| |
| |
| |
| |
| |
| |
I
Soms verlang ik naar den oorlog terug. Niet om de slachtoffers die hij kostte of om het vuurwerk en het gekraak van de bombardementen. Evenmin was ik zoo'n flink soldaat. Het is de vraag of het schieten op den vijand mij wel goed was afgegaan. Toch ben ik geen pacifist en een gevecht van man tegen man ging ik nooit uit den weg. Het ontbreekt mij nog steeds niet aan strijdvaardigheid en er zijn opticiens in de stad die daar van weten.
Maar het vechten in massaal verband als men zijn tegenstander niet uitkiest, dat onpersoonlijke gedoe van de gemechaniseerde kudde, waarbij niet gevraagd wordt of men op 't moment van de botsing wel echt kwaad is en men slechts commando's heeft op te volgen, daar kan ik mij moeilijk in voorstellen.
Weliswaar stond ik den afgeloopen oorlog eenige keeren bepakt en gezakt klaar om naar een of ander strijdtooneel te worden verscheept. Doch op het laatste moment, toen ik al temidden van de medekrijgers stond aangetreden, bleven de inspecteerende officieren voor mij staan, keken elkaar aan, schudden het hoofd en viel ik steeds weer als een nutteloos wezen uit de oorlogsmachinerie.
Daarom was het achteraf bezien, niet de slechtste
| |
| |
oplossing, dat ik het in dit vak nooit verder bracht dan de door mij zelf gecreëerde, overigens nederige, doch onomschreven functie van krantenjongen in een stoffig militair kamp in Engeland. Ik ben er van overtuigd, dat mijn persoonlijke vrijheid daar grooter was dan die van menig brigadier-generaal. Voor het ochtendappèl had ik het prikkeldraad van het kampement al verlaten. Ik kocht de kranten in de stad, las de ‘Times’ en de ‘Manchester Guardian’ in een soldatencantine of in het zeemanshuis bij een kop thee en maakte een praatje met de burgers van Cardiff op weg terug naar de bus. Met dat pak kranten onder den arm of op den rug behoefde ik geen meerderen te groeten.
In de cantine van het kamp spreidde ik den stapel naar gelang de titels op het groote snookerbiljart uit en legde mijn soldatenpet in het midden. Met het aanbreken van het kwartier rust stormden de soldaten binnen, stortten zich op de kranten en een ware regen van pennies streek in mijn pet neer. Ik zat er op een vouwstoeltje bij, rookte een sigaret en keek toe. 's Avonds dronk ik van de verdiensten, die deze bezigheid opleverde een stevig glas mild and bitter in een van de druk bezette pubs van de Queen Street, die gonsden van het geroezemoes der zeelieden in vele landstalen.
De eenige keer, dat men mij een geladen geweer in handen gaf, moest ik de imposante taak van militairen politieman uitoefenen. Men versierde mij met een rooden band om de pet en om den arm, waarmee ik er kwaadaardiger uitzag, dan ik ooit
| |
| |
bedoeld heb. De gevangene, die ik in de dententiebarak te bewaken kreeg, was een cockney van de Royal Artillery, die met Montgomery in de woestijn had gevochten en daar met een deerlijk gehavend gelaat uit terug was gekomen.
Hij had er na al die jaren geen zin meer in en verwijlde, nu de oorlog toch al voor drie kwart bekeken was, liever bij zijn vriendin in Londen. Ik vond het een zotte vertooning, dat het lot mij voorbestemde, bij dezen man de altijd vernederende rol van cipier te vervullen. Met die afschuwelijke roode banden om mijn pet en mijn arm, waarmede ik mij diep ongelukkig voelde.
Door het tralieluik in de deur tusschen zijn cel en de wachtruimte was ik met hem in gesprek geraakt. Al pratend vond ik het een voortdurend scheevere verhouding dat ik als melkmuil in het heldenbedrijf op dezen geteekenden oudstrijder moest passen. Uit compensatiebehoefte gaf ik mijn slachtoffer het reisgeld naar Londen en zette, nadat ik mij er van overtuigd had dat de kust veilig was, de deur van het gevang wijd voor hem open. Toen ik het waarschijnlijk oordeelde, dat hij ver genoeg uit de buurt was, begaf ik mij opgelucht naar den dienstdoenden majoor en dischte hem een verhaal op over de verschillende aspecten van den strijd om de vrijheid. Doordat mijn losgelaten cockney er de hoofdrol in speelde, werd het verhaal weldra zoo ingewikkeld, dat noch de majoor, noch ikzelf er een touw aan konden vastknoopen en zeker niet meer wisten aan welke kant van het touw nu resoluut getrokken moest wor- | |
| |
den. Zonder den verheven toon waarop dit gesprek begon, wreed te verstoren, kwam de aap ten slotte uit de mouw met den rooden band.
De majoor streek met den duim over zijn kin en verzuchtte:
‘You are putting me in a horrible position!’
De omgang met Engelsche officieren, had mij tot dusver geleerd dat wanneer men rustig en vriendelijk zijn denkbeelden over het leven uiteenzette, - hoezeer die ook afweken van de voorschriften van het militaire bestaan - men meestal op eenig gevoel van humor en begrip voor de situatie stuitte. Zoo ging het ook ditmaal en zonder veel misbaar kwamen wij overeen dat ik op grond van mijn karaktereigenschappen, die gevormd waren op het moment dat ik in den militairen dienst kwam, voortaan van de mij zoozeer tegen de borst stuitende taak van militairen politieman verschoond zou zijn. Daar bleef het bij.
Wanneer ik naar den oorlog terugverlang, is het niet uit behoefte naar de een of andere onvermijdelijke, misschien heroïsche maar in wezen altijd zinlooze mechanische bezigheid. Veeleer om andere redenen. De menschheid schijnt zich pas in een toestand van oorlog te realiseeren, dat het leven op aarde een uiterst fragiele onderneming is. Waarin de zekerheden van het bestaan, die gedurende de argeloosheid van de vrede zoo rotsvast verankerd lijken, bij de gratie van de minuut in het niet kunnen verzinken.
De gestroomlijnde jungle, die men in vredestijden
| |
| |
‘onze beschaving’ noemt is losgebroken buiten de geëffende paden van wet en fatsoen en niets van de jungle is ons vreemd. Als vernuftige monsters vernietigen wij elkaar uit de lucht, onder zee, in steden en velden. De dood, in vredestoestand door velerlei liefderijke en sociale zorgen als een melaatsche op afstand gehouden, is plotseling onze dagelijksche schaduw. In ieder huis, bij iederen hoek van de straat. De horizon wordt de kamerwand, het prikkeldraad en de puinhoop. Het bombardement en het luchtalarm, de dagelijksche melodie. Hoe laag hangt de lucht, waar alleen onraad uit te verwachten valt, als een bevuilde lap boven onze angst en vrees. Zelfs de sterrenhemel, dit rustpunt op de avondwandeling, wordt door spookachtige zoeklichten van zijn glans beroofd.
En toch leeft in dien benarden en gefolterden mensch de hoop. De hoop op wat? De hoop op de hypocrisie van den nieuwen vrede. Hij was met zoo weinig tevreden, die bedreigde junglemensch. Nooit waren zijn gedachten zoo nobel, nooit was hij zoo mak en bescheiden als bij de dreiging van den dood, onder het gieren en fluiten van de bommen. Als het maar voorbij was! Nooit meer zou hij met effecten zwendelen of een hongerig man in de kou laten staan. Al de dingen die hij zich eens had voorgenomen en nooit volvoerde, kwamen hem bij het vallen van de bommen rondom, voor den geest. Nooit meer zou hij een dozijn pakken in de kast hangen en zijn kelder volstouwen met gehamsterde heerlijkheden. Ach, nog eenmaal met de geliefde wandelen, hand in hand onder een stillen hemel of
| |
| |
aan zee uitzien naar den horizon. Als het maar voorbij was!
De onzekere junglemensch was zoo beroerd niet in die dagen. Hij vroeg niet aanstonds naar familie en confessie. Hij nam zelfs wel een onderduiker in huis of hielp een bedreigd man verder. En zijn bezit zat aanmerkelijk losser in den zak dan gedurende de weldadigheid van den vrede. Waar hij zich nimmer mee beziggehouden had, werd door de realiteit een dagelijksch probleem voor hem: vrijheid. Nooit zou hij meer aan anderen onthouden, wat hem zelf zoo dierbaar toescheen. En op momenten, waarop hij zich los wist te maken van de drukkende bedreiging, hoeveel lichter woog de duisternis dan nu met alle lichten aan. Hij las zelfs boeken, waar hij in gewone doen geen tijd voor had. Hij was dieper over zichzelf gebogen en deed soms een verrassende ontdekking. Daarom was een wildvreemd man niet die onverschillige voorbijganger, die hem thans op straat voorbijschuift.
Wanneer ik naar den oorlog terugverlang is het omdat de gekwelde junglemensch uit die dagen mij dierbaarder was, dan de gerestaureerde burger, die weer onverschillig door het leven schrijdt. Een handdruk kon voor het laatst zijn. Een tocht over straat was hindernis en een daad beteekende gevaar. De holle frazes, waar de vrede zoo vol van is, waren verboden. Die van de verbieders een dagelijksch amusement. Weinig woorden waren genoeg, maar hoeveel zwaarder wogen zij. Men
| |
| |
herkende een makker aan een gebaar, aan een oogopslag, en de sympathie was hoorbaar in het zwijgen.
Dat is nu allemaal heel anders. Men kan weer overal loopen waar men wil. De horizon ligt wijd open aan zee of buiten de stad, maar men ziet hem zoo zelden. Een handdruk is er één uit velen. Een ieder behoort opnieuw zijn plaats te weten. En een daad is heel aardig, maar wat verdient men er mee? Arme menschen zijn er altijd geweest en zullen er altijd blijven. De vrijheid, daar moet men respect voor hebben. Zoo eenvoudig is dat niet. Het is een mooi ding voor beschaafde menschen, doch twee politiëele acties mogen er ook zijn. Ten slotte gaan orde en rust boven alles. Bij ons is dat iets heel anders dan bij Duitschers of Japanners. Handel en industrie kunnen niet eeuwig blijven treuren. De 4de Mei hangt de vlag halfstok, laat dat voldoende zijn! De holle frazes zijn teruggekomen. Een gezond volk wil een gezonde pers, dat houdt niemand tegen. Schreef men in de dictatuur naar den wansmaak van de leiders? Een goed democraat schrijft naar den wansmaak van het publiek.
Tusschen den middag zit ik dikwijls in het oude café aan de breede straat, waar de dagbladen gevestigd zijn. Aan een klein tafeltje waar twee personen kunnen plaats nemen, van wie ik meestal de eenige ben. Aan dit tafeltje denk ik aan den oorlog terug.
Voor den oorlog kwam in dit café een gezelschap,
| |
| |
dat aan de tafels bij het raam plaats nam, genever bestelde en luidruchtige maar levendige gesprekken voerde over fransche litteratuur. Zij werkten - behalve ikzelf - aan dagbladen, maar dat was iets bijkomstigs en nauwelijks het onderwerp van een gesprek waard.
Sommigen van hen zijn in eer en ambacht gestegen, één heeft het met de bezetters gehouden, anderen zijn dood. Ik geloof, dat ik de eenige overblijvende van het gezelschap in dit café ben en ik werk nog steeds niet aan dagbladen. Sinds het voetbalspel de fransche litteratuur definitief verdrong, hoor ik daar minder dan ooit thuis.
Omdat een dag zonder gepeins in een café geen dag voor mij is, blijf ik toch in dit ouderwetsche café komen, houd bij gebrek aan een opponent een gesprek met mijzelf of staar door den tabaksrook en het geroezemoes der stemmen naar de voetgangers en de voorbijrijdende trams, die boven de gazen horren voor de ramen op straat zichtbaar zijn.
Andere lieden, die met de pen omgaan, hebben de plaatsen van het oude gezelschap ingenomen. Zij drinken minder genever. Zij groeten mij vriendelijk en vragen mij soms aan hun tafel plaats te nemen. Doch hun gesprek wordt voornamelijk gevuld door herkauwde mopjes uit amerikaansche bladen. Omdat mijn aanwezigheid aan hun tafel mij tot een aandeel in het gesprek verplicht, waag ik soms een woord. Dan kijken zij mij aan of ik een individu uit een andere wereld ben, of iemand zegt: ‘Als je dat in de krant zet verlies je adver- | |
| |
tenties en krijg je booze brieven van abonné's.’
Verder spreken de nieuwe mannen in dit café over de film en de radio, over goede slagzinnen voor reclame, over het nieuws en hoe dat gebracht moet worden. Als rekenmeesters overleggen zij wat het bij het publiek kan doen. Wat het bij het publiek doet is welgedaan meenen zij. Ik ben het daar niet mee eens en staar over de blauwe horren maar weer op straat.
Vroeger bij het oude gezelschap, kwam men in een gesprek voor den dag met iets dat men mooi of de moeite waard vond, geraakte daarover in vuur en schreef daarover. Maar wie geraakt er nu nog in vuur? Daarom zit ik tegenwoordig liever alleen.
Soms aan het kleine tafeltje in het oude café verlang ik naar den oorlog terug. Toen was er geen publiek en er waren geen dagbladen. Als men tenminste de lorren die bleven verschijnen dien naam niet wil geven. Wel waren er eenige kleine geschriften, die tegen de macht en tegen het publiek schreven. En men dacht niet aan adverteerders, die toch collaboreerden of aan booze abonné's, die toch de bevelen van de bezetters opvolgden en in het andere land gingen werken.
Nu zijn die kleine opstandige geschriften erkend en groote dagbladen geworden. En zoodra de hindernis in het schrijven verdween, werden de kranten vlak en eentonig. Zij drukken uitvoerig het voetbalspel en de giganten van de luchtvaart en de reuzen van de beurs en alle holle frazen van weleer. Maar geen fransche litteratuur.
| |
| |
Wanneer mijn junglebroeders van de pen naar hun machinerieën terugkeeren, blijf ik eenzaam achter aan het kleine tafeltje in het oude café en verzucht: ‘Vrijheid, dierbare vrijheid, het is beter naar U te verlangen dan U schamel te bezitten. Wat hadden wij ons van U voorgesteld en wat hebben wij van U gemaakt. Als de West-Europeesche cultuur die wij de onze noemden, dezen zielloozen staat van zaken heeft opgeleverd, is zij alleen maar tot ondergang gedoemd. Wij zijn onze persoonlijkheid aan het uitroeien en het verkwanselen en vluchten in de vulgairste namaak, nog voor de stootbrigadiers van de Sowjet-Russische politie-bourgeoisie ons daartoe dwingen. Verdediging van het Westen. Niets liever. Maar dan moet er iets te verdedigen zijn. Hoe wil men met deze de kool en de geit sparende middenstanders van den geest het Westen verdedigen? Vijf jaar na de bezetting beven zij nog voor bazen en publiek.
En de Amerikaansche broeders? Méér dan dollars en kanonnen hebben wij noodig, dat wij ons ontdoen van den geest van serviliteit. Europa heeft altijd goed gevochten voor het vrije en afwijkende woord. Als wij dat op den geest van bedienden terugveroveren, spelen wij het met de Russische politietroepen zeker klaar. Want geen enkel politiesysteem, al spreekt het uit naam van den onderdrukten arbeider, terwijl het hem in werkelijkheid cynischer onderdrukt dan waartoe zelfs Wall Street ooit in staat was, zal zich blijvend handhaven.’
| |
| |
Wanneer ik zoo eenigen tijd mijn gedachten heb laten steigeren aan het kleine tafeltje in het ouderwetsche café, bemerk ik eensklaps, dat het stil is geworden om mij heen. Ik roep den kellner, die al eenige keeren langs mij is gekomen met een rimpel op het voorhoofd, alsof hij zich zorgen maakt, waarvan ik nu eigenlijk besta, en verdwijn.
In de frissche buitenlucht opkijkend naar de machtige courantengebouwen besef ik plotseling de nietigheid van mijn slordige gedaante tegenover het probleem, dat dit leven zooveel plezieriger zou maken: ‘hoe brengt men leven in dit knekelhuis’. En dikwijls als ik aan den dag van morgen en aan de schuldeischers denk, besluipt mij de gedachte: ‘Als ik eens naar binnen stapte. Een half kolommetje volschrijven een paar maal in de week, waar zelfs geen half-zachte oude tante zich aan bezeert, moest mij toch wel afgaan. Iets leuks, een beetje gapwerk, wat mild en hooggestemd, niet te veel spot en niet te veel scherpte, wat minder persoonlijk en wat minder rechtuit.weert002
Maar dan ben ik het gebouw alweer voorbij en een steeg ingeschoten. Vervloekte ijdelheid van het oude Europeaan zijn! Liever tot op den draad versleten en bezwijken onder schulden, dan afstand doen van wat ik zelf ben. De schaamte tegenover anderen verbleekt altijd bij de schaamte tegenover zichzelf. En het is alsof in de nauwe steeg de bestraffende adem van Tristan Corbière mij in den hals blaast:
Son coeur a pris du ventre et dit bonjour en prose.
| |
| |
Il est coté fort cher... Ce dieu c'est quelque chose.
Il ne va plus les mains dans les poches tout nu.
Ach, de hindernis... Ik licht de deurklink op bij den kunsthandel van mijn vriend Reinier aan de hoofdstraat van de stad en treed binnen. Na alle jaren dat ik hem ken en zelfs na onzen tocht naar Spanje gedurende den oorlog, ontkom ik nooit aan een zekere onhandigheid wanneer ik het parket van den ouderwetschen, statigen kunsthandel betreed. Misschien is er in die atmosfeer voor mij iets blijven hangen van het respect, dat Reiniers vader mij inboezemde. Een imposant man met een barsch voorkomen, die hier vroeger met een luide en agressieve originaliteit, de jeugdige bezoekers onder vuur nam.
Als Reinier, die in uiterlijk en in doen en laten zoo geheel en al met dien vader contrasteert, naar voren komt, beginnen wij een gesprek over de dingen van den dag, die ons dwars zitten en de lectuur die ons bezig heeft gehouden.
Onze gesprektoon is gelaten. Reinier verbaast zich evenmin langer over het feit, dat er geen schilderij wordt verkocht, als ik verwonderd ben dat mijn stukken onoverkomelijke bezwaren voor publicatie opleveren.
Wij staan daar gedetacheerd van gedachten te wisselen alsof het wereldgebeuren ons nog maar zijdelings aangaat en kijken intusschen door de vitrage achter de uitstalruimte naar het publiek, dat door de hoofdstraat voorbij golft. Het gewone publiek van 1950 van een hoofdstad in West-Europa.
| |
| |
Verarmd, verslagen en verstild. Al kunnen wij het niet meer benaderen en staan wij terzijde, wij hooren er bij.
Soms vragen wij ons af, of het niet beter is maar een eenvoudig handwerk te kiezen. Zooals deze anonieme voorbijgangers uitoefenen.
Tot een van ons beiden verzucht:
‘Die tocht naar Spanje was tenminste iets!’
En de ander een detail aansnijdt. Het is alsof onze stemmen eensklaps levendiger worden en ik vrijer op het parket van den kunsthandel heen en weer loop. Situaties schieten ons te binnen, menschen onderweg doemen voor ons op en momenten van angst. Al ging het om leven of dood, wij hadden ons lot in eigen handen.
Omdat wij het ons eensklaps realiseeren worden wij stiller. Het is waar, toen hoopten wij nog. Nu wachten wij nog slechts hoe het afloopt. Wij vegeteeren maar verder. Dan zwijgen wij en weer zien wij de menigte voorbijloopen in de grijze hoofdstraat van Amsterdam.
‘Misschien komt die tocht nog wel eens terug,’ zeg ik en neem afscheid.
‘Als de Russen er zijn,’ spot Reinier.
Nadat ik de deur achter mij dichttrek en tusschen de menschen op straat loop denk ik er opeens aan, dat ik na acht jaar nog steeds niet weet, waarom Reinier eigenlijk weg wilde. Twee keer stond hij op het punt om het mij te vertellen. Een keer in het concentratiekamp in Guers en een keer in het gevang in Spanje. Beide keeren ging het over. Ik heb het hem nooit gevraagd.
|
|