| |
| |
| |
Op Wandel met de syndicus
De vierde en laatste syndicus van de stad Nijmegen moet een tamelijk luie man zijn geweest. In elf jaren tijds wist hij zijn ambt overbodig te maken. Na zijn ontslag op 24 maart 1664 kreeg hij geen opvolger. Twee jaar later, op 12 november 1666, nam hij een baantje aan, dat hem wellicht nog minder moeite kostte. Hij werd toen griffier van de zogenaamde Chambre mi-partie of Tweeledige Kamer, die in 1653 begonnen was enkele klusjes te regelen, waarvoor bij de Vrede van Munster niet direct een oplossing was gevonden. Dit lichaam heeft zo weinig mogelijk uitgevoerd. Het is nooit opgeheven, maar in 1675 staakten de Staten-Generaal hun betalingen aan de functionarissen. De griffier stierf een jaar later op 22 december. Zijn lijk stond tijdens de kerstdagen te Dordrecht boven de aarde. Het werd plechtig begraven in de Grote Kerk aldaar op 29 december 1676.
Zonder overdadige inspanning had de voormalige syndicus van de stad Nijmegen de leeftijd van 54 jaar bereikt. Hij was altijd een welgesteld man geweest, hoewel het derde van de elf kinderen uit het huwelijk van de Dordtse geneesheer Komelis van Someren met Anna Blocke.
Te Leiden had Johan van Someren rechten gestudeerd. Toen hij er op 17 maart 1643 met Bernardus Schotanus als promotor zijn stellingen verdedigde, kreeg hij Latijnse lofdichten mee van Nicolaas Heinsius, Adrianus van der Wael en Caspar van Kinschot. Hij was aan latijnse gedichten gewend. Zijn vader, de arts te Dordrecht, had er ook geschreven.
Goed en wel gevestigd in zijn geboortestad, werd hij er waterschepen, later hoogheemraad van Oud-Beierland en daarbij kapitein over een compagnie burgers.
| |
| |
Toen hij op 14 februari 1655 als man van 32 jaar tot syndicus van Nijmegen werd benoemd, was hij al voor de tweede maal getrouwd en had twee kinderen, Kornelis uit 1650, die naam zou maken als geschiedschrijver van de stad Gorinchem, en Jakob uit 1652, op wiens reputatie buiten kijf het dichtwerk Arisnoe, Princesse van Egypten, ofte Rampzalige Liefde dient te worden gesteld, dat sommigen hebben toegeschreven aan de vader.
De tweede vrouw, tevens de moeder van deze zoontjes, heette Elisabeth Vervoren en was ook een dichteres. Ze stierf te Nijmegen op 17 oktober 1657. Johan van Someren, de syndicus, hertrouwde vier jaar later met Maria de Vlaming van Oudshoorn, dochter van de burgemeester van Amsterdam en weduwe van Johan Cuyck van Nierop. In zijn tweede weduwnaarstijd heeft hij zijn gedichten tezamen gebracht in een dikke bundel, die hij, ironisch genoeg, Uyt-Spanning der Vernuften noemde. Hij beweert erin, dat hij met tong en brein de belangen van Nijmegen diende. De volgorde tekent. Hij heeft in zijn leven van jurist zeker meer gepraat dan gedacht.
Als dichter is Jan van Someren vergeten, als syndicus liet hij nauwelijks sporen na. Maar hij ging graag op wandel. Hieraan danken wij een tintelend beeld van Nijmegen en omgeving uit het midden van de zeventiende eeuw. Het verslag van een zijner wandelingen heeft hij namelijk op rijm gesteld om de gastheer te belonen, die hij ging bezoeken. Dit was de Nijmeegse burgemeester Nicolaas Vygh, die als Heer van Ubbergen met zijn vrouw Odilia van Raesveld op een half uur gaans buiten de stad het kasteeltje van Ubbergen bewoonde. Hij had dit goedje, dat in 1582 totaal was afgebrand, bijzonder aardig opgeknapt met een barokke parkaanleg en fraaie uitzichten naar alle kanten.
Heel die dag had de syndicus weinig te doen. Zijn lediggang gaapt bijna hoorbaar door de verzen. Hij loopt uit de binnenstad een eindje de Waal langs en gaat over het Valkhof naar het Kelfkens-bos, welks naam hij terloops als kalverkens-bos verklaart met de mededeling, dat hij niet wil nazoeken, of dit juist is.
Het is onjuist! Het bos heet naar burgemeester Arnold Kelf- | |
| |
ken, die het in 1622 had laten aanleggen als wandelplaats, toen nog beplant met olmen. Johan van Someren heeft niet meer gezien, hoe ze in 1668 door linden werden vervangen. Dat hij Nijmeegse geschiedenis-herinneringen ophaalt zonder van Arnold Kelfken, de ambtsvoorganger van zijn gastheer, iets te weten, bevestigt de veronderstelling van zijn luiheid. Had hij ooit de stukken van de vorige syndici, Johan Biel en Johan Glummer ingekeken, dan kon hem de naam niet zijn ontgaan van de burgemeester, die zij als jurist hadden gediend.
Wel was hij vroeg uit bed gekomen, want de blonde zon is pas aan het schijnen. Weduwnaar, melkt hij op, hoe de ochtendmaagd haar blos verliest, nu zij zich spiegelt in de vensters van de Belvedère. Langs de Hoenderpoort gaat hij de stad uit met de keuze om Ubbergen bovenlangs of over de laaggelegen weg te bereiken. Hij kiest wijsgerig het laatste:
Die laegh gaet, gaet gerust.
De weg is nog verlaten, maar de eerste ontmoeting houdt een gunstig voorteken in, immers het is een ‘knecht’, die zo vroeg in de morgen al een Gelders kind aan zijn zij heeft. ‘Dat is vrijen naar de kunst’, bedenkt de syndicus.
Overpeinzingen over de liefde bekorten de voetreis van de weduwnaar, zodat hij ongemerkt al halverwege is gekomen. Nu moet hij de heuvel beklimmen ‘al moeien't ook de leden’. Of stijgen beter is dan dalen, vraagt hij zich af, maar het antwoord laat hij over aan de filosofen, want hij heeft de waterkreek bereikt, die Ubbergen besproeit en hem morgengedachten ingeeft over de wonderbare visvangst uit het evangelie. Straks zal hij met zijn vriend gaan hengelen, maar waarachtig!, daar bij de lindeboom staat de gastheer al met de hengelroe in de hand en de belofte van gunstige vangst als onthaal op de lippen. Het schepnet ligt klaar voor het geval de vis niet wil bijten. Ze hebben een jongen bij zich om de pieren aan de angel te doen, want de heren zijn niet van plan zich moe te maken. Natuurlijk komt er een ongehoord grote karper te voorschijn. Hiermee is de vispartij afgelopen en gaan we uitrusten op de bank in het tuinhuisje,
| |
| |
waar we een prachtig uitzicht genieten. Tot dit doel werd de haag dunnetjes gehouden. De burgemeester beschrijft alle heerlijkheden, die hij geniet, wanneer hij in zijn prieel zit uit te kijken over de Circul van de Ooy, waar hij zijn vee ziet grazen en onder het luisteren naar de fiere nachtegaal zijn Schepper dankt voor diens genaden.
De fruittuin door gaan de vrienden naar binnen. Alles staat er nog in bloei:
Nu dient het voor uw oog, maar nog niet voor de tand.
Ook op de inmaak is gerekend. Er groeien volop abrikozen en perziken, zodat Nicolaas Vygh geen hoge rekeningen bij de apotheker heeft lopen, want (zegt hij) wat men uit de kleinste bekers drinkt, zijn de duurste dranken.
Het allerbeste, waarde syndicus en weduwnaar, is echter in het eigenlijke huis te vinden:
Het allerzoetste zoet (men meent een vrouwe-schoot)
Verwint de droefheid zelfs in d'allerhoogste nood.
De keukenmeid heeft bovendien haar best gedaan. Er wordt getafeld van het middaguur tot tegen de avond. Het is alleen jammer, dat er nu nog geen konijntjes zijn te schieten, doch alvast wordt de syndicus uitgenodigd tegen de herfst.
Langer blijven kan niet. In langer beschrijven heeft Johan van Someren hoorbaar geen zin. Met ruim tweehonderd versregels is het welletjes geweest. Hij zal zich moeten haasten om binnen te zijn, voordat de poortklok luidt. Hij houdt er niet van, zich te haasten.
Hij weet, dat er geen bestendige vreugde voor sterfelijke mensen kan bestaan. Daarom besluit hij berustend:
Het schoonste Werelts soet en duurt geen langen tyt,
Hoe soet dit reysje was; ick ben myn daeghje quyt.
Bij de bundeling in 1660 voor zijn Uyt-Spanning der Vernuften, bestaende in geestelijcke en wereltlijcke Poësy, waarvan te Gorcum
| |
| |
nog een tweede druk verscheen in 1686, voegde Jan van Someren aan zijn wandelrelaas een hoeveelheid geleerde voetnoten toe, voor een deel in het grieks en latijn. Ze geven een goed idee van zijn omgang met boeken. De meeste uitgaven, die hij citeert, zijn minstens zo oud als hijzelf.
Zijn voorkeur gaat naar de latijnse dichters uit: Ovidius, Horatius, Virgilius en Seneca, terloops ook Juvenalis en Martialis. Hij haalt er spreukmatig opgestelde wijsheid uit te voorschijn. Dit doet hij ook uit Euripides. Van Zacheucus van Locri kent hij. het 247e fragment: ‘Voor een wijze staat heel het aardrijk open; het vaderland van een edele ziel is de kosmos’. Tacitus levert hem gegevens over de Batavierenopstand.
Voor de vaderlandse geschiedenis van de middeleeuwen raadpleegt hij Buchelius. Dit is Aernout van Buchel, geboren op 18 maart 1565 te Utrecht en daar overleden op 15 juli 1641, een advocaat en oudheidkundige, die de kronieken van Joannes de Beka en Willem Heda over het Utrechtse bisschopsbestuur in de Hollandse grafelijkheid gereedmaakte voor de uitgave van 1643. In zijn hoedanigheid van syndicus had hij het Tonneel des Landts van Gelder bij de hand. Hieruit bewijst hij de voortreffelijkheid van Nijmegen. Dat Julius Caesar deze stad bezocht, haalt hij uit Gerardus Noviomagus te voorschijn. Bedoeld is Gerard Geldenaur, de humanist, die in 1482 te Nijmegen geboren werd, van 1517 tot 1524 secretaris was van de bisschop van Utrecht, in 1526 tot Luthers leer overging en in 1542 stierf als professor in de theologie te Marburg. De stadsnaam Nijmegen verklaart Van Someren als ‘Nieuwstadt’ op gezag van Joannus Pontanus (1571-1639), wiens Historiae Geldricae in 1639 werden uitgegeven.
Voeg hier de brieven van Justus Lipsius aan toe en het geschreven zelfportret van een genoegelijke rechtsgeleerde uit de tweede helft der gouden eeuw is voltooid, meest in geboekstaafde levenswijsheid van andere mensen.
Met recht kreeg Jan van Someren een eigen, maar bescheiden plaats in De Soeticheydt des Buyten-Levens, vergheselschapt met de boucken, het Leidse proefschrift uit 1960 van Dr. P.A.F. van
| |
| |
Veen, over het nederlandse hofdicht als tak van. een Georgische litteratuur. In allerstriktste zin is de Wandelingh van Nijmegen op Ubbergen geen hofdicht te noemen, ofschoon het er veel elementen van bevat. Ze zijn voor het allergrootste gedeelte ontleend aan de tweede epode van Horatius, het Beatus ille-gedicht, dat trouwens in vertaling van de syndicus werd opgenomen in diens Uyt-Spanningh. Hij die zo gaarne ‘procul negotiis’ (‘verre van alle handelingh’, vertaalt Vondel) zijn dag versleet, heeft de beroemde ode niet enkel gelezen en vertaald; hij heeft haar van buiten gekend en er zichzelf zo gretig in gespiegeld, dat niet zijn uitdrukkingswijzen alleen, maar zijn manier van kijken er sterk door beheerst wordt.
Zoals de filmtechniek invloed kon uitoefenen op het kijkvermogen, zelfs op de oogopslag, van hedendaagse mensen, zo bestuurde de zienswijze van Horatius het waarnemingsgenot van kunstenaars uit renaissance- en baroktijd. Alleen reeds tussen vers 1771 en vers 1930 van Strande door Philibert van Borsselen komen vierentwintig motieven voor, die duidelijk aanwijsbaar teruggaan op de tweede epode.
Bekijken we de Wandelingh op Ubbergen uit deze gezichtshoek, dan treft onmiddellijk de samenklank van vrijetijdsbesteding en gemoedsrust. Vakantie wordt gegeven als een vrijstelling uit plicht en taak. De syndicus moet zich ambtloos voelen om een vriendenbezoek te kunnen afleggen op het buitengoedje van de burgemeester. Er zijn vandaag geen zaken te regelen. De ‘vacatio’ van de beroepsbezigheden laat een ‘vagatio’, een mijmerende zwerftocht, van lichaam en geest toe.
Dit verlof tot sierlijke speelsheid van het vernuft verleende Horatius aan zijn getrouwen door de tweede epode een tamelijk zwaar overschaduwde achtergrond mee te geven, die dr. P.A.F. van Veen bij de meeste hofdichters mist. Het is de wereld van de bekommerde woekeraar Alfius. Binnen diens blikveld is geen plaats voor landelijke zorgeloosheid. De mooie idylle steekt bij Horatius af tegen een felle satire.
Bij Jan van Someren lijkt dit niet het geval. Hij laat geen muizenissen achter op een kommerzieke Beurs. De zon schijnt hem
| |
| |
al dadelijk in het gezicht. Maar hij is syndicus van Nijmegen! Hij draagt zijn Alfius binnen zijn inborst. Zijn vrije divagatie kan niet buiten Buchelius en Hovaeus, Noviomagus en Pontanus omgaan! Geschiedenisbronnen waren rechtsbronnen. De rompslomp van het stadhuis ontwaakte 's morgens in zijn hoofd.
Zijn diepgenoten vrijheid maakt hem niet volledig los van zijn betrekking. Hij gaat de burgemeester bezoeken! Direct bij aankomst van de wandelaar (lassi sub adventum viri; vs. 44) wordt hij met vriendschap opgewacht:
Gints aen den linden-boom, daer zit Ubbergens Heer.
Myn tyd is wel besteed, zoo ick my tot hem keer.
Hy heeft my al gezien; - ‘Kom, set u by mij neder’
Dat is syn eerste woordt: - ‘het is het rechte weder
Om hier uyt dese beeck nu met de hengel-roe
Te trecken of een baers of braessem naar ons toe.....’
Alles is Gelders in dit tafereel en alles Horatiaans. Vers 44 van de tweede epode schildert de prompte vrouw, die tegen de thuiskomst van haar vermoeide man het vuur oprakelt en er verse houtblokken bij gooit. Vissen worden ginder niet gevangen maar de bronnen ruisen met vlietende beekjes en hun geruis is een zacht sluimerlied.
De villa van Nicolaes Vygh staat vlak bij de Oorsprong te Ubbergen:
Hier's visch in overvloed en noyt gebreck van nat,
Al werd mijn kelder leegh, soo is noch vol dit vat
Van ond'ren uyt de sprong, die stadig op komt schieten
En water mildelijck doet in deez' vijver gieten.
Nu de tekst van Jan van Someren de burgemeester van Nijmegen in verzen laat spreken, staan wij te luisteren naar ‘poets in a landscape’, zeker en vast op de zandhelling van Ubbergen, maar evenzo nabij de Civitella di Licenze. De Oorsprong ruist, gelijk nu nog: ‘o fons Bandusiae!’
Fies nobilium tu quoque fontium....
‘Een vermaarde bron zult ge worden, naardien ick van den eickenboom zinge, die op holle rotsen groeit daer uw ruischende
| |
| |
wateren van afvlieten’. Zo vertaalt Vondel het slot van de dertiende ode uit het derde boek.
Moeten we dit er allemaal bijdenken? - Jazeker, met de uitgedaagde zelfcreativiteit van de humanistische lezer, voor wie elk woord als stoffelijk ding dat het is, aan een wereld van waargenomen werkelijkheid het uitzicht meegaf op een landschap vol herinneringen. Niet iedere lezer kon het buitengoed van burgemeester Vygh te Ubbergen bezoeken, zoals de syndicus gedaan had. Maar wel iedere lezer kon de zorgeloosheid van de dichter plaatsen in een landelijk verbeeldingsveld met ruisend water en een uitzicht over weiland.
In augustus 1835 heeft Nicolaas Beets, zich niet bewust van de herhaling, dezelfde wandeltocht gemaakt als Jan van Someren. Zijn vriend, Abraham Scholl van Egmond, aan wie de Camera Obscura zou worden opgedragen, had zich als arts te Ubbergen gevestigd. Op de avond van donderdag 20 augustus stond Beets bij de Oorsprong. Hij keek over het landschap uit. Hij zag de landarbeiders in de diepte van de Ooypolder, maar hij zwijgt over de schapen en de koeien in het laagland.
Aut in redacta valle mugientium
prospectat errantes greges
was voor de jeugdige romanticus geen uitdaging tot kijkvreugde meer. Het ‘overschoon gezicht dat ons deez' hoochte geeft’ waardeerde hij op andere manier dan Jan van Someren gedaan had.
Horatiaans is de gedachte, dat de landeigenaar naar beneden moest kijken om zijn veestapel verspreid te zien grazen. Zijn villa staat boven de weigrond. Om het genieten van dit uitzicht te verhogen had Nicolaas Vygh op de top van de heuvel boven zijn drietal glooiende tuinen een zomerhuisje laten bouwen:
Hier kan ik zelfs vandaan mijn vette lamm'ren zien,
Mijn rammen vol van moet, mijn oyen wel besprongen
En staech het vee vergroot door mennichte van jongen.
Hier graest het in myn oogh, hier drijft men 't na de hey,
Van daer so komt het we'er in myn begraesde wey.
| |
| |
Gelders realisme voegt zich rustig in een schema van klassiek natuurgenot. Om de vakantiedag van de Nijmeegse stadspensionaris zorgeloos mee te beleven, moeten wij bij de ‘soeticheyt des buytenlevens’ toch ‘vergheselschapt met de boucken’ zijn, zoals Petrus Hondius voorschreef in 1621. De zichtbare dingen lokken ons naar uitgelezen schoonheid, als we het lezen maar degelijk hebben geleerd.
Elk mensengeslacht leest anders dan het vorige en wordt hierom voor ouderwets gehouden door het volgende. Literatuurhistorie is een strenge wetenschap. Zij is een bewuste ‘divagatio mentis’, een uitspanning van het vernuft in de ruimte van het bezielde verleden.
|
|