| |
[II]
Kees Minderman zat in de nacht van 30 op 31 Juli in het kleine rommelhokje naast de liftkokers op de gelijkvloerse verdieping. Veel ruimte had hij niet, want in deze dagen van de uitverkoop smeten ze alles wat ze kwijt wilden zijn bij het opruimen hier maar neer; lege dozen, die ze niet de moeite wilden nemen naar het magazijn of de expeditie te brengen, emmers en bezems en parketwrijvers, die anders altijd op de overdekte plaats achter het gebouw werden gezet, de rollen papier, die morgen vroeg naar de paktafels zouden gaan. De mopperende nachtwaker moest maar zien hoe hij zich redde. Eigenlijk was zijn toevluchtsoord een diepe kast met planken langs de zijwanden. Een plafondlamp was bij de achtermuur bevestigd. Wanneer alles normaal was, kon Kees zijn stoel vlak onder de lamp neerzetten en dan had hij voldoende licht om de kleine lettertjes in zijn krant of tijdschrift te lezen. Dat was er nu niet bij. Hij mocht al blij zijn, dat hij de ruimte had om juist binnen de drempel een plaatsje te vinden om te zitten. Maar zich de tijd doden met z'n krantje of een boek was vannacht uitgesloten. De opgestapelde dozen namen al het licht weg, zodat hij in de schaduw kon duimendraaien.
Z'n eenzame ronde van twaalf uur had hij met de Franse slag gedaan. Hij was niet bang uitgevallen, maar er was de laatste tijd iets in het gebouw, dat hem maar half beviel. Wat het was kon je onmogelijk
| |
| |
zeggen en ze zouden je erom uitlachen, wanneer je er over begon. Hij liep nu al jaren hier te waken en nooit was er iets gebeurd, of hij had het tijdig ontdekt. Behalve dat begin van een brandje onder de uitstalkast in de Kersttijd, maar toen was hij op de tweede verdieping bezig met zijn rondgang en meneer Dammers, die laat zat te werken, was er het eerst bij geweest. Dat kon je geen verzaking van je plicht noemen. Hij zou het ook hebben geroken, wanneer hij beneden kwam. Je kon niet overal tegelijk zijn in een pand als dit.
Wanneer je je maar hield aan de twee eerste vereisten voor een goede nachtwaker, altijd op je ronden goed je neus gebruiken om verdachte luchtjes op te vangen en de hele wacht je oren spitsen om geluiden, die er niet mochten zijn te localiseren en dan te gaan kijken wat er loos was, kon je niets gebeuren. En nu was het beroerde, dat er de laatste weken dingen te horen waren, die je met de beste wil niet kon thuisbrengen of verklaren. Je was er helemaal op ingesteld onderscheid te maken tussen wat van buiten en van binnen kwam. Wanneer een man van de veiligheidsdienst in de Kalverstraat hier of daar aan een deur morrelde, of wanneer een late voorbijganger, die niet helemaal fris was, de boel op stelten zette, luisterde je er niet eens meer naar. Al je aandacht was geconcentreerd op wat er in huis gebeurde. Met de ratten en muizen, die wel eens hier boven verdwaalden, rekende Kees altijd gauw af. Dat was een kwestie van een paar valletjes opzetten, waar die beesten altijd intippelden. Die vraten ook liever kaas of worst dan papier of textiel. Zeg nou zelf! Neen, waar je uur na uur op zat te springen waren de gesmoorde geluiden, die inbrekers maakten,
| |
| |
wanneer ze wisten, dat er een waker in het gebouw was. Niet, dat hier gemakkelijk te jatten viel. Voor je een behoorlijk bedrag bij elkaar kraakte, moest je balen vol kleren of zware rollen stof verzamelen en daar moest je dan bij nacht en ontij mee over straat, met de kans na honderd meter in je nekvel te worden gegrepen door de dienders op hun ronden.
Zo lang het dingen van vlees en bloed waren wist je er weg mee. Maar niemand maakte Kees wijs, dat het gefluister op de derde etage klare koffie was. Of dat hoge lachgilletje, dat hij nu al een paar keer had gehoord, wanneer hij ingespannen luisterde onder in het trappenhuis. Als je niet beter wist, zou je meneer Dammers ervan verdenken, dat hij damesbezoek op zijn kamers had. Waarom zou hij niet? Die man zat daar ook altijd maar alleen in zijn boeken te snuffelen. Maar dat was het niet. In het begin had Kees op zijn ronden soms een duik genomen in de schuilhoeken, die hij precies kende, om verdekt opgesteld minuten lang doodstil te blijven staan. Maar dan gebeurde er niets. Het was of ze wisten, dat je op de loer lag. En nauwelijks was hij weer op weg en uit de buurt, of het was weer mis. Zachte mannenstemmen, gedrens van kinderen, die hun zin niet krijgen, gemompel, dat als het ritselen van papier langs de muren werd voortgedragen. Goed, je went aan alles... Altijd werd het weer morgen, zonder dat er iets was voorgevallen.
Kees had zich laten vertellen, of hij had ergens gelezen, dat in huizen waar veel mensen kwamen, grote magazijnen, kerken, café's, het gegons van stemmen bleef hangen en dat je 's nachts, als het stil was, het kon horen. Maar dat maakten ze hem niet wijs! Geluid
| |
| |
was geluid. Als die trillingen, of hoe het dan ook heette, waren uitgewerkt, was het afgelopen. Een echo, dat was iets anders. Maar die was hier niet. Hij liep zelf op pantoffels met dikke viltzolen. Onhoorbaar. En verder was er niemand in de zaak, als meneer Dammers naar bed was gegaan.
Spoken? Tja, dat was een ànder geval Als je gevaren had en je had op zee dingen meegemaakt, waarvan ze aan de wal geen idee hadden, dan lachte je daar niet om. Een dertig jaar geleden, op de ouwe Zeehond, was de bootsman met vliegend stormweer over boord gegaan en niemand had ooit kunnen verklaren, hoe er met het wisselen van de wacht op donkere nachten een fluitje had geklonken, dat niet door een van de onderofficieren was geblazen. De commandant was er aan te pas gekomen, maar ze hadden het nooit ontdekt. Zelfs toen de Zeehond uit de vaart was genomen en nog een tijdje als wachtschip had dienst gedaan, hoorde de bemanning 's nachts die snerpende signaaltjes. Alleen als er boos weer op komst was. Nou dan!
Eerst had Kees er om gelachen, toen het hem voor de eerste maal door de gedachten was gegaan, dat het in de Modes Modernes niet pluis was. Maar ondertussen! Dat bedekte gegiechel, alsof een bakvis in het Vondelpark met haar knuffeltje in het donker zat, kwam toch ergens vandaan. Eerst was het maar een paar keer op een nacht gebeurd, maar de laatste dagen hoorde hij het telkens, wanneer je de trap naar de derde verdieping opging. Vooral sinds meneer Dammers die aardigheid had uitgehaald om die poppen voor het restaurant te zetten. Wanneer hij bijna boven was op die trap, had hij duidelijk een paar keer ‘ssst’ horen
| |
| |
fluisteren, zoals je doet, wanneer je anderen wil waarschuwen, dat er iemand aankomt, die niet mag horen wat er gezegd wordt. Natuurlijk hoefde je niet te denken, dat het die poppen waren. Dat zou te gek zijn om los te lopen. Dooie dingen, die ze daar voor de reclame hadden neergezet.
Nee, het moest iets anders zijn. Iets, dat je niet kon zien met je ogen, maar dat er wàs en dat je haren in je nek deed kriebelen, wanneer je het hoorde. En alsof die vreemde dingen in het gebouw nog niet genoeg waren om je het plezier van je ronden te vergallen, hadden ze het nu nog in hun hersens gehaald om op verschillende plaatsen etalagepoppen neer te plakken, die je telkens wanneer je ze in het vizier kreeg de indruk gaven, dat het werkelijk lui waren, die iets stonden te doen. Hier vlak bij op de trap naar de eerste verdieping hadden ze een oude heer neergezet, die zich bukt om een gevallen pakje op te rapen. Iedere keer wanneer Kees daar langs kwam, gaf hij die vent de ruimte. Hij had er met meneer Dammers over gesproken, maar die had hem er raar op aangekeken en gedacht, dat hij bang werd op z'n ouwe dag.
Bang. Ja, dat wàs het. Overdag, wanneer het licht was en de mensen hier elkaar verdrongen, zou je erom lachen. Maar het was geen grapje meer als je hier moederziel alleen op je vilten pantoffeltjes rondscharrelde en jezelf niet eens kon horen. Kees had zich nooit iets om echte eenzaamheid bekreund. Laat ze maar opkomen, had hij altijd gemeend, zeker van z'n stevige body en tamelijk gerust gesteld door de gummiknuppel, die aan zijn rechterpols bungelde. Maar, zodra je wist, dat er iets onzichtbaars onverklaarbare
| |
| |
geluiden maakte, iets, dat link genoeg was om zich sjakies te houden, wanneer je luisterde om erachter te komen waar het zat, dan kon je je plezier wel op.
De moordverhalen, die zijn kostjuffrouw voor hem uit de leesbibliotheek haalde, had hij de laatste weken stiekum op de tafel in zijn kamertje thuisgelaten. Die griezeligheid had je hier niet nodig om je bezig te houden. De aardigheid van dat nachtwaken was er af. Deze week zou Kees nog blijven, maar morgen op de laatste van de maand, zou hij meneer Dammers zeggen, dat ze maar een ander voor hem moesten zoeken. Om een baantje hoefde je niet verlegen te zijn, al was je achtenvijftig. Gerrit, een oude kameraad, die er een slopersbedrijfje op na hield, kon best een jongen er bij gebruiken, die niet bang was z'n poten uit de mouwen te steken. Dan kon je tenminste weer eens als een heel behoorlijk mens 's avonds in je kooi kruipen en hoefde je niet als een vent, die bang is voor spoken moederzalig in je eentje, door een verlaten, halfdonker gebouw te dwalen. Altijd was je gewend geweest je werk ordentelijk te doen, niet? Met je kop omhoog, liep je rustig je ronden, zonder telkens om te kijken of er niet een achter je aansloop, die een benige klauw uitstak om je te smoren. Inplaats van zoals nu schichtig, klaar om opzij te springen, zwetend van armetierigheid, zo gauw mogelijk langs de verdiepingen te haasten, met je lantaarn aan en je knuppel in de hand. Natuurlijk, je snoof nog altijd de lucht op om te ruiken of er iets mis was, maar luisteren deed je maar liever hoe langer hoe minder, want wat je te horen kreeg pakte je tenslotte meer aan, dan je wilde bekennen.
Nee, er was hier in het pand iets grondig fout, daar
| |
| |
kon je donder op zeggen. Meneer Dammers voelde het ook. Dat merkte je met een half oog op als ze samen de eerste ronde maakten. Soms stond die ook opeens stil om plotseling achter zich te kijken. En de trap tussen de tweede en derde etage kreeg je hem niet meer op of af. Ze namen nu de lift. En ze moesten Kees maar eens duidelijk maken, wat meneer Dammers diep in de nacht op de derde verdieping had uit te voeren. Een paar maal had hij hem gehoord. Eerst het openen van de deur van zijn slaapkamer, iets waarvan de geluiden door het trapgat galmden, dan zijn sloffen op de trap van de vierde naar de derde. Klik, klak, klik, klak, klik... Dan bleef hij even stilstaan. Je kon het je hier beneden voorstellen, dat hij zich vooroverboog en de ruimte onderzoekend overzag, alsof hij zich ervan wilde overtuigen, dat alles wèl was. En dan weer klik, klak, klik, klak tot hij de open ruimte voor het restaurant had bereikt. Soms bleef het wel een kwartier stil, alsof hij er zijn gemak van had genomen. En daarna hoorde je hem weer naar boven gaan en de deur van zijn slaapkamer sluiten. Eenmaal had Kees van beneden geroepen: ‘Is er iets, meneer Dammers?’ Er was geen antwoord gekomen en hij was vlug de trap opgeklommen. Hij had de derde bereikt, juist toen de baas met starre open ogen, als een slaapwandelaar, niets ziende, langs hem heen was gegaan naar de trap, waarmee je in zijn flat en op de zolders kwam. Kees was er van geschrokken, zo vreemd als hij er uitzag. Een beetje verwilderd, met z'n haar in de war. Of hij zó uit bed was gekomen in zijn gestreepte pyjama. Ze hadden Kees gezegd, dat je een slaapwandelaar nooit mag wakker laten schrikken en hij was daar beduusd
| |
| |
blijven staan op de bovenste treden, tot hij boven de deur in het slot hoorde vallen.
Zie je, dat kwam er ook nog bij. Eerst die onverklaarbare fluisterstemmen en dan iemand in de flat boven, die 's nachts rondliep of hij getikt was. Er zat geen haar kwaad bij meneer Dammers, daarvan niet. Ze kenden mekaar al jaren en er was iets kameraadschappelijks tussen hen. Geen wonder, wanneer je samen iedere nacht de enige levende wezens was in de Modes Modernes. Maar met dat al kon ie nooit weten, wat iemand in zijn slaap uithaalde als hij wandelingetjes maakte. Hij hoefde maar te dromen, dat er een inbreker was en dan Kees Minderman daarvoor aan te zien. Wat begon je dan? Je kon je eigen baas toch geen oplawaai geven met de knuppel!
Met de gevouwen handen tussen de knieën, een beetje voorover geleund, bestudeerde Kees meewarig zijn dikke pantoffels. Roken mocht hij niet. Niet zozeer voor het brandgevaar, maar omdat hij zijn reukorgaan fris en ongeprikkeld diende te houden om te ontdekken wanneer er ergens iets lag te smeulen. Dat was een hele penitentie voor iemand, die een straffe roker was. Werktuigelijk zocht zijn hand het rolletje grote pepermunt in zijn broekzak. Gedachteloos brak hij er een uit en stak die in de mond. Terwijl hij nog bezig was de snoeperij te laten verdwijnen, verstrakte hij. Zijn afwezige blik werd scherp en gespannen en hij luisterde roerloos.
Boven werd ergens een stoel verschoven. Het was maar een uiterst zwak geluidje geweest, iets waarop een ander dan een geoefend nachtwaker nauwelijks zou hebben gelet. Maar voor Kees was het schrapen
| |
| |
van iets over de parketvloer voldoende om het precies in te delen in een bepaalde categorie. Geluidloos was hij overeind gekomen met de pepermunt in de holte van een wang. Hij nam de zware rubberknuppel stevig in de vuist en begon bedachtzaam de tocht langs de trap naar boven. Hij was zó geheel in beslag genomen door zijn plan te ontdekken wat er gaande was, dat hij rakelings langs de gebukte oude heer streek en niet, zoals anders, achterdochtig een stap op zij nam. Op elke verdieping brandde maar één enkele lamp, zodat zich een verraderlijke schaduw aftekende op de beschilderde wand van het trappenhuis, wanneer iemand zich op de treden bewoog. Maar daar was nu eenmaal niets aan te doen. Hoogstens kon je, op je onhoorbare voeten, gebogen omhoog sluipen, zodat je in de slagschaduw van de met hout beklede leuning verdween. Het geluid was niet van de eerste verdieping gekomen; daarin konden de scherpe oren van Kees zich niet hebben vergist.
De tegen de balustrade gedrukte gestalte verstilde opnieuw, toen andermaal, heel even, iets te horen was. Hij wist het onmiddellijk te plaatsen; het was het eigenaardige piepende kraken van een rieten stoel, waarin iemand zich bewoog. Dat kon alleen op de derde verdieping bij het restaurant zijn. Er waren krukjes en tabouretjes genoeg op de verdiepingen, maar rieten stoelen vond je slechts bij de restauratie. Meneer Dammers...? Neen, het overbekende geluid van zijn deur en van de pantoffels op de trap had ontbroken. Daar wilde Kees een eed op doen. Hij sloop verder naar boven, schoof op handen en voeten over de gewreven vloer van de tweede etage, beangst dat
| |
| |
zijn schaduw op de achtermuur van het trappenhuis zijn nadering zou verraden. Hij vermeed de krakende tweede trede op de trap naar de derde, drukte zich zo dicht mogelijk tegen het beschermende hout van de balustrade en klom met ingehouden adem verder, tot zijn hoofd juist boven de hoogte van de vloer van de verdieping uitkwam. En weer hoorde hij, nu nabij, het zachte gekraak van riet.
Recht tegenover het trapgat, op een afstand van enkele meters, rees de glazen buitenwand van de hal, waarachter de zaal van de restauratie zich uitstrekte. De onderzijde van die wand werd gevormd door een betimmering van nog geen meter hoog. Als een slang gleed Kees over de bovenrand van de trap vooruit, tot hij in zijn volle lengte op de vloer lag, nu tegen de onderkant van het glazen beschot. Boven de vier poppen rond het tafeltje, verderop, juist tussen de beide dubbele deuren, brandde de lamp in een glazen plafonnière. In vergelijking met de duisternis rondom was de hal behoorlijk verlicht. Achter een palm in een tobbe, hief Kees het bovenlichaam op de gestrekte armen. Zijn voorhoofd en ogen kwamen juist uit boven het houten beschot, maar werden beschaduwd door de uitwaaierende bladeren van de plant daarbinnen. Zijn blik gleed over het stijve gezelschap en bleef even rusten op de glinsterende ogen van de etalage-dame, die hem glimlachend, met een uitdrukking van verholen spot op het hautaine gezicht, scheen te ontdekken. De schaduw, die door de rand van de kleine, kokette hoed werd geworpen, liet het gelaat in het halfduister, maar de ogen glansden en blonken als levend in het teruggekaatste licht. Kees, op zoek naar
| |
| |
een inbreker, die zo even nog in een der rieten stoelen moest zijn gaan verzitten, liet zich niet van zijn stuk brengen door die tintelende blik. Hij gluurde over de rand van de ton, langs de stam van de palm en zag met groeiende verbazing, dat alle stoelen, behalve die bij het stijve reclame-gezelschap, onbezet waren. De drie deuren naar de eigenlijke zaal waren op slot. Een geluid, dat daar binnen werd veroorzaakt zou Kees onmogelijk beneden hebben kunnen horen. Verwonderd trok hij, zonder gerucht te maken, de knieën bij en keek om zich heen. Niemand zou hem uit het hoofd praten, dat hij een van die stoelen in de voorhal had horen kraken. Degeen, die er gezeten had moest zijn opgestaan en zich ergens op de derde verdieping verborgen houden of naar de vierde etage zijn gegaan. Maar dan moest die gannef zich even geluidloos bewegen als lucht. Niets had hij gehoord, terwijl hij naar boven kwam.
Met een schok beluisterde hij opnieuw door de open deuren van de hal het geluid van krakend riet. Maar er was niemand daar behalve die dode poppen! Kees veegde zich het klamme zweet van het voorhoofd en zoog bedachtzaam even op de pepermunt in zijn wang. Hij zat nu op de hurken. Peinzend beschouwde hij het starre gezelschap. Het viel hem nu op, dat er iets loerends, als van een kat, die op het punt staat de prooi te bespringen, in de ogen van de elegante dame glom. Ja, kijk maar, zus, dacht hij, mij maak je niet bang! Haar sjieke begeleider zat met de rug naar de deuren, doodstil. En dat joch met zijn ballon keek verlangend in de richting van het buffet, waar zijn limonade vandaan was gekomen. De chauffeur verzamelde,
| |
| |
zoals altijd, geduldig de pakjes, om die naar de wachtende slee te brengen; die wagen zouden ze wel op het Rokin hebben geparkeerd. En die sjofele kerel op de derde stoel...
Als een bliksemflits ging het Kees door het hoofd, dat er altijd maar vier poppen waren geweest. En nu waren er vijf! Met open mond staarde hij naar de nieuweling; die moest de chef-étaleur er vandaag bij hebben gezet. Daarstraks bij zijn vorige ronden, had hij niet zo op het groepje gelet. Dat was een gevolg van die angst, die hem hier op de derde verdieping altijd in de benen sloeg. Hij had vlug rondgekeken, geluisterd, gesnoven en was toen als een haas weer naar beneden gegaan. Een straaltje speeksel liep ongemerkt uit een mondhoek langs zijn kin.
Maar de chef-etaleur zou niet zo'n verlopen sujet hebben uitgezocht om bij het deftige gezelschap aan tafel te zetten. Dat pak van hem moest nodig eens naar de stomerij! Of misschien hadden ze juist zo'n armoedzaaier er bij gepoot om het verschil te laten uitkomen tussen hem en de toffe klanten van de Modes Modernes.
Kees was geheel overeind gekomen. Gek, zo doodstil als het hier vannacht was! De fluisterstemmen, die je in deze buurt meestal hoorde, waren verstomd. Misschien hadden de spoken een snippernacht! Of ze hielden hun adem in, omdat ze iets verwachtten. Hij kwam tot een besluit, veegde zich werktuigelijk het pepermuntsap van de kin en stapte door de open deur in de hal. Je zou zweren, dacht hij, dat die gozer ècht was. Misschien kwam het door het licht, maar het had er veel van of de borst onder het groezelige overhemd en de gestreepte strikdas, heel, heel langzaam op en
| |
| |
neer ging. Alsof hij ademhaalde. Je tante! Dat kòn immers niet. Stomweg een pop uit de etalage, die ze wat hadden bijgewerkt om hem het uiterlijk te geven van een liederlijke kerel.
Hij zette de enkele passen, die nodig waren om vlak bij de stoel te komen. De lantaarn in zijn linkerhand legde hij even op het tafeltje naast de koffiekop van de sjieke lefgozer en stak die daarna uit om het bijna levensechte gezicht, dat hij nu kon bereiken aan te raken. Het was de laatste handeling, die hij in zijn leven bij vol bewustzijn verrichtte.
De rechterarm van het verlopen sujet schoot zijwaarts en het flitsende mes, als een schicht in het licht van de eenzame lamp, vond de weg tussen de ribben van Kees. Hij wankelde en hief, met een uitdrukking van uiterste verbazing de rechterhand met de knuppel, maar miste de kracht die boven schouderhoogte te brengen. Een tweede brandende stoot trof hem vol in de borst. Nu ontzet, omdat hij volkomen verrast was en wist, dat hij hier, hulpeloos als een dier, zou worden afgeslacht, ging Kees door de knieën. Voor hij de grond raakte werd hem een derde steek toegebracht. Hij voelde hoe zijn hoofd met een bons neerkwam op het gewreven parket. Langs de benen van de chauffeur konden zijn brekende ogen onder het tafeltje door nog juist de onderkant van het gezicht der elegante dame zien. Het verwonderde hem niet, dat ze de lippen bewoog en ‘Paul’ riep. Niet verschrikt of vol afschuw, maar met een glimlach, liefkozend bijna.
|
|