| |
[VI]
De commissaris vond adjudant Dijkema in de zitkamer van Dammers achter de schrijftafel, met het hoofd in de handen gesteund en verdiept in een slordig beschreven blocnote. Hij keek op toen zijn chef binnenkwam.
‘Zo iets heb ik mijn diensttijd nog nooit meegemaakt, meneer Van Houthem! Een dagboek van meneer Dam- | |
| |
mers. Kort geleden begonnen en bij tot gisterenavond. Als u het mij vraagt heeft dokter Haringa het goed geschoten, toen hij zei, dat het een geval is voor een psychiater. Die man moet stapel krankzinnig zijn geweest. Ik blijf bij mijn eerste mening, dat Dammers de moordenaar is. Trouwens, wanneer u dit moois zelf hebt gelezen, zal u het met me eens zijn. Is er al een aanwijzing gevonden, dat iemand van buiten is binnengedrongen, meneer Van Houthem?’
De commissaris had een plaatsje gezocht in een der gemakkelijke fauteuils. Hij schudde het hoofd in antwoord op Dijkema's vraag en rookte bedachtzaam, met de heldere ogen gevestigd op de daken aan de overzijde van de straat.
‘Waarom zouden ze ook inbreken?’ ging Dijkema peinzend verder. ‘In een pand als dit kan je je veel gemakkelijker laten insluiten. Het was uitverkoop. Tjokvol overdag en 's avonds de mensen te moe om alles precies na te kijken. Die zijn blij, dat het er weer opzit en haasten zich naar huis. Als ik zo iets moest doen, maak ik me sterk, dat ik zonder dat iemand er erg in had, een hoekje zou weten te vinden om in weg te kruipen. En ik zou er op speculeren, dat ik in de drukte van de volgende dag, de laatste van de seizoenopruiming, ongemerkt zou kunnen wegkomen ook.’
‘En wat zou je hier dan willen stelen?’
‘De brandkast leeghalen! De laden van de kasregisters puilen bij zo'n uitverkoop naar buiten van de bankbiljetten. Na sluiting kunnen ze het geld niet meer overstorten bij een bank.’
‘Waarom heb je dat dan niet gedaan, nadat je die nachtwaker had vermoord?’
| |
| |
‘Omdat ik er niet was! Neen, meneer Van Houthem. Let u op mijn woorden! U vindt geen spoor van een inbreker! Meneer Dammers is aan het malen geslagen en die heeft in zijn abnormale toestand de waker voor een dief aangezien. Of weet ik waarvoor...’
‘Daarvan overtuig je mij alleen, wanneer je me vertelt, waar hij dan het mes heeft gelaten.’
‘Dat zullen we heus wel vinden, al zal het moeilijk zijn in een gebouw als dit een mes te ontdekken, dat wie weet waar is weggestopt. We zullen de hele zaak overhoop moeten halen en dan blijft het misschien nòg zoek.’
‘Hm... Geef mij nu maar eerst dat manuscript en ga jij die meneer Rovers horen. In het bijzonder over de tijden waarop de waker zijn ronden maakte, waar hij zijn vaste plaatsje had, wat voor een soort man hij was, wat hij daar in de hal voor het restaurant te maken kan hebben gehad. Ik blijf hier zitten lezen...’
Dijkema liep, nadat hij met de lift omlaag was gekomen, allereerst, getrouw aan zijn gewoonte om bij alles het naadje van de kous na te speuren, op de werkman bij de deur toe om zich ervan te overtuigen, dat deze zich kon legitimeren. Hij was pas tevreden nadat hem een karweiboekje was getoond, dat de opdracht en de tijd, waarop de smid van de werkplaats was vertrokken, vermeldde. Als een perceel onder bewaking stond, vond de adjudant, diende je geen enkele veiligheidsmaatregel te verwaarlozen, ook al was je er voor jezelf zeker van, dat je de schuldige kende en dat die geen kans zou krijgen de benen te nemen.
Hij vond de chef van de verkoop in het kantoor met een mistroostig gezicht rookkringetjes zitten bla- | |
| |
zen, geheel uit zijn gewone doen. Zeker omdat op de laatste dag van de uitverkoop ruw was ingegrepen in de goede gang van zaken en al het personeel, ongevraagd en onverdiend, met vacantie was gestuurd. Rovers keek nerveus op, toen de grijze rechercheur binnenkwam en op hem toestapte met het air van iemand, die een plaatsje zoekt, waar hij eens even ongestoord een sigaret kan roken. Hij wees Dijkema een stoel, haastte zich hem uit zijn eigen koker te presenteren, herhaalde hardop, wat hij al twintig keer die morgen had gezegd, dat het maar een rare geschiedenis was met die moord. De adjudant knikte bedachtzaam en verwerkte zijn verhoor in het mom van een gezellig praatje. Zo hoorde hij van alles en nogwat over het leven in de Modes Modernes en behoefde niet meer te doen, dan de bereidwillige verteller met een duwtje hier en een vraagje daar, in het rechte spoor te houden.
De adjudant was nog geheel vervuld van de ontboezemingen van Dammers, die hij weliswaar slechts vluchtig had kunnen doorlezen, maar waarvan de saillante punten niet aan zijn aandacht waren ontgaan.
‘Nee,’ zei Rovers met de gewichtigheid van de plaatsvervanger van de hoogste chef, ‘vertrouwelijk was hij met niemand. Drie jaar hebben we nu dagelijks met elkaar opgetrokken, maar je kwam met hem nooit boven het zuiver vormelijke uit. Nooit zou hij eens vragen hoe het bij je thuis ging, of wat je met je vacantie ging doen. De zaak, daar draaide alles bij hem om. Geen wonder, dat hij dik in de pas stond bij de directie.’
‘Zeker erg streng, wanneer het personeel een steek liet vallen?’ peurde Dijkema.
| |
| |
Rovers haalde zijn schouders op en verschoof doelloos een paar voorwerpen op het bureau.
‘Och, er waren natuurlijk een paar dingen, waarop hij fel was. Laatkomers kregen altijd een flink standje en hij lette op de kleding. En mijns inziens liet hij de chefs niet genoeg de verantwoordelijkheid voor hun afdelingen. Hij wil zelf de vinger in de pap houden! Iedere dag gaat hij een paar maal rond en dan houdt hij zijn ogen goed open. Dat geval van laatst bijvoorbeeld. De uitverkoop was pas begonnen. Nu hebben we hier op iedere etage een paar controleurs lopen, die de kopers en de verkoopsters in de gaten houden. Natuurlijk verdwijnt er toch nog altijd wel iets, maar je kunt nu eenmaal maar op één plaats tegelijk zijn. Nou, meneer Dammers wringt zich door de volte in de damesafdeling, hij staat even stil bij een van de toonbanken, hij wenkt de zaalcontroleur en hij laat juffrouw Huizing bij zich in het kantoor brengen. Niemand van ons snapte er iets van. Een gewillig meisie, behoorlijk met het publiek en tòch had ze allerlei dingen weten te stelen. En het mooiste is, dat ze niets uithaalde toen hij haar liet halen. Ze had juist een klant geholpen. Hoe bestaat het?’ Hij keek snel van terzijde naar Dijkema en trommelde met zijn vingers op de schrijftafel.
‘Waarom liet hij het niet bij onmiddellijk ontslag? Ik heb van het geval gehoord, omdat hij er aangifte van deed bij de politie.’
‘Precies wat ik al zei! Waarom moest hij dadelijk de politie er bij halen. We snappen wel eens meer een van de meisjes en dan staan ze binnen tien minuten in de Kalverstraat. Maar daar is de kous ook mee af. En nu ineens... Nu moet ik toegeven, dat hij de laatste tijd
| |
| |
niet zichzelf was. Hij had iets schichtigs. Ik weet niet, hoe ik u dat duidelijk moet maken. Altijd is hij druk in de weer, van 's morgens voor het personeel komt, tot 's avonds laat als iedereen al weg is. Maar het is me verschillende keren opgevallen, dat hij voor zich uit zat te staren achter zijn bureau met zo'n vreemde, afwezige uitdrukking op zijn gezicht. Gisteren belden ze me uit het restaurant, dat hij flauw was gevallen. Als een dronken kerel was hij de voorhal ingezwaaid, recht op dat groepje aan, waar vanmorgen het lijk van de waker lag. Hij zakte in elkaar op de lege stoel, die daar staat. Een van de diensters liep er heen en hij vroeg een glas water. Toen haalden ze mij erbij. Hij zag er uit als een geest en staarde met van die vreemde ogen naar de dummies aan dat tafeltje. Ik bracht hem naar zijn flat en zorgde ervoor, dat hij even ging liggen. Ik trok zijn colbert uit en zijn schoenen. Hij liet me met een flauw glimlachje begaan en gooide zijn flauwte op de warmte en de drukte in de zaak. Hij sliep de laatste dagen slecht, zei hij. Ik raadde hem aan er iets voor te gebruiken en werkelijk heeft hij later, toen hij weer beneden kwam, slaappoeders in de apotheek laten halen. En nu moest hem dit overkomen!’
‘Wat denkt u, dat er vannacht hier gebeurd is?’
‘Tja... wat moet je daar nu van denken. Die inspecteur vertelde mij voor hij wegging, dat alle deuren goed gesloten waren. Het was geen inbraak, zei hij. Dan waren ze vannacht met z'n tweeën in het gebouw, Dammers en Kees... dat is de waker. Nee, ik weet niet wat ik er van denken moet. Het is maar een rare geschiedenis...’
Ze hoorden de lift stoppen op de benedenverdieping.
| |
| |
Staring, blijkbaar op zoek naar zijn oudere collega, stak het hoofd om de hoek van het kantoortje. ‘Ben je al zo ver, Tjerk?’ Hij zei het op de gewone zakelijke manier, waarop rechercheurs, bezig met een onderzoek, elkaar plegen toe te spreken. Maar hij ving de blik in de ogen van zijn vriend onmiddellijk op en interpreteerde die vlug en juist. De gehaastheid verdween uit zijn houding, hij kwam het kantoor binnen, rekte zich demonstratief als iemand, die lang gebukt heeft gestaan en ging er bij zitten. Alsof tijd maar bijzaak was bij de opsporing haalde hij zijn tabaksdoos te voorschijn en begon ongehaast een sigaret te rollen. Dijkema liet hem rustig zijn gang gaan, tot hij met een zucht van verlichting de eerste rookwolk voor zich uit blies.
‘We hadden het juist over wat er vannacht gebeurd kan zijn, Willem.’ Dijkema accepteerde een tweede sigaret uit Rovers' koker en schudde weifelend het hoofd met een blik op Staring. ‘Meneer Rovers kan er geen touw aan vastknopen. Hebben jullie er een idee van, hoe laat het kan zijn gebeurd?’
‘Omstreeks half één, denken wij.’
‘Komt dat uit met de tijden van zijn ronden?’ vroeg Dijkema de chefverkoper.
‘Wanneer ze er geen verandering in hebben gebracht, zou ik zeggen van niet. Kees ging op ieder vol uur eenmaal rond, zo ver ik weet. Het was de gewoonte, dat meneer Dammers de eerste ronde met hem samen maakte. Gisteren was het over negenen, voor ik als laatste de deur uitging. Meneer Dammers liet me uit en sloot de deur achter mij. Hij zal nog wel even een paar dingen te doen hebben gehad, want hij was een jantje precies. Zeg, dat ze om tien uur samen het ge- | |
| |
bouw zijn door gegaan. Alles bij elkaar, zullen ze daarmee wel een half uur zoet zijn geweest, want meneer Dammers controleerde zelf de sluitingen. Kees heeft me wel eens verteld, dat hij bij zijn later wachtlopen kan volstaan met een rondgang over de verdiepingen zonder meer. Zeg tien minuten. Voor de rest zit hij dan van tien over tot het volgende volle uur in een soort kast naast het trappenhuis te lezen. Ik zeg nòg eens: wanneer ze dat niet veranderd hebben, zou hij omstreeks halfeen hier beneden op zijn plaats hebben moeten zijn.’
‘Houdt hij geen aantekening van zijn ronden? Gebruikt hij geen contrôleklok?’
‘Nee. Hij loopt al zo lang mee en meneer Dammers scheen hem altijd volkomen te vertrouwen. We kunnen even in zijn hokje kijken of hij misschien iets heeft aangetekend.’
Met z'n drieën gingen ze naar de openstaande kast, waar maar weinig ruimte was voor de haast op de drempel staande stoel; de rest was ingenomen door opgestapelde dozen, rollen papier, in elkaar gezette emmers. De lamp in het plafond brandde. Onder de stoel stond een thermosfles en een half lege koffiekop. Een gevouwen krant lag op de zitting van de stoel. Staring ontdekte een zwart opschrijfboekje, waaraan met een touwtje een potlood was bevestigd. Het bevatte de aantekening van de gemaakte ronden. De adjudant snoof hoorbaar; die vent kon rustig de hele nacht maffen en dan had hij 's morgens zijn lijstje maar in te vullen. Op de laatste beschreven bladzijde was bovenaan genoteerd ‘30/31 juli,’ daaronder ‘10.44 terug van ronde met chef’. De laatste aantekening, die volgde,
| |
| |
was ‘12.12 terug, alles O.K.’. Staring knikte nadenkend. Hij stak Dijkema het boekje toe, die het even inkeek en in de zak liet glijden.
Terug in het kantoortje namen ze hun plaatsen weer in. Staring, die niet wist waar zijn oudere collega heen wilde, liet deze de leiding.
‘Het klopt met wat u zei,’ begon Dijkema. ‘Om twaalf uur maakte hij zijn laatste ronde en om twaalf minuten over was hij weer beneden. Verder is er niets meer ingeschreven. En twintig minuten later was het gebeurd. Hij moet iets gehoord hebben en zijn gaan kijken wat het was.’
‘Misschien heeft meneer Dammers hem geroepen,’ meende Rovers.
‘Lijkt me onwaarschijnlijk.’ Staring steunde zijn zware lichaam wat gemakkelijker tegen de rechte leuning. ‘U was er zelf bij vanmorgen. Meneer Dammers lag op de trap van de derde naar de tweede verdieping. De waker werd op de derde verdieping koud gemaakt. Wanneer Dammers geroepen had, zou de waker hem gepasseerd moeten zijn vóór hij bij dat restaurant kwam en dan zouden ze met z'n tweeën zijn geweest.’
‘Tenzij de waker met de lift naar de derde is gegaan,’ peinsde Dijkema hardop.
‘De lift vonden we vanmorgen hier op de benedenverdieping,’ zei Rovers. ‘Trouwens Kees gebruikte nooit de lift, tenzij meneer Dammers er bij was. We hadden voor de nachtwaker speciale pantoffels laten maken met dik vilt eronder, om hem onhoorbaar te laten rondgaan. Wanneer hij iets verdachts hoorde, zou hij niet zo gek zijn de lift te nemen om te gaan kijken. Dat ding maakt genoeg lawaai om een inbre- | |
| |
ker te waarschuwen en die zou dan de trap zijn afgehold, terwijl de enige waker, die we rijk zijn, in de lift zat. Nee, dat hij de lift heeft gebruikt kunt u wel afschrijven.’
‘Hebben jullie geen alarm-installatie?’ vroeg Dijkema.
‘Op iedere verdieping zijn een aantal knoppen, waarop je maar hoeft te drukken en er begint een grote bel aan de voorgevel te luiden en ook een op de post van de nachtveiligheidsdienst op de Nieuwezijde. 's Avonds schakelt meneer Dammers die altijd zelf in. Kijk, die handle daar in de hoek. Die staat neergehaald, dus de installatie heeft stroom.’
‘Is er ook zo'n knop in de buurt van het restaurant boven?’
‘Ja. Geen vijf meter van de plaats waar Kees werd vermoord. Op de tussenmuur tussen het restaurant en de hal.’
‘Dan moet hij daar door iets verrast zijn,’ meende Dijkema. ‘Als hij het had zien aankomen, zou hij toch zeker in een paar seconden alarm hebben kunnen maken! Wat was die Kees voor een man?’
‘Kees Minderman was een oud-marinier. Achtenvijftig, meen ik, maar potig en goed bij de pinken. Volgens meneer Dammers door en door betrouwbaar. Hij kwam 's avonds altijd vlak voor ik wegging. Ik heb eigenlijk nooit met hem gepraat. Maar wat kan hem daar in de hal hebben overvallen? Er brandde licht! Voor hij er binnen ging moet hij door de ruiten hebben kunnen zien of er iemand was. En wat zou een inbreker daar hebben moeten zoeken? Plaats om je er te verbergen is er niet. Alleen dáár brandde de lamp voor de nacht- | |
| |
verlichting; dat heb ik vanmorgen gezien. Als er een dief was móést hij daar in de kijker lopen. Waarom kroop hij niet onder een van de toonbanken in de verkoop-afdeling?’
Ze praatten nog even verder over het ongelofelijke van de plaats van het misdrijf, maar hoewel de twee rechercheurs hoopten in de gissingen, die Rovers maakte, iets te beluisteren, dat bij het onderzoek van nut kon zijn, gaven ze het tenslotte maar op. Met vragen, waar je geen antwoord op kon geven kwam je geen stap verder. Tijd verknoeien.
‘We gaan het perceel uitkammen, Tjerk.’ Staring had zijn sigaret uitgedrukt en was opgestaan. ‘Ga je mee?’
Toen de twee adjudanten anderhalf uur later hun chef in de zitkamer van Dammers kwainen rapporteren, dat ze hun twee vingers ervoor wilden opsteken - wanneer gewenst - dat er niemand in het pand verborgen was, vonden ze de commissaris met de pijp in de mond, de handen in de zakken, het vertrek op en neer lopen. Hij knikte verstrooid bij het horen van het rapport, herstelde zich, keek hen met ongelovige ogen aan en liet categorisch herhalen, dat ze niets hadden gevonden.
‘Onbegrijpelijk! Als ik jullie niet beter kende, ging ik zelf eens neuzen. Hier, Willem, die enveloppe moet dadelijk bij professor Beekman thuis worden bezorgd. Stuur een van je mensen er op uit. En kom dan hier weer terug.’
Staring verdween gehoorzaam met het couvert, waarin de commissaris het dagboek van Dammers had verpakt. Van Houthem schudde nog een paar maal ongelovig het hoofd, staakte zijn wandeling en ging
| |
| |
achter de keurige schrijftafel zitten. Dijkema, verhit van de huiszoeking, verontschuldigde zich en nam een stoel.
‘Ja, ga erbij zitten! We zijn in een gekkenhuis beland, Dijkema. Ik ben benieuwd wat Beekman er van maken zal. Ik wil niet zeggen, dat ik verstand heb van psycho-analyse, maar zo op het eerste gezicht liep die Dammers rond met een verdrongen complex zo groot als de hele Modes Modernes! Als je het mij vraagt heeft de dood van zijn vrouw hem de laatste stoot gegeven. Daar is iets niet in orde met dat sterfgeval van die Francine. Maar goed, dat is van later zorg. Dat krijgt Beekman er wel uit. Tenzij Dammers stapelgek blijkt te zijn geworden en geen redelijk woord meer zeggen kan.’
Staring kwam terug. ‘Langeveld bezorgt die brief, meneer Van Houthem. En ik heb de mannen gezegd, dat ze eerst konden gaan eten. De posten van de bewaking zijn afgelost.’
‘Jammer! Ik had ze zelf graag even gehoord. Want er rammelt iets. Ik zie die Dammers tot veel dwaze dingen in staat na alles wat ik nu van hem weet, maar dat hij die waker met een mes zou vermoorden wil er bij mij niet in. Vooral, nu dat mes niet gevonden is. Hij was niet in een toestand om dat op een geraffineerde manier te verbergen. Ook het feit, dat zijn rechterarm vol bloed zat en zijn handen van binnen schoon waren, maakt het onaannemelijk, dat hij het gedaan zou hebben. Daarom had ik de bewaking willen horen. Het ligt hier vol met allerlei kleren. Een moordenaar kon gemakkelijk zijn eigen bebloede pak uittrekken en op zijn gemak iets anders uitzoeken.’
| |
| |
‘Maar alle uitgangen werden bewaakt, meneer Van Houthem!’ protesteerde Staring.
‘Toegegeven. Maar door wie bewaakt? Als een van jullie er had gestaan, of ikzelf, zouden we op elke mogelijkheid zijn voorbereid geweest. Maar het waren jongens van de straatdienst. Beste kerels, waarschijnlijk, maar geen rechercheurs, die opgewassen zijn tegen een brutale kerel, die hen doodgemoedereerd met een of andere smoes voorbijstapt. Ik zal straks Storm nog eens opbellen. De enige keer, dat de deuren opengingen was bij het vervoer van die twee en bij het vertrek van de doktoren.’
‘Er is een smid bezig met de voordeur. Maar hij kon zich legitimeren en bovendien stond brigadier Sanders er met z'n neus boven op,’ zei Dijkema.
‘Afgescheiden van de dokters en onze eigen mensen, zijn alleen die verplegers hier geweest. Ik heb ze geteld, toen ze in de lift boven kwamen. Twee voor de waker en twee voor Dammers,’ voegde Staring er bij. ‘Ook toen ze met hun vrachtje omlaag gingen.’
‘Bovendien,’ ving Dijkema de bal weer op, ‘kan ik het niet met u eens zijn, meneer Van Houthem, dat Dammers het niet zou hebben gedaan. We zijn daarstraks bezig geweest met het zoeken naar een man, die zich had laten insluiten, maar met het opsporen van het mes zijn we nog niet ernstig begonnen. Dat doen we vanmiddag. Wanneer het ergens in het gebouw is halen we het er uit ook!’
‘U hebt vanmorgen die druppeltjes bloed op het parket gezien in de hal, nietwaar?’ vroeg Staring. ‘Ik houd het ervoor, dat die van het mes zijn afgelopen, dat de moordenaar in de hand hield. Bij de trap zijn er ook
| |
| |
nog enkele te zien. Misschien zocht hij iets om het aan af te vegen...’
‘Hij had een fonteintje bij de hand in de hal.’ Van Houthem haalde de schouders op.
‘Dat weten wij! Maar als hij hier onbekend was, zal hij daar niet aan hebben gedacht. Hij zal op zoek zijn gegaan naar een lap of zo iets om zijn mes en handen aan af te vegen.’
‘Dan kan Dammers het ook niet hebben gedaan.’ Van Houthem zag onmiddellijk de zwakke plek. ‘Die wist wel degelijk, dat daar een kraantje in de hal was. Die zou in zijn eigen zaak niet op zoek hoeven te gaan naar een lap.’
‘Laat ik het eens anders voorstellen, meneer Van Houthem.’ Dijkema, altijd bedaard, zette zijn lorgnet wat vaster op de neus en vestigde zijn pientere ogen op zijn chef. ‘Neem aan, dat een persoon, die zich had laten insluiten, daar in de hal was. We zijn het er over eens, dat iemand op de lege stoel bij die poppen heeft gezeten, plotseling is opgesprongen en de lege stoel achterover heeft laten vallen. Het lijkt redelijk te veronderstellen, dat dit gebeurde bij een onverhoedse aanval op Minderman. Nu moet u eens horen. Het publiek meed die stoel. Waarom? Omdat die er zó suggestief bijstond, dat het leek of die bij de uitstalling van dat groepje wassen beelden hoorde. Maar gisterenmiddag kreeg meneer Dammers op de derde verdieping een flauwte en hij liet zich uitgerekend in die stoel vallen. Dat is punt één. En nu het tweede. Stel, dat er een vreemde in huis was vannacht. Die man had Minderman koud gemaakt. Zou zo iemand meneer Dammers laten leven om het na te vertellen? We weten het alle- | |
| |
maal, dat een gesnapte inbreker door het dolle heen is, wanneer hij werkelijk in het nauw zit. Ik wil nog aannemen, dat hij Minderman in zijn angst om te worden betrapt, heeft neergestoten. Dat zou begrijpelijk zijn. Maar daarna? Dan zijn er twee mogelijkheden. Ten eerste, meneer Dammers heeft er niets van gemerkt en die ligt boven te slapen. Dacht u, dat die moordenaar dan nog plezier zou hebben gehad in het zetten van een kraak? Dan was hij naar beneden gegaan, had de deur van binnen opengemaakt en was aan de achterkant in de Gedempte Begijnensloot verdwenen. Waar of niet? En nu het geval, dat Dammers hem verraste of riep “wie is daar?” of iets dergelijks. Dan zou hij korte metten met een half slapende man hebben gemaakt en op precies dezelfde manier er tussen uit zijn gegaan. Hij zou niet hier in het pand blijven rondhangen tot de politie kwam en de kans op ontsnapping vrijwel nihil werd. Kijk dat is de
reden, waarom ik niet aan een van buiten gekomen moordenaar geloof. Wèl wil ik aannemen, dat Dammers een apartje heeft willen hebben met zijn Thérèse en haar kornuiten. Dan is hij in zijn kleren - hij was nog niet uitgekleed - naar de derde verdieping gelopen en op zijn gewone plaatsje gaan zitten. Misschien was hij weer midden in een gefantaseerd gesprek met haar verdiept, toen Minderman iets verdachts hoorde en naar boven kwam. Mogelijk heeft Minderman hem aan het schrikken gemaakt en gaf hij hem een por.’
‘Drie!’ zei Van Houthem droogjes. ‘En toen slikte hij het mes in, waste zijn handen en vingertoppen schoon en liet de rest van het bloed ziten. Om bij te komen liep hij naar de fameuze vijfde tree van de trap naar
| |
| |
de tweede verdieping en daar raakte hij in trance, stootte zijn achterhoofd bij het vallen en werd vanmorgen in kataleptische toestand door Steensma gevonden. Nee, Dijkema. Je redeneert goed, maar je overtuigt mij niet van je gelijk.’
‘Hoe wilt u dan verklaren, dat iemand zich liet insluiten en er niet van door ging, zo lang hij daarvoor de kans kreeg? Hij had maar een sleutel om te draaien en hij was vrij! En waar is die moordenaar dan wèl gebleven? Niet in het gebouw!’
‘Ik wil nog niets verklaren. Ik weet er nog te weinig van. Maar wel ga jij, Dijkema, er op uit om ten eerste aan die juffrouw Huizing, in voorarrest, te vragen hoe haar vrijer heet en waar hij woont, en dan ga je onderzoeken of hij voor vannacht een behoorlijk alibi heeft.’
‘Dat was ik toch al van plan, meneer Van Houthem. Wanneer u het urgent vindt, ga ik er dadelijk op uit.’
‘Doe dat. Die huiszoeking knapt Staring wel alleen op met de brigade. Ik wil niet beweren, dat het jongmens er iets mee te maken heeft, maar we wéten, dat hij kortgeleden een bedreiging heeft geuit en dat mogen we niet verwaarlozen. Stap jij nu maar dadelijk op, dan kunnen we vandaag nog weten hoe of wat. Wij gaan hier onze boterham eten, Willem, en dan vertel ik je tegelijk iets van de ontboezemingen, die Dijkema en ik heben gelezen, terwijl jij werkte voor de kost. Maar eerst bel ik Steensma even op.’
Het toestel op de schrijftafel van Dammers was door de gebruikelijke nachtverbinding nog rechtstreeks op de centrale aangesloten.
‘Zeg, Steensma. We hebben hier zonder resultaat naar een verstekeling in het pand gezocht. Vanmorgen
| |
| |
toen ze de dode en Dammers naar de ziekenwagens brachten, heb jij de verplegers begeleid tot de uitgang. Hoeveel man zijn er de deur uitgegaan?’
‘Vier meneer Van Houthem! Precies evenveel als er binnen waren gekomen. Hoe zo?’
‘Omdat ik aanneem, dat de daad is verricht door iemand, die er van buiten is ingekomen. Je hebt vanmorgen de sluitingen gecontroleerd en alles was in orde, nietwaar? Maar er is niemand hier verstopt. Dan moet hij kans hebben gezien weg te komen, tussen de tijd van jouw onderzoek en de huiszoeking. De mensen, die vanmorgen voor de bewaking zorgden zijn afgelost. Doe mij een plezier en vraag ze man voor man, wie er naar buiten zijn gegaan. Ik hecht hier bijzondere waarde aan, Steensma, en ik vertrouw er op, dat je de puntjes op de i's zet!’
‘Komt in orde, meneer Van Houthem. Ik bel u straks op.’
‘Die zegt nu bij zichzelf: wat een ouwe zeuren zijn ze daar bij het hoofdbureau, Willem! Maar daar trekken we ons niets van aan.’ De commissaris legde de hoorn op de haak, belde nog even zijn vrouw op om haar te zeggen, dat ze niet voor zeven uur met het eten op hem moest rekenen en droeg de adjudant op in de buurt belegde broodjes te gaan halen. Rovers, bekend met de weg in het restaurant, zorgde voor een paar flesjes spuitwater.
Nadat ze gegeten hadden zette Van Houthem voor zijn adjudant de hoofdzaken uiteen, die hij in Dammers' manuscript had gelezen. Ze hadden de vensters geopend, want het was een warme dag. De teruggekeerde brigade kwam zich melden, nog vóór de com- | |
| |
missaris met zijn relaas gereed was. Hij haastte zich door het resterende gedeelte en besloot:
‘Zoals ik het je nu verteld heb, in mijn eigen woorden en op een redelijke manier, klinkt het niet bijzonder gek. Een stakker, die op weg is zijn verstand te verliezen en zijn indrukken opschrijft. Meer niet. Maar als je het zit te lezen, Willem, grijpt het je aan. Daar zit veel meer achter, dan je op het eerste gezicht zou denken. Ik zei daarstraks al tegen Dijkema, dat die Dammers met een complex moet hebben rondgelopen dat hem tenslotte de baas is geworden. Ik wil je niet langer van je huiszoeking afhouden, maar het zou me verbazen, wanneer we niet betrokken waren in een onderzoek van een oude zaak. Een misdrijf.’
Staring knikte. In tegenstelling met Dijkema, altijd rustig oordelend naar de bekende feiten en zelden vlug gereed met een hypothese, kreeg Staring vaak flitsen van intuitie.
‘U bedoelt, dat de dood van zijn vrouw hem dwars zat. Kunnen we niet wat fotokopieën laten maken van dat geschrijf? Het zou eens iets anders dan anders zijn, wanneer we door analyse van een dagboek achter een oud misdrijf kwamen.’
‘We moeten er voor oppassen niet te vroeg op het, terrein van een specialist als Beekman te komen. Laten we maar eerst afwachten tot welke conclusies hij komt, vóór we iets beginnen. Voorlopig moet ons eerste werk zijn de moordzaak rond te maken.’
Van Houthem was ongedurig. Staring was al een half uur met zijn mannetjes aan het werk beneden en nog altijd beende hij heen en weer in de zitkamer van Dammers met de kin op de borst gezonken, een diepe
| |
| |
frons boven zijn ogen, dan eens de handen in de zakken, dan weer op de rug. Het straatrumoer stoorde hem in zijn gedachten en hij sloot de beide ramen; zijn trouwe pijp lag vergeten en koud op een asbak en hij kwam er zelfs niet toe in het geurige kruid soelaas te zoeken. De noodkreten van een op de rand van een afgrond wankelend medemens, lieten hem niet los. Hij was een kerngezonde man, fysiek en geestelijk, die zijn brood verdiende met het tot oplossing brengen van ingewikkelde misdaden. Natuurlijk stuitte je daarbij wel eens op geheimzinnigheden, die je er soms aan deden twijfelen of het paranormale zich niet meer in de gebeurtenissen mengde, dan je op het eerste gezicht zou denken als met beide voeten stevig op de grond staand rechercheur. Maar altijd wees de practijk van de opsporing uit, dat je er geen bovennatuurlijke verklaringen behoefde bij te halen om er uit te komen. En toch.. wanneer je ervan uitging, dat wat Dammers had neergeschreven voor hem onaantastbare waarheid was, dan zat er toch een vreemde kant aan de zonderlinge invloed, welke die poppen op hem uitoefenden. Dat geval van die juffrouw Huizing bijvoorbeeld. Dammers had haar niet zien stelen, anders zou hij dat er wel bij hebben genoteerd. Bovendien, het meisje was niet bezig met het zich toe eigenen van andermans goed, toen die Thérèse Dammers' aandacht op haar vestigde. Maar hij was er zéker van geweest, dat hij haar terecht beschuldigde van diefstal. En de feiten hadden hem in het gelijk gesteld.
Nou dan, dacht Van Houthem, wanneer hij in dat speciale, controleerbare geval paranormaal handelde, waarom zou je dan alle waarde ontzeggen aan de ove- | |
| |
rige ervaringen, die hij had aangetekend. Er hing hier een raadselachtige sfeer in deze kamer. Dat was de reden, waarom de commissaris hier bleef. Hoe langer hij hier heen en weer liep, hoe meer hij een bijna onweerstaanbare neiging in zich voelde opkomen bij die etalage-poppen aan hun tafeltje te gaan zitten.
|
|