamen.
Op 't oogenblik bukte hij zich over den man in het stroo en schudde hem wakker.
‘Kleed je aan mijn beste! Het is tijd om te gaan!’ Op zijn manier bleek dit groot bonk ruwaard ook nog zachtaardig. Wij schoten in onze spullen en wachtten op den vijfden man, die niet aanstonds op de aarde terug was. Door den gang en de nu donkere winkelruimte volgden wij den ijzerhandelaar den weg op langs de spoorbaan. Een paar honderd meter verder gingen wij door een geopend hek en werden aan de achterzijde van een loods neergezet. Een ijle nevel maakte het schaarsche blauwe licht van een afgeschermde booglantaarn nog bleeker. Overigens was het een prachtige herfstavond en boven ons hoofd was de sterrenhemel zichtbaar. De donkere gedaante van een goederenwagon viel op een korten afstand van onze loods duidelijk te onderscheiden. De ijzerhandelaar was verdwenen. Wij stonden op het rangeerterrein van Jeumont en ineens begreep ik
| |
| |
den samenhang. Wij hielden ons stijf tegen den wand van de loods aangedrukt en luisterden naar het gerommel van de rangeerende wagons die op elkaar botsten. Er werd een trein samengesteld en in een onderdeel daarvan verstopt zouden wij ongehinderd Frankrijk binnentrekken. Het begeleidende getoeter klonk ons als muziek in de ooren en met stijgende spanning wachtten wij af.
Ten slotte daagde een rangeerder op. Een na een werden wij weggehaald en achter het stootblok om in den stilstaanden goederenwagon geschoven. Nadat de laatste man er in was werd de deur gegrendeld. Wij waren zoo onder den indruk van het gebeuren, dat het eenige tijd duurde voor wij ons fluisterend met elkaar durfden te onderhouden.
Een wagon botste tegen den onze aan. Wij hoorden de koppeling dichtvallen. Wiegelend en onzeker begon de wagon te rijden. Tot wij weer tegen een ander aanvielen. Zeker een half uur werden wij zoo heen en weer geschud, reden een stuk en stonden dan weer stil. Toen dit horten en stooten plaats maakte voor een langzaam en regelmatig voortrollen waar allengs meer vaart in kwam, beseften wij dat wij onderweg waren en staken een sigaret op.
‘Onze bullebak heeft zijn dingen goed voor elkaar, maar hij had ons wel een bos stroo mee kunnen geven!’ zei Reinier, terwijl hij met zijn zaklantaarn den wagon tevergeefs naar iets milds afzocht. De vijfde metgezel, een boer uit de Languedoc, had zich van dit gebrek niets aangetrok- | |
| |
ken. Opgerold in een hoek snurkte hij al weer en leek niet van plan die bezigheid op te geven voor de trein op zijn bestemming aankwam. De jonge Renaud volgde weldra zijn voorbeeld. Maar de onderwijzer Delaunoy, Reinier en ik konden op den harden vloer den slaap niet vatten.
‘Wat een gekkenhuis!’ verzuchtte Delaunoy: ‘dat men als een dief in den nacht door zijn eigen land moet sluipen, als een beest in den beestenwagen!’
Wij voelden, dat hij zijn teleurstelling uitte over den toestand, waarin hij Frankrijk aantrof na zijn terugkeer. Dat had hij zich heel anders in zijn gevangenschap voorgesteld. Hij kon zelfs niet naar zijn vrouw en kind bij Calais terugkeer en. Wel hoopte hij, dat hij hen naar onbezet Frankrijk kon krijgen. Zijn hoest leek mij zoo onheilspellend, dat het mij raadzamer toescheen wanneer hij eerst eens een tijd tot rust kwam en goed at, voor hij aan die onderneming begon. Maar rust in dezen tijd, waar moest men die vandaan halen?
Wij luisterden naar het regelmatige gebonk van de wielen op de rails. Hoe had dat geluid mij vroeger geboeid als ik met den nachttrein naar Parijs reisde. Hoe ongeduldig had ik de namen van de stations in Noord-Frankrijk hooren afroepen bij het stilstaan: ‘Feignies, St. Quentin, Aulnoye, Rueil.’ Van mijn hoekplaats vandaan had ik reikhalzend uitgekeken naar de lichten van de voorstad St.-Denis.
Nu was het eenige perspectief het donkere zwarte gat van dezen goederenwagon, waarin onze bran- | |
| |
dende sigaretten de schamele lichtpunten vormden. Toen had ik dikwijls gevloekt op de oververwarmde benauwde coupé's en was blij geweest, bij het stilstaan op de stations even de beenen te kunnen strekken. Nu huiverden wij in onze jassen, opgesloten in deze tochtige ruimte, waarin door reten en kieren de koude nacht van het open Noord-Frankrijk neerstreek.
En toch, al zouden wij in een uitgedoofde lichtstad aankomen, de hoop was niet in onze harten gestorven. Alles bijeen was er geen reden ondankbaar te zijn jegens het lot. Na de pijnlijke spanning in Jeumont was het weer meegeloopen. En al werd het in dezen harden wagon kouder en kouder, toch viel dit ongemakkelijke verblijf verre te verkiezen boven den personentrein op dit traject met het voortdurende risico van contrôle door de bezetters of hun helpers.
Luisterend naar het stooten van de wielen op de rails, waar de boer uit de Languedoc regelmatig tusschen door snurkte, voelde ik diep in me, een grimmige vreugde. Ik besefte dat deze duistere rit mij scherper bij zou blijven dan welke comfortabele reis ooit te voren. In het donker voelde ik aan mijzelf of ik het wel was, het luie en indolente individu, dat er altijd zoo'n uitgebreid arsenaal van uitvluchten op nagehouden had, die op dit moment werkelijk in den goederenwagon verblijf hield en het nog plezierig vond op den koop toe.
Zou de actie in dit leven dan toch niet zoo overbodig en minderwaardig zijn, als ik haar van een caféstoel vandaan, kijkend naar de bewegende en
| |
| |
bezige buitenwereld bij voorkeur beoordeeld had. Stel je voor, als ik door dit avontuur dat op zoo'n zonderlinge wijze bezig was zich aan mij te voltrekken, eens een geheel ander mensch werd. Zoo een die handelde en optrad en practische zetten verrichtte, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. In plaats van de schouders op te halen en zich maar te laten schuiven, omdat het dierbare recht van de verachting daar het meest bij intact blijft.
Maar, al zou ik dit gedoe, waar ik nu in verwikkeld was, later toch wel weer ijdel en in wezen tevergeefs vinden, was het onder de gegeven omstandigheden niet minder beschamend ongelijk te krijgen, dan dit ongelijk nooit eens een royale kans te geven? Altijd stilzitten met den neus in de boeken en zijn gedachten met die van anderen vergelijken, wordt op den duur ook een vervelende aangelegenheid. Trouwens, als ik dit overleefde, zou er zeker ergens op den aardbodem wel weer een rustig café te vinden zijn om over het wezen van deze vermoeienis na te denken. Wie er nu eigenlijk het lijdend voorwerp was geweest, de oorlog of ik?
Bij dit gepeins in de koude werd ik gestoord door gebons op den wand van den wagon. De deur werd ontgrendeld en opengeschoven. Een man stapte binnen en liet de lantaarn die hij bij zich had over ons heen schijnen. De trein reed nog en volgens mijn schatting konden wij er ook nog niet zijn.
‘Als jullie het koud hebben, komt je warmen bij de kachel, twee wagons naar voren.’
| |
| |
Het was de begeleider van den trein, die ons dit voorstel deed. Een vriend in de duisternis. Reinier, Delaunoy en ik, die tevergeefs getracht hadden in slaap te komen, stonden op, stijf van den harden grond. De andere twee sliepen vast.
Dicht achter elkaar schoven wij langs de treeplank, hielden ons vast aan stangen en knoppen en bereikten over een bumper het hok van den begeleider. Een kantoortje van ruwhouten planken, afgeschoten in het achterste deel van een goederenwagon. Een lantaren verspreidde er een helder licht. Op een roodgloeiend kacheltje pruttelde een koffiepot.
De man schoof een bank bij en wij warmden ons bij het kacheltje. Beurtelings liet hij ons koffie drinken uit zijn emaille kroes. Wij voelden ons rijk, onzegbaar rijk. Veel rijker dan de heer Barnabooth zich ooit gevoeld kan hebben toen hij zingend door de gangen van de Harmonika Express liep, tusschen Weenen en Budapest, langs de gelakte deuren met de koperen sloten van de slaapwagens van zijn medemillionairs, waarvan zijn beroemde ode gewaagt.
Wij lieten sigaretten rondgaan en deden den spoorman het relaas van onze tocht. Op zijn beurt toonde hij ons in zijn papieren op een tafeltje de samenstelling van den trein. Twee en veertig wagons, waarvan veertig voor de Duitschers liepen en twee voor Frankrijk, de onze niet meegeteld.
Wij zouden aankomen op het goederenstation van Le Bourget. Of daar iemand zou staan om ons verder door te brengen, wist hij niet. In ieder geval
| |
| |
waren wij daar dicht bij Parijs en als wij bij Vierzon over de demarcatielijn wilden, moesten wij van het Gare d'Austerlitz verder trekken. Indien wij bijtijds op den namiddagtrein letten en met het treinpersoneel praatten, viel er misschien wel weer in een goederenwagon te reizen. Of die trein ook doorreed tot in onbezet Frankrijk kon hij ons niet vertellen.
Het was een rustige, bedaarde man, die ons niet meer wilde vertellen dan hij zelf wist. Wel raadde hij ons aan, niet te lang rond te hangen in Parijs, waar een hoop slecht volk bij den weg liep. Nu konden we beter naar den wagon terug, want we naderden Le Bourget. Als bij aankomst alles veilig was, zou hij ons waarschuwen. Wij enterden den weg terug en maakten Renaud en den boer uit Languedoc wakker. Het bleek een norsch heerschap. Hij toonde niet de geringste behoefte zich bij ons aan te sluiten. Hij zou zichzelf wel redden en was van plan de demarcatielijn in de buurt van Angoulême over te steken.
Amper stonden we op de keien van het goederenstation van Le Bourget of hij verdween in den nog donkeren ochtend. De treinbegeleider had niemand voor ons kunnen ontdekken. Wij namen afscheid van hem en staken over naar het buurtspoorstation. Over een half uur zouden wij in Parijs zijn. Al moesten wij het nu zelf verder uitvinden, ik was daar niet ontevreden over. Hoe kort dan ook, het stond mij wel aan in Parijs even eigen baas te zijn.
Tusschen het volk van de voorsteden, dat zich naar
| |
| |
het werk begaf, konden wij op het nauwelijks verlichte station onmogelijk opvallen. De paar Pétaingendarmen die op het platform met elkaar stonden te praten toonden zich niet bijster actief. In een prop vollen trein, waarvan zelfs de treeplanken bezet waren, bereikten wij het Gare du Nord. Het zag er alleen wat armelijker en haveloozer uit dan vroeger. Wij bespeurden bij den metro-ingang nogal veel politie en besloten Parijs een stuk in te trekken en bij een andere halte op te stappen.
|
|