| |
| |
| |
[V]
‘Hé daar? Je kunt hier niet op! Niet langs de trap! We zijn hier bezig met een onderzoek. Als je boven moet zijn, ga dan met de lift.’
De chauffeur knikte, tikte aan zijn pet en keerde terug. Kort daarop verscheen hij, met één hand in de zak en een bundeltje opgerolde kleren onder de arm, beneden in de damesafdeling, salueerde Rovers, die met een bezorgd gezicht achter de schrijftafel in Dammers' privékantoor zat te roken, liep zonder haast, onverschillig, door het aangrenzende lokaal van de administratie, opende de op de achterplaats uitkomende deur en groette de op wacht staande agent van het bureau Singel. ‘Ze zijn onderweg met de zieke,’ voegde hij er achteloos aan toe met een hoofdgebaar in de richting van het interieur. De agent liet hem passeren en keek de chauffeur in zijn keurige gloednieuwe uniform na, terwijl deze tussen de naast elkaar geparkeerde ziekenwagens verdween. Gestommel binnen deed hem zich haastig omkeren en de deur zo wijd mogelijk openhouden voor de twee verplegers, die de stille gestalte van de filiaalchef op een baar droegen en gevolgd werden door professor Beekman en rechercheur Davids. Inspecteur Storm sloot de rij en overtuigde zich ervan, dat het gezelschap met de ambulance vertrok.
‘De deur dichthouden, Hendriks,’ gelastte hij de agent. ‘Dadelijk komt de andere baar.’
.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
Toen ook het lichaam van Minderman weggebracht was, zocht inspecteur Storm Van Houthem op, die op de derde étage was achtergebleven, en meldde formeel het vertrek van de ambulancewagens. De commissaris knikte verstrooid.
| |
| |
‘Dan wil ik jou niet langer ophouden, Storm. De bewaking moet hier blijven tot wij klaar zijn met de huiszoeking. Hoe zijn je mensen ook weer geplaatst?’
Ten man van de straatdienst op de zolders. Eén bij de deur van het kantoor, die uitkomt op de plaats aan de kant van de Gedempte Begijnensloot. Brigadier Sanders is op de begane vloer en houdt de toegangen aan de Kalverstraat onder contrôle. De smid is bezig met het repareren van het slot van de opengebroken deur. Als ik U ergens mee helpen kan wil ik graag hier blijven, meneer Van Houthem. Mijn dienst liep juist af, toen dat telefoontje kwam om te helpen bij het forceren van de deur hier.’
‘Neen, Storm. Je hebt je rust verdiend. Wij gaan nu de zaak uitkammen. Maak een geschreven rapportje voor mijn proces-verbaal en stuur dat naar het hoofdbureau. En bedankt voor de assistentie.’
Staring en zijn helpers waren nog bezig in de hal voor het restaurant. Hij kwam op de commissaris toelopen, nadat Storm met de lift naar beneden was gegaan.
‘Je zet een gezicht, Willem, of je me er alles van kunt vertellen.’ Werktuigelijk stopten Van Houthems vingers de voor het stimuleren van zijn concentratie bijna onmisbaar geworden pijp. Hij had de plaats van het misdrijf reeds tijdens de voorlopige lijkschouwing van dokter Haringa met zijn volle aandacht bekeken en de bijzonderheden, die hem waren opgevallen netjes gerangschikt in zijn ordelijke brein. Geen ogenblik twijfelde hij eraan of ook zijn geroutineerde medewerker was bij het minutieuse onderzoek op dezelfde aanwijzingen gestuit.
| |
| |
‘Ik heb daarstraks die meneer Rovers er even bijgehaald,’ begon Staring, terwijl zij opliepen tot vlak bij de plaats, waar de donkere, onregelmatige vlek de meetkundige figuren van het bruine parket verstoorde. ‘Die omgevallen stoel behoorde bij de groep. Er zat niemand op. Dat was juist de mop. Die lege plaats versterkte de suggestie van de poppen, die hier zaten uit te blazen na hun vermoeide zoeken van koopjes in de drukte van de uitverkoop. Hoewel het publiek nauwelijks een vrije plaats in het restaurant kon vinden, was er niemand, die op de gedachte kwam de stoel in beslag te nemen. Iedereen voelde, dat de voorstelling zou worden bedorven, wanneer er iets aan de opstelling werd veranderd.
U hebt natuurlijk daarstraks al gezien, dat die zelfde stoel een rol heeft gespeeld in de moord. Er heeft iemand op gezeten. Geen etalagepop, want de plaats was nog onbezet, toen Rovers gisterenavond om een uur of acht nog hierboven rondliep; de chef etaleur was al naar huis en meneer Dammers had nog verschillende dingen te doen. Rovers beweert pertinent, dat het hoogst onwaarschijnlijk zou zijn, wanneer Dammers met de nachtwaker nog aan het sjouwen zou zijn gegaan om hier een vijfde pop heen te slepen.
Kijkt u nu eens naar dat parket. Er werd hier gisteren na sluiting schoongemaakt, maar de werksters zijn met hun stoffers niet onder de stoelen en het tafeltje geweest. U ziet duidelijk waar ze er omheen hebben geveegd. Daardoor kunnen we met zekerheid vaststellen, waar precies die omgevallen stoel heeft gestaan.’ Staring haalde een gelijksoortige zetel bij een der in het rond staande zitjes weg en deponeerde deze
| |
| |
ongeveer een halve meter voor de achterover liggende stoel. ‘Ik heb me afgevraagd op welke manier dat ding werd ondersteboven gegooid. Niet door een stoot, die er tegenaan werd gegeven. We hebben daarginds allerlei proeven genomen. Die stoelen zijn zó licht, dat ze eenvoudig weg schuiven bij een flinke duw; ze vallen niet. Dat krijg je alleen gedaan, wanneer je er op gaat zitten en plotseling omhoog springt, terwijl je de handen op de leuning steunt en de stoel achteruit duwt om vrijheid van beweging te krijgen. Wilt u het zelf misschien proberen?’
‘Ik geloof je wel, Willem. Je bewering is niet onredelijk. Ga door!’
‘U herinnert u, hoe het lijk op de vloer lag? Met de voeten iets links van de plaats, waar die stoel gestaan moet hebben. Nu heb ik dit gedacht. Stel, dat Minderman op zijn ronde even heeft willen uitrusten en hier een ogenblikje is neergestreken. Daar op de tafel ligt naast die koffiekop zijn zaklamp. Het ding is overdekt met zijn vingerafdrukken en Rovers heeft het bovendien als het zijne herkend. Het feit, dat hij zijn lantaren netjes neerlegde - niet neerwierp - pleit ervoor, dat hij hier er even zijn gemak van wilde nemen. Een tweede aanwijzing daarvoor is, dat onder zijn hoofd, vlak bij de mondhoek, een half opgezogen pepermunt lag. Hij mocht volgens Rovers niet roken in diensttijd en behielp zich met een snoepje. Maar die reconstructie gaat niet op, wanneer ik de zaak goed bezie. Kijk... Ik laat die stoel hier staan en zet mijn voeten op de plaats, waar hij ze volgens onze berekening heeft gehad, toen hij in elkaar zakte. Waar stond de man, die hem vermoordde? Juist op de plek waar iemand moet
| |
| |
zijn, die pas uit de stoel overeind is gekomen. En die zo plotseling is opgesprongen, dat hij de stoel achterover wierp.’
‘Ik geef toe, dat het een verklaring is, maar voorlopig zie ik er niet meer in dan fantasie, die door niets positiefs wordt gesteund!’ Van Houthem wist precies, hoe hij zijn langjarige medewerker moest aanvatten om deze te dwingen tot nauwkeuriger bewijsvoering.
‘Goed... laat ik het dan anders zeggen. Minderman werd bij verrassing in de borst gestoken. Hij had zijn gummistok in de hand en zou als oudmarinier, die de laatste oorlog heeft meegemaakt, zeker opgewassen zijn tegen iemand, die hem met een mes bedreigde. Vóór hij het wist had hij de eerste van die dodelijke steken te pakken. Laten we nu aannemen, dat hij in die stoel zat te suffen. Zijn aanvaller sluipt ongemerkt naderbij. Als hij vlak bij is, ontdekt Minderman hem pas. Dan zou hij òf zittend òf tijdens het opstaan die eerste por hebben gekregen. Waar of niet? We zouden hem dan in de stoel hebben gevonden of vlak ervoor. Maar hij stond links ervan.’
‘Je bedoeling wordt me iets duidelijker,’ merkte de commissaris peinzend op, tevreden, dat zijn snuggere adjudant dezelfde conclusie had gevonden, die hem zelf bij de eerste aanblik al in de gedachten was gekomen. ‘Je wilt dus zeggen, dat Minderman niet hier heeft zitten dutten, maar dat iemand anders in die stoel zat, in het volle licht van de enige lamp, die ik hier op deze verdieping zie branden. Minderman kwam hier binnen, blijkbaar op geen gevaar bedacht, liep naar de indringer, legde rustig zijn lamp op het tafeltje en wilde een praatje gaan maken. Volgens jou zou er
| |
| |
dus voor hem niets verdachts in de situatie zijn geweest?’
‘Dat beweer ik niet! Het kàn meneer Dammers zijn geweest. Dan zou Minderman volkomen gerust op hem af zijn gegaan. Het kan ook iemand anders zijn geweest. Iemand, die voor de sluiting van de zaak in het restaurant had geborreld en hier in slaap was gevallen. Ook dan zou de nachtwaker zonder gevaar te duchten, die persoon hebben willen wakker schudden of zo iets. Maar er is nog een andere mogelijkheid. Stel, dat zich iemand heeft laten insluiten, die van plan was een kraak te zetten. Die hoort de waker zijn ronde maken. Hij gaat glashard hier bij die poppen zitten, staart star voor zich uit, grijnst even stom als de anderen en hoopt dat de nachtwacht hem voorbij zal lopen zonder te merken, dat hij een levend mens is. Dan gaat alles, zoals ik het u beschreven heb. Minderman ziet de vijfde aan dit tafeltje zitten, die er niet bij hoort. Hij twijfelt of hij met een etalagepop of een echt mens te doen heeft en gaat op onderzoek uit. Nauwelijks heeft hij zijn lamp neergelegd of de man springt op en steekt hem neer...’
‘En kruipt dan ergens in een hoek weg, tot 's morgens de politie komt om hem in te rekenen! Laat naar je kijken, Willem. Een misdadiger, die zich laat insluiten, een geraffineerde truc toepast door zich voor te doen als een etalagepop, dan een met een knuppel gewapende potige waker neersteekt, gaat niet zitten wachten tot wij hem komen arresteren. Die maakt zich uit de voeten, iets, wat helemaal niet zo moeilijk is met die achterdeur naar een overdekte plaats.’
‘Het was maar een veronderstelling,’ zei Staring te- | |
| |
leurgesteld. ‘Ik beweer niet, dat het zó geheurd is. Maar u bent toch wel met me eens, dat de moordenaar in die stoel heeft gezeten, dat Minderman geen gevaar van zijn kant vreesde en er op af is gegaan, zonder alarm te maken. En dat hij de eerste por te pakken had, vóór hij goed begreep waar die vandaan kwam.’
‘Inderdaad. Dàt laatste acht ik niet uitgesloten. Misschien kunnen we nog iets verder komen met onze deducties, wanneer we weten op welke tijden Minderman zijn ronden maakte. Laten wij even aannemen, dat hij tegen half een werd vermoord. Dan is het van belang er achter te komen of hij normaliter op die tijd onderweg was door het gebouw, òf wel, dat hij beneden moet hebben gezeten en door een of ander geluid, misschien een kreet van meneer Dammers, van zijn plaats werd gelokt. Maar dat punt zullen we straks onderzoeken, wanneer we meneer Rovers horen. Zijn er hier verdere sporen gevonden?’
‘Ja, meneer Van Houthem. De moordenaar is met het mes in de hand door die linkerdeur in de verkoopafdeling gegaan. Er loopt een spoor van kleiner wordende en verder uit elkaar liggende bloeddruppels over het parket, dat ongeveer midden in het lokaal ophoudt.’
‘Vingerafdrukken?’
O ja! Van een rechterhand, daarginds op de deurpost en op de balustrade boven aan de trap.’
‘Lag naar jouw oordeel het lijk, zoals het gevallen moet zijn of zijn er schuifsporen zichtbaar, die een aanwijzing geven, dat er post factum iets aan de ligging is veranderd?’
‘Er is weinig van te zeggen. De bloeding was buiten- | |
| |
gewoon hevig. Wanneer hij werd verlegd, vóór het uitstromen van het bloed was opgehouden, bestaat de kans, dat schuifsporen werden overdekt en uitgewist. Wanneer iemand met hem bezig is geweest, moet dat onmiddellijk zijn gebeurd, nadat hij gevallen was.’
‘Hm. Hier heb ik de vingerafdrukken, die dokter Haringa van Dammers heeft genomen. Hij heeft het niet model gedaan, maar duidelijk genoeg voor een vergelijking met prints, die hier gevonden zijn.’
Staring holde naar de door hem aangewezen deur en bestudeerde even de afdrukken op het kozijn. ‘Positief’, riep hij Van Houthem toe. ‘De prints bij de trap zijn dezelfde als deze. Dat ziet er lelijk uit voor meneer Dammers!’
‘Het wordt werkelijk tijd, dat we met de huiszoeking beginnen, Willem.’ De commissaris wierp een laatste blik in de hal voor het restaurant. ‘Is hier alles bekeken?’
‘Ja... Zullen we beginnen met het lokaal, waarheen het bloedspoor de weg wijst?’
‘Ik had gedacht, dat je dat al lang zou hebben gedaan!’
Staring keek verongelijkt.
‘We waren hier juist klaar toen u beneden kwam!’
|
|