| |
| |
| |
Traianus tegenhanger van Napoleon
Bij besluit van Rambouillet werd Nederland als aanslibsel van de Franse rivieren op 9 juli 1810 bij het keizerrijk van Napoleon ingelijfd. Een lierzang ‘De gevallen Eik’ ging kort hierna te Amsterdam van de hand tot hand:
Mijn Vaderland! gij vielt - uwe Alva's zijn gewroken!
Uw kroost kust reeds den dolk, die u den doodsteek gaf:
't Had lang, in dwaze drift, uw speer en schild verbroken, -
Ik weeklage op uw graf...
De dichter van dit clandestien-verspreide vers, Mr. Maurits Cornelis van Hall, was 42 jaar oud.
Voormalig kamerlid, oud-procureur der gemeente, bovendien lid van het Hollands Instituut, was hij vertrouwd met de gebeurtenissen, die tot de inlijving hadden geleid. Samen met de oud-minister Jan Hendrik Appelius bewaarde hij de briefwisseling en vertrouwelijke stukken, betrekking hebbende op de troonsafstand van koning Lodewijk Napoleon. De onderwerping van het land aan het buitenlands despotisme, hem door de gezant te Parijs duidelijk in diens correspondentie in het vooruitzicht gesteld, had hij nog zoeken te keren door de opstelling van een krachtig adres aan de keizer, waarin het onrechtvaardige en voor Napoleon zelf onterende karakter van zulk een beslissing met klem werd uiteengezet.
Toch behoorde hij nooit tot de prinsgezinde partij. In 1813 zou hij schrijven: ‘Het vaderland kan door Oranje, maar moet niet alleen om Oranje hersteld worden; en de Amsterdamsche burgerij zal voor de verlossing des vaderlands alles, voor het verdreven stamhuis van Oranje veel veil hebben, maar geen Oranjeomwenteling bij uitsluiting dulden’.
| |
| |
In eerste huwelijk was hij getrouwd geweest met Elisabeth Christina Klinkhamer, die hem zes kinderen geschonken had, waarvan er een Minister van Staat zou worden en twee hoogleraar. Zijn vrouw was 20 Mei 1802 gestorven. Hij was 31 Juli 1804 hertrouwd met haar volle nicht Christina Maria Klinkhamer. Uit dit huwelijk zijn tien kinderen geboren. De man, die zich aan alle staatsfuncties onttrokken had, toen hij de inlijving bij het keizerrijk verwachtte, was dus in zijn verzet tegen de willekeur van Napoleon lang niet onbedreigd. Als vader van een groot gezin moest hij weten, wat hij waagde.
Dit neemt niet weg, dat hij door het betonen van persoonlijke moed zijn landgenoten in moeilijke jaren gesterkt heeft en zijn medestanders aangevuurd. Hij richtte in 1810 een lied aan de dichter Cornelis Loots, waarin hij de nederlandse taal als laatste verzekering der staatkundig verloren gegane zelfstandigheid van ons volk voorstelt:
Zing, oorspronklijk, edel Dichter!
Holland luistert naar uw lied.
Blijf in 't leed zijn blijdschapstichter
Ook bij 't klimmen van 't verdriet!
Holland, lang bestreen door rampen,
Machtloos, tegen 't lot te kampen,
Zonk voor 't onverwinbaar staal;
Maar van 't geen ons was gegeven
Is één schat ons nog gebleven;
Gij beschermt dien: Vondel's taal!
Toen hij in 1808 zijn ambt als lid van het Wetgevend Lichaam had neergelegd, wijdde M.C. van Hall zich in de vrije tijd, die de advocatuur hem liet, vooral aan de studie van de klassieken. Hij deed dit als liefhebber, niet als specialist. Zijn liefhebberij sloot echter aan bij de nieuwe manier om door te dringen in de geschriften der oudheid: het doorlopend, verhalend commentaar, gelijk Jean-Jacques Barthélémy dit in 1788 voor de griekse letteren geleverd had in zijn ‘Voyage du jeune Anacharsis’.
Er kan een hele lijst van zulke werken worden opgemaakt, ‘Atheense Brieven’, ‘Romeinse Nachten bij het graf der
| |
| |
Scipio's’, en soortgelijke titels. Hun hoofdbedoeling blijft instructief. Ze willen inleiden tot de zelfstandige lectuur van de klassieke schrijvers. Hiernaast echter zijn ze vaak tendentieus. Ze willen de romeinse republiek tot voorbeeld van de franse stellen, of de staatkundige en opvoedkundige gedachten van klassieke schrijvers voorhouden aan de politici en paedagogen van de moderne tijd.
Zulk een dubbele bedoeling bezit ook het boek, dat Maurits van Hall in 1808 over Plinius schreef. Het verscheen in 1809 bij Johannes Allart te Amsterdam onder de titel ‘C.C. Plinius Secundus’ en telt 176 bladzijden met 24 bladzijden aantekeningen. Op eerste gezicht is het niet veel meer dan een tamelijk oorspronkelijk opgezette levensbeschrijving van Plinius, gegeven in de vorm van een gesprek, na diens dood door zijn vrienden in de woning van de weduwe gevoerd. Maar de nevenbedoeling van de schrijver wordt reeds volkomen duidelijk uit een alinea van zijn voorbericht:
‘Het tafereel, door mij opgehangen, bevat in zich de voornaamste levens-tooneelen van eenen beschaafden en deugdzamen Romein, die zonder eerzuchtig te zijn, de ware eer, de achting zijner tijdgenoten, op zijne eigene zedelijke waardij gegrond en daar naar berekend, hoogschatte; die een schuldeloos blij moedig, een verstandig en gezellig leven met eene bestendige betrachting van onopgesmukte deugd, ter volmaking der menschelijke zamenleving, en ter veredeling zijner eigene gelukzaligheid, in de schoonste overeenstemming met elkanderen, wist te vereenigen; en die onder het schrikbewind van Nero en Domitiaan behouden bleef, om, onder de uitmuntende regeering van den goeden en wijzen Trajaan, den ten val neigenden Colossus van het Romeinsche rijk, te helpen staande houden, en aan de volgende Eeuwen, ter bewondering en navolging, overtebrengen het voorbeeld dier echte, maar zeldzame grootheid, met welke hij onder zijne Landgenooten, met stillen luister uitblonk.’
Mocht iemand na deze woorden nog aan de actuele strekking
| |
| |
van het verhaal twijfelen, dan helpt het franse motto hem verder, ontleend aan een van de toenmaals zeer populaire ‘Eloges’ van Antoine Léonard Thomas (1732-1785):
‘Cet éloge ne peut être étranger à aucun pays, ni à aucun siècle. Mais si parmi nous il se trouvait quelqu'un qui fut insensible au charme des vertus, et qui n'aimât que le récit des sièges et des batailles, la nature s'est trompée en le faisant naître dans ces climats, et parmi des hommes instruits. Il y a des pays encore barbares, ou l'industrie et le talent se boment à l'art de se détruire; qu'il aille vivre parmi les sauvages et les tigres de ces déserts: je parle à des... hommes.’
De veelzijdige toepasbaarheid op de eigen tijd, in het voorbericht nog eens bevestigd, doordat Plinius daar de drager heet van ‘een karakter, dat ook in onzen tijd mij vereering dubbel waard schijnt’, krijgt een onmiskenbare directheid in de passages van het verhaal, waar over de vriendschap tussen Caius Caecilius Plinius Secundus en keizer Traianus wordt gesproken.
De filosoof Euphrates begeeft zich bij zijn aankomst uit Syrië in Italië direct op weg naar het landhuis van zijn vriend Plinius in Toscane, maar verneemt bij aankomst, dat de bezitter juist is overleden. Diens weduwe Calpumia vindt hij omringd door vrienden van haar man, de geschiedschrijver Comelius Tacitus, de blijspel-dichter Virginius Romanus en de criticus Fabius Quinctilianus. Dit gezelschap blijft enige dagen bijeen in het sterfhuis, snuffelt in de papieren van de overleden schrijver, beoordeelt diens daden, betrekkingen en gezegden, herleest zijn werken en geeft aldus aan de lezer van het boek, die getuige van de conversatie wordt gemaakt, een tamelijk afwisselende, hoewel toch zorgvuldig afgeronde schets van zijn leven en karakter.
Tijdens hun dagenlang gesprek blijven de vrienden niet steeds in hetzelfde vertrek, maar zij wandelen door het huis en de landerijen, zodat wij een goed idee van een Romeins landverblijf krijgen. Zo komen zij ook in de tuin, waar Plinius een monumentje oprichtte voor twee jong-gestorven slavenkinderen, Aphrodisius en Hyspula naast ‘onderscheidene stand- en borst- | |
| |
beelden, groepen en andere voortbrengsels van Grieksche Beeldhouwkunst’. Nu vervolgt M.C. van Hall:
‘Onder eene menigte van beelden, die aller aandacht tot zich trokken, bevonden zich minder van hun, welke eenen geweldig schitterenden, dan van de zoodanigen, die eenen beminnelijken en roemrijken rol gespeeld hadden: maar onder alle dezelven blonk uit, het levensgroot standbeeld van Trajanus, hetwelk op eenen kleinen afstand van dat van den vergoden Titus geplaatst was. Te regt (zeide Tacitus) heeft de kunstenaar dezen vorst, na deszelfs zegepraal over de Daciërs, met eenen eikenkrans afgebeeld: hij overwon dit volk; en het wierd aangevoerd door eenen vorst, waardig om door Trajaan overwonnen te worden: Trajaan genoot de opvoeding van eenen soldaat, hij bezit het beleid eenes legerhoofds: nimmer een bloot lieveling van de fortuin alleen, maar altijd met roem bekend, wierp hij den krijgs- rok niet af, om den troon der Caesars te bestijgen: nooit te klein, om zijn geluk te beperken, greep hij niet ieder momtuig aan, om veilig de wereld te kunnen ontrusten, en door vleijerij of bedreiging, de heerschappij der aarde te verkrijgen: maar hij zal ook niet, als Caligula of Claudius, op eenen stond, het tooverbeeld van zijn geluk zien verdwijnen, om schandelijk te sterven, en door de nakomelingschap gevloekt te worden: neen Trajaan is wijs, gematigd en opregt: ik veracht geene vorsten na hunnen dood, dan omdat zij verachtelijk zijn: ik vereer hen bij hun leven niet, dan wanneer zij zulks verdienen; ik vlei dus niet, mijne vrienden! wanneer ik hier, als in het aangezigt der Brutussen en der Cato's, zegge te gelooven, dat men eens, met nog meerder regt, van de deugd van Trajaan zal gewagen, dan men thans nog spreekt van het geluk van Augustus: Plinius, zijn lofredenaar, zijn raadsman, zijn vriend, vereeuwigde alzoo, hier en elders, welverdiend, zijnen naam en roem in duurzaam marmer’ (blz. 43-44).
Deze woorden van Tacitus, door Van Hall verzonnen, kon Napoleon zich voor gezegd houden! Ze zijn ook door de tijdgenoten van de schrijver duidelijk als een toespeling op de dwingelandij van de franse keizer verstaan. De vraag, of het verzamelen
| |
| |
Van beelden niet een voorspel en oorzaak van rijksverval kan zijn, beantwoordt Tacitus met de bewering, ‘dat de roof van Grieksche kunstwerken, door de begeerte der grooten en rijken, om dezelven te bezitten, aangekweekt, onder andere oorzaken, tot de verbastering onzer ouderlijke zeden veel heeft toegebragt’ (blz. 45), wat voor de kunstrover uit Parijs even waarschuwend klonk als het vervolg voor de bewonderaars der franse kunst in Holland, immers: ‘de Grieksche kunstenaar durfde door het penseel en den beitel uitdrukken, hetgeen de schaamte den Romein verbood te aanschouwen: sedert de beestachtige voorbeelden, door sommige voorgangers van onzen tegenwoordigen vorst gegeven, zijn de zeden verbasterd en verdierlijkt’.
Zulke zinspelingen, soms letterlijke citaten, soms verzinsels van de schrijver, staan er genoeg in het boek om dit bijna tot politieke prikkellectuur voor de nederlandse tijdgenoot te maken. Maar het scherpst worden die insinuaties tegen de avond, wanneer de vriendenkring, uit de tuin weer het huis ingegaan, door een vrijgelatene wordt binnengebracht in het vertrek, waar Plinius gewoon was geweest, zijn geschriften voor te lezen aan zijn vrienden. Tacitus haalt daar de lofrede van Plinius, bij het aanvaarden zijner waardigheid als consul, op Traianus gehouden, voor den dag en leest er juist die fragmenten uit voor, waaraan iedere tijdgenoot van Maurits van Hall de actualiteit onmiddellijk kon bespeuren. Het is een curieuze bloemlezing uit de rede van Plinius, uitsluitend opgemaakt om aan Napoleon en diens bewonderaars de waarheid te doen vernemen:
‘Dat het onderscheid des tijds, door het verschil onzer lofspraak, kenbaar zij: dat men daaruit leere aan wien, en wanneer dezelve gehouden zij. Dat wij niet vleijen, als of een God, of eene Godheid daarvan het voorwerp was. Niet over eenen dwingeland, maar eenen burger; niet over eenen meester, maar over eenen vader spreken wij - hij vergeet niet, dat hij een mensch is, die over menschen het gebied voert.’
‘Ik weet, dat de Goden zelve, door wel opgestelde gebeden, zich minder laten bewegen, dan door een onschuldig leven; en dat zij, die hunnen tempels, met een onbezoedeld geweten, intreden, hun daardoor meer behagen, dan wanneer zij hun kunstige gezangen toewijden.’
| |
| |
‘Ik zie, dunkt mij, reeds eene zegepraal, waarvan de stoet niet is Beladen met den roof der gewesten, en het afgeperste goud onzer bondgenooten; maar welker omgang vertraagd wordt, door vijandelijke wapenen, en de ketenen van gevangene koningen.’
‘Door welk een schoon schouwspel hebt gij, ô Caesaer! een voor ons allerverschrikkelijkst, doen vervangen? - Wij zagen eenen stoet betigters aangevoerd, als struikroovers en moordenaars. Gemeenzame plaatsen, geene openbare wegen, maar de tempels en het forum, hielden zij bezet: geen laatste wil noch stand was zeker, weduwen noch weezen veilig; - gij hebt dien kanker uitgesneden, en door beleid en strengheid gezorgd, dat een Staat op de wetten gegrond, niet door de wetten zoude verloren gaan.’
‘Het leven van eenen vorst is eene bestendige zedeles: het regelt ons gedrag, brengt ons tot het goede terug; wij hebben meer zijn voorbeeld, dan zijn bestuur, noodig: de vrees is eene ontrouwe leermeesteresse van het goede: beter worden de menschen door voorbeelden onderwezen, om dat zij bewijzen, dat, hetgeen zij voorschrijven, betracht kan worden.’
‘Wanneer wij u begroeten, volgt noch onze ontwijking, noch uwe eenzaamheid: wij vertoeven en houden ons bij u op, als in eene gemeenschappelijke woning, welke voorheen een wreed dier met schrik bezet hield, zich nu eens, met het bloed zijner naastbestaanden voedende, dan weder uitgaande, om de voortreffelijkste burgers te moorden: schrik en bedreiging waarden voor het paleis; gelijke vrees bezielde hen, die zich binnen hetzelve bevonden. De dwingeland zelf, in gelaat en houding verschrikkelijk, trotschheid op het voorhoofd, gramschap in het oog, vrouwelijke bleekheid over deszelfs lichaam, schaamteloosheid op bloedige lippen geschilderd: niemand durfde hem naderen of aanspreken, hem, die zich altijd in het donkere verborg, en uit zijne eenzaamheid nooit te voorschijn kwam, dan om eene woestijn te scheppen.’
‘Hij echter, die binnen beslotene wanden en muren zijne veiligheid zocht, sloot daar met zich in, het bedrog, de zamenzwering en een wrekend God zijner wanbedrijven; zijne straf verdreef de wacht, en drong de enge en bezette gangen door, als waren de deuren open, als schenen de drempels haar wachtende te noodigen: toen was zijne gewaande Godheid ver van hem; hem baatten noch verborgene kamers, noch wreede verblijfplaatsen, waarin hem de schrik, de trotschheid en de mensenhaat, gedreven hadden.’
‘Uwe afbeeldingen (ô Caesaer!) zullen wij aanschouwen, zoo als die, van hun, welke weleer bij het gemeenebest wel verdiend hadden: de
| |
| |
standbeelden van Caesaer zullen van dezelfde stoffe gemaakt zijn, als die van de Brutussen en Camillen - gij kent de ware en altijd duurzame roem der vorsten, eene eer, op welke noch de vlammen, noch de ouderdom, noch opvolgers iets vermogen: de vergetelheid sloopt en verduistert eerebogen en standbeelden, altaren en tempels, de nakomelingschap verwaarloost of vernielt ze; hij nogtans, die de eerzucht veracht, het onbeperkt gezag beteugelt, en besnoeit, bloeit door alle eeuwen voort, en wordt van niemand meer geprezen, dan van dien, welke hem niet meer behoeft.’
‘Ga voort, ô Caesaer! op de begonnene loopbaan; en beoordeel elk naar de algemeene faam. Staar en zie naar niets, dan deze. Verwaardig geene geheime vertellingen met uwe aandacht, geene inblazingen, die het meest nadeelig zijn voor die, welke ze aanhooren. Het is beter allen, dan enkelen te gelooven: enkelen kunnen bedriegen of bedrogen worden, niemand kan allen, en allen zullen niemand bedriegen.’
‘Wanneer gij u eenmaal van de dringendste bezigheden ontdaan hebt, dan acht gij verwisseling van arbeid voor verfrissching; want welke verademing neemt gij, dan de bosschen te doorkruisen, het wild uit deszelfs leger op te jagen, onmetelijke bergtoppen te beklimmen, over verbazende kloven te springen, aan niemands hand geleid, door niemand voorgegaan te worden, en onder dit alles geheiligde wouden intetreden, en de Goden te aanbidden. Dit zelfde gaf weleer der jeugd ondervinding en vermaak, deze oefeningen vormden helden, de snelvoetige dieren maakten hen vlug, de krachtige sterk, terwijl zij met de slimme in list leerden wedijveren: toen strekte het in vredestijden ter eere, wanneer men de velden, voor de aanvallen van het wild gedierte, bevrijdde, als had men een vijandelijk beleg afgekeerd; dien roem zelfs matigden zich zulke vorsten aan, die denzelven niet verdienen konden.’ -
‘De vriendschap, het aloud goed der stervelingen, was in het hart van bijzondere personen uitgedoofd, hare plaats was ingenomen, door pligtplegingen, vleijerijen en een schijnbeeld van vriendschap, schrikkelijker dan de haat. - Gij hebt haar verbannen en dolenden terug geroepen: gij hebt vrienden, om dat gij vriend zijt: de vriendschap laat zich niet, als andere dingen, gebieden: er is geene neiging, meer dan zij, verheven en vrij, afkeerig van dwang, en die meer wederkeerige hartstogt vordert.’
‘Deze plaatsen verbeelde ik mij (zoo ging Quinctilianus voort) dat schoon, juist, en warachtig zijn’.
| |
| |
‘Het is zoo (hervatte Romanus): maar echter kunnen dezelven mogelijk niet opwegen, tegen de niet minder warachtige en schilderachtige beschrijving, welke onze Plinius van den intogt van Trajanus in Rome gegeven heeft, zij luidt aldus:
‘Welk een dag was het, toen gij, zoo lang te gemoet gezien en verbeid, uwen intogt in Rome deedt! dat intreden zelf was verwondering waardig, en blijde; uwe voorzaten wierden gereden of gedragen; ik zegge niet gezeten op eenen wagen, met vier witte paarden bespannen, maar hetgeen schandelijker is, op de schouders van menschen gedragen. Dan gij, verre boven anderen verheven, door de uitstekendheid uwes ligchaams, hieldt, niet over onze langmoedigheid, maar over de trotschheid uwer voorgangeren eene zegepraal. Aan dit ongewoon schouwspel kon niemand, van welken ouderdom of kunne, zich verzadigen. De kinderen beijverden zich, u te kennen, de jongelingen, u aantewijzen, de grijsaards, u te bewonderen: de zieken zelfs, zonder den raad des geneesheers in acht te nemen, drongen uwen aanblik, als zoude dezelve hen genezen, te gemoet. Eenigen zeiden dat zij, u gezien hebbende, lang genoeg geleefd hadden; anderen, dat men eerst moest wenschen te leven: nu eerst waren de vrouwen, over hare groote vruchtbaarheid, blijmoedig, nu zij zagen voor welk eenen vorst zij burgers, voor welk eenen veldheer zij krijgsknechten hadden gebaard. Men zag de daken volgepropt, onder den last van menschen bijna bezwijkende - geene plaats onbezet, de wegen overal vol volks, slechts eenen engen doorgang voor u opengelaten: aan wederzijde eene volvrolijke menigte, allen eenstemmig verheugd en juichende.’ -
Op de laatste dag van het samenzijn krijgt Tacitus een brief van keizer Traianus, waarin hem verzocht wordt, het leven van Plinius te beschrijven. ‘De geschiedenis meldt van deze omstandigheid wel niets (bekent Maurits van Hall in een noot), maar ik heb gemeend alle regt te hebben, die te mogen veronderstellen, om dat dezelve zoo zeer overeenkomstig is met de betrekkingen van staatsman en vriend, waarin Plinius tot den goeden Trajaan gestaan had; terwijl voorts in dien tijd geen beter geschiedschrijver dan Tacitus bekend was.’
Het boek van Maurits van Hall heeft in zijn eigen tijd in Nederland zijn werk gedaan. Het is hier niet herdrukt, echter wel in 1823 bij G. Dufour te Amsterdam in franse vertaling verschenen en daarna nog eens in 1825 bij A.A. Rénouard te Parijs.
Na het herstel van het koninkrijk werd Maurits Cornelis van
| |
| |
Hall in 1815 door Willem I tot lid van de Eerste Kamer benoemd, maar hij bedankte en herhaalde dit in 1823. Eerst in 1842 nam hij dit lidmaatschap aan. Toen was hij sedert 1831 Staatsraad en voorzitter van de Amsterdamse rechtbank, hetgeen hij bleef tot 31 december 1856. Hij stierf te Amsterdam op 19 januari 1858, negentig jaar oud.
|
|