| |
| |
| |
V
De afspraak met den heer Bouman, het hoofd van de C.C.D. in Limburg luidde, dat wij ons den 8en October 's avonds om acht uur in het café Kaars bij de kruising van den hoofdweg en de Zuid-Willemsvaart in Weert zouden bevinden. Met zoo weinig mogelijk bagage.
Aan die voorwaarde voldeden wij. Reinier had zijn reisbenoodigdheden in een minuscuul lederen koffertje samengeperst. Ik droeg een oude actetasch onder den arm. Behalve een verschooning en een pak brood, maakten de gedichten van Tristan Corbière en ‘Passe-Temps’ van Léautaud daar de geheele inventaris van uit. Het kwam mij raadzaam voor eenige wezenlijke lectuur bij mij te hebben voor het geval van nood.
Met die luttele zaken waren wij op het staatsspoorwegstation van Den Haag in den trein gestapt. Wij hadden ons in een hoekplaats genesteld en reisden over Utrecht en Eindhoven naar Weert. Niets bijzonders deed zich voor. Behalve van den conducteur, kwam er geen contrôle in de coupé.
Van tijd tot tijd wisselden wij onbenullige opmerkingen, gaapten achter gelijkgeschakelde kranten, staken een sigaret aan of keken uit het venster over het herfstige landschap. In niets weken wij af van
| |
| |
de verveelde voorzichtigheid van het treinverkeer in die dagen. In werkelijkheid dachten wij met een ondertoon van melancholie aan de wereld die wij achterlieten, vrienden en geliefden die van ons weggleden. Onderweg stapten reizigers in en uit. Geen moment gaf hun blik te kennen dat zij iets van onze plannen bevroedden. Op onze beurt stapten wij uit op het lange winderige station van Weert. Wij hadden een zee van tijd voor den boeg. In een van de vele banketbakkerijen annex lunchroom, die dat trieste nest rijk is streken wij neer. Langzaam verorberden wij een aantal vlaaien, die de kenmerken van den voortschrijdenden oorlog vertoonden.
In den vroegen avond schutterden wij langs de asphaltwegen van mistroostige buitenwijken. Bij een werkman, die aan een onwillige handkar prutste, vischten wij uit waar het café Kaars zich bevond en installeerden ons heel mak en stil in een hoek van dat etablissement ver van de tapkast. Een kleine norsche kastelein bracht ons een kop ondrinkbare koffie. Op verzoek om eenig warm eten, verklaarde hij kortaf dat zooiets bij hem niet plaats vond. Uit arrenmoede bestelden wij bier, dat ons zwijgend werd voorgezet en vulden ons met tabaksrook. Een maaltijd had onze, door het rondslenteren in dit vage oord, wat gedrukte stemming kunnen opheffen en onze onzekerheid kunnen bezweren. Hartgrondig vervloekte ik vriend Stapels, door wiens toedoen mijn eten er den vorigen dag bij ingeschoten was. De mondvoorraad die
| |
| |
wij hadden, wilden wij sparen. Wij wisten niet wat ons in België te wachten stond, al hadden wij belgisch geld op zak.
Wij dachten aan velerlei, en spraken weinig. Nu en dan keken wij naar de klok of namen een teug van het bier. De kastelein zat achter de tapkast, den rug naar ons toegekeerd. Niet ostentatief, onverschillig. Het was over tijd en wij werden door een lichte onrust aangetast. Niet dat wij ons in het café vergisten. Met behulp van Reiniers zaklantaarn hadden wij den naam op de voordeur gelezen. Als wij in een valstrik liepen! Wij wisten dat zooiets dagelijks gebeurde. Wanneer die krijgsgevangenlijn slechts voorwendsel was, om lieden die in het nauw zaten, te verraden. Of Reinier militaire geheimen in zijn hoofd of in zijn schoenzolen had, wist ik niet. Ik had ze zeer zeker niet. Men kon duizend gulden den man aan ons rijker worden. Het was geen bedrag, doch een leven was op 't moment niet veel waard. De klok wees half negen.
Dat Pam, die nooit overijld te werk ging ons in een avontuur stortte, dat reeds in den aanvang niet in orde zou zijn, leek mij uitgesloten. Wel waren wij twee weken geleden voor niets naar Eindhoven getrokken. Toen klopte in België iets niet. Bij die gelegenheid hadden wij Bouman zelf gezien en een goeden indruk van hem gekregen. Ik nam Reinier op, die met dit wachten ook allesbehalve ingenomen scheen.
‘Je weet zeker, dat de afspraak acht uur was?’ vroeg hij gedempt.
| |
| |
‘Ze kunnen opgehouden zijn,’ antwoordde ik, mijn eigen onzekerheid bezwerend.
Met een oude baskische pet op en een verschoten jas aan had Reinier weinig van den kunsthandelaar, die behoedzaam over het parket van de zaak aan de hoofdstraat van Amsterdam liep. In ieder geval stak hij zoo minder af bij mijn gewone slordigheid. De laatste maand had hij ondergedoken gezeten vanwege een affaire waarover hij zeer zwijgzaam was. Maar hij is van nature zwijgzaam en dit was zeker niet het moment voor confidenties. Nu wij zoo dicht voor het ongewisse stonden vond ik het vreemd, dat ik eigenlijk niets van zijn beweegredenen voor dezen tocht wist.
Misschien waren het toch militaire geheimen. Hij was vroeger met nogal veel overtuiging officier geweest. Dat vak had mij nimmer geïnteresseerd en dus hadden wij daar nooit over gesproken. Wel had hij een paar schampere verhalen over onze paar dagen oorlog verteld en wist ik dat hij iets met de O.D. uit te staan had. Ten slotte ging het mij heelemaal niet aan. Wist ik zelf wel precies waarom het ging. In de Tristan Corbière had ik de nummers van de pagina's aangestreept, aan welke adrescijfers ik de kaarten zou sturen. De persoons- en straatnamen daarbij kende ik uit het hoofd. Cijfers had ik nooit kunnen onthouden. Maar die opdracht ging in wezen buiten mijzelf om. Voor mij was de hoofdzaak om van lucht en atmosfeer te veranderen.
Reinier had gevloekt toen wij twee weken geleden naar Den Haag terug moesten. Ik had dat ook al
| |
| |
lang weer goedgevonden. Hij had dus kennelijk meer haast dan ik en daarom hoopte ik dat het nu maar doorging.
Wij bestelden opnieuw bier om den kastelein weer eens op te nemen. Maar noch zijn ‘Alstublieft’ bij het neerzetten, noch zijn effen gezicht daarbij drukte iets uit, wat eenig houvast kon geven aan de mogelijke oorzaak van ons wachten. Al was dit ons liever dan een spraakzame nieuwsgierigheid in het overigens zeer stille café, het bood geen enkele kans tot het stellen van vragen. Wij staken nog een sigaret op, zagen de wijzers van de klok negen uur voorbijschuiven en voelden ons voortdurend meer opgelaten. Waar moesten wij den nacht doorbrengen als er niemand kwam. Bij dezen onherbergzamen kastelein ging dat vanzelfsprekend evenmin als eten. Een hotel in een grensplaats als Weert, vol weermacht, was een hachelijke onderneming. De rimpels in Reinier's voorhoofd werden dieper en het bier bracht mij geen uitkomst.
Ver over half tien remde een auto buiten op straat af. Wij keken elkaar hoopvol aan. Wij hoorden een portier dichtklappen en veerden op. De cafédeur ging open en binnen trad de heer Bouman, het bovenlichaam op krukken torsend, terwijl de lamme beenen meesleepten. Achter hem een donkere jonge man, waarschijnlijk een assistent, solied van lichaamsbouw. De kastelein ontwaakte uit zijn lethargie en ging stralend op de binnenkomers af. Oogenblikkelijk beseften wij dat er wel iets van mee op ons zou afstralen. Met een voorkomend- | |
| |
heid, waarmee men geziene gasten ontvangt werd de C.C.D.-hoofdman begroet.
‘Ah, Mijnheer Bouman, een plezier U weer eens te zien!’
Vervolgens kwamen wij uit onzen hoek te voorschijn en maakten onze opwachting. Een zijvertrek werd door den kastelein, die nu toonde zelfs te kunnen lachen en bovendien een verrassende activiteit ontplooide, open geschoven en wij installeerden ons aan een lange tafel.
‘Als ik geweten had, dat de heeren op U wachtten!’ klaagde de kastelein, ‘ze hebben niets gezegd!’
‘Dat hoefde ook niet!’ weerde de heer Bouman af. ‘Maakt U iets goeds voor ze klaar. Onze vrienden hebben lang genoeg gewacht. Zij kunnen stellig iets stevigs gebruiken.’
Hij was door onderhandelingen met de bezetters opgehouden en had zich daar niet eerder aan kunnen onttrekken. Binnen tien minuten stonden er dampende schotels met groote stukken vleesch voor ons op tafel. Ik behoefde niet langer over den verongelukten kabeljauw van den vorigen avond te treuren. Wij vielen aan, kregen de laatste wenken, wat te doen en na te laten. Als de auto op weg naar de grens werd aangehouden, waren wij hulpcontroleurs, die hielpen zoeken naar een partij clandestien geslachte varkens. Pas in België zouden wij aan een groep fransche krijgsgevangenen gekoppeld worden.
Terwijl wij aten sloeg ik den heer Bouman gade. Een scherp, bleek gelaat, sluik blond haar boven
| |
| |
een hoog voorhoofd, harde blauwe oogen en een mond gewend aan commandeeren, niet aan zeuren. Geenszins de gemoedelijke katholieke Zuiderling, zooals wij ons in het Noorden voorstellen. Ik geraakte zeer onder den ban van dien zelfbewusten man, die bij het spreken eerder den indruk wekte over hindernissen te vliegen, dan er lamme beenen op na te houden.
‘Goed begrepen?’ vroeg hij, alsof het een eenvoudige aardijkskundeles betrof.
‘Alles!’ zei Reinier kortaf. Het leek mij toe, dat hij er ook erg stoer en vastberaden uitzag. Ik knikte slechts. Ik had niet nauwkeurig geluisterd.
Zoo juist bij het eten had ik mij nog bijzonder flink gevoeld en een paar glazen bier besteld. Het verschrikkelijke leek mij nog op een heelen afstand. Maar nu wij opstonden, onze bagage pakten en de heer Bouman, wiens krukken op de houten cafévloer tikten, naar de deur volgden, zakte die flinkheid aanmerkelijk. Het onherroepelijke stond voor mij in het zwarte gat van den avond. Veel liever was ik bij dezen kastelein, die vriendelijk was bijgedraaid, gebleven en had nog wat bier gedronken.
Wij namen in de auto plaats. De heer Bouman met zijn lamme beenen achter het stuur. De jonge assistent naast hem. Reinier en ik achterin. Mijn goede beenen bibberden.
‘Op Uw plaats, heeren,’ zei de heer Bouman opgewekt, terwijl hij de auto in beweging zette, ‘zat vanmiddag nog de Oberbefehlshaber van Limburg.’
| |
| |
Ik zag de mop er heelemaal niet van in en voelde mij allerminst gevleid door dien sinisteren voorganger. Ik kon geen woord uitbrengen. Gelukkig hield Reinier het gesprek gaande. ‘Zou er iets waars in zijn,’ dacht ik bij mezelf, ‘dat Joden banger zijn dan andere menschen?’
In snelle vaart reed de auto een steenweg op.
‘Waarom rijdt die man zoo hard?’ dacht ik wrevelig, ‘is er zoo'n haast bij, ons voor de wolven te gooien?’
Ik keek opzij naar Reinier. Die zat er bij of alles erg goed en heel normaal was.
Een bittere spijt greep mij in de voortsnellende automobiel naar de keel. Altijd had ik mij in dit leven bij een beperkte inzet gehouden. Nu stak ik ineens mijn heele en eenige hoofd in den strop. Tot dusver was ik er steeds doorgerold. Waarom moest ik mij deze tour de force aanhalen en voor proefkonijn spelen? Al waren die afschuwlijke Duitschers hier, er was nog zooveel liefs in het leven. Nog eergisteren had ik met een allerliefst meisje in de herfstzon op een terrasje gezeten en aan geen oorlog gedacht. Waarom moest ik nu juist met mijn spreekwoordelijke onhandigheid voor held gaan spelen. In plaats van zelfkennis te betrachten, suisde ik hier als een figuur uit een detective-verhaal in een inderdaad donkere nacht op de grens af. In het noorden van het land liep bovendien het gerucht dat de grens onder stroom stond. Hoe moest ik het in hemelsnaam klaarspelen.
Ik zag kans een schok te krijgen bij het indraaien van een nieuwe lamp. Gesteld die grensoperatie
| |
| |
viel mee, na deze grens kwam weer een grens. En daarna nog een. En dan weer een. En dan de moeilijkste van allemaal, met hooge bergen, die ik tot dusver nog alleen maar vanuit een trein had gezien. En onderweg overal dikke vlijtige kerels met groote geweren, die korte metten maakten en er op loerden ons als een konijn in de achterste te schieten. Wat was ik begonnen. Die verschrikkelijke goed georganiseerde overmacht had ik tot dusver domweg genegeerd. Nu ik haar naderbij voelde komen besefte ik pas voor den eersten keer, dat het iets geheel anders ging worden, dan de zoete droom van de wandeling door het Quartier Latin en het snuffelen in boekenwinkels, waaraan ik mij zoo graag had overgegeven.
‘Misschien,’ troostte ik mijzelf, ‘worden echte helden alleen maar gerecruteerd uit lieden, die er geen droomen op na houden.’
Bij een wegkruising schoten wij langs twee marechaussees, die naast hun fiets bleven staan, zonder een hand op te heffen. De heer Bouman zag er trouwens niet naar uit om zich te laten aanhouden. Het passeeren van dat eerste gevaar kalmeerde mij. Ik voelde niet langer de neiging, die in het begin van de rit bij mij opkwam toen ik het liefst ‘Ik moet er uit!’ wilde schreeuwen, wanneer dat niet zoo pijnlijk gedetoneerd had tegenover de bedaardheid van deze mannen. Die blijkbaar precies van zichzelf wisten waar zij aan toe waren en dat zij dit en niets anders wilden.
‘Wij naderen de grens!’ zei de heer Bouman en minderde vaart. ‘Wij stoppen bij de volgende
| |
| |
boerderij!’ Het was hoog tijd, dat ik de kalmte terugvond. Ik begreep dat er daden stonden te gebeuren en ik mocht de zaak niet in de war sturen.
Een paar honderd meter verder zwenkte de auto scherp links af en sukkelde een zandpad op.
De auto stopte en wij stapten uit. Aanvankelijk zag ik heelemaal niets, doch was erg blij weer op begane grond te staan. Ik deed een paar passen om de ledematen te strekken en snoof de frissche buitenlucht op. Wij stonden voor een donker gebouwencomplex. De assistent van den heer Bouman klopte op een deur. Er ging een staldeur open en in een streep licht kwam een lange boer naar buiten, gevolgd door een knecht.
‘Dat zijn ze dus,’ was alles wat hij zei.
Ik kon niet zien of het hem mee of tegenviel. In ieder geval was het een man van weinig woorden. Reinier en ik werden in een kamer van de boerderij gelaten. Er stond een ouderwetsch ijzeren ledikant opgemaakt met een gehaakte sprei. Ik keek er met een bedroefd verlangen naar, want voor mijn gevoel, was er voor dien avond wel genoeg gedaan. Maar ik dorst dat niet tegen Reinier te zeggen. Zijn gezicht stond daar veel te ernstig voor en bovendien begreep ik dat wij gebruik moesten maken van de duisternis.
Wij stonden zwijgend in dat vertrek tot de boer ons met zijn knecht kwam halen. Voor zijn auto bij de staldeur leunde de heer Bouman op zijn krukken, naast zijn metgezel. Wij namen afscheid en ik was zeer ontroerd toen ik hen dankte en de handen drukte. De heer Bouman sprak nog iets.
| |
| |
Het had daar in dat halfduister nabij het nachtelijk uur iets onbedoeld plechtigs. Ten slotte riep hij met eenige stemverheffing: ‘Leve het vaderland, Oranje Boven.’
Ik kon het van dien man, onder die omstandigheden eensklaps wel hebben en nog voor ik het wist had ik ‘Oranje Boven’ teruggeroepen. Het klonk mij wel wat vreemd in de ooren, maar het was mij toch zonder eenige huichelarij uit de keel gekomen. Later is Reinier nog dikwijls in den lach geschoten, wanneer wij dat moment van den tocht recapituleerden. De heer Bouman veronderstelde in mij een officier, zij het dan van ‘O. & O.’. Er was voor mij geen reden om op het laatste moment twijfel aan die veronderstelling te wekken en in mijn verbouwereerdheid had ik nog wel veel gekkere dingen willen roepen.
Wij zouden hem nooit weerzien. Tezamen met zijn broer werd hij bij de Meistaking van '43 in Limburg gefusilleerd. Ik ben al blij dat hij nooit vermoed heeft welk een onzekere twijfelaar hij in dien herfstnacht in zijn auto naar de grens bracht.
De auto draaide en verdween in de duisternis. Door het laatste stuk Nederland begonnen wij de wandeling achter den boer en zijn knecht. Met groote maaiende passen schreden zij zonder op of omkijken door akkers en velden. Wij volgden hen op den voet. In hoogstens tien minuten kwamen wij voor een sloot te staan en maakten halt. De knecht stak een stallantaarn aan. Hij zwaaide hem eenige malen heen en weer en doofde hem vervolgens.
| |
| |
‘Dit is de grens!’ zei de boer. ‘België is aan de andere kant. De man die U verder brengt komt dadelijk.’
Wij tuurden naar de overzijde, waar een verlaten hut achter een boompartij en wat struikgewas lag. Ik had mij van een grens een heel andere voorstelling gemaakt. Er was geen enkele electrische draad te bespeuren, waarin die verraderlijke stroom moest zitten. Geen Duitscher en geen geweer te bekennen. De kalmte van onze begeleiders gaf niet de minste aanleiding te veronderstellen, dat zij in de buurt zouden zijn. Het viel alles heel erg mee. Het eenige indrukwekkende was eigenlijk de volkomen stilte bij dit nachtelijke tafereel.
Het geluid van brekende twijgen kondigde de komst van iemand aan. Het naderde en weldra zagen wij tegenover ons een gedaante, die ons toeriep:
‘Alles veilig. Komt er maar over!’
Wij stapten eerst over een greppeltje, waarop een strook lager land volgde van nog geen meter. Er viel geen aanloop te nemen, maar de eigenlijke sloot was hoogstens anderhalve meter. Reinier zweefde er keurig overheen, zijn koffertje in de hand. Ik gooide mijn actetasch veiligheidshalve naar de overzijde om niet met armen of beenen in de war te raken en zette af. Maar ik ben niet zoo'n woudlooper en had niet gezien, dat ik op een drassig stuk afzette. Mijn rechtervoet haalde de overzijde, doch het linkerbeen verdween in de sloot. Ik trok het ijlings België binnen. ‘Geen best begin als ik nog heelemaal naar Engeland moet!’ dacht ik
| |
| |
beschaamd over de onhandigheid. Maar niemand had er acht op geslagen en wij wuifden vaarwel naar de landgenooten achter ons.
Met onzen Belg spraken wij af, dat wij hem op een afstand zouden volgen. Na de verlaten hut bij de sloot belandden wij in een heideachtig veld. Langzamerhand raakten wij aan de duisternis gewend en zij scheen ons ook niet langer zoo donker toe. Nu en dan lieten de wolken wat maanlicht door, wat het volgen vergemakkelijkte. Soms stopte onze leidsman, luisterde en tuurde voor zich uit. Dan bukten wij ons achter een struik en kwamen pas in beweging als hij wenkte en doorliep. Het natte been vergat ik spoedig bij die manoeuvres.
Het herinnerde mij aan een indianenspel, dat ik in mijn jeugd met vriendjes op de heide bij Bussum had gespeeld. Dat spel was nu van een afschuwlijke ernst geworden. Onze stokkende adem bij vermeend gevaar en onze bezorgde gezichten lieten daaromtrent geen twijfel.
‘Deze oorlog,’ dacht ik, ‘maakt ons allemaal weer twaalf jaar. Al dat gedoe om cultuur en menschelijke waardigheid in vredestijd. Welk een scherts achteraf, dat beschermd domein. Nu de nood aan den man is, zijn wij nog steeds niet verder dan de primitieven van Karl May. Het gaat alleen maar om het veege lijf. Wat zijn wij daaraan gehecht wanneer wij er deze capriolen voor uithalen.’
Zoo sloopen wij ingespannen verder. Het eenige geluid dat wij hoorden, kwam van de dorre bla- | |
| |
deren die wij op den grond vertrapten en van brekende takken. Tot opeens het geblaf van een hond in de verte aankondigde, dat wij in een bewoonde wereld rondwaarden. Wij vervloekten dien hond. In een oogwenk maakte hij alle honden rondom aan het blaffen. Het leek mij toe of onze Belg nog meer op zijn hoede werd, in een groote boog om het geblaf, dat afwisselend verstomde en dan weer opklonk, heentrok en paden en wegen vermeed.
Het indianenspel, hoe infantiel het mocht zijn, kreeg ons te pakken. Wel hoopten wij vurig dat de vijand voor wien dit schichtige gesluip bedoeld was geheel en al onzichtbaar zou blijven. Toen hij zich na een half uur van schijnbewegingen en verdertrekken onzerzijds, inderdaad aan de rol van onverschilligen tegenstander hield, begon ik vrijer adem te halen.
‘Het is wel dwaas waar we mee bezig zijn,’ zei ik tegen Reinier, ‘maar niet onplezierig.’
‘We zijn er nog niet,’ was alles wat hij antwoordde en hij bleef zorgvuldig op onzen verkenner letten. Hij had kennelijk geen lust in philosopische beschouwingen.
De laatste jaren hadden mijn wandelingen zich voornamelijk tot het gebaande asphalt van groote steden bepaald, van caféterras tot caféterras. Ik was niet zoo'n verschrikkelijke natuurliefhebber. De zee, dat was iets anders. Maar zouden wij daar nog urenlang hunkerend naar staren als wij er op konden loopen? Bosch en heide hadden mij na de kinderjaren altijd bedrukt. Wanneer ik daar een enkelen keer verzeilde was het hoogstens om de
| |
| |
stad en de conflicten die ik daarin had verzameld nog dieper en heviger te beleven.
Dit vreemde avontuur bleef allerlei jeugdassociaties wakker roepen. Ik vond ze langzamerhand niet zoo beschamend meer en geraakte eerder dankbaar gestemd jegens de natuur, die ons zoo zwijgend onder den wijden hemel verborg. Zij leek mij vol van een veel te lang verwaarloosde bekoring. Ongetwijfeld had ik haar in dit bestaan te kort gedaan. Eigenlijk was ik beschaamd, door datgene wat ik haatte en verfoeide, gedwongen te worden een kant van mijzelf te herontdekken, die ik vergeten waande. En zooals altijd als men in den piepzak zit, nam ik mij voor, als ik den oorlog mocht overleven, dat onrecht te herstellen.
Plotseling wenkte de Belg. Wij kwamen naderbij en stonden aan den rand van een bestraten weg. Hij legde ons uit, dat wij dit rechte traject een vijf minuten moesten volgen. Op dit uur zou er vermoedelijk geen patrouille passeeren.
Die rechte donkere weg, waar hoog geboomte het uitzicht op den hemel belemmerde, vond ik het griezeligste deel van de tocht. Zoo'n weg was voor menschelijk verkeer gemaakt. Daaraan had ik op 't moment, behalve met hen die ons den weg wezen, geen behoefte. Opgelucht trokken wij opnieuw het vrije veld in. Wij zigzagden nog eenigen tijd langs struiken en geboomte van een oneffen terrein. Aan het geblaf van de honden waren we gewend, en het joeg ons geen vrees meer aan. Eindelijk stonden wij op het erf van een boerderij, die onze Belg de zijne noemde.
| |
| |
Na den sluiptocht door de duisternis knipperden wij met de oogen toen wij binnentraden in een royale Belgische woonkeuken, die blonk van welvarendheid. Dit was de samenleving weer, zooals men haar graag ziet, de veilige. Waar men een stoel voor U aanschuift met het oude gebaar, dat zwijgend uitdrukt: ‘Gaat zitten vreemdeling, Uw zorgen zijn de onze!’ Onze begeleider deponeerde zijn pet op het buffet. Wij hadden hem nog niet goed gezien. In het licht bleek hij een pienter mannetje, met korte haarstoppels op een rood hoofd. Zijn gade droeg dampende koppen koffie aan met belegde broodjes.
Wij zetten ons aan de tafel. Een huisvriend, een oud-soldaat, die er geen geheim van maakte het stroopersvak uit te oefenen, luchtte zijn booze grollen aan het adres van de bezetters. Zijn kwaadaardigheid zou voldoende zijn geweest een geheele divisie van hen te verpletteren. Als lieden die zoo juist den vuurproef doorstonden, voelden wij dat wij recht van meespreken hadden en wij voegden onze grieven aan zijn opstandigheid toe. In die oude soldatenjas, leunend op zijn jachtgeweer, leek hij mij de ideale man voor het plaatselijk maquis. Het boertje zelf, dat met onze tocht een waarschijnlijk regelmatige taak verrichtte, zweeg bescheiden. Zooals wij daar zaten, zonder verder iets van elkaar af te weten, wisten wij toch, dat het gemeenzame ons bijeen had gebracht.
Wij slurpten de heete koffie naar binnen, knabbelden de broodjes met ham op en voelden ons verteederd. Heel wat betere menschen dan de Duit- | |
| |
schers, die het zeker zouden verliezen, zoolang er nog lieden als wij rondliepen. Alleen wisten wij niet wanneer en daardoor stokte het gesprek. De boerin vulde die lacune aan door triomfantelijk een ongekend groote spekpannekoek voor ons neer te zetten. Ik haalde mijn zorgvuldigste complimenten te voorschijn. Tot lichte ergernis van Reinier die alles wat vreemde menschen voor hem doen, moeilijk te aanvaarden vindt. Maar mijn geheele leven hangt van bezoeken aan vreemde menschen aan elkaar en zijn critische blik was niet in staat mij een, twee, drie op het pad der beheerschte betamelijkheid te rangeeren. Ik at dus nog een spekpannekoek en was er van overtuigd dat ik die stralende boerin en mijzelf daar een plezier mee deed. Wij kregen ‘Boule Nationale’ te rooken, dikke zware belgische sigaretten die ik in lang niet gerookt had. Weldra voelde ik mij in de milde voldane stemming van een rozige, ietwat verzwommen gedachtenwereld, waarin voor gevaar en andere onaangename zaken geen enkele plaats is.
Ten slotte kregen wij in een zijvertrek twee goede slaapplaatsen aangewezen. Wij beaamden dat de tocht tot dusver goed verloopen was en zonken weg in zachte veeren bedden, waar wij al spoedig geen weet meer hadden van vriend of vijand en wat ons verder nog boven het hoofd zou hangen.
Ontwaken is altijd iets anders. Ik ben altijd een slecht ontwaker geweest, maar dien ochtend van den 9 den October '42 zag ik er bijzonder weinig in. Ik besefte akelig duidelijk, dat wij nog een af- | |
| |
schuwlijk groot deel van de reis moesten afleggen. Hoe graag ik mij nog eens in het warme zachte bed had omgedraaid, wat ik altijd deed als er lastige dingen op til waren, ik begreep dat het dit keer niet ging. Reiniers bed was verlaten en keurig opgemaakt. Met zijn ideeën omtrent overlast aandoen, moest hij dat zelf verricht hebben. Zuchtend stapte ik het bed uit en probeerde zijn ordelijkheid zoo goed mogelijk te evenaren. In de bijkeuken stond Reinier schoenen te poetsen. Hij was in gesprek met een blonden jongen man, die ons verder naar Maaseyck zou begeleiden. Ik knikte goeden ochtend. Gemelijk poetste ik mijn schoenen. Het bedachtzame gesprek van de anderen drong nauwelijks tot mij door. De boerin gaf mij handdoek en zeep en wees de pomp op het erf aan. Foeterend in mijn eentje over het harde lot in dit leven, waschte ik mij onder het koude water. Over een half uur moesten wij verder trekken. Dit bestaan was geen pretje. Maar dat de werkelijkheid, zulke nuchtere afstootende vormen kon aannemen, was geen manier.
Terug in de keuken hoorde ik dat Maaseyck zeker drie uur loopen was. Ook zou er geen beschermende duisternis zijn. ‘Als we eens een taxi belden,’ dacht ik hoopvol. Ach, er was geen telephoon in dit huis en een taxi in dit gehucht zou teveel opzien baren.
Wij ontbeten aan dezelfde tafel. De feestroes van gisterennacht was wel iets gezakt. Ook het echtpaar zweeg. Veeleer zaten wij grimmig bijeen, een ieder verdiept in eigen gedachten.
| |
| |
Reinier trok de portefeuille, maar zooals ik voorzien had wilden de boerenmenschen van geen betaling weten. De organisatie vergoedde hun onkosten en verder wilden zij niets. Wij dankten die perfecte lieden voor hun opofferingsgezindheid en gastvrijheid, zochten onze spullen bijeen en schoten in de jas. De jonge man zou op de fiets vooruit rijden en waarschuwen als er onraad in aantocht was. Wij verlieten de boerderij uit dezelfde achterdeur, waardoor wij 's nachts zoo opgelucht binnenstapten en weldra waren wij op den weg naar Maaseyck. Daar zouden wij in een café verdere instructies krijgen.
Ik zou niet meer weten wat ons precies, op dien rechten weg in het vroege middaglicht door het Belgenland, zoo mateloos bedrukte. Misschien was het, dat onze begeleider spoedig in de verte voor onze oogen verdween en wij ons beiden inwendig afvroegen of wij hem ooit terug zouden zien. Misschien kwam het door het besef, dat wij ons nog ten noorden van Maastricht bevonden, heel dicht bij de hollandsche grens en met loopen daar niet snel genoeg vandaan kwamen. Wel wisten wij dat wij zonder eenig belgisch identiteitspapier hier volkomen vogelvrij rondliepen voor den eersten den besten gendarm, die ons geliefde aan te houden.
Het eentonige landschap aan weerszijden van den weg met de kale landerijen in herfsttooi bood niet de minste afleiding voor onze morose zielstoestand. In onze eigen stad mochten wij dan wellicht personagiën van eenige bekendheid zijn, op
| |
| |
dezen onguren weg in het andere land, waren wij minder dan niets. Wij repten ons voort om aan dat niets te ontkomen en zwegen. Wij tuurden voor ons uit, zagen onzen wielrijder niet meer, doch evenmin een gendarm of eenig ander gevaar. In die absolute stilte op dien onafzichtbaren weg liepen wij alleen maar haastig door en bleven hardnekkig zwijgen.
Het groeide tot een obsessie uit. Misschien dacht Reinier er wel net zoo over. Ik zocht naar een onderwerp voor een opmerking, maar was te zeer onder den indruk van de stilte om iets te vinden. Ik keek links en rechts of zich niet iets bijzonders in de natuur wilde voordoen, maar zag niets, volkomen niets.
Stellig hadden wij zoo al een half uur naast elkaar gezwegen en de obsessie werd bijkans ondragelijk toen ik eensklaps in het land rechts van den weg de contouren van een schaap zag bewegen.
Een levend wezen. Weliswaar met meer zekerheid tot de slachtbank voorbestemd dan wij. Maar op 't oogenblik nog een levend wezen. Een bondgenoot. Een doodgewoon schaap, doch voor mij een schaap van ongewone proporties. Ik bleef staan en terwijl ik mij naar den argeloozen viervoeter wendde, die daar in zijn wollen vacht liep te grazen, zei ik tegen Reinier of ik een wonder ontdekte:
‘Kijk! Wat een bijzonder groot schaap!’
Reinier keek naar het schaap, toen naar mij en antwoordde op zijn meest ironische manier:
‘Inderdaad. Een bijzonder groot schaap!’
Wij schoten onbedaarlijk in den lach. Het schaap
| |
| |
keek ons verschrikt aan en nam met een holletje de beenen. Het heeft helaas niet kunnen vermoeden hoe nuttig zijn toevallige aanwezigheid bij dien eentonigen weg voor twee onzekere lieden was. Een bevreesd man schept altijd moed, bij de ontmoeting van een wezen, dat nog bevreesder is. Op die manier ontstaan zelfs oorlogen en heldendaden.
Maar de obsessie was verbroken en het verdere traject vulden wij met variaties op het bijzonder groote schaap. De jonge man op de fiets kwam nu ook vanzelfsprekend terug. Hij had tot Maaseyck niets alarmeerends kunnen ontdekken. Wel ontmoetten wij nog een paar boerenwagens en fietsende voorbijgangers, die niet de geringste belangstelling voor ons aan den dag legden. In den namiddag zaten wij in een gezellig druk café in Maaseyck en vonden het leven in een ander land al weer heel gewoon. Wij dronken daar een paar glazen bier in afwachting van de duisternis. Dan zouden wij met een tram naar het dorp Dilsen rijden, waar ons verdere lot aan dat van een paar uit Duitschland ontsnapte Fransche krijgsgevangenen zou worden gekoppeld.
Tegen den avond reden wij in een slecht verlichte tram naar het dorp Dilsen. Temidden van een tros woelige fabrieksjongens, die van hun werk kwamen en in dit van zichzelf reeds zoo rammelende en knersende vehikel op een oorverdoovende wijze hun voetballiederen ten beste gaven. De oorlog en de aanwezigheid van een vijand in hun land, hadden die Belgen niet minder luidruchtig gemaakt.
| |
| |
Het rustige en welvarende café-restaurant van de gezusters Cuypers aan het breede kanaal van Dilsen, bleek een ideale pleisterplaats voor lieden in onze positie. Wij kwamen langs een veranda achterom binnen en werden door die waardige vrouwen in een ruim en hoog vertrek geleid, dat tot den sprong naar Frankrijk het onze zou zijn.
Er bevond zich geen raam in het vertrek, dat met de buitenwereld in verbinding stond. Wel was er een menigte van kleine lichtjes in allerlei kleuren, ingenieus verwerkt boven en achter een geheele uitstalling van gekleurde heiligenbeelden in glazen vitrines. Zij hingen op verschillende hoogten aan de wanden en een bijzonder groote prijkte op een indrukwekkend glimmend gelakt buffet, overigens gevuld met glaswerk van een profaner niveau.
De divanbedden, waarop wij zouden slapen waren overladen met een grillige verscheidenheid van zijden kussens. In helle kleuren vertoonden zij de meest ingewikkelde bloemstukken en idyllische voorstellingen zooals spelende pages met pauwen. Een geknakte pierrot, die ons treurig uit een hoek aanzag ontbrak niet in dit aandoenlijke geheel.
Zonder met de oogen te knipperen aanschouwden wij dit kennelijk met veel toewijding tot stand gebrachte tafereel. De gezusters dekten de tafel en brachten ons van de regels van het huis op de hoogte.
Wij bleven twee dagen en nachten in die voor ons zoo vreemde omgeving en doodden den tijd met de lectuur van Corbière en Léautaud, die stellig nooit
| |
| |
vermoed hadden nog eens door zulk een hemelsch licht beschenen te worden. Er werd liefderijk voor ons gezorgd, zonder naar de beweegredenen van den tocht te informeeren. Onze kleeren werden nagezien, de zakdoeken gewasschen. De maaltijden waren van een overvloedigheid of wij een reis door de Sahara tegemoet gingen.
Dien Zondagavond werden wij door het neefje van de gezusters achterom door Dilsen naar een huisje gebracht aan den voet van een molen. Wij troffen daar twee uit Duitschland ontsnapte krijgsgevangenen. Etienne Delaunoy, een onderwijzer uit de Pas de Calais, een kalme en menschelijke man, die uit het kamp een afschuwlijke hoest had overgehouden. Zijn metgezel Roger Renaud was een praatgrage jonge Franschman, zonder meer.
De overheerschende figuur uit die bijeenkomst was ongetwijfeld de ongeveer vijf en veertigjarige echtgenoote van een Belgisch sergeant. Een energieke dame met gefriseerde krullen boven een resoluut gezicht, dat ook tot lachen in staat bleek. Zij gaf ons de reisroute tot aan de demarcatielijn, de café's waarin wij moesten navragen met de namen van de lieden die ons van dienst konden zijn. Tot mijn instemming vernam ik dat de route over Parijs liep. Wij pompten het een en ander in ons geheugen en zij wisselde mij een gouden tientje tegen een behoorlijke koers. Zij bekeek het ding, zooals een vrouw dat doen kan en besloot het na den oorlog aan haar armband te hangen. Haar echtgenoot, van wien wij in uniform een photo te zien kregen
| |
| |
diende bij het Belgische leger, dat bij Duinkerken naar Engeland was ontkomen. Zij gaf den naam op voor het geval het ons lukte daar te komen, maar die vergaten wij onderweg. Het werd heel gezellig bij de struische schoone en wij hadden volop gelegenheid het Fransch weer eens op te halen bij onze toekomstige lotgenooten. Wij luisterden gespannen naar het verhaal van hun ontvluchting uit het krijgsgevangenkamp en hun tocht door het barre Duitschland. In vergelijking met hun misère hadden wij het tot dusver als prinsen gehad. Toch werd de zitting vroeg opgeheven, want voor dag en dauw moesten wij op de tram naar Luik.
|
|