Nijmeegse colleges
(1967)–Anton van Duinkerken–
[pagina 287]
| |
Da Costa en zijn katholieke tijdgenoten1Da Costa was leerstellig anti-rooms. Hij is daar duidelijk voor uitgekomen. Hij is tot zijn dood een tegenstander van de roomse leer gebleven, al las hij op zijn sterfbed het Nieuwe Testament in de vertaling van Mr. Samuel Lipman, toen nog deken van de advocaten te Amsterdam, die geboren was als Jood, maar op 3 mei 1852 door de jezuïet Arnoldus Frentrop in de roomse kerkgemeenschap werd opgenomen. Schaepman, die in een gedicht uit 1885 Da Costa gehuldigd had als zijn meester, maar hem hierdoor naar zijn eigen geloofsopvatting scheen toegetrokken te hebben, verweerde zich bij de opneming van zijn gedicht in een bundel uit 1889 tegen verdenking van opzet tot zielsannexatie met de bekentenis: ‘Da Costa is protestant en anti-roomsch; ook al zou ik geneigd zijn, dit te betwijfelen, het feit zou feit blijven’. Toch schijnt F. Fol S.J. in 1826 openlijk te hebben meegedeeld ‘dat hij den aanhang van Bilderdijk voor het grootste gedeelte in den schoot der Moederkerk terugverwachtte’. Dit althans berichtte de politiedirecteur Samuel Iperusz Wiselius bij schrijven van 5 juli 1826 aan de minister van justitie, Cornelis. Felix van Maanen. Er werd in die tijd van regeringswege op Da Costa gelet. ‘Da Costa leeft zeer luculent, ofschoon men weet, dat hij een zeer geborneerd vermogen heeft’, kreeg Van Maanen te lezen uit een brief van Wiselius, gedateerd 29 december 1825. De berichtgever sprak over Da Costa en Capadose de vrees uit, ‘dat zij wezenlijk (ik hoop zonder het zelven eens te weten) Jezuieten zijn’. | |
[pagina 288]
| |
Op 13 oktober 1825 was deze aantijging voorbereid door de uitgedrukte verdenking van de politiedirecteur, ‘dat Da Costa en Capadoce, misschien wel Bilderdijk erbij, heimelijk met Jezuieten in verband staan’. Terwijl Da Costa zich de overtuiging vormde, dat jezuieten en vrijmetselaars slechts aanverwante groeperingen van een zelfde geheim genootschap vormden, waarschuwde de scherpzichtige loge-man Johannes Kinker van zijn uitkijkpost te Luik de minister tegen de volgelingen van Bilderdijk, want zij vormden een ‘broeinest van onzalige partijzucht, zooveel te gevaarlijker als zij meer geschiktheid zal aan den dag leggen om zich met de Rooms-Katholieke propaganda te verenigen’. Honderd jaar na de dood van Da Costa zouden die ambtelijke verdachtmakingen ons meer verbazen dan ergeren, indien Wiselius en Kinker geen dichters waren geweest. Everard Gewin vertelt als beschamende vervollediging van deze gegevens uit de ‘Rijks Geschiedkundige Publicatiën’, dat de door en door fatsoenlijke poëet Hendrik Harmen Klijn persoonlijk naar Willem de Clercq toe ging om hem af te houden van verdere omgang met Bilderdijk en Da Costa, want dit waren immers geheime jezuieten. Ophalen van deze literaire roddel uit de jaren 1820-1830 zou smakeloos zijn, als we niet hierbij een achtergrond konden ontdekken van de verhouding tussen Da Costa en zijn roomse tijdgenoten, die hij toentertijd geen van allen persoonlijk ontmoet had. Zijn correspondentie uit de jaren, die volgden op het doopsel, hem in de Sint-Pieterskerk te Leiden toegediend op 22 oktober 1822 door Ds. Lucas Egeling, noemt geen andere kennissen dan het dienstmeisje, waarvan zijn moeder veel plezier had vanwege de ‘voorbeeldeloze zelfopoffering’. Deze ‘zeer trouwe Roomse dienstmaagd’ had haar betrekking in 1823 aanvaard. Da Costa prees haar in een brief aan mevrouw Bilderdijk-Schweickhardt op 19 februari 1829. Onbekend bleef hem naam en positie van de priester, die als voorgewend pastoor te Haarlem kort na het verschijnen van de Bezwaren in 1823 onder de valse voorletter A een langwijlige | |
[pagina 289]
| |
briefwisseling met hem opende, buitengewoon dogmatisch van opzet, maar even onmenskundig van stijl. Door een toeval is de naam van deze zonderlinge correspondent aan het licht gekomen. Het was de seminariedocent in de filosofie te Hageveld, Antonius Bogaerts, wiens levensbijzonderheden bekend zijn gemaakt in 1923 in de Bijdragen tot de geschiedenis van het bisdom Haarlem. HierGa naar voetnoot1 ontbreekt plaats om een overzicht te geven over de inhoud van de brieven, die hij onder dekmantel van een vals initiaal aan Da Costa toezond. Voor zover dit ongebruikelijk gedrag te verontschuldigen zou zijn, kan het verklaring vinden bij de omstandigheid, dat Da Costa terloops op blz. 10 van de Bezwaren tegen den geest der eeuw gezinspeeld had op de titel van het Essai sur l'indifférence en matière de religion van Félicité de Lamennais, dat tussen 1817 en 1823 in vier delen bij Tournachon-Moulin en Séguin te Parijs was uitgegeven. Dit essai vertaalde de pasbenoemde filosoof van Hageveld in samenwerking met de stichter van dit seminarie, Cornelis van Bommel, die in 1829 bisschop zou worden van Luik. Ofschoon hij zich hier niet op beriep, kan de belangstelling van Da Costa voor Lamennais hem aangemoedigd hebben tot de stoute stap, een eigenzinnige gevolgtrekking uit de publikatie van de Bezwaren op te dringen aan de schrijver van dit vlugschrift. Dat Van Bommel hier niet van zou hebben geweten, is hoogst onwaarschijnlijk, maar van hun kant konden deze priesters niet vermoeden, dat Da Costa bij schrijven van 6 april 1823 aan Bilderdijk zijn ingenomenheid had uitgesproken met het werk van Joseph de Maistre: ‘een roomsche, die in ijver en geloof in den eenigen en waarachtigen Verzoener voor weinige protestanten hoeft onder te doen’. Er bestond een grondslag tot verstandhouding, al bleef die oecumenisch zonder dogmatisch te worden. Twee maanden vóór zijn doopsel, op 9 augustus 1822, toonde Da Costa zich in een brief aan Bilderdijk ontroerd door het feit, dat de gewezen opperrabijn van Maastricht, Jacob Pessoa, zich na dertigjarige | |
[pagina 290]
| |
waarneming van de dienst in de synagoge bekeerd had tot het roomse christendom en als kloosterling in Brabant was gestorven. Zijn Bezwaren tegen den geest der eeuw klonken een roomse lezer uit 1823 allerminst vreemd. Zelfs geloof ik Antonius Bogaerts ten spijt van zijn achterdochtig wangedrag te mogen prijzen, omdat hij de theologische gedachtenwisseling terugvoerde naar de Exposition de la doctrine de l'église catholique van Bossuet, die hij in 1833 als pastoor te Amsterdam vertaald, maar helaas door hem zelf uitgebreid, zou doen verschijnen. Wel zou Pascal een effectiever uitgangspunt voor de gedachtenwisseling geleverd hebben, maar die kon in 1823 niet als apologeet voor het roomse geloof worden te voorschijn getoverd. De bulle ‘Unigenitus’ van 8 september 1713 was immers toen nog niet zo diep vergeten als de breve ‘Dominus ac Redemptor’ van 21 juli 1773! Het blijft Da Costa's karakter sieren, dat hij zo kort na zijn overgang tot het protestantisme de onbekende roomse handschoen opraapte met de bedoeling om hem ergens in het christendom thuis te bezorgen. De afzender, die zijn echt adres niet opgaf, insisteerde op zo veel kerkgezag, dat er nauwelijks iets overbleef om zelf te geloven. Hij kreeg dezelfde bons als Bossuet in 1700 van Leibniz, toen de bisschop met nadruk het kerkelijk vloekvonnis boven het evangelisch geweten van de filosoof verheerlijkte. De zogenaamde pastoor A. uit Haarlem, die met gezagsargumenten Da Costa wilde dwingen om in den blinde B te zeggen, heeft niet de belangstelling voor zijn zaak, maar wel de genegenheid voor zijn persoon verspeeld bij lezers uit de nakomelingschap. Zijn brieven zijn door en door traditionalistisch, zelfs in de theologisch-technische zin van dit woord. Da Costa gaf bescheiden, maar beraden antwoord, zonder te schitteren. Achteraf is hij van de twee correspondenten ook voor een hedendaagse roomse lezer als Gerard Brom de edelste mens. Hierbij kan de goede bedoeling van Bogaerts onbetwist blijven, want roomsen bleven in die tijd niet zonder reden omzichtig. | |
[pagina 291]
| |
2De Beschouwingen over het beiderzijdsche ongelijk in het geschil over den geest der eeuw, die in 1824 door Tielman (niet: Thomas) Olivier-Schilperoort gepubliceerd werden, verdienen alleen onze aandacht, omdat Da Costa met de president van het provinciaal kerkbestuur van Noord-Brabant, J.J. Scholten, predikant te Breda, deze bekwame en veelzijdige journalist kan hebben aangezien voor een rooms-katholiek. Hij was het niet en deed ook geen moeite om ervoor door te gaan, al bestreed hij buiten ieder kerkverband ongeveer alles, wat bestreden werd door roomsen en gereformeerden, in het bijzonder de liberale opvatting over staat en maatschappij. Als wij deze tegenstander van iedere revolutie een legitimistisch deïst met vroegtijdig europees gevoel van samenhorigheid noemen, is hij voor een beoordelaar van onze dagen omneveld genoeg om opheldering door een onderzoek naar al zijn werkzaamheden te mogen verlangen. Het minst elegant is Da Costa, trouwens enkele jaren nadat hetzelfde aan Bilderdijk overkomen was, bejegend door de pionier van het rooms-katholieke perswezen in ons land, Joachim Lesage ten Broek. In 1829 liet deze bijzondere man te 's-Gravenhage openlijk een Brief aan Mr. W. (sic) da Costa uitgeven, waarvan hij geen handschrift of overdruk toezond aan de geadresseerde, die niettemin antwoordde, zodat er in 1830 een Tweede brief aan Mr. I. da Costa verscheen, nu tenminste met de juiste voorletter. In een brief van 25 september 1850 aan Joseph Alberdingk Thijm beroept Da Costa zich met recht op zijn beleefde welwillendheid van twintig jaar geleden om te bewijzen, dat hij nooit een blind hater van zijn roomse medeburgers is geweest, hoezeer hij in levensbeschouwing met hen mocht verschillen. Hij schrijft: ‘Maar dan ben ik mij zelven bewust, dat ik de Uwen nooit anders dan met een gevoel van eerbiedige meewarigheid en van weemoedige belangstelling bestreed. - Ik beroep mij deswege op mijn Antwoord aan den Heer Lesage ten Broek van | |
[pagina 292]
| |
1829’. De levensbeschrijver van Lesage, G. Gorris S.J., steekt niet onder stoelen of banken, dat hem het gedrag van de vurige roomse polemist onaangenaam verbaasde, maar zoekt een verontschuldiging bij het opgedrongen minderwaardigheidsgevoel van heel de bevolkingsgroep, dat in 1829 nog lang niet uitgesleten was. Waarschijnlijk vreesde de polemist, dat hij op een persoonlijke brief in het geheel geen antwoord zou ontvangen. Da Costa's latere gelijkmoedigheid kan mede verklaard worden uit het feit, dat Lesage in 1833 in de tweede jaargang van ‘De morgenstar der toekomst’, die in de ondertitel een ‘Antirevolutionnair tijdschrift’ heette, hem, Da Costa, had voorgesteld aan de lezers van dit fervent-roomse orgaan als ‘een man, voor wie wij, als voor wijlen Mr. Willem Bilderdijk, wezenlijke achting koesteren, wijl hij de moed bezit om zijn geloof aan de Godmens en aan de verzoenende waarde van diens lijden en sterven openlijk te belijden’. Deze oprechte hoogachting belette Lesage niet om in 1835 de ‘Catholijke Nederlandsche Stemmen’ op te richten als protest tegen de ‘Nederlandsche Stemmen’, dat in mei 1834 voor het eerst uitkwam als tijdschrift van Da Costa en diens geestverwanten. De spanning tussen aantrekking en afstoting verminderde, zolang Da Costa leefde, nooit. Nauwelijks was in 1842 ‘De Katholiek’ opgericht, of hij kondigde de ‘Ontwaakte kamp met Rome’ aan. Maar hoe fel hij protesteerde tegen het idee van Broere, als zou de reformatie niets dan puin op puin hebben gestort in een gedurige vermenigvuldiging van sekten, toch leverde hij nooit een persoonlijk verweer tegen de geniaalste Nederlandse priester uit die jaren. Cornelis Broere daagde zoveel geesten uit, dat het aan Da Costa potsierlijk moet hebben toegeschenen, dit ongeduld te kalmeren door tegenspraak. In heel zijn briefwisseling met Groen van Prinsterer komt zelfs de naam van Broere niet voor. | |
[pagina 293]
| |
3In 1834 zond kanunnik J.B. David, professor te Leuven, een geleerde teksteditie in het licht van Bilderdijks dichtstuk De geestenwareld. Dit boekwerk droeg hij op aan twee adepten van de gehuldigde meester, de 45-jarige Da Costa en de 23-jarige Joseph Alberdingk Thijm. Of Thijm vereerd was met de samenvoeging is een vraag. Hij schreef op 21 augustus 1843 aan zijn vriend S.J. van den Bergh, ‘dat Da Costa veeltijds een schreeuwlelijk is’ - ‘Vergeef mij mijn rondborstigheid, Sam, zij blijft onder ons’. Thijms gedicht over Het aansprekersoproer te Amsterdam dateert van juni 1848. Het wordt door Gerard Brom gelezen als een ‘komische afleiding bij de vaderlandse schrik voor revolutie, waartegen Da Costa met zijn geestverwanten bijbelse banvloeken slingerden’. Het is alles mogelijk, maar in 1848 toonde Da Costa zich progressiever - en Thijm zich conservatiever dan hun geloofsopvatting van hen verlangde. Mogelijk leidde dit tot geestelijke toenadering. Thijm, die tevoren aan Da Costa ‘een verschrikkelijke hoogmoed en gebrek aan sociabiliteit’ verweet, kwam in persoonlijke omgang tot de bevinding, dat de boeman een goed hart bezat. Hij moest weliswaar de springprocessie van Echternach tegen zijn ‘vriend en vijand tevens’ verdedigen, maar langs de dogmatiek van de volkskunde romantiseert zich enigermate de volkskunde van de dogmatiek. In Luxemburg gebeuren dingen, waar Holland niet mee heeft weg te lopen, al werd het christendom ook hier door Sint Willibrordus gevestigd. De eerste afdruk van Thijms gedicht Het voorgeborchte is door hem zelf gedateerd op Herfstmaand 1851 en verscheen in de Muzenalmanak van J.J.L. ten Kate. De afzonderlijke boekuitgave droeg hij in 1853 aan Da Costa op met waarschijnlijk het meest beroemde en zeker het meest karaktervaste gedicht, dat hij ooit schreef. Da Costa, diep geroerd door de betuigde vriendschap, toonde zijn dank in een hartelijke brief. Toch was hij niet gelukkig met de weinig rechtmatige verroomsing van Bilderdijk | |
[pagina 294]
| |
in het hiernamaals. Zonder Thijm te noemen, bestreed hij diens opvatting in zijn Bilderdijkbiografie. Thijms uitnodiging aan Da Costa om terug te keren, gelijk hij het met Abraham des Amorie van der Hoeven noemde, tot de Roomse Kerk, is hoffelijk afgewezen. Dat ze verzonden kon worden in het openbaar en in het jaar van de aprilbeweging, geeft ons vandaag nog een fier geluksgevoel. De brief van de jurist Da Costa aan de staatsman Groen over het grondwettig recht van de Nederlandse rooms-katholieken op de inrichting van hun eigen kerkbestel vermindert niets aan de beginsel-controverse tussen de reformatie en Rome. Wel brengt hij mensen die elkanders taal verstaan, een eindweegs onderweg naar de gezamenlijke maaltijd aan de tafel van de uiterste liefde. In 1856 bracht Thijm's ‘Dietsche Warande’ het fragment over Bilderdijk en Vondel uit Da Costa's feestrede van 31 oktober, dat is de Hervormingsdag. Vier jaar daarna schreef Thijm het bondig In Memoriam. Hij huldigde daarin ‘de moedige strijder voor aangevochten stellingen, die hij gehandhaafd zou hebben, al waren ze onder zijn voeten in een brandstapel verkeerd’. Bij deze erkenning mag een eeuwgetij gevierd worden als een eeuwfeest. |
|