| |
| |
| |
II
Waarom stapt het eene individu gehoorzaam, het andere ongehoorzaam de wereld in? Tegenover dit probleem werd ik den eersten dag op school geplaatst. De meester kwam de klas binnen, trok de ramen dicht en stak, met de hoed op het hoofd, een aanvankelijk vriendelijk klinkend verhaal af over de noodzakelijkheid van orde en rust. Maar tegen het eind van zijn introductie in die nieuwe wereld klonk in zijn woorden de nauwelijks verholen dreiging door, dat wie niet hooren wilde zou moeten voelen.
Zoo werd mij het probleem van de macht op mijn zesde jaar gesteld. Ik had opgemerkt dat na de zoetsappigheid in den aanhef van 's meesters toespraak een veelbeteekenend lachje zich om zijn knevel nestelde. Het miste zijn uitwerking niet op mij. Ik nam het vèrstrekkende besluit op die uitdaging in te gaan. Niets leek mij sindsdien verleidelijker dan de spot drijven met hen, die van tevoren aankondigen, dat er met hen niet te spotten valt. Met hart en ziel verkoos ik, in dit leven te moeten voelen. Weliswaar vermoedde ik, dat wie wel hooren wil een geëffender pad tegemoet ging. Maar ook, dat men daarbij afstand deed van een bron van veel amusement. Die schuilt in het lachen om
| |
| |
strenge mannen, in het zich meten met hindernissen en in het omzeilen van de vangarmen van de macht.
Het wantrouwen, dat ik bij de prille kennismaking met de macht koesterde, ging later over op het vaderland. In dat woord zit voor mijn gevoel een te veel aan plechtigheid. Het klinkt te gedragen en te gezwollen. Niet eens pathetisch, daar is het te log voor. Waarschijnlijk raakte ik voor dit groote woord zoo erg op mijn qui-vive door de soort van ernstige burgermannen, die bij alle herdenkingen en op nationale feestdagen zoo onbeschaamd zwetst over ‘onze dooden’ en ‘niet te vergeefs’, alsof zij dat kunnen beoordeelen. Ook ‘pal staan’ voor de driekleur heeft mij steeds een liefhebberij geleken voor bijzonder primitieve zielen. Zooiets doet men niet eens voor den denker van Rodin, die een toch wat verhevener symbool uitdrukt dan onze geografische en historische beperktheid.
Wel ben ik er van overtuigd, dat met een vlijtiger uitoefenen van de functie, die dit beeld voorstelt, vaderlanden al lang op de mestvaalt der geschiedenis waren afgelegd. Mooglijkerwijs ten displeziere van de vele vibreerende sprekers over de ‘dierbare dooden’ op nationale hoogtijdagen. Maar zeker ten pleziere van die dooden in de toekomst. Want onweerlegbaar lijkt mij het woord van den ouden Léautaud, dat het eerste vaderland op aarde het leven is. Ik ben aan dit leven gehecht, meer dan aan welk vaderland. En nooit was ik zoo aan het leven gehecht, dan in den toestand van de
| |
| |
woede der vaderlanden, die oorlog heet. Toen de paden niet geëffend waren.
Ik was geen vriend van de bezetters, die in 1940 binnenrukten. Ik had ze bestreden in de straten van Berlijn, voor ze in 1933 de macht veroverden. Het walgelijkste, het wreedste en het domste dat de toch al niet florissante macht uitdrukt, was in hen gepersonifiëerd. Maar ik kan mij niet blijvend met de atmosfeer van de walging bezighouden en in 1933 was ik teruggekeerd naar Parijs, waar ik voordien woonde. Ik was neergestreken op een zolderkamer van het Quartier Latin. Behalve de wapenknechten die Europa altijd verontreinigden, zijn er ook Tristan Corbière en Diderot, Stendhal en Montaigne geweest, die het leven draaglijk maken. Al wist ik dat die verschansing in de lectuur slechts uitstel van executie was. Het vaderland, Holland beteekende voor mij 75% grasland en 25% reactionnairen. Het grasland blijft altijd groen en de reactionnairen blijven altijd reactionnair. Toch waren er twee dingen, die mij bij een verblijf steeds met Holland verzoenden. Het uitzien naar den horizon over de grijze Noordzee en het slenteren langs de grachten van Amsterdam. Nog zijn daar heele rijen boomen langs het water die, wanneer ik ze in den avondwind zie bewegen, de meest grimmige gedachten onderbreken en mij stil en peinzend maken. Maar mijn hart blijft trekken naar het slordige, doch levendiger zuiden.
Gedurende een verblijf in Holland brak de oorlog
| |
| |
uit en bleef ik hangen. Alsof het in de lucht zat, geraakte ik eveneens in een oorlog verwikkeld. Weliswaar van anderen aard, dan die van wapenfeiten en tankslagen. Maar die mij veel meer in beslag nam. Mijn hartsvriendin, die zich aanvankelijk tot mij aangetrokken voelde om mijn ongehoorzaamheid in dit bestaan, had, nadat zij eenige jaren veel liefs doch nog veel meer leed met mij deelde, de practische consequenties van ongehoorzaamheid niet aangekund. Met een bittere bevreemding moest ik vaststellen, dat een vrouw door de natuur met een ander vermogen tot het incasseeren van aardsche moeilijkheden is uitgerust, dan de man.
In mijn gevoelsleven overstemde die wreede ontdekking in het begin verreweg de deernis met het vertrapte vaderland, dat onder de bezetters zuchtte. Voor het eerst van mijn leven vestigde ik mij in een dorp in het grasland en kwam ik daar bij het uiten van een overvol gemoed verder dan een eerste hoofdstuk. Of het kwam door het voorgevoel dat het lot mij daar binnenkort niet meer de kans voor zou geven, of door het besef dat ik in dit leven toch nog iets anders moest hebben verricht dan tegenspreken, weet ik niet meer. Het is heel goed mogelijk, dat ik door geen ander verlangen werd bezield, dan mijn vriendin zoo tastbaar mogelijk vóór mij te zetten nu ik haar onherroepelijk was kwijtgeraakt. Ik schreef of de duivel mij op de hielen zat. Binnen een maand was haar portret klaar. Overigens niet tot haar genoegen.
In de leegte, die volgde op die ongewone inspan- | |
| |
ning, begon het tot mij door te dringen dat het land bezet was en op iedere honderd meter een bord met ‘verboden’ stond. De dierbare Parijsche café's, die ik uit het verleden gedurende het schrijven opnieuw beleefd had, waren voorbij.
De wereld, waarin ik overeind moest krabbelen, zag er afstootend uit. Aan de ronde tafel van het rustige dorpscafé zaten nu de doffe tronies van de bewakers van het naburige concentratiekamp in luide gesprekken bijeen, het onheilspellende doodskopembleem op den uniformkraag.
Om het gevoel van leegte, waarin ik ronddobberde, te overstemmen, had ik op een avond in eenige landelijke slijterijen het een en ander gedronken. Toen ik daarna die dorpsherberg binnentrad, nam ik plaats aan de tapkast, om mijn baloorigheid wat robuuster te bestrijden. Niet beseffend, dat als men den eenen strijd wegdrinkt, men een goede kans maakt in een anderen verzeild te raken.
Terwijl ik mij aan die bezigheid overgaf, klonken de stemmen van het bewakersvolk aan een naburige tafel mij luide in de ooren. Zij sneden op over den veldtocht in Frankrijk, waaraan zij hadden deelgenomen en waarbij alles zoo snel en zoo glad was verloopen. De gedachte dat die plompe dikdoeners nu ook de Parijsche cafés ontsierden, ergerde mij nog meer, dan hun aanwezigheid hier. Een ergernis, die door den drank die ik nuttigde voortdurend aangroeide. Zoozeer, dat ik niet kon nalaten, mij in het gesprek te mengen.
‘Als de Franschen hun Maginot-lijn tot zee hadden doorgetrokken, was alles niet zoo snel en zoo glad
| |
| |
voor jullie verloopen,’ zei ik ineens, terwijl ik mij naar het gezelschap omwendde.
Daarop ontwikkelde zich een twistgesprek dat in scherpte toenam, naarmate zij hun militaire voortreffelijkheid roemden en ik die in twijfel trok. De boeren naast mij aan de tapkast gaven mij den wenk maar liever te verdwijnen. Doch ik wist van geen ophouden en voelde mij niet overtuigd door de argumenten van de tegenstanders. Tot één plotseling opsprong en mij toebrulde:
‘Aber du, du bist ein Jude.’
Door den vettigen klemtoon dien hij hoonend op het laatste woord legde, vond ik het noodig duidelijk voor den draad te komen.
‘Selbstverständlich!’ zei ik heftig, ‘und ich bin stolz darauf!’, meegesleept door die uitzonderingstoestand, die mij tenminste van dat canaille onderscheidde.
In de hitte van den twist realiseerde ik niet eens dat ik maar halve waarheid sprak. Wat ging het trouwens die kerels aan. Ook besefte ik op dat ongewone moment niet waarom ik mij met zoo'n grimmig welbehagen ineens ontpopte als deelgenoot van een nog niet bestaande natie. Misschien omdat zwervers en vervolgden altijd meer mijn sympathie hebben, dan vaderlanders en beulen. De drank verdubbelt die voorliefde hoogstens. Bovendien was het oorlog, waarin het eerste het beste zotte incident ons dingen laat zeggen of doen, waarmee wel rechten van groepen gemoeid zijn, doch die met ons wezen weinig te maken hebben. Gaat men in die bombast gelooven en dat doet men met
| |
| |
drank, dan is men aardig op weg een vurig patriot of een goed vaderlander te worden. Wordt men in een sfeer van idioten betrokken, dan zal men met vuur en overtuiging bijzonder idiote dingen zeggen. Want waarom wel trotsch op het jood zijn en niet op het hottentot zijn of op het laplanderschap. Dat zijn toch zeker aardige en paisibele volkjes.
Ik dank het aan de tegenwoordigheid van geest van een boer in die herberg, dat ik dien nacht op zijn hooiberg in plaats van in het concentratiekamp bivakkeerde. In de verwarring die na de bekentenis tot het jodendom ontstond, had die man, voor wien het gemis van de bekoring van de Parijsche litteraire cafés niet meer beteekende, dan voor mij de geheimen van de verzorging van den veestapel, kans gezien mij uit de herberg te laten verdwijnen over zijn aangrenzend grasland. De hooiberg, dien hij mij aanwees, was met gaas afgedekt, waardoor ik mij niet kon ingraven. De koude Decemberwind die over de velden blies, droeg er toe bij, dat ik spoedig ontnuchterde en mij bewust werd op een dwaze manier het lot te hebben getart. Men gaat niet met den beul over de kwaliteit van zijn vak discussieeren. En dat alles, omdat ik ondanks het schrijven van dat boek nog steeds niet van mijn vriendin bevrijd was.
Zooals ik daar met mijn rug op het gaas, naar de kap van den hooiberg lag te staren, voelde ik mij alleen maar een koud en rillerig mannetje, omgeven door een uitgestrekte duisternis die reikte van Noorwegen tot Spanje, waarin het verdere leven mij een netelige en ingewikkelde aangelegenheid
| |
| |
toescheen, hoewel ik het ook zonder de vriendin bijzonder liefhad.
In den vroegen ochtend haalde de boer, een bedaarde en rustige man, mij binnenshuis. Hij gaf mij warme koffie en brood en vertelde, dat de bezetters het dorp hadden afgezocht in de veronderstelling, dat ik een spion was. Het leek mij nogal vreemd. Een spion, die zoo vlijtig aan Bacchus offerde en zich daarbij zoo blootgaf als ik had gedaan klopte niet met de voorstelling die ik er van zulk een behoedzame en zorgvuldig afgerichte slimmerik op nahield. Maar ik begreep dat het raadzaam was zoo vlug mogelijk de hielen te lichten. Geluk herhaalt zich meestal niet spoedig. Al was ik het eerste half en het tweede heelemaal niet, als jood en spion, in dit vlakke grasland blijven ronddwalen, beteekende een reeds bij voorbaat geaccepteerde sollicitatie voor het naburige concentratiekamp.
De boer bracht mij op een achterweg door den polder en ik nam ontroerd afscheid van den man aan wien ik dankte, dat ik nu tenminste langs den berm van den weg om het knarsen van het grind te vermijden, door de nog donkere velden op weg naar de stad kon tijgen. Want, zooals een levenslustige teekenaar mij eens verzekerde: een levende hond is meer dan een doode kardinaal.
Zij, die heden niet weten, hoe en waarvan zij morgen bestaan en zich daarom ook niet bijzonder druk maken, aangezien de ervaring opgedaan bij de vreemde wandeling over de aarde, hen geleerd
| |
| |
heeft dat men niet spoedig verhongert, zullen nooit de beste vrienden worden van de burgers van den staat. Die nijvere mieren, die met een strenge en regelmatige levenswijze hun zekerheden en hun moraal benevens de daaraan gepaard gaande vooroordeelen hebben opgebouwd.
Het is den vlijtigen burger een doorn in het oog, dat er een schare zonderlingen in het land rondloopt, die er op los leeft zonder god of gebod en die in plaats van vlijtig mede op te bouwen aan de toekomst van het land, den kostbaren tijd verdoet met droomen, het bij elkaar hokken in rookerige café's, het schrijven van gedichten of het maken van schilderijtjes, die niet eens voldoen aan de natuurgetrouwheid van de geïllustreerde prentbriefkaarten, die men in zijn huis heeft hangen. Toen ik dat tweede oorlogsjaar in Amsterdam terugkeerde, herkende ik de burgerij nauwelijks. Haar gevoel van onaantastbaarheid had een flinke deuk gekregen en zij kwam mij milder voor dan ik haar ooit had gekend. Haar zekerheden waren ineengestort en haar toekomst, die zij altijd zoo veilig had gewaand, was op losse schroeven komen te staan. Voor zoover zij niet collaboreerde, hadden de bezetters haar de macht uit handen genomen.
Het leek mij toe, of het ontheven zijn van die verantwoordelijkheid haar menschelijker had gemaakt. Of de rampspoed haar vooroordeelen had getemperd. Zij kocht zelfs schilderijen. Niet omdat zij die eensklaps mooier vond dan de prentbriefkaarten van de Rijnreis of het Alpengloeien. Maar als belegging vanwege de onzekerheid van
| |
| |
het geld. Ook was zij geneigd voorschotten te verstrekken op manuscripten, die nog niet geschreven waren.
En de droomers, de negatieven en slordige paria's? De wereld die ineenstortte was nauwelijks de hunne geweest. Een onzekere toekomst hield voor hen geen verschrikking in. Hun eenig bezit was, dat zij er eigen gedachten omtrent dit bestaan op na hielden. Vroeger waren die in smeulend conflict geweest met de eigen burgerij. Nu was er iets grooters opgedaagd om te verachten en te bespotten. Waarin zij de kwalijke eigenschappen van de macht op een heel wat plompere, weerzinwekkender en oneindig arroganter wijze herkenden. Daarom bestond bij de paria's geen leedvermaak ten opzichte van de vernederde burgerij. Hoogstens het gevoel van deernis, dat hen deed denken: ‘Misschien steken zij er iets van op!’ Maar zij hebben er niets van opgestoken.
Ach, die zonderlinge en onbezorgde bohème van Amsterdam, waar ik na het verblijf in het grasland in verzeild geraakte. Dat groezelige en veelgesmaadde volkje rondom het Leidsche Plein.
Dat dronk en spotte, doch iedere vierkante meter van de duisternis uit het hoofd kende. Dat slag van slechte belastingbetalers dat revolteerde en persoonsbewijzen vervalschte. Dat huisde en liefhad en liet onderduiken op geduldige zolders van oude grachtenhuizen in de binnenstad.
Dat de verboden niet alleen overtrad, maar ze met enthousiasme negeerde. Dat uniformen en wapens
| |
| |
stal en samenzwoer onder de oogen van de grijpgrage bezetters en hun trawanten. Dat schreef en schilderde met hoop en vertwijfeling en feestvierde tot diep in den nacht, want de ochtend kon den dood brengen. Dat te porren was als iemand in gevaar verkeerde. Dat met hartstocht en aanleg saboteerde, maar nooit aan heldendom en vaderland had gedacht.
Toen de heer Colijn ernstig rekening met de nieuwe orde hield en de heer De Geer het moede hoofd uit Engeland in de schoot van de bezetters kwam leggen. Toen zooveel indrukwekkende steunpilaren van de maatschappij er toch wel iets in zagen of met de bezetters collaboreerden.
Doch onder dat vage volkje van bohème, hoeveel gezichten die ontbreken, hoeveel stemmen die zijn verstomd. Eerst de café's in bezit genomen door zwarte-handelaren, daarna hun atmosfeer definitief verstoord door de namaak uit den middenstand, die na den oorlog omhoog kwam. De overlevenden verwaaid en verdeeld in de twee bitter vijandige kampen van 1950.
|
|