| |
| |
| |
De lezer
Er bestaat vrijwel geen roman die niet geschreven is met de uitdrukkelijke bedoeling gelezen te worden. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties, zoals bij Kafka onder anderen het geval schijnt te zijn, bekommert de schrijver zich nauwelijks of in het geheel niet om het publiek. Hij wenst geen lezers en zijn schrijven is voor hem eerder uitdrukking van persoonlijke gevoelens, gedachten enz. dan mededeling van deze emoties aan anderen. Nu bestaat er in ieder taalgebruik een spanning tussen expressie en communicatie, maar het is duidelijk, dat deze spanning in de voorkomende gevallen lang niet even sterk is en er dus ook bijzonder grote verschillen tussen de schrijvers onderling kunnen voorkomen. Beschouwt men Kafka als een uitzondering waarbij de mededelende functie van het schrijven zeer gering is geworden, dan dienen de schrijvers van detectiveromans aan het andere uiterste geplaatst te worden. Voor hen is de uitdrukking van persoonlijke ontroeringen zo niet waardeloos dan toch een onbelangrijke bijzaak en het is deze auteurs in de eerste plaats te doen om het mededelen van een bepaald raadsel. Het publiek speelt voor hen dus een grote rol, zij richten zich, zoals ook reeds eerder beschreven werd, naar het succes dat zij gehad blijken te hebben en zij trachten dat op enigerlei wijze te bestendigen. Voor hen is de lezer van wezenlijke betekenis, en het is dus ook gewenst er naar te streven aan deze lezer, ook al blijft het noodzakelijkerwijs zeer algemeen en eigenlijk dus ook een abstracte lezer, aandacht te besteden. Misschien zelfs had men van begin af aan wel meer rekening moeten houden met deze ‘lezer’, die als men het zo mag uitdrukken voor de schrijver van detectives de macht in handen heeft. Zeker was het onvermijdelijk geweest zo te handelen als het in de bedoeling had gelegen iets als een
| |
| |
‘sociologie van het lezend publiek’ te beschrijven, aangezien hier immers een genre behandeld is, dat veel om niet te zeggen zeer veel gelezen wordt. Wat men hier ook van denken wil, een feit is dat ook bij een ander uitgangspunt de functie die de lezer van detectiveverhalen nu eenmaal heeft niet te verwaarlozen is en altijd het logische eindpunt der uiteenzettingen zal blijven.
Er is trouwens en passant al vele malen over deze algemene lezer gesproken en het is niet noodzakelijk daar nu weer op terug te komen. Wat wel gebeuren moet, is een kort onderzoek, ondanks alle gevaren van vage algemeenheden, naar de gesteldheid die karakteristiek is voor de lezer van deze verhalen en wel op het ogenblik dat hij ze leest. Misschien is er trouwens wel iets te zeggen over de groep van mensen die bij voorkeur detectives lezen. Met alle voorzichtigheid, die hier betracht moet worden, zou het bij voorbeeld mogelijk zijn te zeggen, dat de detectiveroman zeer geregeld gelezen wordt door intellectuelen. Zeker, het is niet gemakkelijk vast te stellen wie en wat een intellectueel is, maar het is, lijkt me, geen toeval dat eerbiedwaardige rectoren van gymnasia in hun kamer dikwijls een indrukwekkende hoeveelheid detectives hebben, en het is zeker geen toeval, integendeel het is in hoge mate karakteristiek, dat deze boekjes (zoals ik zelf eens heb kunnen constateren) op een heel vreemde plaats staan, namelijk achter alle mogelijke fraaie en belangrijke folianten. Laten we dit laatste voorlopig voor wat het is, dan blijft nog altijd het probleem over waarom juist zo vele intellectuelen zich tot deze verhalen aangetrokken voelen. In de eerste plaats kan hier dan herhaald worden wat reeds vele malen is opgemerkt: de detectiveroman wenst in de allereerste plaats een intellectueel raadsel te bieden, dat bovendien (zulks in tegenstelling tot de meeste intellectuele problemen!) volledig oplosbaar en doorzichtig zal blijken te zijn. De intellectueel vindt hier dus een ideale situatie van zijn dagelijks werk en verge- | |
| |
noegt zich in de mogelijkheden die het menselijk verstand klaarblijkelijk heeft. Hij begeeft zich in een bepaalde zin niet buiten de sfeer van wat hij ieder uur van de dag bedrijft; alleen heeft hij tijdens zijn lectuur de absolute zekerheid dat het onderzoek van de detective (waaraan hij in zó sterke mate deel
heeft dat het zijn eigen onderzoek schijnt te worden) ook de vereiste resultaten zal hebben. De intellectueel kan als lezer herhalen wat de archeoloog en amateur-detective van Dilwyn Rees beweert: ‘that's what I do all my life. I find some pottery or some metal work in some strange place and I have to explain how they come to be there’.
Naar de legende wil, kan bij een dergelijk strikt rationeel onderzoek geen sprake zijn van een emotie in welke vorm dan ook. De meeste intellectuelen staan, zegt men, nogal huiverig tegenover ontroeringen en hartstochten, en wensen daaraan althans in hun werk niet toe te geven. Zij zouden immers aan de koele objectiviteit en controleerbaarheid van hun werk te kort doen! Een soortgelijke ‘houding’ vinden zij in het detectiveverhaal terug. Zij hebben dus geen behoefte aan de sentimentele, overgevoelige of vals gevoelige keukenmeidenliteratuur, die Vestdijk op zijn beurt in bescherming neemt, maar zij willen, zoals hij terecht zegt, het emotionele nulpunt bereiken waar bij gevolg geen enkel beroep op hun gevoelens gedaan zal worden en alleen hun verstand, het logische ‘combineren en deduceren’, in werking behoeven te treden. Zij houden van het detectiveverhaal omdat dit genre hun tot in de perfectie voorzet wat zij ook in hun eigen werk zouden willen bereiken: een volmaakte neutraliteit der emoties. Bij de moorden huiveren zij zonder schrik en zonder fysieke rilling; de gevaarlijke, diepe liefde is altijd afwezig en elk menselijk mysterie wordt snel ter zijde geschoven. Zo is alles wat ook maar enigszins het gevoelsleven in beroering zou kunnen brengen onderdrukt, en de intellectueel aanvaardt dit dankbaar.
| |
| |
In de detectiveroman vindt hij bovendien niet alleen een emotionele, maar ook een ethische neutraliteit. De grote en belangrijke vraagstukken van recht en moraal vinden nooit of te nimmer een oplossing in dit soort verhalen en worden ook maar zelden gesteld. In zijn zuiver wetenschappelijke arbeid houdt de intellectueel zich ook veelal verre van deze vragen. Op deze wijze vindt hij dus in zijn lectuur een ‘wereldbeschouwing’ die hem zeer goed bekend is en die hij altijd tot de zijne tracht te maken. Hij wenst, evenals de detective, ‘detached’ te zijn en zich van een zekere afstand bezig te houden met het menselijk gebeuren. Het behoeft vermoedelijk niet nadrukkelijk betoogd te worden, dat de intellectueel, die hier getekend wordt, een typisch XIXe eeuwse verschijning is, dat hij, zoals de kunstenaar zich in zijn ‘ivoren toren’ terugtrok, in het studeervertrek leefde en zich daar dikwijls op een andere planeet waande, waardoor het hem mogelijk was de werkelijkheid en het leven met de zo zeer gewenste objectiviteit te beschouwen zonder dat hij genoodzaakt was aan dit leven deel te nemen. Aan deze situatie is in de loop van de XXste eeuw een einde gemaakt, maar het valt niet te ontkennen, dat vele intellectuelen en talrijke kunstenaars, die enerzijds volkomen bereid zijn hun sociale en menselijke verantwoordelijkheid te aanvaarden ja zelfs te eisen, anderzijds toch ergens een soort van heimwee behouden naar de tijden, waarin het hun toegestaan en mogelijk was hun werk ongestoord en zonder te denken aan de consequenties uit te voeren. Graag zouden velen deze afzijdigheid terug zien. Zij vinden haar in de detectiveroman! De detective, die naar een oplossing speurt alleen en uitsluitend ter wille van de oplossing, die zich niet bezig houdt met de officiële rechtspraak, biedt hun het type bij uitstek van de ‘speler’ die niet verantwoordelijk is en dikwijls spijt heeft van de gevolgen die zijn spel voor de
misdadiger blijkt te hebben. In het lezen van een detectiveroman openbaart zich dientengevolge
| |
| |
bij de intellectueel een (sociaal overigens nauwelijks te rechtvaardigen) verlangen naar wat hij als de ideale situatie voor zijn werkzaamheden beschouwt.
Als het daarbij blijft en de intellectueel door deze ontspanning juist de mogelijkheden herkrijgt zijn eigenlijke werk op verantwoorde wijze te doen, dan zijn het genoegen en de ontspanning die de detectiveroman hem bieden, op zich zelf onschuldig. Maar aan deze onschuld is voor welke lezer ook juist zeer getwijfeld. Den Haan meent, dat de lezer zich in zekere mate met de detective identificeert (wat nauwelijks te ontkennen valt) en dientengevolge bepaalde eigenschappen vertoont die psychologisch en ethisch niet zeer hoog aangeschreven staan. Nagel volgt hem daarin en komt op zijn beurt zelfs tot de uitspraak, dat ‘de lezer van detective stories een lyncher is, niet meer en niet minder’. Weliswaar behoeven we ons niet onmiddellijk zeer ongerust te maken. Het zal immers de bedoeling zijn, dat deze lezer zijn onderdrukte sadistische hoedanigheden in zijn lectuur en daardoor juist niet in de werkelijkheid uitleeft. Maar zelfs op deze wijze is het al erg genoeg: de vraag is alleen in hoeverre het waar is. In het algemeen moet toegegeven worden, dat iedere lezer zijn eigen emoties en alles wat hij niet kan, niet wil of niet durft met verbijsterend gemak projecteert in de boeken die hij bij voorkeur leest. Als nu blijkt, dat de helden van deze boeken juist wel uitvoeren wat hij niet doet, dan ligt de gevolgtrekking dat de lezer weliswaar niet zo handelt, maar wel op dezelfde wijze zou willen handelen en misschien zo denkt, toch zeker voor de hand. Het valt evenmin te ontkennen, dat in ieder mens en dus ook in de lezer van detectiveromans sadistische trekken aanwezig zijn. Maar mag men hieruit de conclusie trekken, dat deze bij enthousiaste lezers sterker zijn of dat hij er minder weerstand aan zou kunnen bieden? Het lijkt me, dat dit te ver gaat en de argumenten, die men daartoe zou kunnen aanvoeren, zijn toevallig al door Vestdijk
| |
| |
bij een andere gelegenheid genoemd. Het is zeker niet waar, dat regelmatige lezers van pornografie ook in werkelijkheid grote minnaars zijn. Integendeel, geen van hen is een echte Don Juan te noemen, hun liefdeleven uit zich op een heel bepaalde wijze, die hier verder niet ter zake doet, en wordt meer en meer vervangen door een lezen over en kijken naar de liefde. Daarbij verdwijnt dus het actief en handelend optreden of het wordt, zo men wil, verdrongen en in een hoek gedreven door een veel ‘theoretischer’, eventueel ‘abnormaal’ maar in ieder geval gedistantieerd beschouwen. Zo is zelfs het sadisme van de lezer, die in Mickey Spillane de beste schrijver van detectives vindt, nog altijd zeer ver verwijderd van wat wij gewend zijn sadisme te noemen. Juist door het lezen (en eventueel kijken) treden geheel andere vormen van psychische verschijnselen op, die overigens tot nu toe slecht en onnauwkeurig onderzocht zijn. De identificatie van de lezer met wat hij leest is nooit volledig, zij gaat vrijwel nooit tot reëel handelen in de gewone werkelijkheid over, maar blijft eigenlijk altijd in een zekere vorm van spelwerkelijkheid bevangen. Een voorbeeld daarvan zou het bekende feit kunnen zijn, dat sommige lezers zich gaan kleden, handelen en spreken als de fictieve personen die zij in hun lectuur ontmoet hebben. Zoals gezegd, zijn dit al grensgevallen en gaat de identificatie slechts zelden zo ver.
Hoe dit ook moge zijn, men heeft juist in de enorme aftrek, die sadistisch gerichte detectiveverhalen tegenwoordig vinden, een veeg teken voor onze tijd en natuurlijk voor onze hedendaagse jeugd willen zien. Het morele gevaar zou groot zijn voor lezers, die een zo duidelijk genoegen vinden in bloederige scènes, in martelingen en afschuwelijke moordpartijen. Laat het zo zijn, er blijft een ernstig misverstand bestaan wanneer men zou denken, dat het vroeger zo heel anders geweest is. Mme de Sévigné beschrijft voor haar dochter een terechtstelling en zegt: ‘Jamais il ne s'est vu tant de monde, ni Paris si
| |
| |
ému ni si attentif; et demandez-moi ce qu'on a vu, car pour moi je n'ai vu qu'une cornette; mais enfin ce jour était consacré à cette tragédie. J'en saurai demain davantage, et cela vous reviendra. On dit que le siège de Maestricht est commencé...’ De woorden ému en tragédie worden gebruikt, maar deze dood in het openbaar is toch niet veel meer dan een fait-divers; en toch spreekt hier een gevoelige, intelligente en zeer beschaafde vrouw uit die grootse en majestueuze periode van het Franse classicisme. Men zou vele voorbeelden kunnen geven van de grote belangstelling die openbare onthoofdingen trokken bij de bevolking.
Dat is hier niet de bedoeling. Slechts één vraag: is het niet opmerkelijk, dat de publieke terechtstellingen pas in de tweede helft van de XIXe eeuw van de straat verdwijnen, dat wil zeggen juist op het ogenblik dat de detectiveverhalen met hun moorden in de mode beginnen te komen? Blijkbaar heeft men altijd behoefte aan een soort van griezelen, dat geen risico's met zich meebrengt en op een zekere afstand beleefd kan worden. Misschien is het dan ook niet noodzakelijk juist onze tijd te beschuldigen; in feite kan dit alleen geschieden door onkunde ten opzichte van wat vroeger gebeurde.
Laten we dus terugkeren tot de lezer van detectiveverhalen, die even schuldig-onschuldig is als degenen, die zich vroeger verdrongen om te huiveren van andermans dood of tegenwoordig met angstige belangstelling staan te kijken bij ziekenauto's. Meer dan zij houdt de lezer zich op een afstand, hij speelt in de eerste plaats een spel mede waarbij dergelijke troebele emoties bijna niet optreden. Het is dan ook tijd tot een geheel ander aspect van dat lezerschap over te gaan. Bij ieder spel is namelijk een element van wedijver aanwezig, en men heeft uiteraard niet geaarzeld dit element te betrekken in de bekoring, die voor velen van de detectiveroman uitgaat. Volgens Du Perron bestaat er altijd een wedijver tussen lezer en detective, waardoor zelfs de identificatie
| |
| |
van beiden op de duur mogelijk wordt. Naar de mening van anderen zou eerder aan een rivaliteit tussen schrijver en lezer gedacht moeten worden, terwijl de detective in deze ‘strijd’ een minder grote rol zou spelen. Zonder onmiddellijk hierin een beslissing te nemen, is het duidelijk, dat volgens allen sprake is van een spel waarin er naar gestreefd wordt de oplossing het eerst te vinden. Het spreekt dus ook van zelf en het bleek al eerder dat er voor dit spel bepaalde regels bestaan. De lezer behoeft nooit bang te zijn dat zekere gebeurtenissen, die als oneerlijk beschouwd worden, plaats zullen vinden. Niemand neemt meer dan de schrijver van detectives de plicht van het ‘fair play’ in acht. En toch is het vreemd om niet te zeggen onbegrijpelijk dat bij dit genre ook maar gedacht kon worden aan eerlijk spel. De lezer weet immers altijd van te voren, dat hij het verliezen moet; hij kan nooit anders doen dan de schrijver volgen. Deze echter kent de oplossing van te voren en heeft in ieder geval alle troeven in handen. Daarvan schenkt hij de lezer wat hij wil en ook nog in de vorm die hij wil. Het lijkt dus wel duidelijk, dat de lezer zich voortdurend moet laten leiden en er in dit opzicht niet over gelijkwaardige spelers gesproken kan worden. Blijft de mogelijkheid over, dat de lezer rivaliseert met de detective in een werkelijk volgens de regels gespeeld spel. Maar ook hier bedriegt de schijn: de lezer mag dan al soms de indruk hebben, dat hij vlugger, scherper en nauwkeuriger denkt dan de detective, in werkelijkheid heeft de schrijver ook dat meestal gewild en altijd is de detective niets anders dan een marionet in de handen van de schrijver. Meent de lezer dus dat hij met de detective een wedstrijd speelt, dan heeft hij nog altijd met de schrijver te maken.
Laat ons trouwens vast stellen, dat vrijwel geen enkele lezer van detectives zich ook maar in het minst bekommert om al deze aangelegenheden. Hij wil zich amuseren en zich ontspannen, en deze verhalen worden dan ook
| |
| |
geschreven met amusement als enig doel. Maar waarom ontspannen zo vele mensen zich bij dit genre? Daarop lijkt het antwoord eenvoudig: de detectiveroman is een ‘escape’. De lezer ontvlucht de werkelijkheid en komt in de sprookjeswereld van het moderne heldendom en bovendien kost dit amusement hem niet de minste inspanning. Het is hier niet de plaats om in te gaan op de psychologie van het amusement; alleen mag gezegd worden, dat de gemeenplaats die wil dat geen enkele inspanning met amusement verbonden mag zijn niet altijd en overal bevestigd kan worden. Bij de detectiveroman is dit voor de lezer echter wel het geval. Geen emoties, geen ingewikkelde morele problematiek, enkel en alleen een intellectueel raadsel met de absolute zekerheid bovendien, dat ook als de lezer alleen maar bereid is te lezen en geenszins met wie dan ook te wedijveren, een oplossing ja de oplossing altijd zal komen. De lezer behoeft als hij niet wil geen enkele moeite te doen, de oplossing wordt hem toch wel geboden en hij kan zich altijd nog verbeelden er iets voor gedaan te hebben. Het detectiveverhaal wordt dan ook niet alleen een vlucht uit de gewone werkelijkheid (wat iedere roman in zekere zin is), maar voor de intellectueel bovendien ook nog een escape uit zijn werk. Dit lijkt een flagrante tegenspraak tot wat eerder gezegd werd: toen bleek de detectiveroman juist een ideale situatie van het intellectuele werk te vertegenwoordigen. Deze tegenstelling is toch alleen schijnbaar: de moeilijkheid schuilt juist in het woord ‘ideaal’. De detectiveverhalen vormen inderdaad een soort van intellectuele arbeid, maar het meest wezenlijke van deze arbeid, misschien zelfs wel het typisch intellectuele, ontbreekt er volkomen aan, namelijk de moeite die men doen moet om tot de oplossing te komen en de pijnigende onzekerheid die altijd weer gewekt wordt door de vraag of er wel een oplossing en een onbetwijfelbaar resultaat
bestaan. Alleen door deze onzekerheid volledig weg te nemen is de detective- | |
| |
roman een ideale vorm van intellectueel werk en tegelijkertijd een vlucht daaruit. Daarom ook zullen deze verhalen op de boekenplanken dikwijls achter serieuze romans gezet worden. De lezer geneert zich eigenlijk een beetje voor deze lectuur, en hij behoeft dat niet te doen om hun geringe literaire betekenis (nogmaals: zij zijn bijna altijd uitstekend geschreven), maar hij weet of hij voelt, dat zijn ontspanning ondanks alle pretenties van ‘fair play’ niet helemaal eerlijk is, dat hij een zekerheid bezit, die alleen op enkele afspraken berust, dat het werkelijk menselijke in zijn spel niet meetelt en hij met ledepoppen genoegen neemt.
De lezer vermaakt zich in een rustige zekerheid, omdat alles terecht zal komen. Hij leeft voor enkele uren in een wereld waar het huiveringwekkende niet erg is en de dood een behaaglijk uitgangspunt voor het raadsel dat opgelost moet worden. In kalme spanning volgt hij alle avonturen, die marionetten, geleid door de schrijver, voor hem opvoeren. En diep in de nacht, als de laatste bladzijde gelezen is, weet hij voor de zoveelste keer wat hij dank zij deze romans al lang wist: de wereld is doorzichtig, elke oorzaak heeft begrijpelijke gevolgen, het goede overwint. Het zijn de tijdelijke zekerheden van een sprookje. Maar hij voelt zich gelukkig en tevreden: ontspannen valt hij in slaap.
|
|