| |
29 Juli
Vandaag was het Zondag. Ik ben niet uitgegaan. Trouwens de laatste weken ook al niet. Er is iets, dat me aan de Modes Modernes bindt en me een tegenzin geeft het gebouw te verlaten. Zondagsavonds komt Kees niet voor elf uur. Hij heeft geen sleutel en kan dus niet naar binnen voor ik terug kom van mijn uitstapjes. Wanneer ik er op uittrek zorg ik er altijd voor om uiterlijk halfelf terug te zijn.
Ik heb vanavond de proef genomen, terwijl ik nog alleen was. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld betrof ben ik naar het restaurant gegaan en op de lege stoel tussen Sebastiaan en Lodewijk gaan zitten. Het was nog schemerig op de derde etage. Van de verlichting in de Kalverstraat dringt genoeg schijnsel naar binnen om de weg te vinden voor iemand, die hier bekend is. Een kwartier lang gebeurde er niets. We
| |
| |
zaten stil bij elkaar en wanneer een vreemde ons had kunnen gadeslaan, zou hij ook in mij een dummy hebben gezien, even levenloos als de rest. Ik wil niet zeggen, dat ik de anderen scherp in het oog hield, zoals men zou doen, wanneer men zich geen beweging, hoe gering ook, zou willen laten ontsnappen. Maar natuurlijk had ik mijn aandacht er bij. Een paar maal kraakte de rieten leuning van Thérèse's stoel, alsof ze ging verzitten. Door een of andere luchtstroom ging de ballon van Piet traag heen en weer. Het glimmende rubber van het omhulsel moet een lichtstraal van buiten hebben opgevangen, want voor ik de verklaring van het verschijnsel had gevonden, meende ik, dat zich een zwak lichtje boven het hoofd van Thérèse bewoog. Op eens begon ik te spreken. Ik hoorde me zelf zeggen:
‘Die juffrouw Huizing zal wel drie weken krijgen. Maar ze is onschuldig.’
‘Francine was óók onschuldig. Hoe lang kreeg die?’ Het was een hoge vrouwenstem. Eerst beverig, later sterker, maar met een effect, dat me deed denken aan fading bij korte golf ontvangst op de radio. Ik was niet geschokt door het onverwachte antwoord. Integendeel. Ik voelde mij als iemand, die met een bijzonder kritisch experiment bezig is en weet, dat hij resultaat zal krijgen.
Het was te donker om de uitdrukking op het gezicht van Thérèse te kunnen onderscheiden. Zelfs haar lippen kon ik niet zien bewegen; nauwelijks herkende ik het glanzende ivoor van haar tanden in de half geopende mond.
‘Laten we niet over Francine spreken.’ Het was mijn stem, maar niet mijn wil, die de woorden uitbracht.
| |
| |
Het was me te moede als op de vijfde trede. Flauw verwonderde ik mij erover, dat de straatgeluiden volmaakt verstomd waren; wel hoorde ik de regelmatige ademhaling van verschillende personen in mijn nabijheid, zoals dat gebeurt, wanneer men in een kleine ruimte met elkaar in het donker zit.
‘Zoals je wilt,’ zei een melodieuze mannenstem rechts van me. Ik wendde me naar Sebastiaan, die de spreker moest zijn. Hij zat met de rug naar de vensters gekeerd en op de plaats waar zijn hoofd moest zijn was alleen een ronde, donkere schaduw te zien. ‘Overigens een interessant onderwerp, beste Paul. Die onschuldige juffrouw Huizing is niet meer dan een bijkomstigheid. Noem het een demonstratie om je ervan te overtuigen, dat we niet louter een projectie zijn van je eigen onbewuste. Voor we met jou klaar zijn, zal je nog wel iets anders meemaken.’
‘Ik verlang niet beter.’ Het was een wonderlijke sensatie mijzelf dingen te horen beweren, die met mijn verstand niets te maken hadden, maar als vanzelf opwelden. ‘Is er iets speciaals, dat ik zou moeten doen of laten?’
‘O nee.’ Thérèse sprak weer. ‘Alleen zo doorgaan.’
‘Wat is er met die vijfde tree van de trap naar de tweede etage?’ De vraag was nog niet over mijn lippen, toen weer die radeloze stem door het gebouw echode. ‘Paul! Paul!!’ Een ander vreemd geluid eiste mijn aandacht op. Een voortdurende trillende roffel op mijn trommelvlies, die ik eerst niet kon thuisbrengen. Het leek me alsof ik uit een slaap ontwaakte. Na de diepe stilte van daarstraks bonsde en dreunde het geweld van de wereld der levenden op mijn gehoorzenuwen.
| |
| |
De eerste associatie, die mijn denken vormde, was: er is brand! Het was me, alsof ik over mezelf gebogen stond en mijn gedachten in mijn hersens kon aflezen. ‘Neen, de brandweer heeft tegenwoordig sirenes. De telefoon! Neen, De straatbel!’
Het contact was gemaakt. De grote schel achter de hoofdingang in de Kalverstraat en de verklikker op de gang bij mijn flat rinkelden luid en zonder onderbreking. Voorbereid op de komst van Kees, had ik de lift gereed op de derde etage. Ik mompelde iets en haastte mij in het hokje tegenover de deur van het restaurant. Even later opende ik de buitendeur voor de nachtwaker.
‘Ik dacht wel, dat u in slaap was gevallen, meneer Dammers. Daarom hield ik mijn vinger maar op de knop tot ik het licht van de lift omlaag zag komen.’
We stonden onder de lamp in het glazen portaal van de damesafdeling. Kees nam me scherp op met zijn waakzame ogen.
‘Die rustdag heeft u goed gedaan. Dat zie ik zó. Jammer dat ik uw dutje moest storen. Heb u nog trek in een mok hete koffie? Dat fiks ik in een paar minuten.’
Samen gingen we met de lift terug naar het restaurant. Kees liet de blik geamuseerd gaan over het opnieuw in levenloosheid verstijfde groepje in de hal. ‘Of jullie nu nooit die koffie eens uitdrinken,’ schertste hij. ‘En die koter heeft ook wel een vers glas limonade verdiend! Wat u, meneer!’
Wel een uur lang heb ik hier boven de gebeurtenis van vanavond overdacht en hoe meer ik mij in het voorval verdiep, hoe vaster de overtuiging in mij
| |
| |
groeit, dat ik, zonder de hulp van dure specialisten, alleen op eigen benen, op een deel van de oplossing ben gestuit. Ik geloof, dat ik hard op weg ben geweest gek te worden. Ja: g.e.k., gèk! Maar dat is nu voorbij. Tenminste, voor wat die waanvoorstelling over poppen met een eigen soort van leven betreft.
Natuurlijk ben ik, toen ik daar stil op die stoel zat te wachten in slaap gevallen en heb ik gedroomd. Ik verlangde er naar met hen te spreken, ik verwachtte niet anders. Is het dan wonder, dat mijn gedachten daarmee bezig zijn gebleven? Bovendien, hoe zou Thérèse iets hebben kunnen weten over de dood van Francine? Over een paar dagen is het vijftien jaar geleden dat mijn vrouw stierf en ik zie me nog in het begin van het vorige jaar die dummies bestellen. Bij Rimbaud Fils, Rue de la Châtelaine 37 in Reims. Dat zijn harde, onweerlegbare feiten: Heel iets anders dan de hocus pocus van para-psychologische verschijnselen.
Ja, het spreekt vanzelf, dat ik droomde. Zoals een mens dat duizenden malen in zijn leven doet. Hoe zou ik anders datzelfde gevoel hebben gehad, zoals in iedere droom, dat je zelf toeschouwer bent en naar een voorstelling zit te kijken, waarin je zelf een rol vervult? En ik schrok eenvoudig wakker, toen Kees belde. Was ik in trance geweest, dan zou dat gerinkel niet tot me zijn doorgedrongen. Onbegrijpelijk, hoe ik in die vier uitstallings accessoires, want méér zijn ze niet, ooit een kracht heb kunnen vermoeden, die op een of andere manier invloed op mij kon uitoefenen. Van die waan ben ik voorgoed genezen, alleen, omdat ik de koe bij de horens heb gevat. Morgen gaan Thérèse en de rest naar hun oude plaatsen en neem ik
| |
| |
verder geen notitie meer van hen.
Een droom! Dus iets van mezelf, iets dat uit het onbewuste naar boven komt opwellen. Iets, dat betekenis zou hebben bij een psycho-analytisch onderzoek. Op dat punt zijn alle boeken het er over eens, dat je de zin van de droomvoorstellingen moet ontleden. Goed. Laat ik aannemen, dat iets, ergens diep binnen in mij, onder mijn aandacht wilde komen. Dat het me iets wil bijbrengen. Een waarschuwing of zo iets. Natuurlijk op symbolische wijze uitgedrukt. Wat kan Francine daar in vredesnaam mee te maken hebben gehad? Ik wìl niet denken aan haar dood. Ik spreek er nooit met iemand over. Ik heb geen enkele aanraking meer met mensen, die haar hebben gekend. En toch gaf ik Thérèse in mijn droom die woorden in de mond: Francine was óók onschuldig.
Wat kan ik daarmee hebben bedoeld? Kom daar maar eens achter. Mijn droomreactie op die opmerking was: Laten we niet over Francine spreken. Dat ligt voor de hand, nietwaar? Het is nu eenmaal onmogelijk die vijfde Augustus '41 weer op te halen in mijn geheugen. Daar hangt een zwarte floers omheen en het ligt niet op mijn weg, dat op te tillen. Mijn onderbewuste moet het daarmee eens zijn. Waarom zou ik anders Sebastiaan in mijn droom laten zeggen: Zoals je wilt! Wanneer dat verborgen ik van mij er werkelijk prijs op stelde, dat ik aan die dag ging terugdenken, zou Sebastiaan zich ànders hebben uitgedrukt. Hij had bijvoorbeeld kunnen zeggen: Nee, nee. We móéten over Francine spreken. Dáárvoor zitten we juist hier. Maar dat deed hij niet. Zoals je wilt! Dat is duidelijk genoeg.
| |
| |
Werd ik wel wakker van die schel? Eigenlijk niet. Het was die holklinkende, alles overheersende angstschreeuw, die als een mokerslag neerkwam. Maar dat roepen was een deel van mijn droom! Dat staat vast. Geen ander onzichtbaar wezen is daaraan te pas gekomen. Ik hou het er voor, dat Freud gelijk heeft en dat er een soort contrôle ergens binnen in ons werkt tijdens de droom, die er hardhandig een eind aan maakt, wanneer de uit het onderbewuste komende indrukken tè afschuwelijk zijn om door het bewustzijn te worden verwerkt. Maar het vreemde is, dat ik volstrekt geen angstgevoelens kende. Mijn droom betrof niet meer dan een gewoon gesprek. Het was geen nachtmerrie, waaruit ik mezelf redde door die noodkreet. Het spijt me, dat ik een eind aan dat onderhoud maakte. Ik had juist gevraagd wat er met die vijfde tree van de trap aan de hand was. Mag ik dat misschien niet vragen? Het is toch van veel belang, dat ik daarachter kom. Ik kan toch niet telkens de kans lopen juist op dàt punt in een toestand te raken, die me dat vreemde gevoel geeft los te zijn van mijn lichaam? Waarom overkomt me dat niet hier in mijn stoel? Op die trap zou ik een ongeluk kunnen krijgen. De treden zijn aan de voorkant bedekt met scherpe koperen roeden. Als je daarop botst met je voorhoofd is het afgelopen!
Ik vraag mij af of ik toch maar niet eens naar een psychiater zal gaan. Alleen begint die natuurlijk vragen te stellen. En dàt is nu juist wat ik niet wil! Zo veel weet ik er wel van, dat ik begrijp waar die vragen op uitlopen. Wroeten in je verleden. In je kindertijd. In je huwelijksleven. In dingen, die je vergeten bent.
| |
| |
Met dat geval van oom Jacques zou ik nog voor de dag kunnen komen. Hoewel ik niet begrijp wat een dokter daarvan wijzer zou worden. Die goeie kerel is gestorven in Loosduinen. Vijf maanden, nadat hij er heen was gebracht. Ik wist het zelfs niet in die tijd. Wat weet een kind van acht jaar nu van die dingen? Ik kan me zelfs niet herinneren hoe zijn vrouw heette. Het enige, dat me is bijgebleven is een vreemde lucht, die ze bij zich droeg. Haar kleren waren er van doortrokken. Ik heb eens een konijn gehad. Wanneer ik het hok schoonmaakte rook ik dezelfde lucht van tante... Gek, dat ik die naam absoluut kwijt ben. En dat er iets in me is, dat zich die naam wil herinneren. Heel flauw staat me bij, dat hij me deed denken aan een land of een volk. Ach, het is ook van geen betekenis...
Nog één ding wil ik hierbij schrijven en dan ga ik naar bed. Ik ben deze notities, noem het een dagboek, begonnen, omdat ik systematisch mijn para-normale ervaringen wilde aantekenen. Nu, terwijl ik die volgeschreven bladzijden terugsla, zie ik ineens het bespottelijke ervan in. Iedereen heeft in zijn leven wel eens een tijd, waarin er iets mis is met de denkmachine. Als een mens overwerkt is, of ondervoed, of zwarigheden heeft. Zo weet ik nog heel goed, dat ik na de dood van Fran... Ik wéét nu, hoe de vrouw van oom Jacques heette. Fransje!
|
|