De vijfde trede
(1960)–W.H. van Eemlandt, Hella S. Haasse–
[pagina 26]
| |
uitstallingen schreef en over de noodzaak om het publiek een beetje te vermaken, heeft me op een idee gebracht. Vanavond na sluiting heb ik een etaleur er bij gehaald en samen hebben we in de voorhal van het restaurant op de derde verdieping met mijn vier uitverkoren poppen een kleine scène opgezet, die morgen haar uitwerking niet zal missen. Achter een tafel, beladen met pakjes en dozen, zit Thérèse als een dame, die even uitblaast na het doen van haar inkopen. Piet, met een reclame ballon in de hand, leunt tegen haar stoel, als een kind, dat er genoeg van heeft. Sebastiaan zit nonchalant dwars op een bankje, met een geopende sigarettenkoker in de vingers, alsof hij er een wil opsteken, terwijl zijn vrouw er even haar gemak van neemt. Hij zit een tikje voorovergebogen, met het hoofd op zij gewend en maakt werkelijk de indruk - bij een eerste oogopslag althans - alsof hij de binnenkomenden nieuwsgierig opneemt. Lodewijk in een grijze chauffeursuniform met zilveren knopen, buigt zich over de pakjes op de tafel en neemt er een van op, om het te voegen bij de rest, die hij al op de gebogen arm meedraagt. Een paar half lege koffiekoppen en een leeg limonadeflesje naast een glas met een gebroken rietje er in helpen bij de illusie, dat daar werkelijk een klein gezelschap van goeden huize is neergestreken. Wanneer ik heel eerlijk wil zijn, moet ik bekennen, dat achter deze opzet eigenlijk een ander plannetje steekt. Ik wil mijn vier behekste poppen in zo natuurlijk mogelijke houdingen bijeenbrengen. Tot nu toe stonden ze verspreid in het gebouw, misschien onkundig van elkaars aanwezigheid. Nu zijn ze samen en moet de vreemde invloed, die ze op mij hebben, ver- | |
[pagina 27]
| |
sterkt worden. Ik heb het gevoel, dat ik op het punt sta een verklaring te vinden voor al het vreemde, dat me door zijn onbegrijpelijkheid kwelt. Nòg een voordeel. Ze bevinden zich boven de trede van de trap, die mij nu tweemaal parten heeft gespeeld, want het restaurant ligt op de derde verdieping, vlak onder mijn eigen flat. Wanneer ik mij over de balustrade op mijn vierde etage buig, kan ik het gezelschap zien zitten. Ik heb alle lampen op de derde verdieping uitgedraaid, behalve één, vlak boven hun hoofden. Wanneer ik mijn avondboterham heb gegeten is het mijn vaste gewoonte een ronde door het gebouw met Kees samen te maken. Ik zoek hem dan op in het hokje achter de damesafdeling en zo maken we onze rondgang van beneden naar boven, zodat ik bij mijn eigen kamers eindig. Hoewel ik de laatste dagen steeds van de lift gebruik heb gemaakt, liep ik vanavond ouder gewoonte de trap af. Ik moest hardop lachen om het goed verlichte groepje op de verder donkere etage, dat daar zo huiselijk bijeen zat en ik dacht erover, dat mijn ingrijpen in hun alledaags gebruik mij een zekere macht over hen had gegeven. Daardoor was ik niet voorbereid op de overgang van de vijfde naar de zesde trede. Ditmaal hoorde ik niet het regelmatig stappen van mijn voeten in een diepe put. Ik ben, zoals me later bleek, toen de aanval voorbij was, blijven staan op de vijfde tree. Weer kreeg ik, nu heel sterk, het gevoel, dat mijn wezenlijke ik zich losmaakte van mijn lichaam en er boven zweefde. Mijn aandacht werd getrokken naar de groep dode voorwerpen, die ik zelf notabene met eigen handen in de houding had gedrukt. Sebastiaan róókte! Ik zag duidelijk de blauw-grijze | |
[pagina 28]
| |
wolkjes opkrinkelen naar de lamp. Met zijn ogen strak op mij gevestigd, zei hij zachtjes iets tegen Thérèse, die zonder veel belangstelling het hoofd half naar mij omwendde en mij spottend opnam. Piet, nieuwsgierig als een kind, dat iets opvangt van een opmerking, die zijn ouders maken, kwam overeind uit zijn leunende houding en scheen iets in mij te zien, dat hem deed delen in de pret. Lodewijk hief het hoofd op, voorzichtig om het evenwicht van de pakketten op zijn arm niet te verstoren. Zo staarden die vier glimlachende gezichten mij tezamen aan. Ik weet niet hoe lang wel. Plotseling drong weer die echoënde, holle noodkreet tot me door. ‘Paul!!’ De groep onder de lamp vervaagde even en nam opnieuw de oorspronkelijke stand in en ik stond stijf en star op de vijfde trede. Vanuit de Kalverstraat drongen de bekende vage geluiden tot mij door; het nooit eindigende geschuifel van voeten op asfalt, een uitjouwende roep, het keffen van een hond. Een vage angst begeleidde mij naar beneden. Het triomfantelijke gevoel, dat zich even van mij meester had gemaakt bij het zien van het roerloze viertal en de machtswaan, waarin ik een ogenblik had verkeerd, schenen mijn poppen tot een demonstratie te hebben gedwongen om mij van mijn vergissing te genezen. Ik moest weerstand bieden aan een kracht, die mij tegen wilde houden en mij terugtrok naar de derde étage. Ik wist dat hun gecombineerde wil mij tot iets zou dwingen, wanneer ik toegaf aan de drang, die mij scheen te willen omkeren en opnieuw naar boven drijven. Al voortgaande bedacht ik dat de waarschuwende stem, die mijn naam had uitgeschreeuwd, de | |
[pagina 29]
| |
betovering had verbroken. Wat zou er gebeurd zijn, wanneer die niet had geklonken? Als door een nevel zag ik mijzelf die vijf bewuste treden weer opgaan en met een even starre grijns om de mond toelopen op de anderen. Sebastiaan zou naast zich hebben gereikt naar de lege stoel, die ik had neergezet en mij die met een hoffelijke handbeweging hebben aangeboden En dan zouden ze mij hun geheim hebben verteld. Het is mij of ik op de rand sta van een diepe, zwarte, met ijzige koude gevulde afgrond. Twee tegenstrijdige krachten houden mij juist in evenwicht. Aan de ene kant bekruipt mij de lust naar voren te hellen en mij roekeloos te laten vallen. Maar ook is er iets, dat mij ervan weerhoudt. Geen angst! Méér een gemis aan werkelijke belangstelling. Het is alsof ik reeds vroeger die duik moet hebben genomen. En er toen achteraf spijt van heb gehad. Zo althans interpreteer ik het onbeschrijfelijke. Die gillende, weergalmende stem heeft er iets mee te maken. ‘Paul!’ Het laatste woord dat Francine riep toen ze, gemarteld door die verschrikkelijke krampen achterover zonk in het kussen. Evenals bij een vorige gelegenheid vroeg Kees angstig: ‘Scheelt er iets aan, meneer Dammers? Als ik u was ging ik eens naar een dokter. Zo werken als u hier doet houdt geen mens uit!’ Ik doe de laatste tijd allerlei dingen, die mij van buitenaf schijnen te worden opgedrongen. Dingen, die ik uit mezelf niet zou hebben gedaan, maar die me volkomen normaal schijnen, zodra ze zijn gebeurd. Terwijl ik op het punt stond Kees te zeggen, dat ik inderdaad moe en overwerkt ben en dat ik nodig rust moest nemen, flapte ik er iets heel anders uit Hartelijk | |
[pagina 30]
| |
lachend nog wel: ‘Hoe kom je erbij? Die paar weken uitverkoop doen me niets. Vooruit, we gaan de ronde maken.’ Hoofdschuddend ging hij met me mee. Door de kelders, door de expeditie, door de kantoren en toen verdieping na verdieping. Zoals altijd. Toen onze hoofden bij het opgaan van de trap boven de derde etage uitkwamen, greep Kees mij plotseling bij de arm. Ik keek hem verbaasd aan en zag hem zwijgend met het hoofd een gebaar maken naar de voorhal van het restaurant. De verbijstering stierf weg in zijn ogen. Hij begon te glimlachen en schaterde het daarna uit. ‘Hoe bestaat het! Ik dacht, dat een stelletje mensen moest zijn achtergebleven en in slaap gevallen! Je zou zweren, dat ze leven! Ik zou er niet eens van opkijken, als die toffe meneer daar zei: een sigaret, Kees?’ Hij wilde het geval van dichtbij bekijken en was er niet van weg te krijgen. ‘Een goeie les voor me, meneer! Heb u er wel eens over gedacht hoe gemakkelijk het voor een paar gehaaide zware jongens zou zijn een nieuw pak van de rekken te nemen en aan te trekken en dan doodstil ergens te blijven staan tot ik mijn ronde heb gemaakt? Vooral met die schemerige nachtverlichting!’ Kees heeft gelijk. Dat is een van de redenen, waarom ze niet meer als een veertig, vijftig jaar geleden de dummies àl te natuurlijk maken. Ik meen me te herinneren, dat er in Parijs eens een moord is gebeurd in een kledingmagazijn en dat de dader, toen de politie kwam, rustig tussen de poppen in de etalage was gaan staan. De nachtwaker wees naar een lege stoel. ‘Wil ik die | |
[pagina 31]
| |
wegnemen en ergens anders zetten, meneer?’ Weer antwoordde ik anders dan ik me voornam. ‘Nee, laat maar staan. Als ik me boven eenzaam voel kan ik er een poosje bij gaan zitten en een babbeltje houden.’ Hij vond het erg humoristisch. Bij de trap naar de vierde verdieping zeiden we elkaar goede nacht. Hij ging terug naar beneden en ik naar mijn flat. Sebastiaan, nog altijd met zijn zoekende vingers in de geopende sigarettenkoker, keek me peinzend na. |
|