Nijmeegse colleges
(1967)–Anton van Duinkerken–
[pagina 270]
| |
Pieter Leonard van de Kasteele op TexelIn de zomer van 1790 bracht Pieter Leonard van de Kasteele enige vacantiedagen op Texel door. Hij was twee-en-veertig jaar oud, een knap jurist en een befaamd dichter, gewezen pensionaris van de stad Haarlem, waar hij na zijn ontslag was blijven wonenGa naar voetnoot1. Mogen wij zijn kleinzoon geloven, dan had hij zich ‘thans geheel losgescheurd van alle staatkundige bemoeijingen’,Ga naar voetnoot2, maar in Gelderland werd ‘Pieter Paulus Kastelen (sic), pensionaris van Haarlem’, tot de ‘doorsigtige luijden’ gerekend, die achter de schermen tegen de stadhouderlijke partij ageerden in 1788Ga naar voetnoot3. Hij was voor de tweede maal getrouwd. Zijn eerste vrouw Geertruid Margareta Craeyvanger had hem op 26 maart 1780 een zoon Jacob Carel geschonken, die later ook naam zou maken als dichter. Ze was twee maanden daarna, op 25 mei 1780, gestorven. Maria Bernardina Gallé, weduwe van Nicolaas van Leyden, werd op 1 october 1784 zijn tweede echtgenote en het volgend jaar de moeder van zijn dochter. Hij was van huis uit ruim bemiddeldGa naar voetnoot4 en bij alle dichterlijke | |
[pagina 271]
| |
geestdrift tamelijk gelijkmoedig, misschien een beetje zelfingenomen, tegen verdriet gewapend door een godvruchtige levensaanvaarding, die niet veel, maar voor de lezers zijner verzen toch merkbaar van bourgeois-satisfaitisme verschilt. Over zijn huis getuigde zijn zoon: ‘Daar kwam men 't vergenoegen tegen.... Dat huis scheen steeds te zijn de vrijplaats van 't geluk’Ga naar voetnoot1. Die stemming stelde hem tot onbezorgd natuurgenot in staat. Op Texel genoot hij van de zee, wier beroemdste zanger hij was in die dagen, tenminste voor ingewijden, die wisten, dat het gedicht de Zee in de Stichtelijke Mengelpoëzij niet van Hieronymus van Alphen kwam. Dit gedicht verscheen in 1782 in het derde stuk van de verzamelingGa naar voetnoot2. Het bestaat uit acht-en-dertig strofen van vier regels, geschreven in geestverrukking op een studeerkamer, terwijl het oog meer bijbelteksten zag dan zilte golven. De geschiedenis van Nederland bewijst, in spijt der Britse vloot, dat God de zee gebiedt. De oceaan fungeert uitsluitend als uitdagend Godsbewijs en overtreft in deze functie andere natuurverschijnselen: De Meetkunst moog' de maat der hoogste bergen weten,
En reize met de maan door al haar kringen mee;
Geen sterveling doorgrondt, al kan hij zonnen meten,
De diepte van de zee.
Verneemt men hierna als boodschap van de golven: ‘God woont in Nederland’, dan begint men zich af te vragen, met welk orgaan J. te Winkel de verhevenheid gewaar werd van deze zee-zang, die ‘bij de tijdgenooten zooveel bewondering vond’Ga naar voetnoot3. Toch vergiste te Winkel zich minder in die toeschrijving van verhevenheid dan in de aanwijzing der plaats, waar Pieter Leonard in de rechten promoveerde, want dit geschiedde niet te LeidenGa naar voetnoot4, echter op 13 december 1771 te Utrecht, nog | |
[pagina 272]
| |
wel met de loffelijke vermelding: ‘ob strenue et publice propugnatum specimen academicae exhibitionis Miscellanea Juridica’Ga naar voetnoot1. Als advocaat kreeg Van de Kasteele in het begin van 1782 op meer concrete wijze met de zee te maken dan toen hij in bijbelse vervoering uitriep: ‘De stranden staan verrukt; - wie blijft hier onbewogen?’ Hij werd toen namelijk belast met de taak van fiscaal bij de Hoge Zee- en Krijgsraad in de zaak van de schoutbij-nacht Einkes, die beschuldigd was van nalatigheid in het bewaken en verdedigen van onze handelsvloot in de Middellandse zee, zodat de Engelsen haar veroveren kondenGa naar voetnoot2. De hymne eindigde met het uitzicht op de wederkomst van Jezus, waarbij de dichter met scherper oog al de schatten zou kunnen ontdekken, die de zee verborgen hield. De verwachte wederopstanding van de verdronkenen, onder wie de troepen van Pharao, bracht hem op dit eigenaardige denkbeeld. Bij zulke geestesgesteldheid mag men geloven, dat het proces-Einkes voor de dichterlijke fiscaal een heilzame ontnuchtering kon worden, waarmee de praeromantische lyriek in Nederland slechts voordeel had te doen. De oprechtheid van zijn geloof, dat hem ‘niet tot kommer en neerslagtigheid, maar wel tot opbeurende blijgeestigheid stemdeGa naar voetnoot3’, laat geen twijfel, doch ze zwalpt door de zee-zang als een geestelijke dronkenschap, die het waarnemingsvermogen benevelt. Toen hij op Texel was, ging Pieter Leonard zwemmen in het Eierlandse gat. Dit heeft hem goed gedaan, al was het maar door zijn hoofd te bekoelen. Hij schreef er een thans volslagen vergeten gedichtje over, dat zijn kleinzoon in 1844 onder de Mengeldichten opnamGa naar voetnoot4 en dat toen weinig aandacht zal getrokken hebben naast de godsdienstige lyriek en de vertalingen van Ossian, Klopstock enWieland. Het is geen meesterstuk, maar indien het vroeger in het jaar 1790 geschreven werd dan de LofzangGa naar voetnoot5 van | |
[pagina 273]
| |
Rhijnvis Feith, mag het gelden voor het oudste zee-gedicht der Nederlandse romantiek, dat niet op de stelselmatige uitbreiding van een gedachte, maar op een onmiddellijke ervaring van de werkelijkheid teruggaat. Hier is het stuk: Op! Texelbewoner!
Geen avond ooit schooner;
't Loopt alles ons mee.
Op! jeugdige knapen!
De zon wil gaan slapen;
Komt! baadt u in zee!
Het westelijk luchtje
Doorgolft met een zuchtje
Mijn flodderend haar.
Twee zeeën begroeten
Mijn kletsende voeten;
Ze omarmen elkaar.
Zie 't Noorderzout blinken!
De zon gaat er zinken,
Zie ginds in het Oost
De Zuiderzee darden,
De Maan haar ontsparden;
Zij beeft, en zij bloost.
Rondom zich die glansen
Op zee te zien dansen,
Hoe lacht dit ons aan!
Wat vreugd! onbeladen
In zee zich te baden
Met zon en met Maan!
De titel luidt Het Baden in Zee en de ondertitel: Avondzang aan de reede van Texel. Door de gelijktijdige aanwezigheid van Noordzee en Zuiderzee, in het Westen ondergaande zon en in het Oosten opkomende maan, die beiden zich in het water weerspiegelen, krijgt de voorstelling een pittige preciesheid en de vorm een levendige contrastwerking. Het geval had nochtans geen belang genoeg voor bloemlezers, zodat men het gedichtje mist in de verzameling teksten over de zee, die J.C. de Joode in | |
[pagina 274]
| |
1925 bij elkaar bracht als nummer 15 van de serie Nederlandse SchrijversGa naar voetnoot1 en in De Muze op Zee, in 1951 voor jonge mensen samengesteld door Adriaan Morriën, die eerlijk schijnt te menen, dat in de zeventiende en achttiende eeuw ‘de officiële poëzie zelden buitengaats ging’Ga naar voetnoot2. Gaf Pieter Leonard van de Kasteele aan Rhijnvis Feith in dit vacantievers het voorbeeld tot de persoonlijke waarneming van de zee bij avondlicht? Diens Lofzang van 1790, door De Joode verwaarloosd ten gunste van zijn gedicht op De Ruiter, uit 1784, verhoudt zich daartoe net eender als het Texelse vers van Pieter Leonard zich verhoudt tot zijn vroom-vaderlandse hymne. In het oudere stuk wordt de zee verpersoonlijkt tot een levend wezen, dat Michiel de Ruiter ‘haren eerbied waardig acht’Ga naar voetnoot3, maar wij krijgen geen druppel echt water te zien. Het nieuwere is een zuivere natuurimpressie, door scherp kijken veroorzaakt: .....‘Tallooze golven gaan
Op de ongemeten baan
In de onafzienbre rij
Mij rollende voorbij.
Onwillig volg ik dra
Eén van de ontelbren na;
Maar eer ik met haar spoê
Rukt reeds een tweede toe;
Zij grijpt haar ongestoord,
Verzwelgt haar, en rolt voort,
En nog terwijl ik staar,
Verzwelgt een derde ook haar,
Die op haar beurt weer stort,
En weer verzwolgen wordt.
Mijn blik vermoeit en zwicht,
En voor mijn mat gesigt
Vermengt van lieverlee
Zich aarde en lucht en zee.
Mijn oog daalt vruchtloos neêr,
| |
[pagina 275]
| |
Het vindt geen rustpunt meer;
'k Zie niets dan golfgewoel,
Dan maatloos golfgewoel,
En loutre oneindigheid
Ligt voor mij uitgespreid.
Dan rijst aan 's hemels trans
Met goddelijken glans
Het talloos starrenheer,
En spiegelt zich in 't meer.’....
Voor Feith is die waarneming van de zee in 1790 een datum in zijn dichterlijke ontwikkeling geweest, want hij komt er in het Gezigt metrisch en rythmisch even duidelijk als plastisch en visionair op terugGa naar voetnoot1 en hij is het niet geheel vergeten, als hij een evangelie-lied De Storm op ZeeGa naar voetnoot2 dicht. Schrijft Feith in zijn Lofzang de ‘Natuur’ en ‘het Niet’ met een hoofdletter, dan kan men vermoeden, dat het gebeurt, omdat dit algemene denkbeelden zijn, hoewel hij in andere gedichten allerlei substantiva tamelijk willekeurig zulk een onderscheiding meegeeft, maar bij Van de Kasteele valt het sterk op, dat hij in zijn gedichtje consequent de zon (met een kleine letter) bij de Maan (met een hoofdletter) schijnt achter te stellen, hoewel hij aan beide hemellichamen menselijke eigenaardigheden toekent, immers die zon wil gaan slapen en de maan ontspartelt aan de Zuiderzee! Zag de dichter deze laatste verrichting als sterker persoonlijk, omdat zijn woordkeuze hier minder conventioneel klonk? Dan is het toch vreemd, dat hij het onderscheid aanhield in de slotregel! In het geheel van zijn werk lijkt zijn stelsel van bedéling uit onderkast of kapitaal niet redelijker te verantwoorden dan het systeem van Feith. Het heeft een bijzondere gevoeligheid tot grondslag, die wij niet altijd precies kunnen navoelen. Dat het zonlicht tijdens het zwemmen gaandeweg verzwakt, terwijl de maankracht toeneemt, is misschien hetgeen wij tot ons moeten laten doordringen bij de lectuur: de Maan wint een | |
[pagina 276]
| |
heerlijkheid, die de zon bezig is te verliezen. Dat hier geen drukkerswillekeur, maar dichterswillekeur in het spel is, blijkt uit de andere teksten. Doch dichterswillekeur veronderstelt een verholen, derhalve na te speuren, oorzaak. In de verhouding van onze vroeg-romantische poëzie tot de zee lijkt mij het op zichzelf tamelijk onbeduidende versje van Pieter Leonard van de Kasteele een keerpunt. Als Feith het gekend heeft, voordat hij zijn Lofzang dichtte, is het zelfs een beslissend keerpunt geweest. Het duidt de weerkeer aan van de conventionele boek-inspiratie naar de persoonlijke natuurimpressie. |
|