De vijfde trede
(1960)–W.H. van Eemlandt, Hella S. Haasse–
[pagina 24]
| |
rèse, Lodewijk, Sebastiaan en Piet, en mezelf. Wanneer ik hen passeer op mijn rondgangen door de zaak krijg ik hetzelfde gevoel van afwachting, dat zich aan je opdringt, wanneer je in gezelschap bent van iemand, die je iets wil vragen en niet weet hoe hij er mee voor de dag moet komen. Ik houd mijn passen in, wanneer ik in hun buurt ben, omdat het me is alsof ze me een of ander teken willen geven. Zoals gisteren Thérèse deed. Sta ik misschien onder een dwangvoorstelling, die me vatbaar maakt voor suggesties van hun kant? Onbewust dan. Mogelijk is er wel een psycholoog te vinden, die mij fris van de lever een verklaring zou kunnen geven. Vergeten beelden van voorstellingen, die niet boven de drempel van het bewustzijn kunnen uitkomen en toch op een of andere wijze gekoppeld zijn met mijn fysieke denkvermogen. En daar iets actief maken, door een soort interferentie, zonder dat ik ook maar kan vermoeden, waar de impuls vandaan komt. Maar die vier poppen doen me zeker niet denken aan bepaalde personen, die ik heb gekend. Er is niets in hun onmenselijke starheid van wat je bijvoorbeeld opmerkt in een naar een levend wezen geboetseerde kop. Neem een portretbuste in brons, bijvoorbeeld van een Romeinse veldheer. We hadden een foto van de kop van Julius Caesar hangen in de hall van de H.B.S., die mij deed denken aan oom Jacques. Daar was iets vergelijkbaars. Ze hadden dezelfde nadenkende strengheid, dezelfde stroeve mond. Maar niemand zou met de beste wil in onze poppen een gelijkenis kunnen zien met kennissen. Van iemand, die er uitzag als een etalagedummy zou je zo'n afkeer | |
[pagina 25]
| |
krijgen, dat je je omdraaide en wegliep! De moderne poppen zijn bovendien min of meer gestyleerd. De kleren, die ze dragen, niet hun mooie of interessante gezichten moeten de blik van het publiek vasthouden. Wij verkopen geen papier-maché dames en heren, maar costuums en mantels! Alleen wanneer we in een uitstalling een bepaalde groep willen voorstellen, vraagt het geheel om iets natuurlijks. Dan gebruiken we de blozende of gebruinde dummies en we zoeken de minst debiele types uit. Glimlachen moeten ze natuurlijk allemaal. De kopers zouden niet gefascineerd worden door een clubje, dat er uitzag alsof ze ruzie hadden. De kinderfiguren komen nog het dichtst bij de werkelijkheid. Misschien is het dàt, wat me in Piet iets bijzonders doet zien. Zo'n hummel van een jaar of acht zou ik ook geweest kunnen zijn, toen oom Jacques voor de laatste maal bij ons kwam voor hij naar Loosduinen ging. Hij is blond, zoals ik was, en door een of andere toevallige afwijking bij het persen, doet hij een tikje a-symmetrisch aan. Lodewijk hebben we speciaal gekozen omdat hij op een afstand niet al te onwaarschijnlijk aandoet. Een van de chefs kwam op het idee om hem daar tussen de trap en de liften te zetten, soms in werkmanskleren, soms in een soort van fantasie uniform. De mensen lachen er om, wanneer ze ontdekken, dat hij niet een employé is, die de aandacht op het comfort van de lift wil vestigen. Dergelijke kleine trucjes gebruik je nu eenmaal om de belangstelling van de kopers wakker te houden. |
|