Nijmeegse colleges
(1967)–Anton van Duinkerken–
[pagina 239]
| |
‘De Zuster van de Zon’1Fontenelle, die weinig naam draagt als dichter, begint zijn Entretiens sur la pluralité des mondes van 1686 met een gesprek in de maneschijn. ‘Vindt gij niet’ - vraagt hij aan de markiezin, die naast hem wandelt, - ‘dat de dag minder schoon is dan een schone nacht?’ Zij antwoordt, dat de schoonheid van de dag stralend kan zijn als de schoonheid van een blonde vrouw, maar dat die van de nacht is als de schoonheid van een donkere vrouw, veel pakkender! - ‘Schoonheid, die ons niet aangrijpt, is niets’, vervolgt zij. - ‘Geef toe, dat gij bij dag nooit tot zo zoete dromerij vervoerd zijt geraakt als waarin ik u zojuist verzinken zag bij de beschouwing van deze prachtige nacht. - De nacht begunstigt de mijmering en een zekere ordeloosheid van het denken, waaraan men zich niet zonder genoegen overgeeft’. Werd zulk een onomschreven, maar niet onaangename ordeloosheid van het denken wellicht de oorzaak, waarom Bossuet zijn Traité de la concupiscence plotseling afbrak, nadat hij, vroeg uit bed gekomen om het twee-en-dertigste hoofdstuk te schrijven, de nachtelijke maansikkel over zijn tuin had zien schijnen met ‘een zo schoon en zo levendig zilver, dat de ogen erdoor betoverd werden’? De tekst, eerst in 1731 uitgegeven, had hij zorgvuldig verborgen gehouden. Stak er voor hem in de zoete gevoeligheid voor maneglans een bedreiging? Hij schuwde zeker de onomschrijfbare ordeloosheid van het denken, waaraan men zich niet overgeeft zonder genoegen. De dag, zegt de markiezin in de samenspraak van Fontenelle, inspireert met tot een ik weet niet wat voor droevigs en harts- | |
[pagina 240]
| |
tochtelijks. Haar ‘je ne sais quoi’, waarin wij met lichte spotlust het ‘ick en weet niet wat’ van Jacob Cats beluisteren, was bezig, een veelomvattend modewoord te worden. Onderging Bossuet bij het kijken naar de verblekende maan zulk een ‘ie ne sais quoi de triste et de passionné’? De jesuiet Dominique Bouhours gebruikt in het vijfde van zijn Entretiens d'Ariste et d'Eugène van 1671 de uitdrukking ‘je ne sais quoi’ om er de ‘fijne en ongrijpbare bevalligheden van het echte kunstwerk’ mee aan te duiden. Precies honderd jaar later schreef Betje Wolffin haar Lierzang aan Philantrope, dat in Frankrijk 't Je ne sais quoi, in air en oogen,
Meer dan de schoonheid zelf vermag.
Tussen haar en de jesuiet staat niet alleen de markiezin uit het gesprek met Fontenelle, maar ook een uitgewerkte allegorie, die Marivaux in 1734 bijdroeg aan zijn mislukt tijdschrift Le Cabinet du Philosophe en waarin hij de schoonheid vergeleek met het je ne sais quoi. Dit laatste omschreef hij als ‘een onbepaalbaar mooi-zijn zonder vaste vorm of grens’. Als voorbeeld noemde hij de grilligheid van een onregelmatige tuin, de sprekende uitdrukking van een gelaat. Men ziet het zonder het te kennen en voelt het zonder het te onderscheiden. Het je ne sais quoi is: het pakkende tegenover het stralende, het aangrijpende tegenover het overzichtelijke, het nachtgeheim tegenover de daghelderheid. Door het aan te wijzen in de maneglans herhaalde de markiezin, wat Fontenelle reeds eerder onder woorden had gebracht in zijn gedicht Sur un clair de tune: Le soleil dans les mers vient alors de descendre,
Sa soeur jette un éclat moins vif et moins perçant,
Elle répand dans l'air je ne sais quoi de tendre
Et dont mon âme se ressent.
Hier wordt het je ne sais quoi nadrukkelijk toegeschreven aan de zuster van de zon, maar het zou zijn zonderlinge naam niet mogen dragen, indien wij helder wisten wat het was. Iets teders | |
[pagina 241]
| |
is het en iets, waaruit de ziel zichzelf ervaart, maar het gedicht van vóór 1686 vervolgt onmiddellijk: ‘Peut-être ce discours n'est guère intelligible’. We lopen kans, dat niemand ons begrijpt, zodra we de dingen gaan bespreken, waaruit onze ziel zichzelf ervaart. Maar ‘schoonheid, die ons niet aangrijpt, is niets. - De nacht begunstigt de mijmering’, zegt de ontroerde markiezin. O heerlijk loon voor zoete mijmeringen!
Lof, Erato, lof, lof, ik kon
Door u Godin, wat doet u 'tsagen? zingen
En voorts De zuster van de zon.
André Monglond beschouwt de nachtbeschrijving van Fontenelle uit 1686 als ‘le premier clair de lune préromantique’. Daarna, zegt hij, duurt het drie kwart van een eeuw, voordat zich de tweede praeromantische maneglans vertoont. Dit geschiedt, als l'abbé Prévost in zijn Cleveland de maan laat schijnen op het eiland Sint Helena. Dan volgen Rousseau, Bernardin de Saint Pierre, Madame Roland, Joseph de Maistre, Chênedollé, Chateaubriand elkander met veel korter tussentijden op. Bij ons was De zuster van de zon in 1716 blijkbaar bekend, want Poot zou Erato niet in dat jaar zijn dank hebben betuigd voor de verkregen volksgunst als dichter, wanneer de tekst, die hij met name noemt, niet aan het ontstaan van die gunst iets noemenswaardigs bijgedragen had. Zijn minnedicht over Diana en Endymion is ingeslagen bij de tijdgenoten. Het bleef tot de meesterstukken uit zijn eerste bundel gerekend. De beginregel behoeft bij niemand verbazing te wekken. Zelfs wie nooit gehoord zou hebben over de verwantschap van Diana met Apollo, begreep onmiddellijk dat de maan werd bedoeld. Bovendien trad Poot door haar op deze wijze aan te duiden een traditie binnen, die zich in de letterkunde van de 17de eeuw reeds had gevestigd. Op de bruiloft van Frederick van Inthiema dichtte Jan Jansz. Starter een heel lang stuk, dat begint met de regels: | |
[pagina 242]
| |
Onlanx gheleden. doen ick 's Hemels blaeuwe boghen,
Sagh cierlijck over al bepronckt met gulden ooghen,
En dat de silv're Maen, de suster vande Son
Haer dagh-gelijcke glans te geven eerst begon,
Heeft my het lieflijck weer al lockende ghebeden,
Om lanx de straten mijn een weynigh te vertreden.
Ook het thema was niet nieuw. In 1712 verscheen bij Wilhelmus van Kessel te Haarlem, bezorgd door Pieter Vlaming, de Poëzy van de jonggestorven Lukas Schermer. Hierin komt een stroomgedicht voor op Het Sparen. Dit werd door Schermer vertaald uit het latijn van mr. Jan de Witt, secretaris van de stad Amsterdam. Het vangt aan op het heetst van een mooie zomerdag met een middagdut op de bemoste grond van de Haarlemmerhout, waarna de dichter in een schuitje stapt en over het Spaarne in de richting van Heemstede langs weilanden en loofhout naar het Haarlemmermeer vaart. Bij het bekijken van de oevers komen allerlei klassieke reminiscenties in hem op, die bij een stroomzang passen. De koeien op de wei doen hem aan Io denken; het riet langs de waterboord aan de liefde van Pan jegens Sirinx. Spelende zonneglanzen op het water herinneren hem aan Apollo's achtervolging van Dafne; weerspiegeling van bloemen aan Iris; baadsters aan Diana, bespied door Akteon. De hele zomermiddag is doorzinderd van mythologie, tot wij langs een waterbocht Haarlem naderen, waar de stadsjeugd dartelt in de kabbelende stroom. Wij krijgen nu wat vaderlandse geschiedenis en aardrijkskunde te vernemen, maar drijvende zwanen brengen onze aandacht weer bij Leda. De zoon van Neptunus en die van Hyrië worden uit de Metamorphosen te voorschijn gehaald. Dan volgt er, nogal uitvoerig, een originele liefdesgeschiedenis tussen Bacchus en Tulipa, waarbij deze nimf tijdens de sluimering van haar geliefde wijngod wordt belaagd door een bende van satirs. Bacchus komt te laat om haar te bevrijden, maar ziet nog net op tijd, hoe zij verandert in een bloem, wier voorkomen ons aanspoort om hem dagelijks met zeven volle kelken te bedenken! De natuurlijkheid van het stroomtafereel verbleekt als op een | |
[pagina 243]
| |
wandtapijtengroep achter die overdaad van geheugenbezit, zodat de zomerdag zijn warmte voelbaar inboet. Opzet of toeval: de dichter gaf ons de gewaarwording, dat wij zachtjes naar de avond voeren, nu hijzelf, verbaasd hierover, uitroept: Hoe? d'avont nadert vast, ik zie de zilv're glanssen
Der maan reets flikkeren, in 't leevend kristalyn.
O zuster van de Zon, wat haast g'u aan de transsen,
Om in dees heldren stroom te spiegelen uw schijn?
Wat haast g'u, o Godin, blyf noch een weinig rusten
Op Latmus, daar gy zo veel wellust zyt gewent;
Zo zal ik onderwyl my zelf weer gaan verlusten
In 't hobb'lend sloepje, en gints aanschouwen, hoe, omtrent
Den waterkant, de wint de scherpgetande zaagen
Door d'eike balken dryft, en hoe, met groote kracht,
De sluizen tuchtigen de felle waterslagen.
Negentien verzen verder is de zang voleindigd. Hij miste de bekoorlijkheid van het ritme, die het gedicht van Poot onvergetelijk maakt. Toch zijn hier in de kern dezelfde elementen samengebracht, vlak na het satirsrot, dat Tulipa bedreigde. Alsof een camera, die waterspiegelingen opnam, zich daarna richten zou op de weerspiegelde beelden en ze scherp zou laten zien in hun werkelijkheid: zo is het voor wie Poot na Schermer leest. | |
2In 1776 beantwoordde Cornelis van Engelen, die toen over de vijftig was, de vragen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden: ‘Welke zijn de algemeene oogmerken, die een dichter moet bedoelen? Welke zijn derhalven de eigenaartige onderwerpen voor de dichtkonst? En welke zijn derzelver algemeene regelen’? Zijn stuk is afgedrukt in het vierde deel der Werken van de Maatschappij, uitgegeven te Leiden bij P. van der Eyck en D. Vijgh in 1779. Als vierde algemene regel, die een dichter in acht moet nemen, | |
[pagina 244]
| |
stelt C. van Engelen vast, ‘dat alle versieringen den toets van het gezond verstand kunnen uitstaan’. In deze passage veroordeelt hij de zotte ‘stoet van góden en godinnen’, die hem hindert bij allerhande dichters, ook nu en dan bij Vondel. Poot, meent hij, maakt vaak een goed gebruik van de mythologie, maar hij doet dit niet in De Maen bij Endymion. Hierover plaatst hij op blz. 164-165 een opmerking: Onze zelfde Poot laat de Maan met haar eeuwig bleek gelaat bij Endymion kooyen: zo zy dit doet als Maan, is het Lazarus klep, en zo de Dame op haar kar rijdt en afstapt, gelyk hy te kennen geeft, dan zie ik geene reden, waarom zulk eene amoreuse meid zo eeuwig bleek van gelaat behoeft te zijn; of zou men hier den ouden grondregel van den Romeinschen Professor in de konst van vrijen willen te baat nemen, ‘dat ijder minnaar bleek moet zijn’? - Palleat omnis amans, hic est color aptus amanti. - Maar die grondregel betreft de vryery, niet het byslapen! - Men moet my deze aanmerking tegen dit fraaie stukje van onzen tederen digter ten goede houden; ik erken, ik voel, het naïf, dat'er in het zelve, gelyk in zo veele andere zijner Poëziën, is; maar het geheel is onverduwelijk voor eene geregelde verbeelding’. De professor is Ovidius. Wat Cornelis van Engelen betreft: hij promoveerde 3 maart 1745 te Utrecht, waar hij ook geboren was, tot doctor in de wijsbegeerte op een Dissertatio philosophophysica de natura et causa caloris. Hij leverde beschouwingen aan De Philanthrope (1756-1763), De Denker (1763-1766) en De Philosooph (1766). Na leraar bij de doopsgezinden te zijn geweest in Harlingen (1748-1758) en in Huizen (1764-1769) vestigde hij zich wegens de zwakte van zijn gezondheid als ambteloos burger te Leiden. Hier vertaalde hij in 1771 een prijsverhandeling van J.D. Michaëlis over de wederkerige invloed van de aangenomen begrippen onder een volk op de nationale taal en van de taal op de wijze van denken. Zijn antwoord op de prijsvraag van de Leidse Maatschappij werd met goud bekroond. Er komt een bescheiden plaats aan toe in het voorspel van de literair-esthetische omwenteling, die zich omstreeks 1780 in Nederland voltrok. Hier en daar stellen zijn opvattingen over poëzie de denkbeelden van de vernieuwers in het vooruitzicht. Hij stierf in 1793. Met zijn weerzin tegen het gedicht van Poot bleef hij een uit- | |
[pagina 245]
| |
zondering. Toch vertegenwoordigt hij in die hoedanigheid misschien het tekort aan gevoel voor romantische aandoeningen, dat de verlichtingstijd kenmerkte. Na het verschijnen van Hieronymus van Alphen's Theorie der Schoone Kunsten brachten M. Nieuwenhuizen en B. Bosch een bloemlezing bijeen van Nederlandse gedichten, die zij indeelden overeenkomstig de genres, gelijk Van Alphen die had onderscheiden. Er is van dit werk slechts één deel verschenen. Het wordt ingeleid met een vertoog over de bevallige en naïeve dichtkunst. Hierin brengen zij de ‘zagte en lieve stukjes’ van Poot tot hun recht naast de ‘stoute stukken van Ossian’. Van toen af steeg de populariteit van Poots gedicht. Rhijnvis Feith prijst er de natuurlijkheid in, want niet de kundigheden zijn dichterlijk; Potgieter toont zich opgetogen over de ‘weergâloos meesterlijke beschrijving van de stilte op Latmos’; Te Winkel bewondert het samenspel van een griekse verbeelding met de middeleeuwse balladevorm; Jan Walch huldigt de winst aan echtheid, verworven door scholing; Dirk Coster is getroffen door de onbewuste bewegingszekerheid als die van een slaapwandelaar; Knuvelder ziet een gekunsteld Arcadië teruggebracht naar het natuurlijke. Geen generatie kwam, of haar beste vertegenwoordigers dweepten op de wijze van hun eigen tijd met dit klassiek gedicht. Reeds Betje Wolff veronderstelde het bij haar schanderste lezers bekend, want zij citeert het met een gemakkelijk achterhaalbare zinspeling in De Menuet en de Domineespruik uit 1772, waar zij aangaande Clorimeen bericht: Ik weet niet, hoeveel vrijers zij
Genoodzaakt was, den zak te geven
(Dit is mij juist niet net geschreven)
Althans 't getal was groot. De vreyery is vry.
Meer nog! In een ander gedicht uit dezelfde tijd, waarin zij ter Waarschouwing aan de Vriendschap, wegens de schilderij van Chloë, de kleine Cupido laat snoeven op de overwinningen, die Seneca in de eerste koorzang van zijn Phaedra toeschrijft aan de liefde, | |
[pagina 246]
| |
brengt zij ons met het raadsel van Poot's gemoedsuitstorting op de hoogte. Immers Endymion bleef ongevoelig voor de hartstocht van Selene: Spot, o zuster van de zon,
Met mij, uw Endymion,
Weet, hoe vaak ik u deed zwichten!
Schoon gij nu mijn boog veracht,
'k Deed u d'onweerstaanbre kragt
Voelen van dees' teedre schichten.
Cicero had er in zijn Tusculaanse Gedachtenwisselingen (I, 92) al op gewezen, dat Endymion bleef slapen tijdens het liefdebetoon van Diana. Hij had daar bovendien de ongriekse mening verkondigd, dat zij hem zelf in die diepe slaap had gedompeld om hem ongestoorder te kunnen omhelzen. Hier sloot Ovidius zich bij aan in zijn liefdeslied (I, 13) bij de dageraad: ‘Let eens op, hoe lange slaap de maan, die voor uw schoonheid niet behoeft te wijken, aan haar bemindeEndymion gunde’. Dezelfde voorstelling komt bij hem verzwakt terug, als Leander in de zeventiende heldinnebrief zich op zijn zwemtocht over de Hellespont in gebed tot de maan richt en haar verantwoordelijk schijnt te stellen voor de slaap van Endymion, zodat Westerbaen met iets meer klemtoon op die verantwoordelijkheid de verzen aldus vertaalt: Och, seyd' ick blancke Maen, wilt mij goed-gunstigh wesen!
Gedenckt aen het gheberght van Latmos, daer voor desen
Gij bergd' Endymion, die u niet toe en laet
Dat gij de snoeperij van twee gelieven haet.
Stelliger is de aanwijzing van de maan als bewerkster van Endymions diepe slaap in de een-en-twintigste heroïde, waar Sappho (over wie een scholion bij Apollonius van Rhodus bericht dat ze werkelijk een gedicht zou hebben geschreven over de Endymion-mythe), - zich gefingeerd tot Phaon richt met de uitroep, dat de alles bestralende zuster van de zon hem zeker in een eindeloze slaap zou wiegen, zodra ze hem zou hebben opgemerkt. | |
[pagina 247]
| |
In zijn essai (III, 5) over enkele verzen van Vergilius toont Montaigne zich over deze latijnse opvatting van het verhaal verontwaardigd, blijkbaar zonder de oorspronkelijke mythe te kennen, want vindt hij onbeantwoorde liefdesverrichtingen onder alle omstandigheden lustloos, hij acht het een zotte gril van de maan, nu ze op geen andere manier genieten kon van haar lieveling Endymion, hem in een maandenlange slaap te dompelen en zich dan te vermaken met een jongen, die zich alleen in zijn droom kon bewegen. Tussen zijn benoeming tot drost en zijn huwelijk met Christina van Erp schreef P.C. Hooft van zaterdag 30 januari tot zaterdag 6 februari 1610 op het huis te Muiden de zeven strofen van zijn gedicht Ghij, die met sulck geweldt, waarin hij de liefde van het lichaam zonder de bewilliging van het hart onvoldoende noemt voor het geluk. Overtuigend heeft dr. F. Veenstra bewezen, dat deze stof aan Hooft werd ingegeven door het genoemde essai van Montaigne, maar met het feit van Endymions ongevoeligheid wordt niet de daar veronderstelde oorzaak overgenomen: De minne' Endymions deed quijnen en verdroogen
Het sluimervallich hart van de vergulde maen.
Staech sliep hij; en zij lonckte op sijn' beloocken ooghen
En kuste', en stroockte' en prangde' om 't lusjen te versaen.
Op de eerste verjaardag van zijn huwelijk (want al staat die datum er niet onder, het gedicht dateert zichzelf) heeft Hooft in zijn Voorreden tot de Jeucht bij de Afbeeldinghen van Minne opnieuw de slaap van Endymion ter sprake gebracht, thans op de wijze van Seneca, in een lang overzicht van Venus over haar ‘slachtoffers’. Weer wordt Selene niet door hem verantwoordelijk gesteld voor de toestand, waarin zij als met spijt haar lieveling aantreft: De slaeperige Maen haar waterighe sinnen
Ontginghen daerom niet den heeten brand van minnen;
Wanneer zij 's middernachts te dalen neder plach
En custe' Endymion daer hij in slape lach.
| |
[pagina 248]
| |
Poot laat geen twijfel. Hij heeft de voorstelling van zaken, die te vinden was bij Cicero, Ovidius en Montaigne, min of meer bewust ontweken en de fabel teruggebracht naar de zienswijze van de griekse dichters. Hun visie kan hij op tal van plaatsen hebben aangetroffen, wellicht in zijn dagen het duidelijkst en het bondigst bij het commentaar van Ludolf Smids op de zeventiende heldinnebrief van Ovidius in de proza-vertaling van Abraham Valentijn. Daar heet Endymion: ‘een schoone veehoeder, van Jupiter in den hemel opgenomen; doch aldaar Juno beminnende en aansoekende, is hy weder op het aardrijk neergesmeten, en op Latmus (een berg in Kariën, niet verre van Milete) met een langdurige slaap gestraft. Naderhand is Diana of liever de Maan op hem verliefd geworden: het geen niet onaardig is versierd, omdat hij, een groot liefhebber sijnde van de sterrenkunde, de loop des Maans bysonderlijk heeft gadegeslagen’. De grote liefhebber van de sterrenkunde is weer een latijnse rationalisering van het oorspronkelijk mythologeem. Poot neemt ook dit motief niet over, al stond het bij Catullus in De Coma Berenices, waar de geleerde sterrekundige Conon heet te hebben waargenomen, hoe een zoete liefde de drievormige godin door de luchtkreitsen nederwaarts riep om haar tersluiks te boeien onder de rotsen van de Latmusberg. Poot houdt zich aan de oude overlevering, maar schijnt op zijn bekendheid met de Ovidiaanse traditie te zinspelen: Nu scheen 't eens of 't haar speet,
Dat Jupiter dus wreet,
Endymion dorst boeien
Met vaek; dan was 't weer: neen,
Laet hier vry mankop groeien,
Het slapen sterkt de leên.
| |
3In de oudste tekst, die wij over Endymion kennen, is hij de zoon van de Thessaliër Aëthlios, die zelf weer een zoon was van | |
[pagina 249]
| |
Zeus en Protogeneia. Endymions moeder heette Kalyke. Zij was de dochter van Aeolos enEnarete. Na zijn huwelijk met Chromia, de dochter van Itonos, nam Endymion de leiding bij een volksverhuizing van de Aeoliërs, die hij uit Thessalië naar Elis voerde. Hij was geboortig uit een herdersvolk en is de herder geworden van zijn eigen volksstam, patriarch en clanleider van de oudste bewoners of eerste griekse bezetters van Elis. Volgens Hesiodus werd hij door zijn grootvader Zeus naar de hemel verheven, maar toen hij daar zijn liefde voor Hera te nadrukkelijk liet blijken, met smaad in de Hades geworpen. In deze oudste vorm spreekt de mythe nog van geen duurzame slaap en van geen verliefdheid bij de zuster van de zon. Doch de voorganger van een grote trek moet ergens vereerd kunnen worden. De oudste volksverhuizing van de Aeoliërs naar de Peleponnesus wordt op ongeveer 1200 voor onze jaartelling geschat; ze vond haar begin aan de Klein-Aziatische kust. Is het hieruit te verklaren, dat in Karië, het zuidwestelijk gedeelte van Klein-Azië, op een top van het Latmosgebergte het ‘aduton’ of door niemand te betreden heiligdom van de legendarische bevolker van Elis werd aangewezen? Pausanias (V, 1, 5) vertelt, dat Endymion er door Zeus in een eeuwige slaap lag geketend, maar Strabo (XIV, 636) zegt, nuchterder, dat hij er is begraven. Er moet zich een natuurverschijnsel hebben voorgedaan, dat reizigers konden bewonderen, wanneer de manestralen weerkaatsten op het graniet tussen de donkere bossen op het gebergte: iets dat een vergelijking met het Alpengloeien kan doorstaan. Dan kuste, zei men, de maan haar sluimerende lieveling, maar die ontwaakte niet. Sappho zou het eerst - na haar zou Nikander, deze verliefdheid van de maan bezongen hebben. Hun verzen zijn ons niet overgeleverd, zodat wij moeten wachten op Theocritus om te vernemen (Id. III, 50), dat Endymion benijd werd om de minnekozerij, die hij zonder besef mocht ondervinden van de maan, ofschoon hij (maar het wordt door deze liefde een reden tot eerbetoon) toch enkel maar een herder was, (Id. XX, 37-39). | |
[pagina 250]
| |
Bemind te worden zonder het te weten, is dit beter dan liefde te geven zonder haar beantwoord te zien? Het laatste werd door Hooft als onvoldoende van de hand gewezen. Maar Jan van Broekhuizen bewerkte diens gedicht in het latijn tot een Ode ad Neream a vernaculo Hoofdii expressa. Hij bezat onder het schrijven van deze ode een minder gelukkig vooruitzicht op beantwoording van zijn gevoelens dan de pasbenoemde drost, zodat hij het probleem van de warme lippen en het koele hart een beetje anders formuleerde. Nadat hij in 1707 als man van 48 jaar gestorven was, herhaaldelijk ontgoocheld in het beste wat hij had, zijn diep-erotische aandoenlijkheid, verschenen zijn Poëmata in zestien boeken gebundeld. Ze werden in 1711 in druk bezorgd door David van Hoogstraten, die toen zowat het toppunt van zijn roem bereikt had. Hubert Korneliszoon Poot was 22 jaar en brandde van nieuwsgierigheid naar allerhande poëzie. Broekhuizen brengt een element in het verhaal, dat bij de griekse en latijnse dichters over de verliefdheid van de maan nergens wordt aangetroffen, maar dat bij Poot, van gedaante veranderd, de liefdesidylle doorbreekt. Het is de gedachte, dat de onbeantwoorde liefde van Diana toch niet onbetrapt bleef. Kreeg ze geen bevrediging door wederliefde, toch ontging haar het genot niet van een erotisch getuigenis. ‘Hoe onder de duisternissen van de hemel en onder het loverdak van de bossen Luna haar steelse lusten boette, zagen toch de sterren wel en de waakzame koren van de nacht’, verzekert Jan van Broekhuizen. En hij vervolgt: ‘De avondster zag uit de donkerblauwe nachthemel, hoe Diana, neergezeten op de rotsen van de Latmus, de slaapbevangen Endymion met een langdurige kus vasthield. Indien we toch een bewegingloos lichaam moeten beminnen en er geen gelukkigmakend vooruitzicht bestaat op wederzijdse vervoering, waarom zouden we dan niet met smoorverliefde mond kusjes drukken op de harde rotsgesteenten?’ Dit is geen vertaling meer van Hooft, zelfs geen vrije bewerking: dit is een polemiek met Hooft! In hopeloze liefde ten minste van die hopeloze liefde te getuigen, het is de laatste troost der zinneloos vervoerden: | |
[pagina 251]
| |
Und wenn der Mensch in seiner Qual verstummt,
Gab mir ein Gott, zu sagen, wie ich leide.
Bij Poot bespieden geen sterren, maar het saterdom als een waakzaam koor van de nacht, Diana's steelse minbedrijf. Zijn zuster van de zon vraagt evenwel om geen getuigen. ‘Loopt geitevoeten!... Zij heeft in u geen zin.’ Niet met Broekhuizen die bij getuigen zoekt wat het feit hem onthoudt, doch met Seneca betuigt Poot zijn instemming: ‘De koude Maen wert heet’. Dit is de weergave van ‘Arsit obscuri dea clara mundi’, door Vondel in Hippolytus aldus vertaald: De nachtgodin, door minnevieren
Oock blaeckte, en liet den duystren nacht,
En gaf haar broeder volle macht
Den silvren wagen te bestieren:
Die dreef haer duystre paerden voort,
En leerde korter ommesweyen:
De lange nacht wist van geen scheyen
De dagh rees traegh wt d'oosterpoort...
Uit Seneca is de minnebrand, uit hem de herinnering aan het zusterschap van de zon, uit hem de zilveren kar, uit hem de verkorte omloop, recht op Endymion aan, uit hem de traagheid van het afscheid, uit hem de hagelwitte rossen, die bij Vondel ‘duystre paerden’ heten, maar bij Seneca slechts tweespan zonder kleurvermelding, immers de maankar wordt door twee - de zonnewagen door vier paarden voortbewogen. Hooft leverde op zijn hoogst het ‘lusje’ als dit niet genoegzaam direct werd opgeroepen door het rijmwoord kusje. Van Broekhuizen komen de bespieders, maar ze storen. Ovidius zorgde misschien met de ‘rubor’ uit zijn Ars Amandi (III, 83) voor het roozigh inkarnaet. Hesiodus leverde, waarschijnlijk langs een lange omweg door de renaissance, de bloemen, die voor het eerst oploken in zijn Theogonie (vs. 194-195). Theocritus is de eerste geweest, die over Endymions ‘zaligheit’ sprak (III, 50). Dat een gestolen kusje niet zal schaden, kan bij Cats geborgd zijn, die het misschien van Theocritus had... | |
[pagina 252]
| |
4Wat is er bij zoveel erfgoed nog oorspronkelijke aanwinst? Allereerst, zo lijkt het, de weergaloos-meesterlijke beschrijving van de stilte op Latmos, die door Potgieter als hoogst-natuurlijk -, hij bedoelde: als echt-hollands werd gewaarmerkt tussen die overvloed van klassicistische reminiscenties. Is deze meesterlijke beschrijving echt hollands? Zoeken wij naar het middelpunt van de stilte-waarneming, dan schijnen wij ons vlak bij de dichter te bevinden in de woonkamer van de Abtswouder boerderij, terwijl de medebewoners diep slapen en er dichtbij noch verder af enig geluid wordt vernomen: Men hoorde mensch noch dier,
Geloei van koe noch stier,
Gerucht in velt noch kolken.
Het weer was zonder wint,
De hemel zonder wolken,
Diana mingezint.
Hier lijkt Latmos volslagen vergeten! Het woonhuis, destallen, daaromheen de velden en de waterlopen met de sluizen zien wij wazig afdonkeren tegen de wolkenloze maanhemel van een zuidhollandse zomernacht. Wie denkt bij een bergtop in Klein-Azië aan koe of stier, gezwegen nog van veld en kolken? Heel de oproepkracht van deze schilderachtige strofe verplaatst onze verbeelding naar de stilte van het ingepolderd laagland, waar een uitsluitend voor het oog constateerbare afwezigheid van wolken kan meegaan, als nergens anders op de wereld, in een reeks van zuiver auditieve gewaarwordingen. Geen twijfel schijnt geoorloofd aan Potgieters helder besef: uit dit koeplet is iedere schoolse gekunsteldheid ver op een afstand gehouden; hier horen wij Poot op zijn oorspronkelijkst en op zijn zuiverst! Maar toch: wie een beetje beter met Ovidius vertrouwd zou zijn geraakt dan Potgieter ooit was, wordt in de zesde regel door een paradox getroffen - ‘Diana mingesint’, - dit is een samenkoppeling van tegenstrijdige begrippen, die wij in de vijf voorafgegane regels heel zorgvuldig -, maar op zuiver | |
[pagina 253]
| |
klassicistische manier, voorbereid vinden door telkens de samenbrenging van contrasten: mensch-dier; koe-stier; veld-kolk; lucht-wind; hemel-wolken. Twee scherp waarneembare strevingen doorkruisen in de tekst elkaar haast ongemerkt. Het lokkende fantasiebeeld is totaal vervaardigd van uitdagende begrippen. Het ‘loon voor zoete mijmeringen’ is gewonnen bij een orde van het denken, die tot het opgeroepen verbeeldingsbeeld in geen geregelde betrekking te brengen zou zijn, als wij het resultaat van de verbintenis niet zagen. In zulke verfijnde kunstgrepen vierde Poot de zegepraal van zijn intelligent voorstellingsvermogen. Wat bewoog hem hiertoe? Bij Hooft kost het geen moeite, de beweegkracht tot zijn Endymion-strofe te bepalen. Hij levert haar uit. Hij wil Christina van Erp zo volledig mogelijk beminnen en door haar zo volledig mogelijk worden terugbemind. Ook Jan van Broekhuizen sprak duidelijke taal. Hij wilde bij gemis van wederliefde de gesternten tot getuigen roepen voor zijn wanhopige passie. Maar Poot, die in de behandeling van dit motief al zijn voorgangers plunderde en overtrof, wat was bij dit wonderlijk samenspel van droom en begrip zijn bedoeling? Misschien maakt zijn bewaard geheim de tekst zo suggestief. Juist het feit, dat wij geen overwogen opzet onderkennen en toch de prikkel van een sterkbewogen gevoel ondergaan, geeft aan het schijnbaar speelse gedicht de ernst mee van een onstelpbare hartstocht-ontlading. Het staat tussen zijn eigen minnedichten met nog twee andere mythologische Spielereien, zonder strekking opgenomen in een heel nauwkeurig aangebrachte groepering van driemaal vijf liefdesbetuigingen: de eerste voor Klorinde, de tweede voor Rozemont, de derde voor telkens verschillende meisjes. Het bundeltje, dat hij afzonderlijk had willen laten drukken, en dat zijn gaafste compositie gebleven is, beslaat in zijn geheel geen veertig bladzijden. Toen het als onderdeel van zijn Mengeldichten in 1716 bij Arnold Willis te Rotterdam verscheen, was hij 27 jaar. Het minst bekende van de drie mythologische gedichten | |
[pagina 254]
| |
vormt met De Maen hij Endymion een duidelijk contrast. Het heet De Verliefde Venus en vertelt, hoe de moeder van Amor de jager Adonis voor zich wist te winnen ‘althans in geenen slaap’. Ook hier zijn enige getuigen van de minnekozerij: geen saterdom, maar de nimfen, die met moedernaakte lêen om het liefdespaar dansen en Kupido, die in zijn vuist lacht, nu hij zijn moeder door zijn eigen schot zo raak getroffen ziet. Dit is de dagdroom van de mingezinde dichter, die besluit: Spitsbroeders, komt' er weer een tijt,
Dat d'aertsgodinneschaer
De knapen hier en daer
Dus met gevouwe handen vryt;
Ik wed geen eeu van gout
By my dan achting houdt.
Maar zulk een tijd komt nooit weerom! Poot verzoekt ons de liefdesbekentenissen uit zijn jonge jaren niet al te zeer naar de letter te nemen. In zijn Levensverbetering beschuldigt hij zich met kracht van lange en herhaalde dronkenschap, maar hij spreekt met geen woord over erotische tuchteloosheid. Wat Venus zich bij klaarlichte dag met Adonis veroorloofde, was hem met geen Kloris of Rosemont, geen Filis of Doris of Galaté in werkelijkheid overkomen. Hij had er enkel van gedroomd. Poot was een nachtmens, een maanbloem, geen ondernemer, maar een dromer. Als hij op 43-jarige leeftijd eindelijk zal gaan trouwen, verzoekt hij zijn geliefde Neeltje 't Hart toch te beseffen: ‘hoe zeer' ik haek naar 't heil, door u mij toegezworen’. Zeker, hij heeft haar moeten vragen om die eed. Maar in het vers hoort zij zich het initiatief tot hun beider geluk toegeschreven. Het vers liegt niet. De Maen bij Endymion is de nachtdroom van een schone slaper, die wacht op zijn prinses om dan als loon voor zoete mijmerijen een gedicht te kunnen schrijven, dat zijn naam beroemd zal maken bij zijn medemensen. Roem wordt altijd met leven betaald. Hij aanvaardt geen andere munt. Bij Poot reeds het verstandelijk begrip te zoeken dat de slaap van Endymion het symbool zou zijn van de wereld- | |
[pagina 255]
| |
vreemdheid bij de droomvervoerde dichters, maakt zijn bedoeling wellicht romantischer dan ze geweest kan zijn. Toch is dit wel de richting, waarin gezocht moet worden naar de oplossing van het raadsel, dat Betje Wolff terloops aanstipte, toen ze Venus tot de zuster van de zon liet zeggen, dat Endymion door ongevoeligheid voor wat hem werd gegund, als minnaar een aanfluiting is van de liefde. Door ongevoeligheid voor wat hem werd gegund? Zalig prijst Theocritus de herder om zijn altijddurige slaap. Kan iemand zalig zijn en dit niet weten? De bewusteloosheid van zijn omnachting door de straffende Jupiter verhindert niet, dat hij de tederste manestralen opvangt -. ‘Schoonheid, die ons niet aangrijpt, is niets! - Geef toe, dat gij bij dag nooit tot zo zoete dromerij vervoerd zijt geraakt als waarin ik u zojuist verzinken zag bij de beschouwing van deze prachtige nacht’, zegt de markiezin in het gesprek over de meervoudigheid van de werelden. Uit de oude wereld met herinneringen doorhuiverd, opent Poot voor zijn lezers een nieuwe, als hij de stilte van de nacht met zijn gespannen ontvankelijkheid ondergaat. Bood Fontenelle aan Frankrijk de eerste praeromantische maneschijn, dan danken wij aan Poot de eerste in ons taalgebied. ‘De koude maan wert heet’ onder de adem van zijn onuitgesproken begeerte. ‘De maan zwol tot een zachter zon’, zegt Boutens twee eeuwen later. Dit proces van zwelling is voor ons bij Poot begonnen. Het heeft zich in alle landen voltrokken. Het leidde Boutens tot de vraag: Ziet gij wel, hoe de maan, als zij wil
Schooner kan zijn dan de gouden zon?
Bloeit zij niet in het nachtlijk gazon
Eindlooze wereld licht en stil?
Onze bevestiging op deze vraag neemt een laatste wraak van Diana op Venus. De zuster van de zon voert ons een eindeloze wereld binnen, die altijd licht en stil zal blijven. De verliefde Venus speelt zich af in een voorbije, nooit terug te roepen tijd. Beide | |
[pagina 256]
| |
gedichten behoren tot het beste van hetgeen het rococo in onze taal te voorschijn bracht, maar het maangedicht overstijgt die gebondenheid aan zijn ontstaanstijd. Het draagt in zich het onomschrijflijk Je ne sais quoi, dat is iets teders, waaruit de ziel van Poot en de ziel van heel de nakomelingschap, geslacht aan geslacht, zichzelf ervaren hebbenGa naar voetnoot1. |
|