worden geduid als zintuigelijke verschijnselen. Er is maar één voorval, dat zich tegen die verklaring verzet. De diefstallen van juffrouw Huizing! Er komt geen enkele illusie te pas bij het feit, dat zij - onbeïnvloed door een wilsuiting of een suggestie mijnerzijds - heeft gestolen. Ik wist er niets van. Zelfs niet toen ik haar in mijn kantoor liet brengen en haar ondervroeg. Haar geval speelde zich af onder de rechtstreekse beïnvloeding door Thérèse.
Ik wilde, dat ik de mogelijkheid had dat groepje hier vlak onder mij, verborgen gade te slaan. Zó, dat ze niet wisten, dat ik in de nabijheid ben en hen bespied. Zouden op ditzelfde ogenblik hun stijve ledematen zich losjes bewegen, hun plastic lippen woorden vormen, de rook opstijgen uit de sigaret van Sebastiaan, de kleine Piet als een zich vervelende bengel kattekwaad uithalen? Ik wéét, dat wanneer ik mij onverwachts over de balustrade hier boven zou buigen, ik hen zou zien zitten in hun gewone houding, die onze bezoekers een ogenblik in de waan moge brengen, dat ze werkelijk leven, maar mij, die zelf de plaatsing regelde, niet kan misleiden. Of zouden ze mij alleen maar dood en zielloos voorkomen, zolang mijn bedriegelijke zintuigen hen waarnemen en de begoocheling van tijd en ruimte mij parten speelt? En zouden ze een individueel bestaan bezitten, dat zich alleen aan mij manifesteert, wanneer ik door de onzichtbare poort ben gegaan boven de vijfde trede, waar ook die vreemde stem te horen is, die me verschrikt bij mijn naam noemt?
Verwonderlijk, dat mij dit alles overkomt! Het is bijna ondoenlijk mij terug te denken in de tijd, toen ik