rukte aan zijn arm en draaide die in verschillende richtingen, tot hij zijn evenwicht verloor en met een smak op de vloer viel. Kees kwam van de eerste etage naar boven hollen met zijn gummistok in de hand. Ik zette Sebastiaan weer op de voeten en was daarmee juist klaar, toen de nachtwaker mij bereikte. ‘Scheelt er iets aan, meneer Dammers?’ Hij zag er zo bezorgd uit, dat ik er om moest lachen. Samen gingen we verder naar het kantoor, waar ik de brandkast natuurlijk in het slot vond.
Wie had mijn naam geroepen? Moeder of Francine? Het had geklonken als een angstkreet, niet als een uitroep van blijde herkenning. En wat is daar, tussen de vijfde en zesde trede van de trap tussen de derde en tweede etage, waarover ik niet kan heenstappen zonder iets te ondergaan? Want op diezelfde plek overkwam mij de vorige keer een gelijke ervaring. Moet ik het aan mijn vermoeidheid toeschrijven, dat ik gisteren wel vatbaar was voor de geestelijke barrière en op andere dagen er door loop zonder iets te merken? Of heeft Sebastiaan er iets mee te maken?
Ik heb mij door Kees met de lift naar boven laten brengen en zal de trap mijden, zo lang wij het zo druk hebben en ik niet goed kan slapen. Er was iets, wat me ervan weerhield naar bed te gaan en ik ben in mijn stoel blijven zitten, soezend en dommelend en telkens opschrikkend, wanneer ik meende iets te horen. Het is of er uit het onbewuste zich iets aan mijn verstand wil opdringen. Een waarschuwing voor een of ander gevaar, waarvan ik de nadering schijn te voelen. Wanneer de uitverkoop is geëindigd ga ik voor een paar weken met verlof. Ergens ver van Amsterdam.