| |
| |
| |
III
Nu ik mijzelf in dat verleden tracht terug te vinden besef ik het gevaar, daaraan verbonden.
Want het hinderlijkste verschijnsel, dat zich bij schrijven voordoet, is de neiging gebeurtenissen achteraf te verfraaien. Dit spruit niet voort uit de menschelijke behoefte zich achteraf een voordeeliger rol toe te meten dan men in werkelijkheid vervulde. Wel geloof ik dat men met eenigen gloed en overtuiging den argeloozen lezer best iets op den mouw kan spelden. Hoe zouden de dagbladen anders iederen dag weer vol komen. Eveneens ben ik de opinie toegedaan, dat het oplagecijfer van een schriftuur stijgt met de ongegeneerdheid, waarmee men er op los liegt. Het vervelende van die opvatting van schrijven lijkt mij dat men zichzelf er mee in de maling neemt. Misschien is dat een kwestie van gewoonte en is mijn recalcitrantie een kieskeurigheid die op den duur behoorde te slijten. Voor mij is schrijven echter een ongewone zaak, waarmee ik nooit verzoend zal raken. Ik ben een gemakzuchtig persoon, die met moeite eens in de tien jaar tot een boekje komt. Er zijn plezieriger dingen in het leven dan gebukt achter een tafel dat tweegevecht met het argelooze witte papier te voeren. Pas als de voorraad van uitvluchten geheel en al is
| |
| |
uitgeput zet ik mij aan dit vreemdsoortige handwerk. Als ik daarbij ook nog comedie moet spelen, wordt dat ambacht mij veel te inspannend.
Bij zoo'n schaarsche productie lijkt het mij een zielige sensatie, wanneer men later zoo'n boekje ooit weer in handen krijgt, te moeten bedenken: ‘Dat is nu het schriftuur, waarin ik zoo'n flinke en energieke man wilde schijnen, terwijl ik in werkelijkheid zoo'n lamzak ben geweest.’ Ook al zou de geheele goegemeente er in trappen, al had geen sterveling het bedrog ontdekt, dan nog zou dat een armetierige gewaarwording jegens mijzelf zijn.
Niet omdat ik een brave Hendrik of een onkreukbaar persoon ben. Verre van dat. Ik zie er geen been in een lastige schuldeischer met een verhaal, dat kant noch wal raakt van het lijf te houden. Zonder die verteekening van het dagelijksch bestaan zou een mensch geen adem meer kunnen halen.
Ik bedoel een geheel andere verfraaiing die gedurende het schrijven optreedt. Een veel moeilijker waar te nemen vervalsching. Het is de bijna onzichtbare hand, die bij verplaatsing in het verleden, dingen uitwischt, die zich niet als zekerheden in het geheugen hebben gegrift. Hoewel zij eenmaal realiteiten waren. Een verfraaiing, die zich sterker voordoet, naarmate de tegenwoordige tijd er somber uitziet. Zelfs bij een afschuwlijk en barbaarsch verleden is men geneigd zich te koesteren aan de lichtpunten die zich daarin voordeden. Omdat zij het meest bijdroegen tot ons nu nog verder bestaan.
| |
| |
Niemand ontsnapt aan die subjectiviteit. Evenmin verandert men iets aan het noodlot, dat de man die de dingen van tien jaar geleden beschouwt, niet meer dezelfde is.
Dit opnieuw beleven van het voorbije, dat zich al schrijvende voltrekt, is het zich overgeven aan een droom. Ongetwijfeld met vaste punten, die onze geschiedenis werden. Stellig gerangschikt volgens eigen smaak en doortrokken van den persoon die wij geworden zijn. Maar daarom niet minder een droom. Met de voortdurend dreigende benauwenis van allerlei opdoemende vervalschingen. Met of zonder den wil van den schrijver wordt het leven achteraf beschouwd, altijd een roman. Of men zijn fantasie in het leven laat draven om daarna de zaak rustig op te schrijven, of een rustig leven leidt om de fantasie achter de schrijftafel te laten steigeren, is slechts een kwestie van verschillende geaardheid.
Ik was geen verzetsheld. Ik heb niet op bezetters geschoten. Evenmin heb ik deelgenomen aan aanvallen op distributiekantoren, of viaducten in de lucht laten springen. Ook aan de Februari-staking van '41 had ik part noch deel. Wel had het incident in het grasland mij doen beseffen, dat de vrijheid van denken en doen onder de bezetting een uiterst hachelijk probleem werd. Maar dat besef sluimerde naderhand weer in, door den lethargischen toestand waarin ik na het verlies van mijn vriendin was geraakt. De ontredderde staat van zaken rondom mij in de werkelijke wereld, was
| |
| |
een getrouwe afspiegeling van de bedruktheid van mijn ziel. Een eenzaam en stuurloos man is geen strijder voor recht en waardigheid. Hij laat zich gaan, stapt de kroeg binnen, geeft zich over aan den drank, die hem tijdelijk een weldadige warmte bijbrengt, maar wankelt tegen sluitingstijd toch weer verongelijkt het zwarte gat van de duisternis in.
In die sombere dagen hield ik verblijf op een zoldertje boven een klein bordeel in een oud huis aan de Leidsche Gracht. Voor de bescheiden som van twee gulden per week. Dicht bij het Leidsche Plein, zoodat er niet veel kans bestond in het water te loopen. De menschen in dat huis waren heel vriendelijk voor me en zetten knoopen aan mijn jas, wanneer ik die verloren had. Ze vroegen niet waarvan ik kwam, of mijn papieren in orde waren en of ik ingeschreven stond. Bij huiszoeking of contrôle door de militaire politie ging het zolderluik dicht en werd verzwegen dat ik daarboven huisde. Eenmaal mislukte die handgreep en stond een dikke man met een groene helm en een geweer in de handen, onverwachts in het dakkamertje, dat hij geheel vulde.
‘Wie kann ein Mensch in so ein Loch wonen?’ kwam er barsch doch tegelijkertijd bevreemd onder den helm vandaan. Ik trachtte die bevreemding op te helderen en zei dat Holland niet alleen uit plutocraten bestond. Zonder om papieren te vragen verdween de bezetter met zijn geweer hoofdschuddend door het trapgat.
Van mijn kant hielp ik de meisjes bij het invullen
| |
| |
van de papieren voor de belasting, die de bezetters voor het oude vak hadden ingevoerd. Daarbij hield ik de omzet zoo laag mogelijk. Wanneer Amsterdam gestraft werd en men 's avonds thuis bleef, speelde ik met de huisgenooten en de oom en tante van het etablissement een spelletje kaart. Vanwege den eenvoud meestal eenentwintigen. Om een grote tafel met een flesch er op in een ruime benedenkeuken. Een stel dikgegeten honden en katten krioelde om de Belgische stoof in een hoek van dit gezellige vertrek. Ach, het waren niet de vervelendste avonden in die uitgestrekte benardheid, waarin een luchtalarm en het verwijderde gebrom van vliegtuigen nu en dan de hoop levendig hield, dat het niet altijd zoo zou blijven.
Een keer schrok ik midden in den nacht wakker door het lawaai, dat een bezetter in het vertrek van zwarte Greta beneden mij veroorzaakte. Hij liet zijn laarzen op den grond ploffen of hij in een kazerne was, smeet geldstukken rinkelend op een tafel en riep met luide stem: ‘Ich hab' auch Frau und Kind zu Hause, aber Krieg ist Krieg!’
Ik vond dat nog geen reden om zoo'n spektakel te maken en dacht in mijn eenzaamheid na over die woorden, die onbedoeld de zotheid van den oorlog zoo treffend uitdrukten, tot ik weer insliep.
Langzamerhand pas begon ik mij uit mijn spelonk en uit mijn neerslachtigheid omhoog te werken. In een café had ik kennis gemaakt met een jong piloot, die met een collega een nogal driest plan had uitgedacht. Hij had mijn boek gelezen en zag daar
| |
| |
een aanleiding in mij in zijn geheim te betrekken. Na vele glazen bier stelde hij mij voor van de partij te zijn. Op zoo'n moment is men tot veel bereid en ik aarzelde dan ook geen seconde om toe te happen.
Er stond in die periode iederen morgen op Schiphol een lesvliegtuig dat voldoende benzine had om Engeland mee te halen. Tusschen de werklieden, die 's ochtends naar Schiphol gingen om reparaties te verrichten, zouden wij met vervalschte toegangsbewijsjes, die keurig nagemaakt waren, binnendringen. Van den man op den grond, die over dat toestel ging, viel geen gevaar te duchten. Mijn bescheiden taak zou er slechts in bestaan, een verhaal over de onderneming te schrijven.
Wij dronken vast menig glas bier op den goeden afloop. Hoewel ik nog nooit in Engeland geweest was, zag ik mij reeds over Piccadilly wandelen. Het had mij vroeger nooit aangetrokken. Om er op deze manier te komen, stond mij wel aan.
Midden in een ernstige bespreking, ditmaal zonder bier, waarbij wij overlegden wat het beste moment zou zijn, vernamen wij, dat twee andere vliegers, Vos en Leegstra, ons voor waren geweest. Zij waren met het bewuste toestel in Engeland geland. Natuurlijk hadden wij te lang beraadslaagd en teveel glazen bier gedronken. Aanvankelijk keken wij elkaar beschaamd aan, zooals het lieden betaamt die door te veel geklets in een ridicule positie zijn geraakt. Al spoedig dorst een van ons er voor uit te komen, dat hij zich opgelucht voelde. Wat anderen gelukt was, had bij ons best mis kunnen loopen.
| |
| |
Daarom dronken wij toch een stevig glas bier op den goeden afloop. Weliswaar niet zoo vrij als wij zulks in Engeland hadden verricht. Maar toch in ieder geval nog in leven in Amsterdam. Want wij hadden het leven zeer lief. Een paar dagen later dacht ik niet anders aan Engeland dan aan een ver en onbereikbaar land.
De hartkloppingen, die ik bij de besprekingen van dat achterhaalde plan had gevoeld, misten hun uitwerking niet op mijn algemeenen toestand. Ik verwisselde de lorren die ik droeg voor een net pak, dat ik van mijn uitgever kreeg en bracht een van mijn schaarsche bezoeken aan den kapper. Ten slotte ging het niet aan, in een tijd waarin verschrikkelijker dingen gebeurden dan het verliezen van een vriendin, zichzelf zonder weerstand in den goot te laten zakken. Wat in Parijs van voor den oorlog aanleiding had kunnen zijn tot gedichten, werd in dit bezette Amsterdam slechts een onvruchtbare kwelling.
Ik nam een energiek besluit en stortte mij in den handel. Met behulp van een goeden vriend richtte ik een oud huis aan de Kerkstraat als kunsthandel in. Ik nam afscheid van mijn vederlicht verblijf en wijdde mij met hart en ziel aan de nieuwe opgave. Op de opening kreeg ik een huis vol menschen en verkocht de helft van de schilderijen. Daarna werd het zeer stil en de luttele bezoekers ontaardden langzamerhand in schuldeischers en belastingmannen. Het blijft de tragiek van dit leven, dat ieder nieuw begin getorpedeerd wordt door de ballast
| |
| |
die ons uit slordiger tijden blijft vervolgen. Bovendien bemerkte ik, dat het winkelierschap een groote portie zitvleesch vergt en daar was ik slecht van voorzien. De schaarsche klanten, die mij bezochten vonden weldra een papier op mijn gesloten deur, met een situatieteekening van het café, waarin ik mij vermoedelijk ophield. Ten slotte nam ik het besluit dat het verstandigst is als men opnieuw realiseert dat men niet tot de uitverkorenen van Mercurius behoort.
Ik deed het geval over aan een collega, die mij tot dusver in die zaak had geassisteerd.
Vriend Pam was in die dagen zijn stille offensief tegen de bezetters begonnen, dat hem later het lijf kostte. Zelfs de bezetters - het militaire gedeelte tenminste - hadden een zwak voor hem. Het was moeilijk hem iets te weigeren. De Ortskommandant van Hoorn stelde in den tijd van de fietsendiefstal, twee fietsen voor hem en zijn maat beschikbaar, waarmee zij adressen voor onderduikers in de buurt afreden. Voor zijn terechtstelling trachtte de Abwehr nog hem uit de vingers van de Gestapo te halen. Dat was het eenige menschensoort dat wel een lange afrekening, maar geen zwak voor hem had. Of het zou het bestuur van zijn Communistische Partij moeten zijn, dat hem vreesde wegens anarchistische denkbeelden en hem verfoeide om zijn bohémien-allures. Die vrees dateerde nog uit den tijd dat hij als snuggere arbeidersjongen van negentien jaar de eerste machine stil zette bij de textielstaking in Twenthe, die
| |
| |
twintig weken duurde. Doch nauwelijks werd Rusland in den oorlog betrokken of Pam werd aangezocht de illegale drukkerij van de partij te organiseeren.
Zoolang ik hem kende, een jaar of twaalf, ben ik het nooit met hem oneens geweest. Behalve over ‘de “groote lijn” waaraan men vast moet houden, want wat de partij doet is altijd welgedaan.’ Deze religieuze zelfmoord, die de meest misdadige middelen heiligt, heb ik nooit geaccepteerd en zeker niet van de keurcollectie imbecielen waaruit communistische partijbesturen worden samengesteld.
Maar Pam kan ik mij in dat tweede oorlogsjaar moeilijk anders voorstellen, dan altijd hollend voor de trein. Nooit tijd hebbend om te eten. Altijd klaar staand voor anderen die in den klem zaten of op een of andere manier moesten onderduiken. Een van die menschen die deze dingen deed, zonder erdoor verknoeid te worden. Geen zweem van aanstellerij of gewichtig-doenerij, zooals in die atmosfeer onvermijdelijk scheen. Hij bleef zichzelf, ongegeneerd, goedlachsch en trouwhartig en als het even kon, toch wel graag een glas bier drinkend, waarbij hij met een goed verhaal voor den dag kwam.
‘Je kunt iets voor me doen!’ zei hij tegen me toen ik hem eens in de Vijzelstraat ontmoette. De eerste razzia's op Joden waren aan den gang.
‘Ik heb voor Zaterdag een blanco persoonsbewijs noodig,’ zei hij, alsof hij om een schilderij vroeg.
| |
| |
Denzelfden middag zaten wij in de binnenkamer van den gereformeerden dominee van het eiland Marken, een robuste man, geen vriend van de bezetters. Hij vond het een netelige kwestie en wilde niets beloven. Den volgenden dag lag het ding in den kunsthandel van mijn vriend Reinier.
De dominee had op het raadhuis ingebroken. De dokter van het eiland had op den uitkijk gestaan. De tien geboden werden door de zonderlinge grillen van den bezetter op losse schroeven gezet.
Niet altijd verliepen de dingen, die Pam mij vroeg, florissant. Wat later zat ik op een bovenhuis in een bladstil straatje in Alkmaar tegenover vriendelijke burgermenschen op leeftijd, waarvan ik het adres had opgekregen. Of ze alsjeblieft een joodschen jongen in huis wilden nemen, waarvan de familie was weggevoerd en die voorloopig den dans ontsprongen was. Ik kreeg een kopje thee en de vriendelijke menschen zuchtten diep over de ellende die losgebroken was. Ze hadden ook plaats, dat was het niet. Maar de oorlog kon nog wel zoo lang duren. Dan zat je er aan vast. Als men iemand nam, kon men hem niet meer op straat zetten. Het rook er erg zindelijk en de meubeltjes stonden strak op hun plaats. Wat ze zeiden was trouwens waar en de vriendelijke grijze dame was vol deelneming. Maar eensklaps kreeg ik het gevoel of ik die rustige menschen een stofzuiger zat aan te praten.
Toen ik op straat liep en diep ademde, zegende ik het lot dat mij van een arische moeder voorzien had. Jarenlang in zoo'n keurige benauwdheid begraven te worden, leek mij het ergste van alles.
| |
| |
Pam bracht den jongen onder bij arbeiders in Den Haag.
Ik bleef hem assisteeren en langzamerhand kreeg ik iets overtuigends in den betoogtrant. Soms schoot ik ondanks alle triestheid in den lach om het vreemde feit dat de bezetters mijn egocentrisme hadden verstoord en mij tot menschenredderige bezigheden hadden gebracht. De wereld stond op zijn kop, dominees werden inbrekers en ik werd in de zeer ongewone positie van mijn broeders hoeder geplaatst. Om dat moreele gevoel, dat ik altijd verafschuwd had te bestrijden, verdween ik in Amsterdam maar in een of andere kroeg ter restauratie van het evenwicht. Het hielp weinig. Op een gegeven moment stond Pam met zijn onweerstaanbaren noodlotsglimlach toch weer achter mij en fluisterde mij in het oor: ‘Je kunt iets voor me doen!’
En al was ik dikwijls bang dat het wel eens niet goed zou afloopen, ik was nog banger hem dat te laten merken.
|
|