| |
| |
| |
IV
Tijdens zoo'n bezigheid kwam ik op een ochtend door de contrôle van het Centraal-Station naast een blonden Joodschen man uit de provincie, die in Amsterdam naar een adres moest. Te laat zag ik den groenen politieman achter het hokje van de contrôle. Omdat ik schrok werd zijn jachtinstinct wakker geroepen, want hij brulde mij toe:
‘Ausweis.’
Onder den kouden blik van het individu stak ik mijn hand in den binnenzak. Ik talmde even om mijn metgezel de tijd te geven door te loopen en hij benutte dat moment. Het bleek slechts op mij gemunt. Nooit voelde ik mij er joodscher uitzien dan op het oogenblik waarop ik den menschenjager mijn persoonsbewijs overhandigde. Hoewel daar geheel legaal volgens de nieuwe orde geen J op stond, had ik het gevoel dat die er eigenlijk behoorde op te staan.
Voor dien oppervlakkigen bruut was het voldoende. Hij gaf mij het ding terug en blafte mij toe: ‘Gehen Sie weiter!’
Met een licht gevoel in de beenen gaf ik oogenblikkelijk gehoor aan zijn bevel. Op het stationsplein vond ik den blonden geheelen jood terug, die daar kalm had toegekeken hoe het afliep.
| |
| |
's Avonds deed ik verslag aan Pam en wij lachten om het geval. Misschien ging het mij niet zoo van harte af, want hij werd voor zijn doen nogal ernstig en zei: ‘Je moest er maar een tijdje mee stoppen. Binnenkort heb ik iets anders voor je!’ En eigenlijk was ik daardoor bijzonder opgelucht.
Die zomer van '42 belandde ik in Scheveningen, waar een kennis mij een kamer had afgestaan. Meer dan ooit was ik er van overtuigd, hoe moeilijk het voor mij in dit leven is mij ergens bij aan te sluiten. Parijs leek onbereikbaarder dan ooit. Ik hoorde niet bij de Duitschers, ik hoorde niet bij de Nederlanders, ik hoorde niet bij de verzetslieden, ik hoorde niet bij de Joden. En ik wist dat er nog een heel lange periode aan de beurt was, waarin het denken en handelen in die door den oorlog opgedrongen begrippen zou voortduren. Ik verdiepte mij dus in de lectuur en schreef notities.
| |
27 Juli '42.
Maandagmorgen en het stortregent. Een nieuwe week, waarin naar verluidt veel kan gebeuren. Daarbij een stemming om maar in bed te blijven en niets te doen.
Luisteren naar den regen en nogmaals vaststellen, dat het niet erger kan. Met den oorlog. Met de menschen die dit bedrijven. Met de anderen die het ondergaan. Met mezelf.
Eén troost. Dat deze vuile grijze regen zich boven alles uitstrekt. Boven de puinhoopen van uit- | |
| |
gebrande steden. Boven hen die nog aan 't vechten zijn en boven de lijken in bloed en modder. Een passend decor en hoe lang nog?
Uit het huis hiernaast zijn lijken weggehaald. Eergisteren stond de auto - een ziekenauto zei men vroeger - voor het huis aan de overzijde van dezen eens zoo vreedzamen Badhuisweg. Joden, die zelfmoord hebben gepleegd om niet naar Polen gesleept te worden. Een merel zingt in de natte boomen van de tuin hierachter. Een laatste eerbewijs van de trieste natuur.
Ik zou nu op moeten staan. Iedereen in dit huis is allang doende. Ik hoor stemmen van kinderen die in het benedenhuis ravotten. Zonderlinge toestand: kind zijn! Verwachtingen hebben en nauwelijks geraakt worden door de realiteit van groote menschen. Alles, wat ik mijzelf van den vorigen oorlog herinner zijn de kanonschoten, die ik een keer ver op zee hoorde en de groene glazen ballen van de netten van de mijnen die op het strand aanspoelden.
Zoolang ik kan nagaan was ik altijd ochtendziek. Het begon met te laat komen op school en een hardnekkige afwezigheid tijdens de eerste lesuren. Die afschuwlijke treiterij met rekenen of wiskunde als men nog niet eens goed wakker is. Pas tegen de middaguren raakte ik eenigszins met het leven verzoend. Ook toen al was ik niet op de realiteit verzot. En toch, welk een paradijs was die wereld, vergeleken met den cauchemar, waar wij thans iederen dag opnieuw door moeten.
| |
| |
Maar de nieuwe week is begonnen en ik moet iets doen, al is het zonder verwachtingen. Ik heb het mij domweg voorgenomen omdat er anders toch niets van komt. Vooral nu Pam mij hier zoo aardig op non-actief heeft gesteld. Dat het naakte feit van het bestaan rechtvaardiging vereischt, geloof ik al lang niet meer. Wanneer het dooden zoo zonder eenige rechtvaardiging gebeurt zooals thans, en de levenden verzetten zich er zoo weinig tegen als zij doen, welke aanspraak kan dit leven dan nog op rechtvaardiging maken?
Men leeft en gaat dood zonder meer. Het eenige wat ons op de been houdt, is de menschelijke nieuwsgierigheid. Een nieuwsgierigheid van een weinig hooger allooi dan de belangstelling voor de gemengde berichten. Hoe het groote spoorwegongeluk dat oorlog heet, afloopt. Hoe de nieuwe moraal, die men zal brouwen om de menschheid na dit pijnlijke intermezzo opnieuw een riem onder het hart te steken, er uit zal zien. Ten slotte niet het minst de nieuwsgierigheid naar de persoonlijke lotgevallen, die onze armoedige ikjes nog te wachten staan. Die wij na alle decepties toch weer met liefde koesteren.
Ik verwonder mij hoe langer hoe minder over hetgeen men toenemende ongevoeligheid kan noemen. Wij vinden het nog wel erg, wanneer onze buren of goede vrienden weggesleept worden. Maar dit geschiedt zoo onophoudelijk, dat de indruk er van geleidelijk aan verslapt. De verschrikking heeft iets alledaags gekregen. Ons denkvermogen kan haar onmogelijk telkens opnieuw beleven en verwerken.
| |
| |
Dat is niet eens gemakzucht of lafheid. Eenvoudig onvermogen. Allen die tegen den onderdrukker denken of handelen staan voortdurend met één been in het graf. Eén klein incident, dat zich onverwachts voordoet, de geringste speling in den loop van dagelijksche gebeurtenissen kan voldoende zijn om het lot te bezegelen. Het is ondoenlijk zich daar ieder moment van den dag rekenschap van te geven. Een levend mensch is op 't moment weinig meer dan een doode. Toch blijft men aan die kleine nuance gehecht. En men is bereid er smaad en vernedering voor te trotseeren.
Iederen avond halen wij vloekend en morrend de verduisteringspapieren naar beneden en als zoo'n groen insect ons op straat onbeschoft ondervraagt, antwoorden wij op een toon alsof er niets aan de hand is. Ook al denken wij twee meter verder: ‘Wacht maar, later’, wat eigenlijk pitoyabel is. Daar staat tegenover, dat zoolang men geen lijk is, men 's ochtends opstaat. Al is het met tegenzin.
| |
31 Juli '42.
Het blijft regenen in stroomen. Na den schier eindeloozen kouden winter deze poovere zomer zonder zon. De natuur is al evenzeer in de war als de menschheid.
In de kranten geven de Duitschers thans onomwonden toe dat zij ter dege met een invasie op het vasteland rekening houden. Nu en dan vinden aan de kust oefeningen plaats, die op een dergelijke
| |
| |
mogelijkheid vooruitloopen. Met nogal schichtige en corpulente N.S.B.-ers in uniform op de fiets op den achtergrond. Ik vind dit een nogal comfortabele vertooning, maar niet meer dan dat.
‘Zouden de Engelschen er ook al rekening mee houden?’ kan ik niet nalaten mij af te vragen. Soms wordt men huiverig als men het optimisme van vrienden en kennissen om zich heen hoort. Vooral wanneer zij over de invasie spreken als iets dat morgen te gebeuren staat. Welke weerstand kunnen zij nog bieden wanneer dat niet of niet goed genoeg voorbereid plaats vindt en zij moeten nog lange duistere jaren door?
Men verwijt mij teveel scepticisme ten opzichte van de Engelschen en Radio-Oranje. Toegegeven dat Engeland op zee de baas is en op weg is het in de lucht te worden, dan is het wachten nog steeds op Engelands eerste wapenfeit te land. En radio van wie ook blijft radio, dus opsnijderij in de ruimte. Onverschillig of ze van vriend of vijand komt - al kan men opsnijderij van vrienden eerder hebben - het lijkt mij hachelijk om daarop berekeningen te bouwen.
Uiteindelijk blijven deze aangelegenheden altijd gissingen van leeken. Maar ik blijf mij halsstarrig afvragen of de ingewijden van het engelsche oorlogskabinet er op het moment dat ik dit schrijf veel meer van afweten.
‘En Amerika dan?’ vraagt men mij in zoo'n gesprek met eenige scherpte in de stem. Als men het optimisme van de vrienden na zoo'n gemeenschap- | |
| |
pelijk beluisterde radiouitzending niet deelt, wordt men altijd met een scheef oog aangekeken en op zijn minst voor defaitist uitgemaakt.
‘Zou hij in zijn gevoel misschien toch met den vijand heulen?’ is de verzwegen bijgedachte.
Zelfs als men aanneemt, dat de amerikaansche oorlogsproductie vóór de oorlogsverklaring van December '41 behoorlijk op toerental was en sindsdien nog verdrievoudigd of zelfs verviervoudigd is, dan blijft het nog een open vraag of de zeven maanden die sindsdien verliepen, voldoende waren om een expeditieleger uit te rusten van een omvang en vooral van een geoefendheid, die een blamage uitsluit.
Ik begrijp overigens maar al te goed, dat men de dingen gunstiger wil zien, dan zij kunnen zijn. Met het uitblijven van de invasie zijn teveel levens gemoeid, die op het punt staan te vallen of verderop nog zullen vallen. En het is zoo begrijpelijk, dat men elkaar moed wil inspreken. En wie weet of het geheele verfoeilijke systeem dat Europa in de klauwen houdt, ondanks den schijn van al zijn overwinningen toch al dermate ondermijnd is door den roofbouw die het ook op zichzelf gedwongen is te plegen, dat het inderdaad op z'n laatste beenen loopt? Doch daarvoor zien de bezetters er hier nog veel te zelfverzekerd uit. Maar wie weet het? Wie?
Uit de officiëele berichten blijkt, dat de Duitschers aan de poorten van den Kaukasus staan. Ik her- | |
| |
lees ‘Oorlog en Vrede’ van Tolstoj en ben diep getroffen door de intelligente wijze waarop Tolstoj het probleem van den oorlog aansnijdt. In het bijzonder door de aandacht die hij vestigt op de marge van onbekendheid en onwetendheid die de oorlogvoerenden tijdens de gevechten er van elkaar op na houden. Ondanks alle inlichtingen en spionnage waar zij over beschikken. Vooral ten gevolge van de intriges en de ijdelheid van de kopstukken over en weer. Bovendien door het belang dat hij hecht aan het moreel van den troep, zelfs boven een perfecte bewapening en een gunstige positie. De manier waarop Tolstoj aantoont dat de meest nauwkeurige berekeningen van de duitsche specialisten uit die dagen in de practijk altijd anders uitvielen, geeft goede hoop voor nu.
Bepaald sympathiek is het portret van den ouden slordigen Koetoezow geworden, die de betweters en de onderbevelhebbers die op roem uitzijn, vriendelijk doch verveeld aanhoort, maar toch volhoudt aan de strategie die hem later zooveel succes oplevert: terugtrekken en afwachten.
Volgen de Russen opnieuw die tactiek? Hebben zij opnieuw een Koetoezow, die spectaculaire resultaten opoffert aan overwegingen van langzamer doch doeltreffender aard? Stendhal geeft in zijn boekje over Napoleon als de voornaamste oorzaken van den val van den keizer te kennen: 1e. de liefde die hij sinds zijn kroning voor middelmatige lieden had opgevat, 2e. de vereeniging van het ambacht van keizer met dat van hoogste maarschalk. Met de prestaties en de vlijt, die Hitler op
| |
| |
beide punten aan den dag legt, is er dus nog alle kans op een Borodino in het vooruitzicht.
Of Tolstoj Stendhal en in 't bijzonder de Chartreuse gelezen heeft? Een probleem voor literatuur-specialisten, waartoe ik nooit zal behooren met mijn afkeer van archieven en stoffige bibliotheken. Overigens, welk een heerlijk boek dit ‘Oorlog en Vrede’ in dezen kruipenden tijd. Vol persoonlijke hartstochten en nuanceering. Welk een verademing in onze egaliseerende ‘Epoche’. Want ondanks beiderlei praalzucht, het is mij onmogelijk om in een Goering ook maar bij benadering een tweede Murat te zien, en dit afgehakt zingende soldatenvee om ons heen heeft weinig van Napoleon's brillante grenadiers.
| |
5 Aug. '42.
Eindelijk iets van zon te bespeuren in dit Scheveningen, waar de Duitschers zoo grondig het breekijzer in hebben gezet. In Amsterdam, als de maan over de verduisterde stad schijnt, ontstaat soms iets dat men een bijbelsch landschap zou kunnen noemen. Zelfs de leelijkste huizen krijgen dan een vreemd reliëf, dat niet meer van deze aarde lijkt.
Die gesloopte wandelpier hier, de verwoeste boulevard met de prikkeldraadversperringen zijn alleen maar van een matelooze triestheid. Door de zon uit het huis gelokt was ik het Deynoot-plein opgewandeld met de bedoeling wat naar zee te kijken. Een schildwacht met een karabijn, die overigens geen notitie van mij nam, kuierde bij de
| |
| |
afrastering heen en weer. Zij zijn ongetwijfeld grondig, de Duitschers. Zelfs de horizon hebben zij ons versperd. Het is nog wel dezelfde geur, die met den wind uit zee komt, maar het is toch anders. Op de wandeling terug valt het mij op dat de menschen niet meer vrijuit door hun oogen kijken. Het is alsof zij alleen nog onder hun eigen schedeldak turen. Bij gebrek aan uitzicht moet men zich wel in gedachten begraven.
Nu ik toch met Tolstoj bezig was, heb ik ook ‘De Idioot’ van Dostojewski herlezen. Wat is dat onherroepelijk minder, hier en daar zelfs derderangs van halfzachtheid. Alleen Nastascha Fillipowna, die ik op mijn veertiende jaar zoo vereerde vanwege het in het vuur gooien van de stapel bankbiljetten, heeft haar bekoring voor mij behouden. In een brief aan Aglaja Jepantschin schrijft zij bovendien: ‘De liefde voor de menschheid, is meestal slechts liefde voor zichzelf.’
Het zijn die woorden die mij blijven bezighouden, omdat met deze Duitschers op ons dak de kwestie opofferen of niet, zich steeds weer aan mij opdringt. Wij kunnen die waarheid van Nastascha nog altijd niet aan. Wij zijn nog steeds de hypocrieten, die nuchtere woorden in wezen beschamend vinden. Hoeveel zindelijker zou het zijn, ze eenvoudig te accepteeren in plaats het toch gêne-achtige getortel met opoffering, gemeenschapszin, het vaderland en menschelijke solidariteit. Hoe zien de menschen die die dingen ernstig nemen er op de keper uit. Wie is er dupe van en wie profiteert?
| |
| |
Hoeveel oorlogen en tegenoorlogen worden er mee goedgepraat, met de meest beschamende ondertoon van het veroverde of het beleedigde bezit.
En dan, gesteld men hakt den knoop van dien onontwarbaren rompslomp door: men wil misschien wel offeren en solidair zijn. Maar kàn men het?
| |
12 Aug. '42.
Dat het probleem van de opoffering mij voortdurend bezighoudt komt natuurlijk door de activiteit van Pam en het wel zeer geringe aandeel dat ik daaraan had. Al vertelt hij mij niet precies wat hij uitspookt, uit enkele uitlatingen kan ik toch opmaken dat het levensgevaarlijk is. Dat hij distributiekantoren en gemeentehuizen leeghaalt voor papieren en met de blauwe auto's van den voedseldienst menschen naar de provincie brengt, is daar maar een klein gedeelte van. Slechts één keer heb ik hem uit hooren vallen dat hij de verantwoordelijkheid niet langer dragen kon, als men hem van den anderen kant niet liet weten of men er achter stond. Na een onderhoud met een agent van de regeering uit Londen, dat hem erg tegenviel.
Dat hij bij dit alles toch nog opgewekt, zorgeloos en plezierig blijft, wat bij hem geen pose, maar geheel natuurlijk is, vervult mij met de grootste bewondering. Aangenomen dat zijn hoofddrijfveer is, met zijn aanleg niet anders te kunnen doen dan den kant van de onderliggende partij kiezen, dan blijft dit nog de nobelste manier een aanleg uit
| |
| |
te leven. Dat hij daarbij tot het uiterste zal gaan, staat voor mij vast. Ondanks zijn opgewektheid blijf ik hem bezien, als iemand die bewust een kort leven heeft gekozen.
En met mijn eigen weifelingen en mijn dikwijls wekenlange neerslachtigheid hoop ik toch op een lang bestaan. Ik was soms al bang wanneer ik met valsche persoonsbewijzen in mijn zak door een straat moest die er vanwege de uniformen minder plezierig uitzag. Ik weet heelemaal niet hoe ik mij houden zal, als ik gepakt en afgeranseld word. Tot dusver ben ik nooit geslagen zonder terug te slaan. De gedachte, dat men zich dat laat welgevallen is om misselijk te worden. Of ik bij zoo'n langdurige behandeling niets zou loslaten, weet ik niet zeker. Het schijnt dat men het niet weet voor het zoover is. Doch dit gemis aan zekerheid geeft mij van tevoren al een vernederd en neerslachtig gevoel. Pam heeft de zekerheid in zich van de klassenlooze maatschappij, die door alle drek heen na hem eens zal verrijzen. Geen folterwerktuig zal hem ooit daarvan kunnen berooven. Als ik in zoo'n ding terecht kom, zal ik een afschuwlijken spijt hebben, dat ik niet, desnoods als bedelaar aan een strand in Zuid-Amerika lig.
Ik geloof in niets dat met een maatschappij heeft uit te staan, niet in deze en niet in de meest ideale. Ik ben er van overtuigd dat het leven met zijn bijzonder schaarsche verrukkingen, eenmalig en van deze aarde is en ik ben er nog stelliger van overtuigd dat die schaarsche verrukkingen met politiek geen snars hebben uit te staan.
| |
| |
| |
25 Sept. '42.
Pam heeft woord gehouden en naar iets anders voor mij omgezien. Ik ben daar opgetogen over omdat het afwachten in dit dooie Scheveningen mij niet bevalt. Zelfs de lectuur van boeken, die mij vroeger volkomen absorbeerden, maakt mij nu kregel. Volgens zijn mededeeling heeft hij een persoonlijk avontuur op 't oog. Het gevoel van opgesloten zijn heeft plaats gemaakt voor de verwachting dat ik tenminste weer in beweging kom. En in beweging ondergaat men de menschelijke beperktheid minder dan bij het stilzitten. Waarheen die beweging zich richten zal is me nog niet bekend. Een gevoel van bevrijding heeft zich van me meester gemaakt. Neen, ik deug nog niet voor Lao Tse. Morgen hoor ik in Amsterdam bijzonderheden.
| |
26 Sept. '42.
Bezoek bij Pam in een kamer van het groote holle gebouw op de Gemeentelijke Markthallen in Amsterdam-West. Tot nu toe ontmoette ik hem meestal in café's of op zijn étage in de Holendrechtstraat, waar ik gezeten op een vuilnisbak in de keuken voor zijn vrouw tarwe in de koffiemolen draaide. Soms, als het te laat werd om naar de binnenstad terug te keeren, bleef ik op den grond van een leeg zijkamertje bivakkeeren.
Als ik hem hier zie in dit kantoorvertrek van een gemeentelijke nutsinstelling achter een bureau met een telefoon en schakelborden, besef ik ineens hoe
| |
| |
weinig ik bohème-vrienden eigenlijk ooit tref in den toestand, die normaal gesproken hun werkkring heet. Als ik binnenkom wuift hij mij een stoel voor het bureau toe. De man die mij nog geen twee maanden geleden om een fransche grammatica vroeg, omdat hij gedichten van Verlaine wilde lezen, is aan het telefoneeren met iemand die ‘Frits’ heet over ‘een lading kool’, die uit de Haarlemmermeer moet komen. Aan de geamuseerde tinteling in zijn bruine oogen begrijp ik eensklaps, dat daar iets geheel anders mee bedoeld wordt. Met de vrije hand teekent hij figuurtjes op een vloeiblok.
Terwijl ik wacht tot hij is uitgesproken besef ik, dat Pam niet beter verschanst kan zitten, dan hier als hoofdcontroleur in een dienst, waar de Duitschers alle belang bij hebben, dat hij goed functionneert en die zij dus zoo weinig mogelijk hinderpalen in den weg leggen. Van het begin af aan heeft hij daarbij de dingen goed en overzichtelijk opgebouwd. Menschen gekozen die hij in vroegere acties had meegemaakt en een plaatsvervanger die hem weet te dekken, wanneer hij voor een week of langer zelf op het pad is. En de basis van 't geval wordt gevormd door bonken van vlasharige vrachtwagenchauffeurs, evenals hijzelf ras-Amsterdammers, die brutaalweg uitvoeren, wat hij met geduld en vindingrijkheid op touw zet.
In deze atmosfeer van algemeen nut voel ik mij meer dan ooit van mijn totale overbodigheid doordrongen. Als de telefoon op den haak valt begrijp ik dat hij me hier niet voor niets besteld heeft.
| |
| |
‘Je spreekt behoorlijk Fransch?’ begint hij het gesprek.
‘Ik heb het drie jaar niet gesproken!’ zeg ik, bijna tot mijzelf; ‘maar ik heb er acht jaar gewoond!’ voeg ik er aan toe.
‘Dan ben je het nog niet vergeten,’ merkt hij op en schuift een sigaret naar mij toe.
Ik besef nog steeds niet waar hij heen wil.
‘Je zou een reis kunnen maken!’ valt hij met de deur in huis. ‘Naar onbezet Frankrijk eerst en dan naar Zwitserland. Maar misschien is dat niet noodig en kun je meteen wel over de Pyreneeën doorstooten naar Lissabon.’
Dit doorstooten naar Lissabon lijkt mij een sprookje. Ook al klinkt het in Pam's onverstoorbaar optimisme als iets vanzelfsprekends. Maar Frankrijk weerzien doet mij weldadig aan. Hoe dikwijls heb ik er in gedachten de laatste jaren niet vertoefd, meestal vergetend dat men daar nu ook onder een bezetting leeft.
‘Voel je er iets voor?’ hoor ik Pam vragen door de vlucht die mijn fantasie al genomen heeft.
‘Alles!’ zeg ik zonder aarzelen.
‘Het kan je kop kosten, als ze je onderweg pakken!’ klinkt zijn stem, nu zeer bezorgd en bedachtzaam.
‘Je kop kosten,’ denk ik bij mezelf. ‘Je kop kosten, alles kan de kop kosten op 't oogenblik. Als ik er door rol, zit die dan niet vaster op mijn schouders dan nu? Voorzoover hij ooit vast heeft gezeten.’ En bovendien wil ik in beweging komen. Niet dit vervloekte stilzitten en aesthetiseeren
| |
| |
over waardigheid, waar ik mijn elegische luiheid zoo graag achter verschans. Maar handelen, al zegt Rimbaud duizendmaal, dat handelen een manier om iets te verknoeien, een opwinding is.
Dan besef ik in de stilte tusschen ons ineens, dat ik in de eerste plaats aan mijn persoonlijke misère heb gedacht en vraag beschaamd:
‘Waar is het eigenlijk voor en hoe kom je er aan?’ Door den storm van tegenstrijdige gedachten, die in mij opsteekt, zet Pam uiteen hoe hij op het denkbeeld is gekomen.
Bij een reis door Limburg voor onderduikadressen heeft hij kennis gemaakt met het hoofd van de C.C.D. voor die provincie. Een verlamde man, die op krukken loopt. Een fanatieke anti-duitscher, die van zijn positie en het C.C.D.-bord op zijn auto gebruik maakt om fransche krijgsgevangenen, in Duitschland uit kampen ontsnapt, door Limburg heen naar België te helpen. Pam had gecombineerd en den C.C.D.-man voorgesteld menschen op die lijn te zetten, die hoognoodig uit Holland wegmoeten. Er zijn er genoeg en de C.C.D.-man wil meewerken.
Mijn taak zal slechts zijn, uit plaatsen onderweg prentbriefkaarten met argelooze felicitaties op de bus te doen. Dat is voldoende om hier een indruk te krijgen van het verloop en de veiligheid van den weg, waarvan men na de Belgische grens niets afweet, behalve dat de krijgsgevangenen in onbezet Frankrijk aankomen.
‘Als je in Engeland bij de regeering aankomt, geef je oogen goed de kost. Wat ik door een enkelen
| |
| |
agent van hen merk, lijkt dat me een ongelukkig troepje. Met zoo ongeveer Vichy-denkbeelden in 't hoofd, dat amper beseft wat hier noodig is. Het verbaast me, dat tot dusver alleen De Geer nog maar terug is.’
Aan Engeland ben ik met mijn gedachten nog heelemaal niet toe. Het eenige wat ik mij realiseer is, dat ik in het donker over grenzen ga kruipen. Natuurlijk, ik zal Parijs terugzien. Dat die route niet over Parijs hoeft te loopen, lijkt mij zoo absurd, dat ik er niet eens aan denken wil. Dat daar nu ook een bezetting de lakens uitdeelt, dringt zelfs in dit nuchtere kantoorgebouw nauwelijks tot mij door. En opnieuw betrap ik mij er op, dat ik er geen rekening mee houd, wat er in Pam moet omgaan bij deze wijde perspectieven.
‘Waarom ga je eigenlijk zelf niet?’ vraag ik hem als hij zijn uiteenzetting beëindigd heeft.
Hij maakt een afwerend gebaar en zegt met een vermoeiden glimlach:
‘Het klinkt misschien opschepperig, maar ik kan hier niet weg. En dan die twee grammatica-woorden die ik met moeite uit het hoofd heb geleerd. Ik zou direct tegen de lamp loopen.’
‘Als ik ga,’ zeg ik aarzelend, ‘heb je dan niet het gevoel, dat ik je in den steek laat?’ Het hooge woord is er uit, want ik heb dat gevoel zelf wel.
‘Je zult onderweg nog dikwijls genoeg de kans krijgen mij te vervloeken, dat ik je in zoo'n onderneming betrok.’ Een rimpel op zijn voorhoofd waarschuwt mij, dat het wel iets anders zal worden dan een wandeling door het Quartier Latin.
| |
| |
Wij staan op. Langs de betonnen trappen van het gebouw en over het goederenterrein vergezelt Pam mij naar den uitgang. Er is al iets van herfst in de lucht.
‘Volgende week ben ik in Den Haag. Dan krijg je nauwkeuriger gegevens,’ zegt hij, voor ik op de tram naar het station stap.
| |
18 Sept. '42.
Het geld voor de onderneming is komen opdagen. Gisterenmiddag duwde een dichter op het Rembrandtplein mij een enveloppe met duizend gulden in de vingers. Eigenlijk nogal een zot punt voor zooiets. Maar iedereen speelt op 't moment graag indiaantje. Van een uitgever die zich voor den tocht interesseert. Hij wil mij hierover zelfs niet zien of spreken. De dichter stapte op zijn fiets en reed weg of hij mij een tijdbom in den zak schoof. Ik stond daar nogal verbouwereerd. Zooveel geld had ik nog nooit van een uitgever gekregen en zeker nooit zoo vlug en met zoo weinig woorden. Ik heb er gouden tientjes voor aangeschaft, die nu rusten op den bodem van een pot zalf, die tot mijn schaarsche uitrustingsstukken behoort.
| |
20 Sept. '42.
Reinier zal ook van de partij zijn. Dat komt goed uit. De C.C.D.-man in Sittard, die de lijn in handen heeft, staat er op dat er den eersten keer officieren gaan. Reinier voldoet aan dien eisch en ik ben
| |
| |
door Pam gebombardeerd tot officier in het oude Nederlandsche leger en wel van O. en O., Ontwikkeling en Ontspanning. Dat zulk een carrière voor mij weggelegd was, had ik nooit gedroomd. Soms krijg ik een erg raar gevoel over mij, nu het moment voor de deur staat en lijkt Amsterdam, zelfs onder de bezetting mij een wonderschoone stad.’
De dag voor het vertrek bleef mij ook zonder dagboeknotities bij. Voor Reinier's kaspositie onderweg had ik nog eenige goudstukken kunnen bemachtigen. De man die mij daaraan hielp, zeurde nogal lang over het risico dat er aan vastzat. Ten slotte had ik ze in den zak, al was het laat geworden. Ik besloot in de stad te blijven eten en stapte een vischrestaurant aan het Leidsche Plein binnen. Omdat ik haast had bestelde ik bij den ober vast een kabeljauw en ging aan een vrije tafel zitten. Mijn bril was beslagen en nadat ik hem met een servet had schoongeveegd zag ik, dat aan de tafel achter mij drie weermachtsofficieren met hooge paarse kragen, de borst vol kruisen en breede biezen op de broek, indrukwekkend zaten te eten.
Nu nog opstaan en gaan verzitten zou een demonstratie zijn. Daar had ik zoo kort voor het vertrek geen behoefte aan en ik bleef waar ik was. Terwijl ik op het eten wachtte zag ik in den spiegel, dat het lieden op leeftijd waren. Zeker met meer belangstelling voor de heerlijkheden die zij voor zich hadden, dan voor die paar verboden goudstukken in mijn zak.
Nauwelijks stond mijn visch op tafel, of de restau- | |
| |
rantdeur tegenover mij kletterde open en mijn vriend Stapels zwaaide binnen in luidruchtige en aangeschoten toestand en vervulde de ruimte met de explosieve atmosfeer, die hij altijd om zich heen weet te verspreiden.
Hij is uitgever van zijn vak, bezit een bijzonder fraaie anarchistische en litteraire bibliotheek, die hij niet alleen gelezen heeft maar waaruit hij zonder zichtbare moeite heele brokstukken uit het hoofd kan opzeggen. In 1939 werd hij voor een rechtbank in Berlijn tot een geldboete veroordeeld omdat hij tijdens een persdiner, waar hooge nationaalsocialistische functionarissen aanzaten, Ribbentrop voor een handelsreiziger in slechte champagne had uitgemaakt. In nuchteren toestand een intelligent, hartelijk en amusant man. Met een borrel op iemand, die hinnikend van plezier nog vóór hij een zin heeft uitgebracht de grootste onheilen, ook voor zichzelf, kan aanrichten.
Toen ik hem in dien toestand binnen zag zeilen, dwarser en gevaarlijker dan ooit, wist ik dat het noodlot in eigen persoon in de buurt was en ik dook achter een krant weg om het te ontgaan. Maar het was te laat. Hij slaakte een wilde begroetingskreet, stoof op mij toe, drukte mij van aandoening aan de borst en liet zich op den stoel tegenover mij neerploffen.
Meteen begon hij met zijn vingers de beste stukken uit mijn kabeljauw te graaien en liet ze in den mond verdwijnen.
‘Zoolang hij eet, maakt hij tenminste geen ongelukken,’ dacht ik.
| |
| |
De graat van de kabeljauw was nog niet zichtbaar of hij stootte, kraaiend van plezier uit:
‘Dat is prachtig. De eenige jood die lak aan alles heeft en overal komt. Eet kabeljauw! Verdomd goed!’
Ik zat in mijn prozaïsch nuchteren toestand afschuwlijk op heete kolen, trapte hem onder tafel tegen zijn schenen en maakte een wanhopige hoofdbeweging om hem op het gezelschap met de hooge bezetters attent te maken. Het drong nauwelijks tot hem door.
‘Heb je sigaretten?’ vroeg hij, nadat hij de kabeljauw kaal geplukt op mijn bord had achtergelaten. ‘Neen!’ zei ik, want ik had geen tijd gehad ze te koopen.
‘Wat!’ zei Stapels: ‘Wel kabeljauw eten en geen sigaretten?’
Er kwam hulp van onverwachte zijde. Een van de officieren wendde zich naar ons toe en liet Stapels een onaangebroken pakje sigaretten zien.
‘Wenn ich Ihnen ein Gefallen tun kann. Sie können mir das abkaufen!’
‘Wieviel?’ vroeg Stapels, terwijl hij het den man uit de vingers griste.
‘Ein Gulden!’ zei de bezetter mild. Het was goedkoop, ze kostten overal twee.
Stapels tuurde op de banderolle. Ik zag 70 cents staan en begreep dat het verschrikkelijke gebeurde. ‘Eine Unverschämtheit!’ barstte hij los. ‘Sind Sie ein Ehrenmann? Ein deutscher Offizier? Sie sind ein Schwarzhändler!’ Hij gooide het pakje bij de officieren op tafel terug.
| |
| |
Het zweet brak mij uit en ik werd slap van de narigheid. Ik zag de tocht door de twistzucht van den vervloekten Stapels in duigen vallen. Ik liet de goudstukken los in mijn zak glijden. Niet de beste bagage om mee op den Amstelveenschen weg te belanden.
‘Der Kerl ist ja besoffen!’ mengden de andere officieren zich in de situatie. Zij hadden goddank meer trek in hun eten dan in energiek optreden om de beleedigde weermacht te wreken.
‘Völlig besoffen!’ beaamde ik hoofdschuddend. De ‘Schwarzhändler’ keek nog eens van Stapels naar mij, haalde zijn schouders op, draaide zich om en at verder.
Nu vond ik het genoeg. Ik was kwaad op mijzelf omdat ik Stapels tegenover dit gezelschap verloochend had. Toch wilde ik mij niet langer aan de risico's van zijn explosies blootstellen. Ik riep den ober, betaalde en liet hem bij de resten van den kabeljauw achter. Toen ik veilig en wel in den trein naar Den Haag zat, kon ik om het zotte geval lachen. Hij is heelhuids den oorlog doorgekomen. Evenals twee joodsche vrienden die bij hem ondergedoken zaten.
|
|