De vijfde trede
(1960)–W.H. van Eemlandt, Hella S. Haasse–
[pagina 44]
| |
volgde verscheurde ik dit, maar er is iets, dat me ertoe drijft er mee voort te gaan. Heb ik er genoeg van, dan kan ik nog altijd een vuurtje stoken met mijn producten van een ziek brein. Want ik geloof werkelijk, dat ik ziek ben. Ik heb vanmiddag wat onschuldige slaappoeders uit de apotheek laten halen. Wanneer ik mijn nachtrust terug krijg zullen al die vreemde gedachten wel verdwijnen. Ik heb de poppen toch bij het restaurant gelaten. Waarom ook niet? De bezoekers lachen er om. Vanmorgen heb ik ze nog eens goed bekeken en ik begrijp niet, wat ik voor bijzonders aan hen heb kunnen zien. Ze zijn even zielloos als de anderen. Alleen op een afstand geven ze, zoals ze daar nu zijn opgesteld, de indruk van enige natuurlijkheid. Heel even, want geen mens zou zo volstrekt onbewegelijk kunnen blijven. Die lege stoel, waarop ik gisterenavond heb gezeten verhoogt het effect van het geheel. Een lege stoel, terwijl de mensen in het restaurant vechten om een plaatsje, is op zichzelf al een opvallend iets. Tot nog toe is niemand uit het publiek op de gedachten gekomen die stoel te gaan halen en er op te gaan zitten. Het is of ze voelen dat er elk moment iemand kan komen aanlopen, die iets met Sebastiaan of Thérèse te bespreken heeft. Van wat kleinigheden hangt het toch bij de reclame af, nietwaar? Een stomme rieten stoel bij een tafeltje, dat bezet is door namaakmensen, suggereert zelfs voor de een of ander bestemd te zijn. Voor een onbekende, die helemaal niet bestaat, notabene! Ik dacht er een ogenblik over er nog een andere dummie bij te halen en die in een houding te zetten of hij op het punt staat te gaan | |
[pagina 45]
| |
zitten. Maar dat zou het effect bederven. Die lege stoel heeft iets suggestiefs, iets beklemmends bijna. Mijn chef etaleur is op zijn eigen houtje begonnen met hier en daar in de afdelingen etalagepoppen te gebruiken als blikvangers. Aan een toonbank van de kousen staat nu bijvoorbeeld een chique geklede dame, die een paar heeft opgenomen en die tegen het licht houdt, alsof ze het weefsel bestudeert. Op de grote trap naar de eerste etage, staat een oude heer, die een pakje heeft laten vallen en dat wil oprapen. Die houding is uiterst natuurlijk en ik zelf ben er in gevlogen toen ik vandaag even naar boven moest gaan. Ik wilde hem helpen! Ik heb de chef gezegd, dat hij het niet moest overdrijven. We zijn geen wassenbeeldenspel maar een confectiezaak. Op onze rondgang beklaagde Kees zich er over, dat die in de loop van de dag neergezette extra's hem in de war brachten. Hij raakte er zijn overzicht door kwijt en hij vroeg mij vóór de sluiting de grapjes van de etalagechef ergens in een hoek bij elkaar te laten bergen. Ik zie er de noodzaak niet van in, want er is werk genoeg aan de winkel en de plaatsing van die zes, zeven poppen buiten de uitstalkasten zal hij moeten memoreren. Ik wil niet zeggen, dat ik ongerust ben over mijn toestand, maar er is toch iets niet in orde. Vanmiddag overkwam mij iets, dat me doet denken aan een door Bergson ergens beschreven geval. Ik zat in mijn kantoor te werken, maar ik werd afgeleid van de brief, die ik schreef. Een loom, slaperig gevoel. De bekende dingen om me heen hadden iets vèrafs en onwezenlijks. Een paar maal, terwijl ik toch gewoon aan het werk | |
[pagina 46]
| |
was, met mijn hoofd erbij, kreeg ik de indruk, dat ik droomde. Niets buitengewoons, maar ik droomde over het werk, waarmee ik bezig was. Er kwam iemand van het magazijn bij me om iets te vragen en ik wist al bij voorbaat wat hij zou zeggen en ik zou antwoorden. Ik kwam tot de overtuiging, dat ik uit verschillende stukken bestond. De Dammers van alle dag, die zat te schrijven, het verstand van Dammers, dat zich verwonderde over het vreemde van het verschijnsel en ikzelf tenslotte, mijn ziel, of hoe je het wilt noemen, die een beetje bang was, dat er iets mis zou gaan met die mens daar achter de schrijftafel. Het werd hoe langer hoe erger. Ik zag en hoorde alles, maar door een waas, op een afstand. Ik kòn niet blijven zitten. Om en om viel de nadruk van mijn aandacht op elk van die drie verschillende stukken van Dammers. Het ene moment tikte ik een regel op de machine, het volgende was ik me bewust van een vage angst, dat ik daar zat te sterven en dat het contact tussen lichaam en geest nog maar een dun draadje was, dat ik wanneer ik maar even wilde zou kunnen afbreken en dan in eens weer pleitte ik ernstig met mezelf om eens naar een dokter te gaan. Ik liep de zaak in. Ik wist, dat ik vlug tussen de kopers doordrong, alsof ik gehaast iets te doen had en tegelijkertijd had ik het gevoel alsof ik op lucht liep en alles om me heen zo dun was als spinrag, zodat ik een zonnig landschap kon zien met een molen en een water, waarin de blauwe lucht zich weerspiegelde. Ik moet doelloos door het gebouw hebben gezworven, zonder het precies te weten. Ik weet, dat ik het ene ogenblik bij de hoofduitgang stond, alsof ik naar buiten wilde gaan in de Kalverstraat, en zonder | |
[pagina 47]
| |
enige overgang was ik op de tweede etage bij de werkmanskleren. Toen ik tot mezelf kwam zat ik op de lege stoel bij het groepje voor het restaurant. Suf. Een van de diensters kwam aanlopen met een glas water op een blaadje. Flauw kwam me in de gedachten, dat ik haar even te voren gevraagd had het te halen. Ik dronk het leeg en voelde weer het normale contact met mijn lichaam en de omgeving. Ze hadden de chef-verkoper opgebeld en die kwam met een bedrukt gezicht op me aanstormen. Ik hield me of ik door de warmte bevangen was en zei, dat het al zakte. Maar toen ik wilde opstaan moest ik me aan hem vastgrijpen om niet te vallen. Ze brachten mij naar de lift en terwijl we stonden te wachten tot de kooi boven kwam, viel mijn oog op het gezicht van Thérèse. Ik moest me geweld aandoen om de anderen niet te laten merken wat een schok me dat gaf. Ze keek me aan als een gewoon levend mens, met dat starre, hooghartige, spottende lachje. Alsof ze mij mijn aanval van zwakte verweet, alsof ze me verachtte, omdat ik de anderen had laten merken, dat me iets mankeerde. Haar ogen volgden me tot in de lift; ik voelde die blik tussen mijn schouders. Ik ben een half uurtje op mijn bed gaan liggen en in slaap gevallen. Daarna ging ik geheel opgeknapt weer naar het kantoor en liet ik de slaappoeders halen. Zo even heb ik het doosje uit het vloeitje genomen, waarin de apotheek het had verpakt. Het is plat en langwerpig. Een schuifdoosje, beplakt met blauw papier, waarop gouden sterretjes staan. Het doet me aan iets denken, maar ik kan me niet herinneren aan wat. Dat vreemde gevoel van vanmiddag komt weer | |
[pagina 48]
| |
over me. Het is mij of ik zachtjes hoor roepen. Mijn eigen voornaam. Niet met die wilde angst in de toon, maar lokkend, uitnodigend. Een hoge vrouwenstem... |
|