| |
| |
| |
[I]
Gek! Een woordje van drie letters. Als je het een keer of wat vlug achter elkaar uitspreekt schrompelt het begrip, dat er achter ligt tot een klank ineen, tot het de voor ons mensen niets zeggende roep lijkt van een of ander dier. En toch, wat een wereld van ellende bergt dat stomme symbooltje, dat we dagelijks een aantal malen in de mond nemen. Wat gek! Je lijkt wel gek! Ik word nog eens gek!
Van kind af aan heb ik me er in verdiept tot het een obsessie voor me is geworden. Mijn vader had een goede kennis. Oom Jacques noemden we hem. Ik behoef mijn ogen maar te sluiten en ik zie hem nog voor me. Een grote, zware man, met een tragisch, diepzinnig gezicht als een bulldog. Zijn achternaam moet ik hebben gekend, maar die is me ontschoten. Ik was toen ook nog maar een kleine jongen. Op verjaardagen in ons gezin kwam hij altijd. Later niet meer. Wel nog een enkele keer met zijn vrouw, een kleine dame met stekende ogen en zwart haar, die een broche van agaat droeg. Er was iets aan hem veranderd. Een van de laatste keren is me altijd bijgebleven. Hij had een atlas meegebracht en wees mijn vader hoe hij een veldtocht had voorbereid om in vier dagen een of andere stad, ik meen Parijs, te kunnen innemen en bezetten. Toen ze weggingen legde hij zijn hand op mijn hoofd. ‘Doe goed je best op school, Paul. Ik heb grote plannen met je. Jij wordt kroonprins.’
Vreemd hoe in je herinnering zo'n enkele scène on- | |
| |
uitwisbaar achterblijft, terwijl je geheugen weigert allerlei andere voorvallen uit die dagen te reproduceren. Hoe fel ik mij voor die woorden, die oom Jacques tot mij sprak, moet hebben geïnteresseerd, komt me telkens weer voor de geest. Maar mijn ouders weigerden commentaar en het enige, waaraan ik houvast had, was het woord Loosduinen. ‘Morgen gaat hij naar Loosduinen,’ zei mijn vader eens zachtjes. ‘De dokter denkt, dat hij gevaarlijk kan worden als hij thuis blijft.’ 's Avonds, wanneer ik in het donker in mijn kamertje in bed lag, vervulde het me met een onberedeneerde angst. Loosduinen! Wat deden ze daar met je? Waarom moest je naar Loosduinen worden gebracht, wanneer je grote plannen bleek te hebben met een kleine jongen, zo klein, dat hij juist begonnen was met de tafels van vermenigvuldiging?
Natuurlijk vervaagde de indruk! Later, veel later - vader was al gestorven - kwam het gesprek met mijn moeder door ik weet niet welke aanleiding op oom Jacques. ‘Hij leed aan waanvoorstellingen en dacht, dat hij Bismarck was. Hij was gek!’ En ook Loosduinen verdichtte zich voor mij in een symbool. Een ‘inrichting’. Wie daarheen ging noemden ze een patient. Nog altijd wekt die benaming van een onder behandeling zijnde zieke associaties bij me met die andere patiënten, dood voor de wereld, voorwerp van meewarig hoofdschudden.
Ik dwaal af. Hier in de flat, die de directie voor mij heeft laten inrichten op de bovenste verdieping van het geweldige pand, waarin de Amsterdamse zaak van de ‘Modes modernes’ is gevestigd, ben ik 's avonds na de sluiting eenzaam en alleen, hoewel ik maar behoef op
| |
| |
te staan en uit het raam te leunen om beneden mij de drukte van de Kalverstraat te zien, de verlichte etalages, de schuifelende pantoffelparade van de opgeschoten jeugd, die zich niet verdiept in verwarrende problemen, waarvoor de ziel ons stelt, wanneer die aandacht gaat vragen van het verstand. Toen Francine nog leefde woonden we in een gezellige bovenwoning in de buurt van het Concertgebouw. De eerste jaren zorgeloos, daarna onder de druk van haar gesukkel. Ik wil niet meer aan die tijd denken. Het is alsof er een gordijn is dichtgetrokken rondom een zwarte ruimte, waarin zich een stuk van mijn leven heeft afgespeeld.
Nadat ik haar had begraven verviel ik buiten mijn werktijd in het kamerbestaan van pensions. Materieel had ik niet te klagen. Ik heb de leiding van deze grote onderneming. Een zelfstandige positie. Chef van het grootste filiaal in Nederland van een millioenenbedrijf. Feitelijk neemt de zaak al mijn gedachten in beslag, vooral nu na de verbouwing dit monumentaie pand ook mijn tehuis is geworden. Het restaurant, dat voor de kopers is ingericht, voorziet in mijn voeding. De grote zitkamer, met een slaapkamer en badkamer annex, is zo comfortabel, dat ik er niet toe kom de deur uit te gaan. Behalve dan Zondags, wanneer ik met mijn wagen er op uit trek.
Ik lees veel. Soms tot diep in de nacht. Vooral voel ik mij aangetrokken tot literatuur over psychologie. Jung staat compleet in mijn boekenkast. Ook voel ik mij aangetrokken tot parapsychologie en de mystiek. Op dat gebied is zo veel geschreven, dat ik niet kom tot het lezen van romans. Misschien moet ik het aan die vrije tijdbesteding toeschrijven, dat ik ben gaan
| |
| |
letten op vreemde dingen, die zich in mijn binnenste afspelen en die me, in toenemende mate met angst vervullen. Vage angst, want er is niets, waaraan ik me kan vastgrijpen. Laat ik een voorbeeld noemen. Ik maak zelden gebruik van de liften in het gebouw. Begrijpelijk. Ik heb weinig beweging en het trappenklimmen vormt een soort van compensatie. Wel, een maand of wat geleden ging ik 's morgens de grote trap omlaag, die alle verdiepingen verbindt. Het personeel was er nog niet. Alles was stil en rustig. Ik liep dus naar beneden. In gedachten recapituleerde ik verschillende dingen, die die dag moesten worden gedaan. Ineens, met een schok, overviel me een onbeschrijfelijk gevoel. Het trappenhuis was verdwenen. Er was een ondoorzichtige nevel om me heen. Maar mijn voeten volgden geheel automatisch de honderden malen afgelegde weg omlaag. Ik hoorde het regelmatige klikklakken van mijn schoenen op het parket van de treden. Het was me of de afdaling eindeloos bleef voortgaan. Of ik urenlang die trap bleef afgaan, steeds dieper in het binnenste van de aarde. En plotseling klaarde de nevel op en kwam ik tot mezelf op het gedeelte tussen de derde en tweede etage. Op dezelfde plaats waar de zonderlinge gewaarwording mij oorspronkelijk had overvallen. Misschien wel op dezelfde trede.
Wonderlijk! In een onderdeel van een seconde, misschien binnen de tijd, die nodig is om de voet van de ene trede op de andere te plaatsen, had ik in de geest een eindeloos lange afdaling gemaakt. En gehoord hoe mijn voetstappen klonken. En tòch was ik op dezelfde plaats gebleven. Een beetje ongelovig keek ik rond en zag dat er niets was veranderd. De confectiepakken
| |
| |
hingen nog altijd in lange rijen onder de grijze hoezen, waarmee ze bij het sluiten worden bedekt. De glimmende toonbanken van de afdeling strekten zich ordelijk tussen mij en de grote ramen van de voorgevel uit, de etalagepoppen met hun domme, uitdrukkingsloze gezichten stonden nog steeds in dezelfde groepjes als altijd opgesteld, al kreeg ik de indruk uit de bevroren glimlachjes, dat ze zich vermaakten over het onbegrijpelijke, dat mij was overkomen.
Ik zette de tocht naar de benedenverdieping voort, maar hield mij voor alle zekerheid vast aan de leuning. Iets wat ik anders nooit doe. De nachtwaker wachtte mij op, rapporteerde dat alles wel was en ik liet hem uit. Tegelijk kwam het personeel van de administratie en de expeditie binnen. De gewone routine van de dag was begonnen en ik had geen gelegenheid meer te denken aan die vreemde gewaarwording op de trap.
Eigenlijk zijn de latere verschijnselen daarmee begonnen. Althans, voor zover ik er mij bewust van ben. Ik bepaal mij op dit ogenblik tot dat ene voorbeeld, om duidelijk te maken, waarom ik dit alles ga opschrijven. Ergens heb ik namelijk gelezen, dat het wenselijk is aantekening te houden van onverklaarbare ervaringen, die zich afspelen in de psyche. Bijvoorbeeld van dromen, die een diepe indruk achterlaten. Nu is het niet zo, dat ik alles wat men over deze dingen in boeken vindt, als absolute waarheid aanneem. Maar dat er iets is, waarvoor nog nooit een wetenschappelijke verklaring is gevonden en waarover de meeste mensen onnadenkend heenlopen, staat voor mij wel vast. De ziel, wat die dan ook moge zijn, is zeker niet het sprookje, waarvoor materialisten haar houden.
| |
| |
Laat ik nog een voorbeeld noemen. Met Kerstmis hadden we nogal wat werk gemaakt van de etalages. Bewegende poppen, nieuwe snufjes op het gebied van verlichting en dergelijke. Onder de uitstalkasten was het een warnet van electrische leidingen en er waren extra schakelborden geplaatst. We hadden laat gesloten en om een uur of tien zat ik nog in mijn kantoor om een paar dingen na te zien. In eens was het me of iemand op mijn schouder tikte om mijn aandacht te trekken. Zó duidelijk, dat ik mij half omdraaide in mijn stoel. Niemand! Ik ging de gelijkvloerse verdieping in en keek om me heen. Dat kòn ik eenvoudig niet laten. Het was alsof ik niet mijn eigen baas was over mijn denken, maar iets moest doen, zonder te weten hoe of waarom. Ik liep tot midden in de grote hal en bleef daar staan. Als iemand, die in trance is. En ineens rook ik, heel zwak, brandlucht. De frontbreedte van de zaak aan de Kalverstraat is tweeëndertig meter! Er zijn acht etalages van vier meter breed. Het pand is vierentwintig meter diep. Ergens in die ruimte was een begin van brand! Ik schrok niet, ik raakte niet in paniek. Ik riep zelfs de waker niet, die op de bovenverdiepingen een rondgang maakte. Maar ik wandelde doodkalm, als iemand die droomt, naar de tweede etage, links van de ingang, trok het luik onder de uitstalkast open en zag smeulende papieren en lappen. Met een snelblusser was het gauw gedoofd. Voor alle zekerheid belde ik de brandweer op en er kwam iemand kijken. Kortsluiting van een paar beschadigde draden.
Wat is dat, vraagt men zich af. Wat gebeurde er in mijn bewustzijn, dat me in staat stelde brand te voor- | |
| |
komen? Wie gaf mij die tijdige waarschuwing, dat er iets niet in orde was? Het antwoord op die vragen vind je niet in de boeken. Ze weten het niet. Mijn directie maakte er een hele drukte over en ze dikten mijn nieuwjaarschèque behoorlijk aan, omdat ik bewezen had klaar wakker te zijn voor de belangen van de zaak. Maar ik wàs op dat moment helemaal niet klaar wakker! Ik wist er zelf niets van, tot ik op mijn schouder werd getikt. Beschermgeesten? Misschien. Somnambulistische ervaring.
Gek, was het eerste woord, dat ik opschreef. Weer zo iets onverklaarbaars. Ik was het helemaal niet van plan. Ik had willen beginnen met een verklaring van de redenen, waarom ik eigenlijk eens al die vreemde dingen ga noteren. Het lijkt mij noodzakelijk een overzicht te krijgen van de verandering, de verergering zou ik haast zeggen, die zich in mij voltrekt. Niet zo zeer om de voorvallen zelf te onthouden, maar om tijden en omstandigheden aan te tekenen. Zoals een wetenschappelijk man dat zou doen. Misschien brengt me dit op het spoor van een begrijpelijke oorzaak en geeft het me rust. Ja, dat is eigenlijk de ware reden voor dit geschrift. Ik wil het de baas proberen te blijven. Niet mezelf verwarren in steeds beangstigender veronderstellingen, die altijd uitlopen op het woord Loosduinen.
Daar zijn bijvoorbeeld de etalagepoppen. Ik koop ze zelf in, betaal de factuur. Ik weet dat het zielloze dingen zijn, die op vormen worden geperst en waarvan het hoofd maar oppervlakkig met was en een kleurtje wordt bewerkt om ze op een persoon te doen lijken. En tòch... Waarom kan ik het niet laten 's avonds laat op mijn tenen de trap af te sluipen en te zien of
| |
| |
ze daar werkelijk nog roerloos staan in de stilte? De nachtverlichting van het gebouw is voldoende om hen uit een verborgen hoek te bestuderen. Soms, terwijl ik er een strak in het oog houd, meen ik uit de hoek van mijn oog een ander te zien bewegen, het hoofd een weinig te zien verdraaien of de arm. Zó vlug kan ik me niet omwenden, of ze weten weer de houding aan te nemen, waarmee mijn oog bekend is. Zouden die onbezielde dingen werkelijk uit de fabriek een of ander primitief leven meebrengen, waarvan wij niets weten?
Of zouden we omringd zijn door wezens van een heel andere orde dan wij mensen, die bezit nemen van die holle, naar lijm stinkende poppen, omdat ze geen onderscheidingsvermogen hebben en alleen de uiterlijke vorm aanvoelen? En dan denken, dat ze zich als mens kunnen manifesteren? Niet lang geleden las ik de beschrijving van een proef, die in Engeland met een medium is genomen. Ze brachten die vrouw in een panopticum en maakten haar in slaap tussen een groep wassen beelden van bekende moordenaars. Die vrouw beschreef in kleuren en geuren sommige misdaden, die de originelen van de figuren hadden begaan, terwijl ze niets van de bijzonderheden kon weten!
Maar dan moet er toch iets aan die levenloze was-klompen hebben gezeten, dat het rapport mogelijk maakte tussen het medium en de ter dood gebrachte personen!
Ik wil ook weer niet zo ver gaan, dat ik iets vreemds ontdek aan àlle etalagepoppen, die wij in de zaak hebben staan. Van vier durf ik te beweren, dat ze wel degelijk een of andere vorm van leven bezitten. Ik heb ze namen gegeven. Lodewijk, die in een khaki overall
| |
| |
bij de trap op de eerste verdieping staat en met een vragende uitdrukking op zijn gezicht het publiek attent maakt op de deuren van de liften. Thérèse, in de afdeling van de avondtoiletten, die met een cocktailglas in de hand tegen een geschilderde bar leunt. Sebastiaan, bij de goedkope confectie op de tweede verdieping, die er in het slechtst afgewerkte genre nog als een heer uitziet en Piet, in zijn matrozenpakje bij de kinderafdeling. Misschien ligt het aan de manier, waarop hun ogen zijn ingezet; ze volgen me, wanneer ik 's nachts naderbij kom. Wel tien minuten heb ik bij Thérèse staan wachten, omdat ik er zo goed als zeker van was, dat ze mij zou toedrinken en dan in één teug haar cocktail naar binnen zou wippen. Ik ben ervan overtuigd, dat ze me uitlacht, zodra ik haar de rug toekeer en vele malen heb ik getracht haar daarop te betrappen. Wanneer ik me snel omdraai zie ik haar gezicht even strak als altijd, maar de ogen glinsteren spottend.
Kees, onze nachtwaker, een oud marineman, heb ik wel eens gevraagd of hij op zijn nachtelijke
ronden nooit de indruk krijgt, dat al die stijve figuren op het punt staan iets te gaan doen. ‘Niet dat ik weet, meneer Dammers. Maar u moet er niet om lachen, soms keer ik me wel eens onverwachts om, omdat ik meen iets te horen. Muizen denk ik dan maar, hoewel ik weet, dat die niet in de winkel zijn. Maar de poppen zijn het ook niet. Ik ken ze zo gaandeweg allemaal. Waarom vraagt u dat zo?’ Tja, Tja, daarop kon ik hem geen antwoord geven, zonder mezelf belachelijk te maken en hem misschien de schrik op het lijf te jagen.
Ik kan Kees toch moeilijk in vertrouwen nemen over wat er een week of drie geleden gebeurde. In mijn
| |
| |
slaapkamer staat een spiegelkast. Wanneer ik van de gang de kamer inkom en de deur open, knip ik het licht op. Altijd zie ik dan in de spiegel het deel van de kamer, dat nog door de deur wordt bedekt. Mijn bed, het donkere gat van de open deur naar de badkamer, de foto van Francine in de zilveren lijst op mijn tafel. Goed, een drie weken geleden dan had ik het laat gemaakt met een boek over geestverschijningen. Het was uitgegeven door de Society for Psychical Research in Londen. Het was al over enen voor ik naar de slaapkamer ging. De ganglamp brandde. Ik opende de slaapkamerdeur, drukte de schakelaar omlaag en zag in de donkere opening van de badkamer Lodewijk staan in zijn overall. Met zijn rechterhand maakte hij de bekende beweging, alsof hij iets aanwees. Eerst herkende ik hem niet en dacht ik met een inbreker te maken te hebben. Maar die zou verschrikt zijn geweest bij mijn plotseling binnenkomen en niet met die stomme verstijfde glimlach naar me hebben gekeken in de spiegel. Ik keek om de deur naar de badkamer. Niets te zien. Toen weer in de spiegel. En daar stond hij opnieuw, duidelijk herkenbaar, met het prijskaartje in de bovenste knoop van zijn overall. Ik sloot mijn deur en onderzocht de badkamer. Natuurlijk was er niemand. Hallucinatie? Maar ik dàcht helemaal niet aan Lodewijk! Welke onbegrijpelijke indruk maakte hem in eens voor me zichtbaar, compleet tot in de geringste onderdelen?
Kijk, ik heb genoeg gelezen over het onderwerp om te weten, dat we ons niet bang behoeven te maken voor dergelijke verschijnselen. Ze grijpen je even aan, omdat je verstand er tegen in opstand komt. Maar het
| |
| |
verstand is een slechte raadgever, zodra we ons geplaatst zien tegenover para-psychologische manifestaties. We weten niet of de dingen zich werkelijk buiten ons afspelen of ergens in onze eigen ziel. Ik maak me niet ongerust over wat ik zie of geloof te zien, maar wel over het abnormale van mijn ondervindingen. Het wijst er op, dat de natuurlijke scheidingswand tussen het bewuste en het onbewuste bij mij op sommige plaatsen wel heel dun is, misschien wel gaten vertoont. Tijdens mijn dagelijkse werk heb ik er geen last van. Tenminste, geen ernstige last. Wel merk ik soms aan kleinigheden, dat er zich processen in me afspelen, die wel niet zo ongewoon zijn, maar die je toch onwillekeurig in verband brengt met dat andere.
De vorige week bijvoorbeeld. Ik was 's morgens verdiept in het opmaken van een bestelling, toen ik mijn telefoon hoorde gaan. Ik nam de hoorn op, maar kreeg de juffrouw van het schakelbord, die me zei, dat er bij mij niet gebeld was. Nu was het gekke, dat toen ik mijn hand naar het toestel uitstak ik de zekerheid kreeg, dat het meneer Brauser, een van onze directeuren was, die me moest hebben. Goed, ik werkte verder. Maar binnen vijf minuten hoorde ik weer de schel overgaan en wéér nam ik voor niets de hoorn van de haak. Ik was er zo van overtuigd dat het Brauser zou zijn, die me nodig hed, dat ik hem nu zelf opbelde. Toen ik mijn naam noemde zei hij: ‘Dat is sterk, Dammers. Tweemaal heb ik geprobeerd je op te bellen, maar blijkbaar kan ik met mijn toestel geen verbinding maken. En nu kom jij zelf op de lijn!’ We hadden een belangrijk gesprek en ik waarschuwde de telefoondienst, dat ze bij hem de zaak moesten komen
| |
| |
nazien. Maar dat is bijzaak. Hoe wist ik, dat Brauser zat te springen om me op te bellen en het niet kon doen? Telepathie? En is met dat mooie woord het geval dan verklaard?
Ik sus mezelf met de gedachte, dat iets dergelijks herhaaldelijk voorkomt en niets bijzonders is. Iedereen maakt zo iets wel eens mee en denkt er verder niet over. Hoogstens, wanneer er eens over toevalligheden gesproken wordt, haalt hij het op als een voorbeeld, dat hij ook wel eens iets heeft meegemaakt. Maar nu dit! Ik word op een middag opgebeld door een relatie, die mij vraagt of we binnen drie dagen zestig overhemden van een bepaald model kunnen leveren. Ik noem hem een prijs en hij accepteert. Dadelijk daarna bevestig ik de order. De volgende dag belt hij me op om te zeggen, dat hij werkelijk van plan was die bestelling te plaatsen, maar dat hij plotseling de stad uit moest en er niet toe was gekomen. Hoe moet ik dat nu verklaren? Ben ik een helderziende, die zonder een directe aanleiding me zelf in gebeurtenissen meng? En waarom dan niet doorlopend? Waarom maar eens te hooi en te gras?
Gek. Wat gek! Je lijkt wel gek. Ik word nog eens gek!
Zou het dàt zijn? Ga ik dezelfde weg op als oom Jacques? Kijk, dat is nu waarover ik klaarheid wil krijgen. Waarom ga ik niet naar een psychiater? Omdat ik uit mijn boeken de indruk krijg, dat die heel mooie uiteenzettingen kunnen geven over ingewikkelde gevallen van opgeloste verdrongen complexen, maar zelf toegeven, dat ze eigenlijk nooit weten of ze het met de interpretatie van feiten wel bij het rechte eind
| |
| |
hebben gehad. Ik wil dit zelf uitzoeken. In de methode van Freud kan ik niet meer geloven. Het klinkt allemaal heel overtuigend, wanneer je erover leest, maar hij overdrijft. Wanneer ze me aanpakten volgens een psycho-analytisch systeem zouden ze hun tijd verknoeien. Ze zouden gaan wroeten en graven in wat er tussen Francine en mij is geweest en ik weiger me daarover uit te laten. Dit is een zaak tussen haar en mij. Niemand behoeft daar zijn neus in te steken en mij een examen af te nemen, waarvan zal afhangen of ze een stoornis bij me ontdekken en kunnen genezen.
|
|