| |
| |
| |
Slaapbollen en slangen
De vele beesten in mijn titels, mitsgaders enkele laagstaande zaken als grote tenen, zouden het vermoeden kunnen wettigen, dat ik ‘detectives’-schrijven en -lezen voor een mensonterend bedrijf houd. Maar nu komt Dresden mij vertellen, dat er geen boeken zijn met een groter lezerskring dan deze zelfde ‘detectives’ juist, en wij kunnen toch moeilijk aannemen, dat al deze minnaars van de ontmaskerde misdaad minderwaardige lieden, of misschien wel- men waagt het niet uit te spreken - zelf misdadigers zijn. Natuurlijk is dit niet zo; en daarom moeten wij, willen wij toch nog aan de waardeloosheid van het detectiveverhaal vasthouden, middelen beramen om dit vernietigend oordeel te verzoenen met de samenstelling van een publiek, dat hoogst waarschijnlijk in niets afwijkt van andere groepen, die wij toch óok niet met de nek aanzien. Tenminste, daar ga ik van uit: ik geloof niet, - maar dit zou nader onderzocht moeten worden, - dat de gemiddelde ‘detective’-lezer, tenzij dan, zoals Dresden wil, als ‘intellectueel’, zo bijster veel verschilt van zijn medemensen. Sterker nog: ik geloof, dat onder gunstige omstandigheden letterlijk iedereen boven een niet eens al te hoog intellectueel peil tot een gewoontegebruiker van ‘detectives’ op te voeden zou zijn. Neem mijzelf bijvoorbeeld: men moet vooral niet menen, dat ik van mijn literaire bergtop voortdurend maar steenlawines op het arme genre heb gemikt, omdat ik er mij zo ver boven verheven waan. Van dit highbrowistisch vertoon kunnen mensenkenners dan ook geen moment de dupe zijn geworden; te goed wisten zij, dat mijn minachting niets anders was dan de vermomming van ontzag, onmacht en naijver. Daarom kunnen mijn kritische opmerkingen bij tijd en wijle nog wel juist zijn geweest; maar dan ook uitsluitend op zichzelf beschouwd, niet als
| |
| |
uitdrukking van een vaste, welgefundeerde overtuiging. Maar wist ik nu maar wat mijn vaste overtuiging wàs, met betrekking tot dat zorgenkind van Dresden en mij! Hoe sta ik persoonlijk tegenover al die bloedige boekjes? Slecht, erg slecht, is nu wel gebleken; maar het had niet slecht hoeven te zijn, en degenen die zich mijn eerste hoofdstuk nog herinneren, weten dat het maar een haar gescheeld heeft, of ik had mijn studie niet kunnen voltooien wegens verregaande verslingering aan Ivans en zijn Geoffry Gill, twee lieden aan wie ik een stille en, gezien mijn vaders financiële draagkracht, nogal kostbare eredienst wijdde. Het is waar, dat ik Ivans verkeerd las, meer met mijn gevoel dan met mijn verstand, - of met mijn gevoel dwars door mijn verstand heen, - en dat ik er mij veel te dom voor vond, aangezien ik kennelijk de intriges niet kon overzien, belangrijke punten onmiddellijk weer vergat, degelijke bestudering versmaadde, analyse en recapitulatie aan mijn laars lapte, en waarschijnlijk juist daarom steeds weer naar een volgende Ivans greep. Bij dit alles gelieve men te bedenken, dat deze gespecialiseerde leeswoede in hoge mate begunstigd werd door mijn toenmalige neerslachtigheid, mijn depressieve toestand. Dit verklaart ook waarom mijn verstandelijke vermogens zo deerlijk te kort schoten, en vooral: het verklaart waarom ik van mening was, dat ze te kort schoten.
Mede op grond van latere ervaringen neem ik toch maar aan, dat ik tot een draaglijke ‘detective’-lezer getraind had kunnen worden. Geef ik mij heel veel moeite, dan begrijp ik vrijwel iedere plot, dat is zeker. Dit houdt echter niet in, dat het begrijpen op zichzelf voor mij de bekoring uitmaakt van deze verhalen. Veeleer is het een soort combinatie van begrijpen en niet begrijpen. Het heeft er namelijk alle schijn van, dat ik deze logische gedachtenverbindingen, deze premissen en conclusies, dit ‘deduceren en combineren’, op zekere afstand wil meemaken, zonder mijn intellect er daadwerkelijk in te
| |
| |
mengen, ongeveer zoals iemand zijn ogen uitkijkt in een moderne fabriek, waarvan de technische bijzonderheden hem ontgaan; of zoals iemand geniet van streng polyfone muziek, zonder dat hij nu precies kan zeggen waar het thema omgekeerd wordt, verkleind, vergroot, ritmisch veranderd, etc. Maar dit alles diskwalificeert mij nog niet als ‘detective’-lezer.
Ik weet helemaal niet hoe anderen hun ‘detectives’ tot zich nemen, en van psychologische onderzoekingen in die richting verwacht ik óok niet al te veel. Er is zelfs enige reden om de gegevens, die lezers over zichzelf zouden willen verstrekken, met een mild wantrouwen te bejegenen, aangezien zij wellicht alleen maar zouden napraten wat zij in handboeken over de ‘detective’ hebben nageslagen, of anderen over dit onderwerp hebben horen beweren. Maar aan te tonen of niet aan te tonen, onder die ontelbaren moet er menigeen zijn als ik in mijn Ivans-tijd: meer dromerig dan helder, meer romantisch dan rationeel, zij het dan ook dat dit soort romantiek gedeeltelijk bepaald wordt door het rationele, waar men enkel als buitenstaander vagelijk deel aan heeft.
Hoe dit alles zij, daar is dan dat opmerkelijke feit van mijn tijdelijke verslaving aan Ivans. Deze verslaving bewijst, dat ik de ‘stuff’ in mij had voor een hartstochtelijk detectivist, een der ergsten in Nederland, en ik neem aan, dat deze neiging sindsdien niet is verminderd, maar dat zij werd uitgeschakeld doordat andere neigingen sterker bleken te zijn. Deze positie van in de kiem gesmoorde detectivomaan doet mij des te scherper de gevaren zien, die mij toentertijd bedreigden. Er zou niet veel meer met mij te beginnen zijn geweest. In walgelijke onmaatschappelijkheid verzonken, zou ik mijn dagen nog maar hebben gesleten met het volgzaam afwinden van plots, en ik zou de moorden hebben geregistreerd met de verre, glazige blik der intellectuele onthechting, - intellectueel, en toch zo fantastisch, zo visionair, zo wereldontheven. Onthechting, - ontsnapping, - escapism,
| |
| |
- ik refereer mij wederom aan Dresden, al hoop ik niet, dat híj ooit zoiets verschrikkelijks heeft meegemaakt. Opium is er niets bij.
Nu ik daarop kom: kan het toeval zijn, dat mijn grootste triomfen in detectivistische ontvankelijkheid gevierd werden tijdens een aanval van zwaarmoedigheid, ter ‘genezing’ waarvan vroeger wel de slaapbol werd verstrekt door toch geenszins lichtzinnige artsen? Nauwelijks, lijkt mij; en de overeenkomst gaat nog verder, strekt tevens tot het verduidelijken van wat ik zoëven zei over ons aller geschiktheid voor de loopbaan van Holmeseter, Gill-drinker, of inspuiter met een van de vele andere heren. Iedereen is daarvoor in de wieg gelegd, zoals iedereen de mogelijkheid in zich heeft om, eventueel na het overwinnen van zekere fysiologische afweerreacties, een opiomaan, morfinist, cocaïnist, etc. te worden. Beter ‘detectives’ dan opium, zal men zeggen. Beter inslapen met Geoffry Gill dan met de slaapbol. De gevolgen van het farmacologisch gif zijn in elk geval meer spectaculair, want het lichaam gaat eraan op de duur. Bepalen wij ons echter tot de geest, en de cultuur, waarin die geest zich projecteert, dan lijkt de gewoonte om zich aan ampullen met misdaad te bedwelmen niet zoveel minder bedenkelijk.
Dresden's analyse van de bereidheid der intellectuelen tot Conanine-snuiven las ik met instemming. Alleen zou ik aan hun motieven nog éen willen toevoegen. Zou het niet kunnen zijn, dat juist geleerden naar ‘detectives’ grijpen, omdat het hun een surrogaat biedt voor het praktisch handelen, waarin zij, al dan niet noodgedwongen, vaak zo jammerlijk te kort schieten? Dit uiteraard als éen factor onder vele; èn een factor, die in een aantal gevallen zeer wel op de achtergrond kan treden. De staatsman Colijn was een groot ‘detective’-verslinder, en toch een man van de daad. Maar ja, bekijken wij zijn geval iets nader, dan lijkt het niet zonder betekenis, dat hij zijn loopbaan als militair in actieve dienst begonnen is;
| |
| |
het is dus niet onmogelijk, dat het detectiveverhaal hem bevrediging bood van de neiging tot een directer actie dan in de politiek gewenst, of ook maar mogelijk is.
Ook Dresden's beschouwingen over het sadisme bij de ‘detective’-lezer onderschrijf ik ten volle, en het verband, door hem gelegd tussen het afschaffen van openbare terechtstellingen en de opkomst van de politieroman vind ik even verrassend als overtuigend. Afgaand op mijn eigen ondervindingen, hecht ik aan dit sadisme niet zo heel veel waarde, en hoewel het mij moeilijk valt mij geheel in mijn Ivanstijd en mijn Holmesjaren te verplaatsen, betwijfel ik, of mijn leesgenot recht evenredig steeg aan de hoeveelheid vergoten bloed. Mogelijkerwijs ben ik een zeer verfijnd sadist, en is bloed mij te vulgair; en het is zeker waar, dat Mikje Spillebeen mij zelfs niet in de hel zal kunnen bekoren; maar deze bloedplassen in paperback beschouw ik dan ook meer als een ontaarding van het detectiveverhaal, zoals vroeger uitvoerig betoogd. Laat ik de beslissing aan de onmiddellijke ervaring, dan kom ik, met die oude, dierbare Holmes-verhalen in handen, tot de volgende gegevens. Van de korte verhalen zijn mij het liefst: ‘The Redheaded League’, ‘The Speckled Band’, The Five Orange Pips’, ‘The Copper Beeches’. In minstens twee van de drie is de humoristische inslag onmiskenbaar. Gemoord wordt er in twee, maar niet zo dat een sadist er rood van zou aanlopen. Wel is er noodlottige dreiging, zware stapelwolken van angst en ellende, en natuurlijk altijd het gevang in het verschiet, maar houdt men zich aan de definitie van sadisme (genot putten uit het lijden van anderen), dan ontsnappen zelfs ‘The Copper Beeches’ en ‘The Speckled Band’ aan deze rubricering, hetgeen des te opmerkelijker is waar de boef in beide gevallen wel degelijk een sadist kan worden genoemd, in het eerste geval het duidelijkst. Daar wandelt door dat verhaal een dik, Pickwickachtig kereltje, dat onder zijn zalvend joviale buitenkant werkelijk moorddadige neigingen herbergt, al geeft hij daar
| |
| |
niet aan toe, en al is de misdaad, waar het om gaat, niet meer dan een betrekkelijk onschuldige familie-intrige. Waarom ik zo op dit verhaal gesteld ben, of was, is gemakkelijk te verklaren door het contrast tussen brave burgerman en wreedaard. Dit leidt tot de meest komische effecten. Mr Rucastle praat over zijn zoontje: ‘Wij hebben éen kind - een lieve, kleine bengel, die pas zes jaar geworden is. O, u moest hem eens zien, als hij bezig is kakkerlakken dood te slaan! Pats! Pats! Pats! Daar gaan er weer drie’. Dit is vooral daarom zo onbetaalbaar, omdat Mr Rucastle zèlf hier als een soort humorist optreedt, juist terwijl hij bezig is zich bloot te geven door zijn enthousiasme over de vreemde spelletjes van zijn eigen zoontje. Ervaren psycholoog als hij is, maakt Holmes hier dan ook terstond gebruik van en noteert Mr Rucastle als vermoedelijke misdadiger. Wat mij hier vermaakt is kennelijk meer de tegenstelling tussen de twee aspecten van het buikige heertje, en de ironie van Conan Doyle, die ze zo drastisch tegen elkaar uitspeelt, dan de sadistische inslag als zodanig; en het valt aan te nemen, dat ook in andere gevallen die tegenstelling voor mij de hoofdzaak is, onverschillig of zij heerst tussen sadisme en gemoedelijkheid, of list en domheid, of veiligheid en gevaar, of wat dan ook. Mij boeit het prikkelende van de tegenstelling, en de onverwachte wegen, waarlangs de beide tegendelen bij elkaar gebracht zullen worden. Dit zou dan ook kunnen gelden voor het detectiveverhaal in het algemeen, in zover het zijn aantrekkelijkheid niet in de laatste plaats ontleent aan het pikante contrast tussen de duisterste en verwardste kanten van het leven en de helderheid van een wiskundige formule. Dat die duistere kanten iets met sadisme te maken kunnen hebben, of altijd hebben, wil ik niet ontkennen; maar het gaat hier om de dosering, en deze dosering is, om zo te zeggen, belangrijker dan het sadisme zelf. Dat is ongeveer ook wel de
bedoeling van Dresden.
Kunnen wij voor de populariteit van het detectiveverhaal
| |
| |
een verklaring vinden door, steeds met die ‘dosering’ rekening houdend, alle factoren te combineren waarvan zoëven sprake was of die in dit boekje al eerder aan de orde zijn gesteld? Men las ‘detectives’ dan uit een behoefte aan intellectueel spel zonder morele verantwoordelijkheid, frustratie (o.a. van het handelingsleven), esthetische of sensationele voldoening die door felle contrasten wordt geschonken, drang tot identificatie met helden (voor de romantici) of met misdadigers (voor de sadisten) of met slachtoffers (voor de masochisten), een tikkeltje doodsdrift, een zweempje struisvogelpolitiek tegenover de dood, en tenslotte uit verveling, voor zover dit niet al te nietszeggend is. En begrepen we dan waarom men een ‘detective’ leest, júist een ‘detective’? Helemaal niet. Iemand, die niet weet wat een detectiveverhaal is, zal het nooit kunnen reconstrueren uit een samenstel van menselijke driften zoals ik daarjuist de revue liet passeren. Drang tot ontraadselen, marionettenspelersmentaliteit, neiging tot het abstracte, logisch schematische: dat kan er nog bij. Maar wij mogen de lijst uitbreiden tot een hele bladzij, onder de optelsom komt toch nooit te staan het detectiveverhaal zoals wij het kennen. Dit verhoogt wel enigszins mijn respect ervoor, en daarom is het misschien beter het voortaan maar te beschouwen als een zelfstandige levens- en cultuuruiting, die niet zo gemakkelijk tot andere categorieën te herleiden is.
Hierna zou ik mij, met Dresden, ter ruste kunnen begeven, een detectiveroman op het gladde en warme dek, ware het niet, dat mij nog iets van het hart moet aangaande de veronderstelde waardeloosheid van dit soort literatuur, die wij voor het gemak toch maar literatuur zullen blijven noemen. Dat iemand over een boek in slaap valt, is natuurlijk geen overtuigend argument voor die waardeloosheid. Ik ben wel eens met Proust ingesluimerd, niet omdat Proust mij verveelde of afstompte, maar omdat het onder alle omstandigheden tijd voor mij
| |
| |
was om onder zeil te gaan. Ook de verslaving, waarvan ik repte, de bedwelming door het habitueel gebruik van Conanine, en de noodlottige gevolgen daarvan, moet men met een korreltje zout nemen. Tenslotte kunnen wij aan alles verslaafd raken wat ons vermaak schenkt, zelfs aan het zuigen op pepermuntjes. Buitendien, gesteld dat brede kringen heel- en halfintellectuelen niets anders meer deden dan ‘detectives’ lezen, dan zouden wij ons toch wel even moeten afvragen, of deze misstand niet eerder een gevolg was van culturele achteruitgang dan een oorzaak ervan.
De gevaren van de detectiveroman kunnen wij dopen met het woord ontwerkelijking. Gevaren, schuilende in de verlokkingen van een intellectueel luilekkerland van niet zeer hoog gehalte, en waarvan de intellectualiteit dan nog aan ernstige twijfel onderhevig is. Want heel dit boekje, al dat delibereren van Dresden en mij, draaide eigenlijk voortdurend om dit ene: het zo goed mogelijk vaststellen van het ware karakter van iets dat kennelijk alles met het verstand te maken heeft, en dat tegelijkertijd zwanger gaat van een geschematiseerde waanzin, waarin misschien nog wel het verstand spreekt, maar zeker niet het gezond verstand. Dit is de verraderlijkheid van deze verhalen: zij leiden ons naar het verstand toe, en beloven ons alle rationele koninkrijken der aarde, en dan voeren ze er ons weer van af, ver, heel ver, en dan verliezen we ons verstand, en aangezien we, verstandloos, dit verlies absoluut niet kunnen beoordelen, verliezen we ons verstand ten tweeden male door te menen, dat we nu juist heel erg verstandig geworden zijn. En ondertussen zijn we bezig aan een ‘detective’, zo maar een boekje, en niet eens duur! Is het niet om zijn verstand bij te verliezen? Ten derden male dus. En wanneer Dresden en ik dit allemaal bepeinzen en van onze glossen voorzien, staat ons verstand er bij stil, en dat is dan de vierde maal. Een compleet gekkenhuis, hiërarchisch geordend, volgens trappen. Maar goed, voor Dresden en mij is het
| |
| |
niet zo erg; we zijn nu bijna klaar; we draaien de ‘detective’ de rug toe, en zullen er nooit, nooit meer over schrijven; en als Dresden er nog eens eentje leest, zal hij niet kunnen nalaten te denken aan mij, zijn medewerker, die er nooit eentje leest. Ik zal zijn als het mene tekel aan de wand van Dresden's studeervertrek; en waagt hij het ooit nog eens zo'n vod ter hand te nemen, dan hoort hij mij schreeuwen tegen zijn geweten: ‘By thunder, Sem, hands off! Leg neer dat boek! Gevaar! Hoogspanning!’ En hij schrikt zich dood, maar zijn ‘detective’ verstopt hij weer achter de voorste rij. Neen, over Dresden en mij maak ik mij niet ongerust, wij zijn doorgewinterde heren geworden. Maar die anderen! Die ontelbare arme detectivomanen, voor wie Dresden en ik de verantwoordelijkheid op onze schouders hebben geladen.
Ontwerkelijking is voor te stellen als een vlucht voor de werkelijkheid. Maar waar vlucht men heen? Dat is pas het interessante. Vluchten doen we altíjd; het hele leven is niets anders dan een vlucht uit de moederschoot naar de dood toe. Wie zich van het ene punt naar het andere beweegt, - en leven ìs bewegen, - ontvlucht het eerste punt, en tracht het tweede te bereiken, als veilige of onveilige haven. Wie de werkelijkheid ontvlucht, vlucht onvermijdelijk naar een andere werkelijkheid, bijvoorbeeld de droomwerkelijkheid van het sprookje of van het gedicht of van de muziek. Maar, aangezien leven bewegen is, moet men ook weer terug kunnen vluchten, iets waar het sprookje zich inderdaad grif toe leent, uit hoofde van de symboolwaarde ervan, die steeds de betrekkingen met de eerste, de ‘ware’ werkelijkheid blijft waarborgen: het sprookje vervreemdt ons niet noodzakelijkerwijs van de werkelijkheid, want het heeft er alle essentiële waarden, vooral de gevoelswaarden, mee gemeen. Eerst wanneer wij van zulk een wijkplaats niet meer terug kunnen vluchten naar waar wij vandaan kwamen, wanneer zij ons gevangen houdt en tot ver- | |
| |
starring en roerloosheid doemt, begint er gevaar te dreigen, aangezien onbeweeglijkheid voor de beweeglijken een inviet is om de onbeweeglijke dood te slaan, waarmee zij overigens alleen maar een toestand bevestigen, die in hun ogen reeds met de dood gelijkstaat. Dit gefixeerd zijn aan vluchtheuvels nu kunnen wij verslaving noemen. In deze situatie - laat het nu verslaving zijn aan slaapbollen, sigaretten of yoga-oefeningen, vrouwen, borrels of ‘detectives’ - bestaat er nog maar éen kans om aan de dreigende vernietiging door medemens of natuur het hoofd te bieden, en dat is het behouden of aankweken van een althans géestelijke beweeglijkheid, die de mogelijkheid opent tóch nog terug te keren wanneer dit nodig is, en wanneer men het wil. Op deze taak van de wil, van de
activiteit, die iedere verslaving onmiddellijk zou opheffen, zelfs wanneer de uiterlijke kentekenen ervan zouden blijven bestaan, wil ik alle nadruk leggen, al zijn daarnaast uiteraard ook andere factoren van gewicht, zoals - om de belangrijkste te noemen - de geschiktheid van het verslavingsmiddel voor een vergeestelijking als hier bedoeld; deze geschiktheid is b.v. groter bij de yoga-oefeningen dan bij de sigaretten. De verschillen in dit opzicht zijn zelfs enorm; maar in elk geval lijkt mij deze innerlijke activiteit, die met zelfstandigheid en geestelijke vrijheid hand in hand gaat, het enige bruikbare criterium om uit te kunnen maken, of een fenomeen als het detectiveverhaal schadelijk is voor de mens dan wel - maar nu zeg ik heel veel - een zegen. Een criterium, van geval tot geval toe te passen, met betrekking tot de innerlijke houding van de persoon die detectiveverhalen leest of wat mij betreft verslindt. Blijft hij passief, star, lijdelijk, een lamme zak in zijn leeshoekje, dan is het tijd voor een telefoontje, en Dresden en ik schieten toe om hem zijn liefhebberij met kracht van redenen als iets verwerpelijks af te schilderen, wij roepen: houd op! houd op! en hij houdt op. Stellen daarentegen Dresden en ik, na ons ijlings in experimen- | |
| |
tele psychologen veranderd te hebben, een redelijke mate van innerlijke activiteit bij hem vast: oplettendheid, paraatheid, frisheid van geest, beweeglijkheid der wilsfuncties, - hij moet b.v. in staat zijn een vlieg te vangen, die over zijn boek kruipt, zonder eerst uit de sporen van het dier te hebben opgemaakt, of het wel een vlieg ìs, - welnu, dan glimlachen wij bevredigd, staan hem nog een paar moorden toe, en dan kunnen we weer verder zien.
Hij moet dus ‘praktisch’ blijven, daar komt het wel op neer. Hij moet niet insluimeren, tenzij in zijn bed, zoals iedereen. De ‘detective’ als slaapbol, als drug, moet hij ver van zich werpen, steeds weer in zichzelf trachten te overwinnen. Maar, zegt nu een kritische lezer, hoe zou hij níet! De ‘detective’ hangt immers van praktische zaken aan elkaar; niets is concreter, werkelijker, daadwerkelijker, nergens wordt meer gehandeld, beraamd, opgemerkt, beslissingen genomen of uitgesteld volgens plan, dan juist in het sprookje van de misdaad! Ik zou blij zijn, als het zo was. Maar het is niet waar; althans is het niet waar, zodra de ‘detective’-gebruiker zijn innerlijke spankracht verliest en nog maar een dromerige aandacht over heeft voor zaken en feiten, die, hoe ‘praktisch’ ook op zichzelf, volledig over zijn hoofd heen gebeuren. Hij ziet ze wel, hij weet ook wel dat het feiten zijn, maar waarvoor hij alleen nog maar gevoelig is, dat is de gemechaniseerde regelmaat ervan, de wetmatigheid en berekenbaarheid, die hem, door de veiligheid die zij schijnen te beloven, steeds meer in slaap wiegen. In de mate waarin zijn aandacht voor de feiten zelf, de onherhaalbare, altijd weer nieuwe dingen van het werkelijke leven, verslapt, verslingert hij zich aan de ontzenuwende bekoringen van een pseudo-intellectueel nirvana. In dit nirvana gebeurt niets, omdat het altijd op dezelfde wijze gebeurt, hypnotisch gelijkmatig, zodat ieder spontaan initiatief gedood wordt en iedere wedergeboorte tot de realiteit verijdeld. Dàn wordt de lezer inderdaad door de
| |
| |
dood bedreigd, de dood van het schema, van het skelet. Het schema heeft hem in zijn deducerende en combinerende klauwen, en dit schema heeft géen symboolwaarde, zoals in het sprookje; het is nog maar een abstractie, een aftreksel van het verstand, dat zelf misschien niet anders is dan een nuttig aftreksel van het leven. Nu ja, dan is er ook niets meer met hem aan te vangen. Dresden en ik mogen hem bij de arm vatten, heen en weer schudden, meesleuren naar buiten, tot iedere prijs in beweging houden om hem van de detectivistische vriesdood te redden, zijn verstarde ledematen met brandewijn wrijven, hem toebrullen, dat wij toch zijn saneerders zijn, zijn geneesheren, zijn culturele leiders, - hij is een hopeloos geval geworden, en wanneer hij niet eens meer tegen ons lachen wil en wij hem nog maar slapjes horen lallen: ‘geef mij een moord’, dan laten wij hem aan zijn lot over en spoeden ons in onze witte jassen heen naar het volgende geval, dat méer belooft.
Wat is dat? Wie is dat? De actieve ‘detective’-lezer. Maar, zegt nu een andere lezer, houdt u mij ten goede, heren saneerders, wat moet die man dan doen, opdat hij uw goedkeuring verwerve? Moet hij door de kamer hardop lopen lezen? Moet hij, schrander als geen, de moorden zien aankomen vóor de detective? Moet hij alles prompt begrijpen en ontraadselen met zijn rusteloos brein? Neen, dat bedoelen wij niet. Het is in het geheel niet nodig, dat onze energieke modelleerling zich van zijn lijdzame broeder uiterlijk onderscheidt, en ook innerlijk is het verschil misschien niet zo aanzienlijk als men wel zou menen. Er is eenvoudig een verschil in richting: van de werkelijkheid af, en naar de werkelijkheid toe. Of naar het verleden toe, en naar de toekomst toe. Of, in symbolische geheimtaal: het verschil tussen de slaapbol en de slang. Dit alles vereist wel enige opheldering. Om met de slang te beginnen: ik heb in mijn detectivistisch bestiarium dit dier als laatste gekozen, niet om- | |
| |
dat het een crimineel slecht dier is, dat zondevallen beraamt, maar omdat het als kort begrip kan gelden van activiteit, initiatief en beweeglijkheid, terwijl ook de giftanden niet zonder diepere betekenis zijn. Inderdaad ligt het in onze bedoeling, dat de lezer van het detectiveverhaal, wil hij aan onze pedagogische eisen tegemoetkomen, ter stimulering af en toe van de slang gebeten wordt, niet èrg, maar wel zo dat hij het merkt, althans dat zijn organisme het merkt. Hij moet er net zoveel van merken als koning Mithridates. Hiermee doel ik op die oosterse potentaat uit de Oudheid, over wie ik in mijn boeken weinig heb kunnen vinden, - het is in geen geval Mithridates de Zesde, of de Grote, de tegenstander van Sulla, de Gelukkige, beiden formidabele moordenaars, zonder plot, - maar die een zekere bekendheid heeft verworven door het naar hem genoemde ‘mithridatisme’, i.e. ongevoeligheid voor vergiften. Mithridates, groot of gelukkig, om
het even, was zijn leven zo weinig zeker, dat hij zich immuun wilde maken voor alles waarmee men hem via maag of huid tot de vorige Mithridatessen zou kunnen verzamelen. Hij kon nergens van afblijven: arsenicum, nachtschâbessen en andere giftige bessen en bladeren en wortels, geheime middelen, slangen; hij slikte maar gif, en liet zich bijten, met mate natuurlijk, bijvoorbeeld door erg jonge slangen; en tenslotte werd hij werkelijk immuun, en moest toen wel op een andere manier aan zijn eind komen, hetzij door een onbekend vergift, waarin hij zich niet had kunnen oefenen, hetzij doordat men hem eenvoudig de hersens insloeg. Deze toxische virtuoos nu bracht mij aan het peinzen, want zijn moed en activiteit zijn al even onbetwijfelbaar als zijn gerichtheid op de toekomst: zijn eigen dood, die hij wilde verhinderen door zich onaantastbaar te maken met behulp van hele kleine beetjes dood. Men denke daar niet licht over. Van doseringen had men in zijn dagen nog maar weinig benul, zodat hij bij iedere proefneming datgene riskeerde wat hij juist wilde voorkomen.
| |
| |
Laten wij deze even roekeloze als vooruitziende vorst nu een rol spelen in onze detectivistische filosofie, dan stelt zich allereerst de vraag voor welk vergif de lezer zich immuun zou kunnen maken. Voor de doodsangst? Misschien; maar hier geldt in haar volle omvang Dresden's opmerking over het onserieuze karakter van het detectiveverhaal, zodra onze diepste aandriften, het wezen onzer persoonlijkheid, en de morele of metafysische grondslagen daarvan in het geding worden gebracht. Het detectiveverhaal is alleen serieus in het onserieuze en oppervlakkige: in de verloren voorwerpen en de inbraken, de verdwenen meisjes en de valsheid in geschrifte, de dreigbrieven, ontvreemdingen en zwendelarijen, waartegen dan de, wel iets talrijker, maar zorgvuldig van alle tragiek gezuiverde moorden nauwelijks afsteken als een totaal nieuw veld van misdadigerswerkzaamheden. Maar hoe nietig en onbeduidend ook, en vaak op het onbenullige af, van dergelijke incidenten, gevaren en onopgeloste raadsels hangt ons leven, zoals het in werkelijkheid geleefd moet worden, dan toch maar aan elkaar, en het wil mij voorkomen, dat de ‘existentiële’ angst minder bepaald wordt door een mysterieus ‘Niets’, dat trouwens filosofisch onhoudbaar is, dan door de kans, de uiterst geringe kans, dat er morgen op uw stoep een vent staat met een gummiknuppel, - en nog een paar duizend angsten van dit soort erbij, onzinnige angsten, hypochondrische muizenissen, maar toch onbewust werkzaam, en elkaar in het geniep versterkend, - en in zoverre ook weer níet onzinnig, dat het verschijnen van de man met de knuppel weliswaar onwaarschijnlijk is, maar toch niet volstrekt onmogelijk. Deze mogelijkheden, ‘praktische’ mogelijkheden ondanks alles, situaties waarin wij plotseling handelend moeten optreden en waarvoor geen algemene regels bestaan, bepalen de atmosfeer, waarin ons alledaags bestaan gebaad ligt; en daarom is het goed zich op deze dingen voor te
bereiden. Wie bedrogen wordt of gechanteerd gaat naar de politie; maar het
| |
| |
detectiveverhaal leert hem wat hij kan doen, wanneer er toevallig geen politie bij de hand is. Levert dit wellicht, achteraf, nog een verklaring voor de door Dresden ter sprake gebrachte animositeit tussen het politieapparaat en de detective, die vrijwel altijd een ‘dilettant’ is? Door ons te wennen aan alle vergiften tussen moord en een onvindbare tandenstoker, al die grote en kleine, meestal kleine belastingen van onze gemoedsrust, doen wij iets voor ons zelfvertrouwen, - voor ons moreel, dat eerder gesloopt wordt door steeds terugkerende speldenprikken dan door een verpletterende ramp. Mits op de juiste, d.w.z. niet mechanische wijze gelezen, is het detectiveverhaal een voortreffelijke leerschool in onze strijd tegen zaken die toch wel te gering zijn om met religieus of wereldbeschouwelijk aplomb te lijf te gaan. Het brengt ons niet alleen de energie bij om deze speldenprikken te voorkomen en hun gevolgen af te wenden, maar ook het geduld om ze te verdragen. Inspuitingen met Conanine maken ons net zo stoer en daadkrachtig als Sir Arthur Conan Doyle zelf was.
De overeenkomst tussen slaapbollengif en slangengif, en cocaïne en Conanine, blijkt nu wel illusoir te zijn: niet veel meer dan een woordspeling. Opium wiegt ons in dromen, en wie het detectiveverhaal zó leest, - zoals ik het als jongen las, - bevredigt alleen maar de behoeften, ontstaan uit oude traumata, al dan niet ingebeelde frustraties, slecht verdragen verlies en tegenslag, betreurde kinderlijke geborgenheid. Hij is naar het verleden gekeerd, en het detectiveverhaal, onromantisch, zo al niet in wezen, dan toch in techniek, lijkt nauwelijks het aangewezen voertuig voor deze al te lijdelijke dwaaltochten terug naar de bronnen. Als discipline daarentegen, als staling van de wil en de praktische nuchterheid is de omgang met het detectiveverhaal bij uitstek op de toekomst gericht, al is het dan geen glorierijke toekomst. Maar wie ervan leert hoe hij zich naar de grond moet bukken om uit vertrapte sigarettenpeukjes de sluippas- | |
| |
sen van een boef te reconstrueren weet tenminste, dat hij zich aan de zaken zelf houdt en zich niet vergaapt aan een charlatannerie van intellectuele, romantische of literaire surrogaten; en de volgende dag betrapt hij misschien zijn huisknecht die er met de kas vandoor gaat. Men is dan eerlijk tegenover zichzelf geweest, en de huisknecht gaat de nor in: twee voordelen. Ja, zéer veel voordelen biedt het detectiveverhaal toch wel, veel meer dan Dresden en ik in den beginne konden bevroeden, en het verheugt mij, na ons gezamenlijk en veelzijdig requisitoir te kunnen eindigen met een pleidooi, waarvan de welsprekendheid nauwelijks getemperd werd door de overweging dat men van de ‘detective’ nu ook weer geen wonderen mag verwachten.
|
|