| |
| |
| |
De grote teen en de keukenmeid
Dat Dresden mij in zake de literaire betekenis van het detectiveverhaal de beslissing laat, verheugt mij niet alleen door het in mij gestelde vertrouwen, maar ook omdat het mij de gelegenheid biedt enkele verspreide opmerkingen over dit thema samen te vatten, of er mij zo nodig van te distantiëren. Dit laatste lijkt mij vooral nodig met betrekking tot alles wat ik tot nog toe in het wilde weg beweerd heb ten nadele van de ‘detective’, die ik zo deerlijk hoonde met mijn aanhalingstekens. Kennelijk werd dit typografisch schelden al te zeer door mijn onbeheerst affectleven bepaald. Ik had, dat begreep een kind, persoonlijke grieven tegen de ‘detectives’, maar alleen de heel slimme kinderen konden begrijpen, dat deze grieven in werkelijkheid mijzelf golden. Te moeten schrijven over een onderwerp, dat men niet beheerst is een hachelijke zaak; men doet alles om dit compromitterende feit aan het oog te onttrekken, door middel van speelse uitweidingen, schampere filosofemen, erudiete ontboezemingen; maar aan het zelfverwijt ontkomt men niet, en steeds voelde ik de schande branden, dat mijn voorstudies zich hadden bepaald tot het bekijken van de ruggen van de in mijn bibliotheek aanwezige detectiveverhalen, mijn eigen vertalingen incluis. En ze keken nog terug ook, die ruggen, ze keken me met de nek aan! Wie zou niet tegen zulke ingebonden gewetens gaan uitvaren, lasteren, insinuaties rondstrooien? Iedere steek, door Dresden aan deze papieren sfinxen toegebracht, gaf mij dat heerlijke leedvermaak van bij mijzelf te kunnen zeggen: ‘Zie je wel, het blijkt dan tòch niet nodig te zijn geweest mij te documenteren, dit literaire rapaille verdient niet beter...’
Maar nu doet hij dan een beroep op mijn onpartijdigheid. De bal terugkaatsend, zou ik een soortgelijk probleem
| |
| |
willen opwerpen ten aanzien van een heel ander, even twijfelachtig, en nog veel bedenkelijker ‘literair’ genre: de pornografie. Ook op dit gebied ben ik meer een kind in de zonde dan een connoisseur; maar indien het al waar is, dat ik weinig pornografie gelezen heb, en nog minder geschreven, het kost mij toch betrekkelijk weinig moeite mij pornografie voor te stellen, en reeds dit gemak zou erop kunnen wijzen, dat de onderbuik alleen tot het scheppen van ‘literatuur’ kan leiden in de verbeelding van enthousiaste geilbaarden. Nog gemakkelijker zou het mij vallen mij een beeld te vormen van een etage hoger: de bovenbuik, pseudoliterair vertegenwoordigd door culinaire romans, verhalen die onze eetlust overdreven moeten bevredigen of scherpen, apocalyptische koksvisioenen, gargantueske vreetnovellen, en wat dies meer zij. Voor de technische kant van de zaak volstaat het neuzen in een goed kookboek of desnoods in Werumeus Buning, en verder speelt alles zich af op een simpel en dierlijk niveau, dat op de literaire geschooldheid enkel een beroep doet ter opsmukking van iets waarin de maag het eerste en het laatste woord zal hebben. Ook dit geen literatuur dus.
In de detectiveroman, zegt Dresden, zijn de sfeer, de psychologie, de beschrijvingskunst maar onwezenlijke toegiften, die gemist kunnen worden en die niet over het probleem ‘al dan niet literatuur’ mogen beslissen. Zo draagt ook de literaire inkleding van de pornografische romans, b.v. die van Pierre Louys (ik las hem nooit, stil maar), misschien bij tot het geestelijk genot, maar niet tot het ophitsen der zinnen, ter wille waarvan pornografie toch in het leven wordt geroepen, - integendeel zelfs, komt mij voor. Ik ga nog een stap verder. In wezen is pornografie onliterair op dezelfde manier als - Dresden noemde het voorbeeld - het publiceren van een plukje haar of een bebloed lapje in het kader van een ‘detective’ onliterair is, want iedere gebruiker van pornografie geeft, als hij zijn hart laat spreken, de voorkeur aan
| |
| |
stuitende prenten boven een verhaal waar hetzelfde instaat. Stuitende prenten zijn dan ook mijn lust en mijn leven, en ze mogen gerust grof en liederlijk en onkunstzinnig zijn, al herinner ik mij, dat een niet nader aan te duiden ‘Port-Saïd-foto’, die mijn verpleger aan boord mij met een verheerlijkt gezicht toonde, - ‘dokter, nóu moet u 's kijken! - alleen maar mijn gaaplust opwekte, maar dit kan aan het klimaat hebben gelegen, en in de buurt van het Suezkanaal lijden wij blanken wel eens vaker nederlagen. Hoe dit zij, dat een dergelijke verzintuiglijking van de romaninhoud mogelijk is, pleit toch wel tegen het ‘literaire’ van het genre dat ertoe uitnodigt. En het mag dan waar zijn, dat in beginsel iedere roman te vervangen zou zijn door een ‘beeldroman’ van dezelfde inhoud, met het oeuvre van Dostojewski, Proust, Henry James, Huxley, Van Schendel, zie ik dat nog niet dadelijk gebeuren. Er zou, om te beginnen, veel te veel tekst naast de plaatjes komen te staan. Maar met de detectiveroman is het heel goed te doen. Met de culinaire roman ook. Men smeert de bladzijden met ossenjus vol en dergelijke.
Wat hebben deze drie genres, het pornografische, het culinaire en het detectivistische, nu met elkaar gemeen? Het zijn limietgevallen, dat is duidelijk. Hoe men de grens met de schone letteren ook wil trekken, altijd lopen zij kans er een beetje overheen te puilen met hun bolstaand achterwerk, waar Dresden en ik dan tegenaan kunnen trappen. Wat hebben zij gemeen? Zij hebben gemeen, dat zij, niet in de wijze van literaire of wat mij betreft onliteraire woordbehandeling, maar naar hun gehele wezen en opzet, zich hebben gespecialiseerd in iets dat van het leven wel een bepaalde facet uitmaakt, maar dat de gevaarlijke strekking heeft al het andere te overwoekeren, zodat er voor de volledigheid van leven, de totaliteit van het menselijk bestaan, geen ruimte meer overblijft. Zoals een specialist in paleontologie zich tenslotte niet meer voor paarden en koeien interesseert, de
| |
| |
kenner van het leven van Julius Caesar niet meer voor Napoleon, Hitler, Stalin of Nasser, de postzegelverzamelaar niet meer voor girobiljetten en telegrammen, zo lopen de verslaafden aan een der drie genoemde genres de kans van te vergeten, dat zij nog iets meer zijn dan alleen maar geslachtsorgaan, maag of intellect. Op zichzelf is dat niet zo erg, maar het maakt hen in de strijd om het bestaan al te kwetsbaar, aangezien iedere aanval en iedere beproeving, waaraan wij in het leven blootstaan, een beroep doen op onze integrale persoonlijkheid en niet maar op een onderdeel ervan. De gespecialiseerde schrijvers zijn er nog erger aan toe. Een dienend orgaan usurpeert bij hen alle andere functies. Een instrument matigt zich de allures aan van de meester. Zij zijn de horigen aan voortplanten, eten of logisch denken. Interessante natuurspelingen zijn zij, hoogst gedifferentieerde wezens; maar als zij niet oppassen, worden zij museumstukken, en het vermaak, dat zij hun cliëntele leveren, wordt zo prompt door oververzadiging gevolgd, dat zij blij moeten zijn niet ook nog uit het museum te worden gegooid, - het museum der letterkunde bijvoorbeeld.
Houdt men zich dit nadeel der gespecialiseerdheid van het detectiveverhaal - om mij daar verder toe te bepalen - goed voor ogen, dan blijkt de vraag ‘literatuur of geen literatuur’ eigenlijk niets anders te zijn dan een rationaliserende vermomming van die dieper gelegen vraag: hoe verweer ik mij tegen iets dat de gehele mens opeist, wederrechtelijk, en met schade voor mijn welbevinden? Hoe houd ik mij het geïsoleerd werkend verstand van het lijf? Hoe neem ik wraak op de grote hersenen, die mij willen doen geloven, dat zij alles van mij zijn? Anders gezegd: de neiging om de ‘detective’ buiten de literatuur te stoten is een min of meer toevallige uiting van een protesthouding, die niet zozeer de ‘detective’ geldt als wel het algemeen gevaar der psychische afsplitsingen. Iemand die zijn romans en verhalen zou wijden aan de grote teen, zouden Dresden en ik precies even wan- | |
| |
trouwend bejegenen. Ik stel voor, dat Bert Bakker ons daar de volgende maal een boekje over laat schrijven. Met aparte hoofdstukken over de nagels, het vuil, de eeltplekken, het lopen op de grote teen, het zuigen op de grote teen, de beweging, voortplanting, voeding en bijvoeding van de grote teen, etc. etc. Tenslotte is de orteillistische literatuur nog nooit behoorlijk in al haar aspecten en structuren behandeld. Of literatuur? Nu goed, wij zouden natuurlijk bewijzen, dat het helemaal geen literatuur is.
Merkwaardig is het, maar niet onverklaarbaar, dat wèl het gespecialiseerde denken met literaire pretenties onze geprikkelde achterdocht pleegt gaande te maken, maar niet, of in veel mindere mate, het gespecialiseerde voelen, zoals dit b.v. in een sentimentele liefdesroman op keukenmeidenniveau aan de dag treedt. Het viel mij op, dat Dresden de Kitsch, waartoe dit genre behoort, zo al niet in bescherming nam, dan toch minder principieel veroordeelde dan de detectiveroman. Zeer terecht, lijkt mij. Het is slechte literatuur, of schijnliteratuur, het is geen niet-literatuur. Want ook in zijn meest goedkope, meest gemechaniseerde uitingen vertegenwoordigt het gevoel altijd nog een volledigheid van reageren, die als zodanig wel niet aan het specialisme, maar wel aan de fnuikende gevolgen ervan met goed gevolg weerstand weet te bieden. Anders dan het verstand, is het gevoel zèlf een totaliteit; zelfs in keukenmeidenvorm straalt het uit tot in onze geheimste schuilhoeken en onderhoudt verbindingen met alle kanten van ons wezen. Ziet, wij zetten ons naast de keukenmeid, en slaan een blaadje mee om, en het wordt ons warm en vredig te moede, en wij zijn verre, hoop ik, van de fatale afsplitsingen van het culinaire, het seksuele of het detectivistische, al behoort het, wat dit laatste betreft, in het geheel niet tot de onmogelijkheden, dat onze leesgezellin ons op een later uur ‘De moord in de husarenkazerne’ toeschuift. Maar dat wijzen wij van de hand, Dresden en ik, stel je voor dat wij ons door haar tot
| |
| |
de misdaad zouden laten verleiden. Dat andere boekje evenwel, vóor haar op de ruwhouten tafel, dàt heeft ons vertederd. En wij verklaren, in de keuken, reeds in haar bijzijn, terwijl wij haar helpen haar door de opwinding van het lezen al te zeer prangende corsage te ontsluiten, wij verklaren, luid en triomfantelijk, dat ‘Rita, het gevallen weesmeisje’, waarvan wij over haar schouder kennisnamen, dichter bij Proust staat dan het meesterlijkste detectiveverhaal!
Met het gevoel kan men literair geen kwaad. Sentimentaliteit is minder gevaarlijk dan tien moorden voor een dubbeltje. Zelfs bestaat de mogelijkheid het gevoel te behandelen op de wijze van het verstand, op volmaakt koude en constructieve wijze, haast als in een detectiveverhaal, zonder dat wij de neiging bespeuren de aldus tot stand gekomen produkten de literaire kroon van het hoofd te rukken. ‘Les liaisons dangereuses’ van Laclos hangt eigenlijk met dezelfde ijzerdraadjes aan elkaar als een uitgekookt moordverhaal; maar de marionetten, die ons hier tegemoettreden, hebben andere zorgen dan het oplossen van criminele raadsels, en de marionettenspeler werd door hartstochten verteerd, en wanneer hij de poppen aan het dansen brengt, voeren zij toch altijd nog het leven op, volledig, zij het ook gestileerd naar het model der rationalistische onvolledigheid.
Het verstand, dat zelf splitst, láat zich ook afsplitsen. Of is dit laatste alleen maar beeldspraak, ter veraanschouwelijking van psychische verschijnselen, waarvan wij het rechte nog niet weten? Anti-intellectualisten, die over ‘gespletenheden’ orakelen, dienden te bedenken, dat psychologie en psychopathologie ons over deze zaken nog maar weinig betrouwbaars hebben geleerd. Dat een schizofreen meer ‘gespleten’ is dan een gezonde, zou alleen maar kunnen betekenen, dat hij op een àndere, ongewone manier gespleten is. Dit neemt echter niet weg, dat wij van nature geneigd zijn juist het verstand met splitsing en splitsbaarheid in verband te brengen, en dit heeft stellig ook zijn betekenis.
| |
| |
Van het fenomeen der afsplitsing kan men zich het best een denkbeeld vormen door zich iemand voor te stellen, die door een zwaar gemoedsconflict wordt geteisterd en onderwijl bezig is volkomen werktuiglijk rekensommetjes te maken. Tussen het een en het ander ontbreekt iedere samenhang, zo op het oog tenminste, want het is heel goed denkbaar, dat dit mechanische optellen en aftrekken aangegrepen werd om de moeilijkheden draaglijker te maken, terwijl het bovendien met de inhoud der emotionele beslommeringen in verband kan staan, door cijfersymboliek, of hoe dan ook. Het blijft dus vrijwel ondoenlijk om een ‘splitsing’ als zodanig aan te tonen, aangezien een speculatieve geest altijd kan beweren, dat er in het geheel geen splitsing is. Daarom verdient het aanbeveling een ander kenmerk als maatstaf te nemen, nl. het gemis aan belangstelling, de onverschilligheid. De man die midden in de storm van zijn gevoelens doodleuk zit te rekenen, houdt zich onledig met iets dat geheel buiten hem om gaat, en op grond van deze aantoonbare ongeïnteresseerdheid besluiten wij dan, hypothetisch, tot een of andere ‘splitsing’. Hetzelfde zien wij bij de schizofrenie. Hiervan is de vrijwel algehele afstomping een der indrukwekkendste symptomen, terwijl de ‘gespletenheid’, waaraan deze ziekte haar naam ontleent, eigenlijk niet boven het niveau uitkomt van een interessante theorie, die schipbreuk moet leiden op het feit dat iedere onsamenhangendheid of tegenstrijdigheid in denken of handelen schijnbaar kan zijn en achteraf volgens een andere theorie altijd wel begrijpelijk kan worden gemaakt. Gemis aan belangstelling daarentegen kan men níet wegverklaren. Tenslotte doen deze overwegingen ons ook nog begrijpen waarom het gevoel veel moeilijker ‘afgesplitst’ kan worden dan de verstandelijke werkzaamheid. Volgens de boven verdedigde zienswijze zou afsplitsing van het gevoel immers betekenen, dat men in zijn eigen gevoel
geen belang meer stelt. Maar daarmee zou het automatisch ophouden te
| |
| |
bestaan; en waar geen gevoel meer is daar kan ook geen gevoel worden afgesplitst.
Zonder een tendentieuze parallel tussen de detectiveverhalen en de schizofrenie te willen trekken, dien ik toch te wijzen op het verstarde, verengde, verarmde, dat aan een literatuur eigen is, die even goed anti-literatuur kan worden genoemd, omdat stereotiep toe te passen constructies, in woorden neergelegd, misschien nog wel tot de ‘letteren’ behoren, maar niet tot de ‘levende letteren’, wanneer ik mij zo uitdrukken mag. In zijn meest kenmerkende verschijningsvormen behoort de ‘detective’ op en top tot de dode literatuur. Een dode literatuur, die bovendien dan nog over de dood handelt. Hiermee, komt mij voor, onthult zich een zinrijker samenloop dan waar zulk een woordspeling gewoonlijk aanspraak op maakt. De moorden in het detectiveverhaal, die normaliter bij iedere lezer een intensieve emotie, t.w. de doodsangst, zouden moeten ontketenen, maar dit niet doen, of niet meer doen, deze moorden zijn, behalve eind- en beginpunt van de intrige, tevens de olie die het apparaat glad doen functioneren, buiten iedere persoonlijke betrokkenheid van de lezer om. Wie namelijk voor de doodsangst is afgestompt - en wie dit niet is, zij het dan ook tijdelijk, grijpt niet naar ‘detectives’ - die is ook afgestompt voor al het andere. Het ontbreken van de liefde in het detectiveverhaal is dus alleen maar consequent te noemen. Niet omdat de liefde ‘de aandacht zou afleiden’, wordt zij geweerd, maar omdat de lezer, wil hij een goed lezer zijn, op het emotionele nulpunt moet zijn beland, in de uiterste periferie van zijn gemoedsleven, waar hij een beetje zit te wurmen met zijn grote teen, om dit onbeduidende lichaamsdeel nog even in overdrachtelijke zin te misbruiken. Een nogal necrotisch, nogal zwart geworden grote teen, een orteillistisch schandaal; och arme, het ding is bevroren. Maar dat is geen bezwaar, want de dood door bevriezing, zegt men, gaat gepaard met weinig ongemakken.
| |
| |
Overigens kan men de detectivisten alleen maar bewonderen om de feilloze zekerheid, waarmee zij de dood tot de alpha en omega hebben gemaakt van hun veelverkochte geesteskinderen. Want niet alleen dat de doodsangst een zeer machtige en alles overheersende emotie is, zij is ook, schijnbaar in tegenspraak daarmee, de emotie die zich het gemakkelijkst laat ontveinzen, gericht als zij is op een toestand, die wij nooit zullen ervaren en die ons derhalve persoonlijk ook niet aangaat. In mijn tweede stuk werd hier reeds het nodige over gezegd. Specialisten van het denken, zijn deze Dorothy's en Agatha's tevens experts in het beveiligen van dit denken voor de smartelijke overweging dat er eens een tijd zal komen dat wij niet meer - niet eens meer - zullen kúnnen denken. Een specialisme in een specialisme, kringen binnen kringen, tot waar het binnenste kringetje in extreme eenzelvigheid tot een punt ineenkrimpt en in het gapende Niets verdwijnt. Triomf van de menselijke geest! Zelfverloochening van de bedienaren des onliterairen woords! Want al moet men zich niet voorstellen, dat deze lieden voortdurend mée zitten te verdwijnen, in dat Niets, zij ontzeggen zich, in ijzeren zelfdiscipline, toch heel wat geneugten die minder gespecialiseerde scribenten de hunne mogen noemen. Zij zijn de ware vaklieden, de antidilettanten, de ernstigen en verantwoordelijken in de kleine maatschappij der letterkunde, waar zij dan bovendien nog met schele ogen worden aangekeken. Maar geef míj toch die sentimentele keukenmeid maar. Over haar schouder, òp haar schouder, is het althans plezierig indommelen, heerlijk wegdeinen, terwijl haar vriendelijke ogen onveranderlijk de rotavonturen van Rita volgen, die zich keer op keer stompzinnig laat verleiden, maar in het laatste hoofdstuk wel degelijk haar graaf aan de haak zal slaan, daarmee de wetten vervullend van het leven, dat voortgang moet hebben.
|
|