Nijmeegse colleges
(1967)–Anton van Duinkerken–
[pagina 222]
| |
Hobbo Schotanus van Sterringa1Doorbladeren van A.J. Geerebaert's vertalingenlijst overtuigt, hoe gretig in de zeventiende eeuw naar de werken van Ovidius verlangd werd, ook door een publiek, dat geen latijn las. Nadere beschouwing van de boeken en hun afval-producten leidt al gauw tot de gevolgtrekking, dat Ovidius' populariteit afhankelijk bleef van factoren, die geschiedschrijvers slechts voor een deel kunnen waarnemen. Er bestaan getuigenissen genoeg uit onze tijd, of althans uit de eerste helft van de twintigste eeuw, waarmee kan worden aangetoond, dat ongeveer iedere Nederlander de inhoud kende van Cervantes' Don Quichotte, Swift's Gulliver's Reizen of Defoe's Robinson Crusoë. Wij weten, hoe die kennis er uitzag. Ze kon voortgekomen zijn uit gedegen lectuur van deze werken in de grondtekst of in nederlandse vertalingen uit de negentiende eeuw, maar ze was dit zelden. Vaak kwam ze voort uit derivaten van de beroemde boeken, zoals samenvattingen voor kinderen, prenten met bijschriften of genoeglijke tekst-verminkingen in volksbibliotheken. Deze kennis behoefde niet grondig te zijn om tekenaars van politieke spotprenten er geestig bij te laten aansluiten, zodat we Abraham Kuyper door honderden dwergjes vastgeprikt zagen aan de grond, of Frederik van Eeden op een rossinant met vaart inrijden tegen windmolens. Wie hiernaar keek, wist wat de voorstelling betekende en waarop ze zinspeelde. Deze vorm van algemene bekendheid laat bijkans geen onderzoek naar haar bronnen meer toe. Het kunnen evengoed | |
[pagina 223]
| |
toverlantaarn-plaatjes thuis zijn geweest als leeslesjes in vergeten schoolboeken. Er gaat een gemakkelijke besmetting van uit. De man met de puntige berenmuts op het hoofd, het geweer in de hand en de papagaai op de schouder suggereerde een onbewoond eiland. Hiermee konden allerhande dingen in verbinding worden gebracht, die er aanvankelijk niets mee te maken hadden, zoals reclame voor tabak of weerzin tegen een ministeriële beschikking. Eenzelfde taak vervulden Ovidiaanse motieven en figuren twee eeuwen lang voor ons volk zonder dat het bewijs kan worden geleverd van iedereens gedegen kennismaking met de teksten. Wel is na te gaan, hoe zulke motieven en figuren op de volksverbeelding inwerkten. Omdat de publiciteit beperkter omvang had dan tegenwoordig, kunnen wij ook iets nader komen tot de aard van de verspreidings-middelen. Spoedig overspoelt dan een stortvloed alle groepering. Toch kan het niet anders, of tussen 1550 en 1750 zal zich ontwikkeling vertonen in het vaderlandse spel met Ovidiaanse gegevens. Wellicht worden ontwikkelingslijnen zichtbaar aan het eind van een te ondernemen methodisch onderzoek. | |
2Hoewel de gebundelde liefdesgedichten uit Ovidius' Amores, dit was zijn oudste werk, voor geleerden algemeen bereikbaar waren en door neo-latijnse dichters volop werden nagevolgd, verbood de ver gaande vrijmoedigheid van hun taal, dat ze ooit in nederlandse vertolking tot volksbezit zouden worden, maar veel bezinksel uit hun samenstelling doortrok de internationale liefdespoëzie vanouds. Alleen reeds de toespraak tot de dageraad, Amores I,13, kreeg zo rijk genuanceerde navolging, dat er een boek te schrijven zou zijn over dageraadsliederen, waarin telkens wendingen of beelden aan Ovidius herinneren. Toch geeft Pater Geerebaert uit heel de zestiende en zeventiende eeuw geen enkele vertaling van dit beroemde gezang op. Dr. | |
[pagina 224]
| |
J.C. Arens ontdekte er een, zonder bronvermelding opgenomen in de Dichtkunst van verscheide stoffen van Mr. Johan Beets, uitgegeven door diens schoonzoon te Hoorn in 1668, vermoedelijk kort na de dood van de dichter. Wij zijn dan over de helft van de eeuw. Het valt op, dat vrijwel alle nederlandse vertalingen van losse gedichten uit de Amores gepubliceerd werden na 1660. De mensen, die dit deden, horen in zeker opzicht bij elkander, ook wanneer ze elkaar persoonlijk niet hebben gekend of beïnvloed. Het is, geloof ik, niet ongeoorloofd, die samenhorigheid hierin te zoeken, dat zij meest behoorden tot een goed gecultiveerde -, doch slecht tot haar recht gekomen generatie, echt ‘une génération sacrifiée’ uit de zeventiende eeuw. Wie het handboek van Gerard Knuvelder raadpleegt in de eerste druk, ziet daar, dat de schrijver het derde geslacht van dichters uit de zeventiende eeuw geboren laat worden tussen circa 1620 en 1630, terwijl hij het geboortejaar van het vierde geslacht plaatst tussen ongeveer 1640 en 1650. Vermoedelijk onbewust werd hier het decennium overgeslagen, waarin de oorlogvoering tegen de kardinaal-infant zich grotendeels buiten onze tegenwoordige landsgrenzen afspeelde en waarin het laatste stuk van onze tachtigjarige oorlog zich met de dertigjarige oorlog in Duitsland versmolt. Het welvarend Holland kreeg vrede in zicht. Zijn grootste kunstenaars vervaardigden omstreeks die tijd hun meesterwerken. De petits maîtres bleven voor historische waarneming wat achteraf. Wie toen geboren werden, ontwikkelden zich in een gevestigde samenleving. Zij maakten geen opkomst meer mee. Veel vertegenwoordigers van deze opgeofferde generatie overleden jong. Willem van Focquenbroch, die in 1675 stierf, is niet ouder geworden dan 40 of 45 jaar, Catharina Questiers stierf, toen zij 38 was, Johan Blasius werd 35, François Marcellus is maar 22 geworden, Heiman Dullaert 48, Antonides 37 en Dirk Buisero ook maar 37. Door zijn berijmde autobiografie is Coenraat Droste, die geboren werd in augustus 1640 en die ongeveer 90 jaar oud | |
[pagina 225]
| |
heeft mogen worden, een getuige van deze doorgaans minder levenskrachtige jeugd. Toen Robert Fruin in 1879 voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde het rijmwerk van Droste herdrukt had, schreef hij op 15 juni aan de utrechtse hoogleraar in het staats- en volkenrecht G.W. Vreede: ‘Al zijn zijn verzen ook niet de beste, hij keuvelt toch zoo vertrouwelijk, dat ik hem met genoegen van zijn herinneringen hoor opdreunen. Ik heb dan ook waarlijk in het bezorgen der uitgaaf en in het schrijven van de aanteekeningen schik gehad. Hadden wij maar wat meer dergelijke gedenkschriften, onze geschiedenis zou er levendiger en aanschouwelijker door worden’. Droste, die vaandrig was geweest tussen zijn opleiding aan de latijnse school te 's-Hertogenbosch en zijn studie te Leiden, geeft ons geen hoog idee over de erudiete genoegens van zijn leeftijdgenoten omtrent hun twintigste jaar. Ze zijn wat overbelast met geest en galanterie. Hun rijmsels blijven lieflijke bijkomstigheden in een leven, dat zich bij de meesten spoedig richten zou op een andere dan de letterkundige loopbaan. Voor deze jongeren was de lectuur van Ovidius' liefdesgedichten een schalkse verpozing tijdens hun studie aan de universiteit. Zo vertaalde Cornelis Gravenstein als Leids student Amores III, 11: Multa diuque tuli, het gezang, waaraan Eduard Douwes Dekker later zijn nom de plume heeft ontleend. Het behandelt de breuk met de liefde en de twijfel van de dichter aan zichzelf: een echt studentikoos motief voor iemand, die tevoren Kusjes van Janus Secundus vertaald had. Kon hij voorzien dat hij, afgestudeerd, zich tot het schrijven van stichtelijk werk zou gaan zetten? Tobias van Domselaar drukte in 1660 de jeugd-erotiek van Cornelis Gravenstein af in het eerste deel van de Hollandsche Parnas. Johan Blasius, een medestudent van Coenraat Droste te Leiden en door Droste in een huldedicht geprezen als een minnezanger, die Ovidius voorbijstreeft, vertaalde Amores II, 4 en II, 15. Het eerste is een bekentenis van smaak-verscheidenheid in de omgang met jongedames; het andere een toespraak tot de ring, die als geschenk aan de geliefde wordt gegeven. Blasius was 22 jaar | |
[pagina 226]
| |
oud, toen hij ze publiceerde. Tien jaar later droeg hij aan een oud medestudent van Leiden, Mr. Jacob Hinloopen, zijn blijspel De Malle Wedding op, vervaardigd naar een franse bewerking van een stuk van Lope de Vega. Als een herinnering aan hun studententijd voegde hij er vertalingen achter van Amores II, 3 en III, 4, waarschuwingen tegen al te streng bewaken van vrouwen In hetzelfde jaar 1671 gaf Vondel zijn Herscheppinge uit, doch de in handschrift hierbij behorende vertaling van Amores I, 15, dat is de dichtercataloog, ontbreekt in het voorwerk bij deze eerste druk. Ze kwam terecht in de posthume Poëzy-uitgave van 1682 en vervolgens in de tweede druk (1703) van de Metamorphosen-vertaling. Bijzondere betekenis is haar niet toe te schrijven. | |
3Een raadselachtige figuur in het gezelschap van Amores-vertalers bleef tot heden H.S.v.S., wiens Mengeldichten in 1683 te Leeuwarden verzameld uitgegeven werden door iemand, die zich M.T.I.A. noemt. Ze verschenen bij Hero Nauta, boekverkoper in de Peperstraat bij de Markt, in de Gekroonde Waarheid. Geerebaert noteert een exemplaar in de U.B. te Gent. Er is er ook een in de stedelijke bibliotheek van Leeuwarden. W. Eekhoff, archivaris van Leeuwarden, beschreef deze bibliotheek in 1870 en zegt over H.S.v.S.: ‘De schrijver schijnt een geleerde en aan aanzienlijke familiën verwant te zijn’. Verder werd bij mijn weten voor deze dichter nooit aandacht gevraagd. Zijn samenhorigheid met het opgeofferde geslacht van studentikoze dichters uit de zestiger jaren maakte mij nieuwsgierig naar deze figuur, die evenals Johannes Blasius Amores II, 4 vertaald heeft om te laten horen, dat hij niet eenkennig was met meisjes, doch die bovendien de vertaling van een der meest gewaagde liefdeszangen van Ovidius op zijn onbekende naam heeft staan, te weten III, 7, dat door Mathurin Regnier in het frans is bewerkt onder de titel Impuissance. Was H.S.v.S. de verlopen afstammeling van een beroemd geslacht? Zo erg is | |
[pagina 227]
| |
het niet geweest, ofschoon de weinig krachten, die hij toont, een rijkbegaafde familie naar haar uitputting voerden. Hobbo Schotanus van Sterringa werd in 1647 te Franeker geboren als jongste zoon uit het huwelijk van professor Christianus Bernardus Schotanus van Sterringa, de friese kerkhistoricus, en diens eerste huisvrouw Aaltje Culenborg. Hij had als volwassene twee broers, waarvan de oudste, Bernardus Schotanus van Sterringa, geboren in 1640, de ontwerper werd van de Friesche Atlas, terwijl de tweede, Johannes, geboren in 1642, voordat hij in 1698 te Franeker professor werd, Descartes verdedigen zou tegen Pierre-Daniel Huet en de Méditations méthaphysiques omzetten in latijnse poëzie, tot een Paraphrasis poëtica primae philosophiae (1694). Toen Hobbo geboren werd, leefde de eersteling van het gezin, Gellius Schotanus, nog, maar die zou sterven vóór 1648, niet ouder dan ten hoogste 17 jaar. De twee meisjes, die op Gellius volgden, Aaltje en Cathrien, trouwden met friese dominees. De grootvader Bernardus Schotanus Jelleszoon was predikant, te Britsward en Wiswerd, getrouwd met Aletheia Wilsing uit Siegerswoude. Zijn vader Jelle (verlatijnst tot Gellius) Schotanus was nog rooms pastoor geweest, doch na zijn overgang tot de gereformeerde religie getrouwd met Barbara Jans. Een oudoom van Hobbo heette Meinardus Schotanus. Met Gisbertus Voetius en Carolus Dematius had hij als hoogleraar de beroemde ‘theologische driebond’ aan de utrechtse universiteit gevormd, maar deze Meinardus stierf drie jaren vóór de geboorte van zijn achterneef. Zijn broer Bernardus Hendrikszoon Schotanus was toen professor in de rechten te Leiden, waar hij op 5 oktober 1652 overleed. Wel had Eekhoff dus gelijk door H.S.v.S. verwant te achten aan aanzienlijke families! Hobbo was acht jaar oud, toen zijn vader op 10 oktober 1654 hertrouwde met Elske Coehoorn, de weduwe van de predikant Tommo Oosterzee. Hij ging in Franeker studeren en promoveerde, 26 jaar oud, op 14 december 1673 in de rechten. Wie zijn vrouw werd, is niet bekend gewor- | |
[pagina 228]
| |
den aan W. Tsj. Vleer, die buiten de boekhandel in 1953 een Genealogie Schotanus bezorgde. Ze kregen twee kinderen, een jongen en een meisje. De zoon trouwde op 8 april 1718 met zijn volle nicht Johanna Aletta Bernardsdochter Schotanus. Hun huwelijk bleef kinderloos. Ook Hobbo's broers hadden geen stamhouders, zodat de naam Schotanus meeging met de dochter, nadat zij in het huwelijk was getreden met Hanso Henricus Lemke, predikant te Oldeholtpade. | |
4Mag Hobbo Schotanus van Sterringa als dichter en vertaler weinig naam hebben, hij vertegenwoordigt de generatie, waartoe hij behoort, op een heldere wijze. De Mengeldichten, die hij als gevestigd jurist na enige aarzeling door een vriend liet uitgeven, toen hij 36 jaar oud was, vertonen de moedwillige speelsheid van de late barok. Ze bezat geen kracht meer tot ernstige zelf-verwerkelijking en hield toch te veel traditie-gevoel over om voor de scheppende vermogens de strakkere tucht van het classicisme te aanvaarden. Het boekje van 180 bladzijden opent met een brief aan de drukker, waarin H.S.v.S. zich van zijn jeugdzonden losmaakt, en met een huldedicht, waarin een Juris Studiosus mededeelt: ‘De Minnemeester duikt voor dees gedigten’. De minnemeester is Ovidius! Op deze zware overschatting en een bijna even hoog gestemde lofzang van de tekstverzorger, die nu zijn beginletters omkeert tot A.I.T.M., daar hij waarschijnlijk Adrianus Jz. Tymens heette, volgt dan als eerste en wellicht ook oudste werkstuk van Hobbo Christianuszoon Schotanus van Sterringa de vertaling van de Brief van Helena aan Paris uit de Heroïdes van Ovidius. In het origineel is dit werkstuk van tweehonderdachtenzestig dichtregels bedoeld als antwoord op een vleiende werfbrief van Paris. Waarom alleen de tweede en kortste helft van deze ver- | |
[pagina 229]
| |
zonnen liefdescorrespondentie door Schotanus opgenomen werd, laat zich moeilijk raden. Het stuk van Paris is honderd-en tien verzen langer. Samen vormen de brieven van Paris en Helena het uitvoerigste onderdeel van Ovidius' boek. De omvang zal de keuze van de vertaler zomin bepaald als belemmerd hebben. Het was hem te doen om de inhoud. De minnaar legt niet zonder zelfgevoel zijn hartstocht bloot. Hij is koningszoon, schatrijk, overgekomen naar Laconië om de mooiste vrouw van de wereld te lokken en te verkrijgen, zoals hem door Venus beloofd werd. Zelf is hij schoon van gestalte, dapper in oorlog, een graag ontvangen gast van haar echtgenoot Menelaos, die nu opeens is afgereisd naar Kreta en hem dus de kans liet om de toezegging van de liefdesgodin te verwerkelijken. Helena zal terugschrikken van zijn aanbod, maar ze moet er het allerbeste van hopen. De hemel vraagt om haar echtbreuk. En is zij niet de dochter van Leda met de zwaan? Hoe vleiend het mag klinken, dit stuk is niet het meest aantrekkelijke van de twee. Listig en zelfgenoegzaam, snoeverig en onderdanig, heerszuchtig en hulpeloos, zoals een man te werk gaat, die zijn zin wil krijgen tegen recht en rede, maar die eraan gewend is, door ieder te worden ontzien, sijffelt hij zijn verzoeking naar haar toe. Het antwoord van de getrouwde vrouw op het oneerbare voorstel is in een menskundige gemoedsontleding weergegeven met alle schakering die mogelijk is tussen spontane weerzin en langzaam ontwakende lust. Ze wijst in de beginregels het aanbod krachtig af, maar onderwijl zit ze te schrijven aan de schelm die ze misprijst. Hij zal haar onnozel vinden om de eenvoud van haar weigering. Dus gaat ze stuk voor stuk de mooie woorden van de verleider te lijf. Is hij van koninklijke stam, haar bloed komt van nog hogere oorsprong. Dat Theseus naar haar omkeek, weet ze goed genoeg, maar hij wist haar eer niet te schenden. Met het geval van Leda laat ze zich niet vergelijken, want Paris is geen Jupiter en ook geen zwaan. Geschenken brengen haar niet van haar stuk; ze waardeert slechts de gunst van de schenker. Hier ligt het keerpunt. Paris moet vooral niet menen dat haar | |
[pagina 230]
| |
zijn stiekum afgelegde liefdesbewijzen ontgaan zijn! Zo simpel is ze niet! Ze heeft hem in de gaten. Hoe gij op 't taafelbord met wijn geschreven hadt
Beneeden mijne naam: ‘IK MIN’, heb ik gevat!
Ja, hij is mooi! Was ze nog vrij: hij zou haar aanstaan! Maar Venus heeft niet over Helena's hart te beschikken! En Paris moet zich niet te veel verbeelden: Waartoe het strant geploegd of waartoe my gevleit?
Terwijl ze nog hierover nadenkt met de schrijfpen in de hand, begint ze de vleier tegemoet te komen. Zij is met hem alleen in het huis. Haar man moest weg; nu ja: moeten! Weet zij veel: hij ging. Komt er schandaal van - liever niet! - dan zal dit niet uitsluitend aan haar liggen. Wordt ze Menelaos ontrouw, staan haar hierover dan straks geen verwijten te wachten, zelfs van Paris? En denkt hij, dat haar man zulk een smaad zou verdragen? Of meent gy dat mijn man, Tyndaar en voort ook beyde
Mijn broeders zulk een hoon niet zou ten wraak geleyden!
Wat dat gij snorkt en stoft op Uw manhaftigheit:
Uw minnelijk gelaat uw woorden weederleit.
Gy kunt op 't veld geen roem, maar wel op 't bed gewinnen;
Laat sterken vegten, maar laat Paris altijdt minnen.
Laat Hector, dien gij prijst, voor u ten oorlog gaan:
De minnepligt die moet van Paris zijn gedaan!
Of zij er eerst nog niet eens met hem over praten wil? Ze weet wel wat hij met ‘praten’ bedoelt! Haar brief zegt voor goede verstaanders genoeg. De kameniers zullen de rest verzorgen... Vondel kende geen latijn genoeg, toen hij in 1642 de Heldinnebrieven in klad en in proza vertaalde. Hij bracht niet elke wending tot haar recht, doch ruim twintig jaar later, toen hij voor het vierde bedrijf van Adam in Ballingschap de verleidingsscène ontwierp, kon hij teruggrijpen op de verzwakking van de weerstand bij een vrouw, die door een deugniet wordt gevleid. Schotanus heeft het oratorisch voordrachtnummer zo goed als feilloos begrepen. Zijn taal is meestal te zwak om de weergege- | |
[pagina 231]
| |
ven gevoelens naar hun volle kracht over te dragen op lezers. Hij stuntelt in de zinsbouw. Misschien nam hij de overgebleven hindernissen bij mondelinge declamatie door gebarenspel. Zoiets moet hem ook een schalkse voldoening hebben geleverd bij het bekendmaken van zijn vertaling van Amores III, 7 onder de titel Ovidius' klachten dat hij van zijn vriendinne ontfangen zijnde zich met haar niet heeft connen vermengen. Christofer Marlowe schijnt de eerste dichter geweest te zijn, die zonder schroomvalligheid dit soort grappen ontleende aan de oudste, - geenszins voor allegorisering vatbare verzen van Ovidius. De satiricus Regnier hield het bij een ‘imitation d'Ovide’. Schotanus voegt niets toe en slaat niets over. Zijn tekst is boertig en boers tegelijk. Hier mogen wij ons niet aan ergeren van P. Brandt, die in 1911 aan zijn uitgave van de Amores met rijk commentaar, een inleiding meegaf, briesend van woede tegen puriteinen en fatsoenhandhavers van allerlei orde. Grant Showerman, wiens editie in 1914 in The Loeb classical library voor het eerst te Londen verscheen - de achtste druk is van 1963 - heeft zich hier niets van aangetrokken. Hij liet het zevende gedicht van het derde boek onvertaald. Op zijn best leert Hobbe Schotanus van Sterringen zich als Ovidiusvertaler kennen door zijn letterlijke, maar dan ook wat prenterige overzetting van Amores II, 4: ‘Dat hy alle vrouwen bemint, hetzy van wat gestalte zij zijn’. Zonder de latijnse tekst ernaast is de vertaling weinig te genieten, misschien zelfs amper te begrijpen. Schotanus richtte zich tot lezers die een uitgave van de Amores bij de hand konden hebben. Voor hen verrichtte hij knap werk. Hij hield zich precies aan de verdeling in achtenveertig versregels, waarvan vers aan vers met de tekst van Ovidius klopt. In rijmende alexandrijnen ving hij de disticha op als helften van aaneengesloten coupletten. De snel getekende meisjes en vrouwen uit Rome's lichtzinnigste kringen verplaatste hij naar het noorden, waar ze minder vlinderachtig dwarrelen, doch hun hoedanigheden iets zwaarmoedig beklemtoond krijgen. | |
[pagina 232]
| |
Zoals een schets van vrouwen in beweging bij Toulouze-Lautrec soms aan Ovidius kan doen denken, zo heeft Schotanus iets gemeen met C.J. Maks. De terughoudende, de wulpse, de stuurse, de intellectuele, de landelijke, de dweepzieke, de kritische vriendin kan in het koffiehuis zijn waargenomen, maar voor de zangeres, de violiste en de ballerina moeten wij de tingeltangel binnen. Is Priapus genoemd, dan wordt het dieper in de nacht! Met de reuzin, het dwergvrouwtje, de schaars geklede, de geelhuidige, de donkerharige en de morgenroodblonde gezelschapsdame maken we kennis, als ‘de gantsche stadt’ voor kenners geen geheimen meer verborgen houdt. Hier en daar vertaalt Schotanus de latijnse woorden met een knipoog van verstandhouding. De ‘mendosi mores’ uit de eerste regel behoefden in onze taal geen ‘vuile zeden’ te worden. Zoiets als ‘onfatsoenlijke manieren’ zou een verdraaglijk eufemisme geweest zijn. Maar Hobbo Schotanus daagt baldadig alle praatjesmakers uit! Op weg naar een academische graad wil hij geen burgermannetje schijnen, al komt hij uit een deftige familie. De vuile zeden zijn privébezit. Hier volgt, in kleinigheden van metriek en interpunctie, witscheiding, letterkast en proclisie aangepast aan een moderne manier om gedichten te drukken, het vierde gezang uit het tweede boek van Ovidius' liefdesbetuigingen: Myn vuile zeeden derf ik niet rechtvaardich schatten,Ga naar voetnoot1
Nogh voor mijn kwaade daan een valsche rusting vatten.Ga naar voetnoot2
'kBeken, - soo 't nut doet dat men bygt sijn schelmery -,Ga naar voetnoot3
Dat ik onsinnigh nu mijn eygen schuit bely.Ga naar voetnoot4
5[regelnummer]
Ik haatet: en nogtans verblijf ik dat ik haate.Ga naar voetnoot5
'tValt swaar te dragen dat men geerne na souw laaten.Ga naar voetnoot6
Tot stiering van mijn selfs ken ik mijn maght te kleen,Ga naar voetnoot7
'kWord als een schip verrukt door d'ongestuime zeen.Ga naar voetnoot8
| |
[pagina 233]
| |
Geen een gedaante nood tot liefde mijne zinnen,Ga naar voetnoot9
10[regelnummer]
De saak is hondertvout, waar om ik altoos minne.Ga naar voetnoot10
Beschouwt my ymandt met een seedighlijk gelaatGa naar voetnoot11
Ik brand: de eerbaarheit my daedelijk verraadt.Ga naar voetnoot12
Is ymant wulps, niet boers, 'k laat my daar door vervoeren,Ga naar voetnoot13
Sy geeft de hoop om wel op 't bed haar lijf te roeren.
15[regelnummer]
Is ymant wreet en schijnt soo stuurs als een Sabijn;Ga naar voetnoot15
Ik denk sy 's willigh, maar sy toont een valsche schijn.Ga naar voetnoot16
Is sy geleerdt: sy 's waard om haar besonderhedenGa naar voetnoot17
En is sy bot: sy 's hef om haare simp'le zeeden.Ga naar voetnoot18
Soo ymandt in mijn dight meer geest als and'rens vindt:Ga naar voetnoot19
20[regelnummer]
Sy die my mint, die wort terstont van my bemint.Ga naar voetnoot20
Tragt ymand mijn gedicht en ook mijn selfs te laaken.Ga naar voetnoot21
'kBegeer terstond tot wraak des schimpster dy te naken,Ga naar voetnoot22
En treet ze zoet, 'k wordt flus door haare tree geraaktGa naar voetnoot23
Een wreed' sal milder sijn als haar een man genaakt.Ga naar voetnoot24
25[regelnummer]
Dees wijl z' haar stem seer soet weet op en neer te buigen,Ga naar voetnoot25
'kWensch van de schelle mont veel kusjes af te suigen.Ga naar voetnoot26
Dees slaat de droeve snaar seer aardiglijk en soet,Ga naar voetnoot27
Wie of soo wijse hand niet flux beminnen moet?Ga naar voetnoot28
| |
[pagina 234]
| |
Die min ik wijl ze weet op veelerley manieren,Ga naar voetnoot29
30[regelnummer]
Te stellen haar gestalt en naa de konst te swieren.Ga naar voetnoot30
Op dat ik swijg van my dien alle voorwerp raakt:Ga naar voetnoot31
Stel Hippolyt: die sal daar Priâp sijn gemaakt.Ga naar voetnoot32
Diens reusigheit schijnt na een oud' heldin te trekken;Ga naar voetnoot33
En kan wanneer ze leit het gantsche bed bedekken.Ga naar voetnoot34
35[regelnummer]
Die 's rap door klenigheit. Ik wordt door beyde ontrust.Ga naar voetnoot35
Het sy oft groot off klein: bey prikk'len ze mijn lust.
Die 's niet gedost: ik denk hoe schoon ze dan sou treden,Ga naar voetnoot37
Is sy gepronkt: sy toont genoeg haar waardigheden.Ga naar voetnoot38
Sy zy dan blank of geel: ik raak door beyde in pijnGa naar voetnoot39
40[regelnummer]
Ook in een geele kleur kan Venus cierlijk zijn.
'tZy langs de witte hals de bruine hairen speelenGa naar voetnoot41
- Het hair van Leda selfs was bruintjes uit den geelen -,Ga naar voetnoot42
Off zijn ze gout gekleurt als t'gulde morgenroodt,
Van allerley geval wort mijne min genood.Ga naar voetnoot44
45[regelnummer]
'kWord door een jonge ontfonkt, 'k bemin ook ouder leedenGa naar voetnoot45
Die 's beter van gedaant, die min ik om de seeden.
Uit alle meisjes daar sigh kiest een yder een,Ga naar voetnoot47
Is door de gantsche stadt mijn liefde haar gemeen.Ga naar voetnoot48
| |
[pagina 235]
| |
5.De bladwijzer (blz. 181-184) bij de Mengel-Dichten, bestaande in lof-verzen, blij- en treur-gezangen, minneklachten, vertaelingen en gedichten van verscheidene stoffe, somt de inhoud niet op in volgorde van plaats, maar groepeert de bestanddelen volgens hun genre: eerst de vertalingen, dan de epigrammen, daarna pas de lofdichten, bruiloftdichten, lijk- en grafdichten. Dit laatstgenoemde deel, dus het gelegenheidswerk, ontstond in meerderheid tussen 1673 en 1683, toen Hobbe Schotanus was afgestudeerd. Het belang ervan is groter voor de friese genealogie dan voor de nederlandse letterkunde. De puntdichten zijn dikwijls plat of zouteloos, of beide. De Roomsche wijkt voor Frieslants Martiael
En dat so in gedagten als in taal,
Wanneer hy praalt en blinkt met eigen vonden
Of haare taal uitpluist uit haare gronden.
Deze verzekering van de juris studiosus in het voorwerk houdt wel in, dat de kniedichten soms origineel zijn, soms uit ‘haar’ (dit is Rome's) taal overgezet. In zulk geval blijft de bron onvermeld en loont de poëzie het speurwerk niet. Wel moet het verbazen dat op blz. 146 en 147 de eerste elegie van Catullus: Vivamus, mea Lesbia, zonder opgave van vindplaats meegenomen werd als puntdicht: Lesbia, laat ons vrolijk leven,
Laat ons minnen, Lesbia,
Niet een nagel schrapzel geven
Om 't gerugt, noch vragen na
't Bits geklap van grijze gekken (enz.Ga naar voetnoot1).
Het ‘nagelschrapsel’ geeft de ‘as’ van Catullus even oorspronkelijk weer als de kabbelrijmen diens onbedwingbare passie, maar de behandeling van het motief waarschuwt de lezer dat Schotanus met een duurbevracht geheugen door onze vaderlandse wateren zijn weg zocht. Vaak geeft zijn voorbeeld | |
[pagina 236]
| |
hem de gewenste gezindheid in, zoals op 18 januari 1678, toen Hendrik Casimir van Nassau curator te Franeker werd en Schotanus een latijnse jubelzang van Henricus Neuhusius vertaalde. Hij was toen al afgestudeerd. Zijn meest kenmerkende produktie is van vóór die tijd. In 1672 schokte hem het gruwelijke doodsbericht van Jan en Cornelis de Witt. Hij mocht de stadhouder van Friesland op diens tijd eerbiedigen, de moord op de raadspensionaris betekende voor hem het einde van de vaderlandse vrijheid: De Witten na haar dood nogh av'regts opgehangen!
Wat na-spel wordt hier door dit voor-spel aangevangen?
Dit wikt voor ons gewis dat na der Witten val
Het boovenst van den Staat ten gronde keeren zal.
Een gerucht liep, dat over de wipgalg, waaraan de lijken werden vastgeknoopt en waarop in de aangehaalde regels het werkwoord ‘wikken’ zinspeelt, ooievaars hun vlucht hadden genomen. Ze wilden niet verblijven in een voortaan despotisch geregeerd gebied: Men heeft weleer geloofd dat nimmer oijevaren
In vorstendommen waren,
Maar haar verblijf alleen was in een vrije staat.
Is 't soo: wat naakt ons kwaad!
Daar men de Witten moordt en hangt de schonden lijken
Gaan d'oijevaren strijken.
Eenzelfde democratische voorkeur joeg Schotanus in het harnas tegen de paus van Rome. Waarschijnlijk in 1670 bij de keuze van de tachtigjarige Clemens X, schreef hij zijn puntdicht Op Rootnen: Het is niet vreemd, dat nogh een Herder heerscht in Roomen,
Daar Roomens oorspronk van een herder is gekomen.
Daar haare bouw-heer is van een wolvin gevoedt
Is 't ook niet vreemd, dat sy nogh wolven in haar hoedt.
Maar hoe 't een wreede wolf de schaaps-kud zal behoeden
Kan mijn verwondering bevatten noch bevroeden.
| |
[pagina 237]
| |
Franekers hogeschool was ondergebracht in een voormalig Kruisherenklooster. Dit stond op de plaats, waar in de friese oudheid een godin Baduhenna werd aanbeden. Uit zijn eigen latijn of dat van een ongenoemde vertaalt Schotanus: .... Daar Thaïs, Babels hoer, onlangs haar kruicebroeren
Stelde en in 't waangeloof de vaad'ren het vervoeren,
Daar heeft de Waerheit nu haar zetel vast gezet
De Wijsheit houwt haar hoofd ten hemel onbesmet....
Profiteerde hij van deze christelijke wijsheid? In zijn studentenjaren leek Ovidius zijn bijbel en Catullus zijn gezangenboek. Laat het hem nog eens getuigen in een snaaks epigram, waaraan het onderwerp werd ingegeven door het derde boek van Ovidius' Metamorphosen: Gij, Acteon, zaagt Diaan
Aan het waterbeekjen staan
Met haar schoone lijf ontbloodt
En wierdt, in een hert verkeerd,
Van uw honden zelfs verteerd,
Maar gij stierft maar eene dood.
Droever lot moet ik be-erven:
'k Sie mijn schoone maar gekleed,
En nogh doet ze my seer wreed
Daaglijx duisend dooden sterven.
Zulk een luchthartige toon hield bij het ouderworden niemand van zijn generatie vol. Ook Schotanus bond in. Het keerpunt lag om 1673, toen hij zijn meestertitel haalde. Omstreeks die tijd vertaalde hij van Caspar Barheus de Reedenen van Judith, weederkeerende uit het leeger der Assiriërs met het hoofd van HolofernesGa naar voetnoot1. Na de bijbelspelen van ‘De Roode Roose’ te Hasselt, van Robert Lawet en van Peter Heyns zoekt deze declamatie haar plaats in de overgang naar moderne drama's als die van Hebbel en van Giraudoux. De verzonnen toespraak van Judith | |
[pagina 238]
| |
is nog enigszins met de schriftuurlijke grondtekst verwant, en toch al eigenzinnig als de romantiek. Schotanus' uitbreiding van Prediker, hoofdstuk III, klinkt welgemeend, maar is wijdlopig. Zijn gelegenheidspoëzie onderscheidt hem weinig van zijn zwakke tijdgenoten. Ze kan het sterfhuis van zijn jeugd worden genoemd. De Mengeldichten van H.S.v.S. haalden, beweert een aantekening in het exemplaar van de stedelijke bibliotheek te Leeuwarden, nog in 1721 een herdruk te Amsterdam. Dit bericht is niet helemaal juist. Onverkochte drukvellen uit 1683 werden achter een nieuwe titelpagina in 1721 in de handel gebracht. |
|