| |
[IV]
Van Houthem, breed uit achter zijn bureau, knikte zijn twee medewerkers gemoedelijk toe, terwijl hij voortging met het telefoongesprek, waarmee hij bezig was. ‘Je kent het gebouw van de Modes Modernes in de Kalverstraat, Haringa? Eén dode en een bewusteloze, met wie ze geen raad weten. Als ie je voor een half uur kunt losrukken van je ontbijt zal het ons een genoegen zijn je daar te ontmoeten. Wat?... Tja, beste kerel, ik weet er ook niets van. Inspecteur Storm van het Singel heeft de deur open moeten breken, omdat het personeel er niet in kon. Niemand deed open. Ik ga er nu zelf heen. Tot straks!’ Met een glimlach brak de commissaris het gesprek af. ‘De dokter is met z'n verkeerde been uit bed gestapt; hij heeft nu eenmaal altijd wat te mopperen. Het schijnt moord te zijn, mannen. De nachtwaker heeft een paar gemene messteken in de borst en de filiaalchef van de Modes Modernes hebben ze bebloed en buiten westen op een trap gevonden. Zorg jij ervoor, dat de brigade bij elkaar wordt getrommeld, Willem. En ga jij met me mee,
| |
| |
Dijkema. Inspecteur Storm is er met een brigadier. Het personeel heeft hij naar huis gestuurd zonder op de protesten van de chef verkoper te letten. Vandaag is de laatste dag van de seizoen-opruiming. Wij gaan nu het onderzoek overnemen.’
Al pratend had de commissaris zijn tafel geordend, de onafscheidelijke pijp in de zak gestoken en
zijn twaalfuurtje weer in de tas geborgen. Staring luisterde nauwelijks; hij was doende met het
in gedachten uitzoeken van de rechercheurs en technici, die hij nodig zou hebben. Dijkema
verdween even naar zijn kamer. Toen ook Staring was vertrokken met de belofte zo vlug mogelijk
te volgen met de ‘moord’brigade, sloot Van Houthem zijn laden. Een nieuw karwei, vooral nu er
een tijdje weinig werk van belang aan de winkel was geweest, bracht hem altijd in een zekere
spanning. Je mocht nu je hele leven hebben meegelopen bij de opsporing en die plotseling opduikende onderzoeken al honderden malen bij de hand hebben gehad, steeds weer kwam je bij voorbaat al onder de indruk van wat je nu weer te wachten stond. Het ene ogenblik wist je vaag waar de zaak van de Modes Modernes was, omdat je vrouw altijd geïnteresseerd was in de etalages, wanneer je door de Kalverstraat liep, en het volgende noemde je datzelfde pand in de geijkte termen van de recherche: de plaats van het misdrijf. In eens nam zo'n perceel een heel ander karakter voor je aan. Vóór het avond was, zou je volledig op de hoogte zijn van de belendingen, de toegangen, het interieur, je zou gaan wroeten in het verleden van het slachtoffer, van wie je tot vandaag nooit had gehoord, je zou van alles en nog wat gaan reconstrueren, dat zich de laatste vier- | |
| |
entwintig uur in de confectiewinkel had afgespeeld. Tot je het geval rond had. En dan bleef alleen een herinnering over aan een paar dagen ingespannen gebruik van je hersens, waardoor je de loshangende draden van een nu nog geheel onbekende gebeurtenis had samengeknoopt. Dan ging de dader achter slot, he[t] parket nam de zaak van je over en alles was wee[r] bij het oude, behalve dan, dat die ongelukkige nachtwaker op het appèl ontbrak.
Dijkema stak reisvaardig het hoofd om de deur en maakte een eind aan de overpeinzingen van zijn
chef[.] Vijf minuten later trok een brigadier van het bureau Singel de geforceerde hoofdingang van de Modes Modernes voor de twee mannen van de recherche open om hen binnen te laten in het grote pand, waarbinnen de diepe stilte scherp afstak tegen het lawaai van de bedrijvige Kalverstraat. Storm kwam hen tegemoet met een lange, misnoegde man, die zich voorstelde. ‘Rovers, chef van de verkoop. Ik hoop, commissaris, dat de politie de winkel zo gauw mogelijk vrijgeeft. Het is de laatste dag van de uitverkoop!’
‘We zullen ons best doen, meneer Rovers. Ik weet nog niets van de zaak, behalve de korte inleiding, die de Inspecteur mij telefonisch heeft gegeven en ik kan dus niets beloven.’ Van Houthem wendde zich naar Storm. ‘De dokter en de brigade komen dadelijk. Heb je al iets bijzonders gevonden, Storm? Sporen van inbraak?’
‘Ik heb hier op de benedenverdieping de toegangen summier bekeken, meneer Van Houthem. Alles ziet er normaal uit op het eerste gezicht. Verder heb ik assistentie aangetrokken voor de bewaking, terwijl u
| |
| |
met het onderzoek bezig bent. De mensen kunnen elk ogenblik hier zijn. Dan zijn we opgehouden door het voorlopig verzorgen van de filiaalchef, meneer Dammers. We vonden hem bewusteloos op de trap tussen de tweede en derde etage. Daar konden we hem niet laten liggen en we hebben hem met de lift naar zijn flat gebracht, hierboven op de vierde verdieping. Hij was in zijn overhemd, op pantoffels. Het moet dus gebeurd zijn voor hij naar bed ging.’
‘Hm... Kan ik die flat met de lift bereiken? Goed, dan ga ik met Dijkema eerst daarheen. Wanneer dokter Haringa komt wijs hem dan even de weg. Meneer Rovers blijft hier beneden wachten. Laat een smid komen om dat deurslot te repareren en zet je mannetjes op post bij de toegangen, zodra ze er zijn.’
Voor ze op de bovenste verdieping de slaapkamer binnen gingen, wierp Van Houthem een snelle blik om zich heen. Links van hem strekten zich zolders uit, een onoverzichtelijke opslagplaats van kartonnen dozen met voorraden. Hij snoof de penetrante geur op, die altijd in een groot modemagazijn hangt.
Rechts was een open deur, die toegang gaf tot een korte gang, waar een plafondlamp brandde. De deur van een woonkamer stond open; ook daar waren een hang- en een schemerlamp aan. Een paar passen verder keek Van Houthem in een slaapkamer. Zachtjes ging hij naar binnen. Op het bed lag roerloos het lichaam van een man, een goede veertiger, met een fijnbesneden bleek gezicht, donkere verwarde haren en een smal streepje van een snor boven de half geopende lippen. De oogleden waren niet geheel gesloten en lieten het blauwachtig wit van de glanzende oogballen zien. De
| |
| |
iris was omhoog gericht en onder het bovenste lid verdwenen. Even meende de commissaris, dat hij neerzag op een dode. De glazige starre ogen, het strakke ingevallen gelaat, de volkomen bewegingloosheid, deden het ergste vermoeden. Voorzichtig zochten de vingers van de politieman de pols en na enige moeite vond hij die. Traag, maar regelmatig.
Ook Dijkema kwam bij het bed staan. Hij vestigde de ogen even op het gezicht van zijn chef. ‘Dood?’ vroeg hij fluisterend.
‘Nee. Je ziet, dat hij nog gekleed is. De lampen branden op de gang en in de zitkamer hiernaast. Hij was dus nog niet naar bed, toen het gebeurde. En nu is het kwart voor tienen! Hoe lang moet hij dan niet in die toestand zijn geweest!’
De ogen van beiden rustten nu op de rechterarm van de bewusteloze, die van de hand tot de schouder met bloed was bevlekt. Ook de rechter voorkant van het overhemd en de rechterpijp van de pantalon vertoonden duidelijke, in de stof gedroogde bloedspatten.
‘Nou,’ zei Dijkema nadenkend, ‘ik geloof, dat de zaak gauw bekeken zal zijn. Naar de dader hoeven we niet ver te zoeken. Die vlekken zijn er van buitenaf op gekomen. De onderkant van die rechterpantoffel zit ook vol.’
‘Je lijkt Staring wel,’ glimlachte Van Houthem. ‘Die heeft gewoonlijk ook niet langer dan een paar minuten nodig om me te vertellen wat er gebeurd is. Daar komt Haringa...!’
Ze hoorden de hoge toon van de motoren in de kop van de liftkoker. Even later werd het hek open en dicht geslagen en klonken de vlugge pasjes van de
| |
| |
politiedokter in de gang. ‘Waar zitten jullie?’ De korte, blozende gestalte met de heldere ogen achter de glazen van de gouden bril, verschijnt in de deur. ‘Morgen, morgen! Wat heb je nu weer uitgehaald, Sherlock?’ Haringa legde in het voorbijgaan zijn tasje op een stoel, wierp een snelle blik op de stille gestalte, fronste de bewegelijke wenkbrauwen en herhaalde het zoekend tasten naar de pols, dat Van Houthem reeds eerder had verricht. De anders zo praatgrage medicus werd er even stil van. Hoofdschuddend drukte hij met vaardige vingers het ooglid naar boven. ‘Dat lijkt wel een of andere vorm van katalepsis, Van Houthem. Hij ligt er bij of hij gehypnotiseerd is... Waar komt al dat bloed vandaan? Weet je dat niet? Wat doe je dan hier? Kom, Dijkema, sta er niet bij of je geen tien kunt tellen. Help een handje mee, man! Trek jij hem zijn pantoffels uit om te beginnen... Zo, en nu dat hemd over zijn hoofd.’
Ze ontdeden hem vlug van zijn kleren. ‘Moet je die spieren voelen! Zo hard als een bikkel... We gaan hem omkeren, Dijkema. Hm... Kijk, Van Houthem. Een schaafwond, in zijn nek, vlak onder zijn haar. Hij heeft een tik gehad, òf hij is achterover ergens tegenaan gevallen. Lag hij hier op het bed?’
‘Nee. Ze vonden hem op de trap en ze hebben hem om begrijpelijke redenen hier gebracht en wat gemakkelijker neergelegd.’
‘Hij moet onmiddellijk onder specialistische behandeling. Dit is een geval voor een psychiater. Het zou me niets verwonderen, wanneer van een ernstige geheugenstoornis zou blijken... of erger. Waar kan ik hier telefoneren? Beekman moet er maar aan te pas
| |
| |
komen. Een ongemakkelijk professor, maar een bekwaam man. -
‘Heeft hij nog andere verwondingen?’ vroeg Van Houthem, toen hij zag dat de dokter de tot een vuist gebalde bebloede rechterhand bekeek.
‘Nee. Dat bloed daar is niet van hem afkomstig. We zullen het vergelijken met dat van het slachtoffer. Geen kleinigheid, om die vuist open te krijgen. Zo.’ -
Van Houthem boog zich snel voorover. ‘De binnenkant van zijn hand is volkomen schoon. Laat me de andere ook eens zien.’
Het was even stil, terwijl dokter Haringa de vingers van de linkerhand terugboog.
‘Precies hetzelfde geval. Hm, gelukkig is het niet mijn taak om dergelijke raadseltjes op te lossen. De patiënt kan voorlopig geen kwaad. Wijs me nu eerst maar de weg naar het lijk.’
De commissaris gaf Dijkema opdracht in de zitkamer de wacht te houden. ‘Begin jij maar vast aan een voorlopige huiszoeking, hierboven. Wij gaan de trap af, Haringa. De vermoorde ligt op de verdieping hier vlak onder.’
Staring was met de brigade al bezig. Het groepje rechercheurs stond bij de lift bijeen en keek toe, hoe de fotograaf in de hal voor het restaurant volgens aanwijzingen van de adjudant zijn opnamen maakte. Met Haringa bleef Van Houthem op de onderste treden van de trap wachten. Recht tegenover hen strekte zich de glazen wand uit, die de hal van de verkoopruimten op de derde etage scheidde. Rechts en links waren daarin deuren aangebracht. Langs de binnenwanden
| |
| |
wisselden gemakkelijke rieten zitjes en palmen in tonnen elkaar af. Door een tweede glaswand zag men het interieur van het restaurant, dat aan de straatzijde licht ontving door de brede ramen.
Door het glas zag de commissaris het in natuurlijke houdingen samengebrachte groepje poppen. Haringa liet zich de kans niet ontgaan enige grappige opmerkingen erover te maken. De dame van het gezelschap boog een weinig voorover in een elegant zomertoilet. De rechterarm steunde losjes op de knie van het over het andere gewipte been; een half opgerookte sigaret hield zij tussen de gehandschoende vingers. Onder de rand van de hoed, schenen haar ogen de stoere Van Houthem en de kleine, gezette dokter spottend op te nemen en in het, volgens de regels van de kunst opgemaakte gezichtje krulden de rode lippen in een hooghartig lachje. Rechts van haar leunde een kleine jongen in een matrozenpakje verveeld tegen de stoel. Het hoofd was afgewend, alsof hij naar het restaurant keek. Een grote reclameballon deinde zachtjes heen en weer en weerkaatste in het glimmend rode oppervlak de flitsen van de lampen, waarmee de foto's werden genomen. Met de rug naar de trap zat een stevig gebouwd heer in een wandelkostuum, ogenschijnlijk verdiept in de beschouwing van Staring en de fotograaf. Links van hem lag een rieten stoel achterover op het glimmende parket. Tussen de gevallen zetel en een man in chauffeurstenue, die over de tafel gebogen de hand uitstak naar de verzameling inkopen, strekte zich half opzij in een bloedplas het stille lichaam uit van Kees Minderman, de nachtwaker.
De opnamen waren gemaakt en Staring kwam zich
| |
| |
melden bij zijn chef. Het drietal begaf zich naar de hal, de haastige Haringa voorop.
‘Hij heeft gebloed als een rund,’ merkte de adjudant fluisterend op.
‘En de moord heeft hier plaats gehad. We boffen erbij, dat de vloer gisteravond is gewreven. Hij moet verrast zijn, want er zijn geen sporen van een worsteling te bekennen.’
Haringa op de hurken naast de dode, juist met de voeten buiten de gestolde, donkere vlek op het hout, knikte instemmend. Hij had de knopen van het grijze overhemd losgemaakt en betastte de bebloede borst.
‘Drie steken met een scherp voorwerp,’ mompelde hij. ‘De dader nam geen enkel risico. Iedere stoot was in de hartstreek. De rigor is ver gevorderd...’
‘Wat is dat voor glas bij zijn linkerhand?’ vroeg Van Houthem.
‘Zijn polshorloge...’ Straing bukte zich en tilde voorzichtig de stijve arm omhoog. ‘Het glas is in gruzelementen en de grote wijzer is er af. De secondenwijzer is verbogen. De kleine wijzer is blijven staan op iets voor half een. Kan dat uitkomen, dokter?’
‘Dat zal ik je vertellen, wanneer ik hem heb onderzocht. Maar dat kan hier niet gebeuren. Ik ga nu eerst opbellen, Van Houthem. Als ik Beekman niet vóór tien uur aan de telefoon heb, krijg ik hem de hele dag niet meer. En er moet een wagen komen om hem hier weg te halen.’
Van Houthem wendde zich tot inspecteur Storm. ‘Wil jij zo vriendelijk zijn de dokter even de weg te wijzen naar het kantoor waar hij telefoneren kan? Is de bewaking nu behoorlijk geregeld?’
| |
| |
‘Ja, meneer Van Houthem. Brigadier Sanders controleert de sluitingen in het pand, en een vertrouwde agent bewaakt de binnenplaats die op de Gedempte Begijnensloot uitkomt.’
‘Prima. Neem de lift, Storm!’
‘Ja natuurlijk.’ Inspecteur Storm en dokter Haringa verlieten de voorhal van het restaurant. Even later duidde het gezoem van de lift aan dat zij op weg waren naar beneden.
Van Houthem keerde terug naar de groep bij het tafeltje.
‘Ga jij hier verder je gang met sporen, Willem. Laat Mertens de vingerafdrukken van de dode nemen. Ik denk dat je op de zaklamp, die daar op tafel ligt, wel behoorlijke prints zal vinden. Straks kom ik terug en dan beginnen we met het onderzoek van het gebouw.’
De commissaris liep weer naar het trappenhuis. Bedachtzaam stak hij de brand in zijn onafscheidelijke pijp, die hij al die tijd, gestopt en wel, in de hand had gehouden. Bij de balustrade boog hij zich voorover.
‘Ben je daar, Storm? Kom nog eens boven, wil je? Nee, nu langs de trap, alsjeblieft!’
Hij volgde de inspecteur van het Singel met de ogen, terwijl deze met twee treden tegelijk omhoog spurtte. Toen de jongere man op het punt stond de trap tussen de tweede en derde verdieping op te komen, verzocht Van Houthem hem te blijven staan op de plaats waar het bewusteloze lichaam van Dammers was gevonden. ‘Hij zat op de vijfde tree van boven,’ riep Storm terug. Hij wipte de trap op en ontmoette de commissaris bij het aangegeven punt. ‘Hier zat hij, met die bloedvlekken daar aan zijn rechterkant. Zijn rechter elleboog
| |
| |
steunde op de vierde tree en zijn hoofd lag achterover op de tweede van boven.’ Voorzichtig kwam Van Houthem wat lager om het hout en de koperen richels van de trap beter te kunnen zien. ‘Hm. Doe jij het eens even na om mij een indruk te geven van de situatie.’
Enkele minuten later zaten ze samen op stoeltjes zonder leuning bij een van de toonbanken in de verkoopafdeling van de derde etage.
‘Je vertelde mij daarstraks, dat brigadier Sanders de sluitingen van het pand heeft nagezien. Is er iets bijzonders gevonden?’
‘Neen, meneer Van Houthem. Alle deuren, die in de damesafdeling gelijkvloers uitkomen waren afgesloten. Volgens meneer Rovers wordt dat altijd 's avonds gedaan, wanneer het personeel naar huis is. De administratie, waar de brandkast staat, komt aan de achterkant uit op de Gedempte Begijnensloot. Alle ramen daar zijn getralied. Een van de deuren van het kantoor geeft toegang tot een overdekte plaats, waar de vrachtauto's kunnen inrijden voor het brengen en halen van goederen; die deur was ook op slot en dubbel gegrendeld. Aan de andere kant van die plaats is het magazijn met twee brede schuifdeuren voor het laden en lossen. Alles was goed afgesloten. Van braak is geen spoor te bekennen. Evenmin aan de twee toegangen van de winkel aan de Kalverstraat. We zijn ook in de kelder geweest. Die heeft maar één uitgang naar buiten, een ijzeren luik op de binnenplaats. Hermetisch gesloten. Volgens Rovers is het uitgesloten van buiten in te breken op de drie verdiepingen. Tenzij iemand met een ladder vanaf de straat of langs een touw van het dak door een van de spiegelruiten binnen drong. Ik heb
| |
| |
de zaak van de overkant van de Kalverstraat bekeken, maar er is geen enkele van die grote ruiten stuk. In de achtergevel zijn geen ramen en de belendende percelen zijn aangebouwd. Er blijft dus alleen de vierde verdieping over. Daar zijn de flat van meneer Dammers en de zolders. Als u het goed vindt ga ik daar nu eerst eens kijken.’
‘Is er voldoende toezicht beneden?’
‘O, ja. Ik heb een mannetje op de binnenplaats neergezet zoals ik u daar net al zei, en twee bij de voordeuren.’
‘Straks wordt het lijk van de nachtwaker weggehaald en ook brengen ze Dammers naar het ziekenhuis. Geef ze beneden opdracht, dat de wagens aan de achterkant op de binnenplaats moeten komen, dan vermijden we onnodig opzien in de Kalverstraat.’
‘Dat heb ik al afgesproken met dokter Haringa, toen hij daar straks in het kantoor ging telefoneren. Mijn mensen weten er van.’
‘Prachtig. Neem dan boven even de sluitingen op. Het lijkt me, dat één man voldoende is om de twee buitendeuren in de Kalverstraat te bewaken. Laat de andere voorlopig wacht houden op de bovenste verdieping. Wanneer er niet ingebroken is, moeten we rekenen met de mogelijkheid dat iemand zich heeft laten insluiten. Straks gaan we het pand uitkammen. We moeten voorkomen dat de dader ons tussen de vingers doorglipt, vóór we hem ontdekken. Daar komt de lift naar boven.’
‘Dat zal de professor zijn,’ zei Storm terwijl hij opstond. ‘Ik geloof dat hij juist bezig was van zijn huis op de Herengracht weg te gaan, toen dokter Haringa
| |
| |
hem opbelde. Binnen de tien minuten hier, hij heeft kennelijk haast.’
De lift stopte op de derde verdieping. Haringa opende het hek en kwam naar buiten, gevolgd door een oudere heer met een korte grijze baard. Nadat Van Houthem zichzelf en de inspecteur aan de professor had voorgesteld, wendde hij zich nog even tot Storm:
‘Wil jij de ziekenbroeders binnenlaten en bij hen blijven tot ze weer naar buiten gaan? Laad het hele stel maar in de lift en breng ze daarmee ook weer naar beneden. Geen wandelingetjes over de trappen, want die moeten nog onderzocht worden.’
‘Komt in orde meneer Van Houthem. Ik wacht beneden op een seintje, wanneer ik de verplegers kan bovenbrengen. U roept maar door het trappenhuis, zodra ik ze kan binnenlaten.’
Naast het bed van de bewusteloze, zat professor Beekman met een bezorgd gezicht de patiënt te bestuderen. Haringa was aan de wastafel bezig zijn handen te schrobben.
‘Een vreemd geval, Commissaris!’ begon Beekman hoofdschuddend. ‘Er moet voorlopig worden afgewacht tot hij bij kennis komt. Ik wil me nog niet aan een uitspraak binden, maar dat we hier met een ernstige psychische storing te doen hebben staat wel vast. Het lijkt mij het beste, wanneer ik hem in mijn particuliere inrichting breng. Daar kan ik hem onder voortdurende contrôle houden. Alles hangt er van af, hoe hij reageert wanneer hij uit deze toestand tot bewustzijn komt.’
‘Het is niet uitgesloten, dat hij de moord op zijn geweten heeft, professor. We zijn met het onderzoek
| |
| |
begonnen en mogelijk vinden we definitieve aanwijzingen voor verdenking. Onder die omstandigheden kan ik hem niet vrijlaten van bewaking door de recherche. Eén van mijn mensen zal met u meegaan naar uw kliniek en in de kamer bij hem moeten blijven. Ik zal de aflossing regelen, zodat hij geen ogenblik buiten politietoezicht blijft.’
‘Ik kan me er niet tegen verzetten, wanneer u dat noodzakelijk vindt. Maar ik sta er op met de zieke alleen te zijn als ik hem onderzoek. De aanwezigheid van een vreemde, van iemand die kennelijk tot de politie behoort, zou van invloed kunnen zijn op zijn reacties.’ Beekman was opgestaan. ‘Kunnen mijn verplegers hem nu komen halen?’ Hij nam zijn horloge uit zijn zak en keek er op. ‘Ik heb een afspraak.’
‘Ik zal even een paar maatregelen nemen. Een ogenblik geduld nog.’
De commissaris verliet de kamer en riep Storm, die bij de trap gelijkvloers wachtte. ‘Laat de mensen met de draagbaren binnen komen, tel ze en breng ze zelf naar boven!’ De inspecteur verdween, en Van Houthem boog zich nog eens over de balustrade van de trap. Hij riep Staring en droeg deze op rechercheur Davids boven te sturen, die Dammers in de kliniek van de professor moest bewaken.
De ziekenbroeders werden bovengebracht. Terwijl ze met hun arbeid bezig waren, zag een brigadier van het hoofdbureau, die op de derde etage wacht hield bij de trap waarop de bewusteloze Dammers was gevonden, een man in chauffeursuniform op de tweede verdieping zijn voet op de onderste trede zetten om naar boven te komen.
|
|