| |
| |
| |
Literatuur?
Nu er naar aanleiding van het detectiveverhaal al meermalen gesproken is over de ‘grote literatuur’ doet de vraag zich voor welke verhouding er bestaat tussen deze romans en wat men literatuur pleegt te noemen. Het zou toch eigenlijk onjuist zijn elementen van de Griekse tragedie bij voorbeeld, van Kafka, het Middeleeuws mysteriespel en Dostojewski in de detective terug te vinden en niet te bepalen of deze vergelijkingen vèrgezocht en overdreven zijn dan wel in de aard van het verhaal zelf hun oorsprong vinden. Het is trouwens in het geheel niet de eerste keer dat naar een plaatsbepaling van het detectiveverhaal te midden der literatuur gezocht wordt. Het resultaat is bovendien altijd zeer verschillend geweest. Voor Jacques den Haan heeft de detectiveroman niets met literatuur of kunst te maken; men vindt er in geen enkel opzicht de problematiek der eigenlijke literatuur. Du Perron laat de sprekers van zijn dialogen weliswaar even ingaan op het boeiende van deze verhalen en de onbetwistbare vertellerskwaliteiten die verreweg de meeste schrijvers blijken te bezitten, maar zegt toch ook elders dat het genre een aanfluiting van alle goede literatuur is. Het meest positief laat ten slotte Chesterton zich uit, die de detective story ‘a perfectly legitimate form of art’ noemt en deze beschouwt als ‘the earliest and only form of popular literature in which is expressed some sense of the poetry of modern life’. Moet er nadrukkelijk gezegd worden, dat zowel de positieve als de negatieve uitspraken over het detectiveverhaal uiteindelijk alle afhankelijk zijn van wat men onder literatuur wenst te verstaan? Dat bovendien de meeste auteurs zich er wijselijk van onthouden een definitie van ‘literatuur’ te geven en zodoende noch gelijk noch ongelijk hebben in hun beoordeling van deze romans?
| |
| |
En is het ten slotte nodig er op te wijzen, dat het zinloos is de detectiveverhalen tegenover de literatuur te stellen? Aan het einde van zijn eerste stuk wordt door Vestdijk reeds volkomen terecht de vraag gesteld of er geen gradatie zou bestaan in de verschillende verhalen, zoals deze toch ook (zij het met velerlei restricties) is aan te brengen in de gewone literatuur. Aanvaardt men dit uitgangspunt, dan lijkt het mij bijzonder moeilijk vol te houden dat ook het beste detectiveverhaal nog altijd een aanfluiting zou zijn of een parodie van een slechte roman, die tot de literatuur pretendeert te behoren. Dit lijkt alleen al onmogelijk door het feit dat Du Perron terecht heeft opgemerkt, namelijk de dikwijls zeer grote vertelkunst die zich in deze verhalen manifesteert. In kort bestek moet zo snel mogelijk een intrige, die ingewikkeld ja zelfs absurd is, tot een strikt logische en toch onvoorzienbare oplossing gebracht worden. Daartoe is een grote mate van efficiëntie zonder enige twijfel noodzakelijk, en het valt niet in te zien waarom een dergelijke doelmatigheid op zich zelf niet tot de literaire kwaliteiten van de romankunst gerekend zou kunnen worden. Een andere vraag is uiteraard of het doel waarnaar de detectiveroman zich wenst te richten literair te verantwoorden is. Maar zelfs wanneer dit niet het geval zou zijn, kan de wijze waarop deze verhalen hun doelstelling trachten te verwerkelijken nog altijd tot de literaire middelen behoren. Zo bestaat er wat de vorm en de manier van vertellen betreft zeker voor de detective-roman een mogelijkheid tot de literatuur gerekend te worden. Merkwaardig is dat Chesterton juist ook voor de inhoud van deze verhalen literaire rechten eist: poetry of modern life. En hij is niet de enige. Misschien in navolging van hem spreekt Fosca over de ‘poésie de la grande ville’ terwijl Narcejac zelfs zo ver gaat, dat hij spreekt over ‘le merveilleux
moderne’. Wat dus klaarblijkelijk door allen voor het detectiveverhaal wordt opgeëist is ‘het moderne’, een element dat misschien wel vaag is maar
| |
| |
toch vrij goed inhoudt welke bedoeling de schrijvers hebben. Zij wensen waarschijnlijk aan te geven, dat het detectiveverhaal de sfeer en de zo zeer verschillende milieus van het grotestadsleven beschrijft en de lezer dus gevoelig maakt voor het onverwachte en wonderbaarlijke, dat er in deze werkelijkheid te vinden is. Men behoeft maar aan Simenon te denken om deze opvatting gerechtvaardigd te achten. Maar anderzijds dient niet vergeten te worden, dat dergelijke beschrijvingen nooit of te nimmer het eigenlijke doel van de detectiveroman zijn. Zij vormen een bijprodukt, dat voor sommige schrijvers trouwens van belang is, voor anderen echter in het geheel niet, en dat in ieder geval voor niemand het werkelijke, ter wille van zich zelf behandelde, onderwerp is. Het doel is voor alle de oplossing van een raadsel, en in verreweg de meeste gevallen eist de literaire economie dat er niet te veel tijd verdaan wordt aan alle mogelijke beschrijvingen die niet in rechtstreeks verband met deze oplossing bestaan. Dit houdt evenwel in, dat de schrijver van detectiveverhalen zich zelf de mogelijkheid tot een literaire behandeling van bepaalde onderwerpen, dat wil zeggen een behandeling die geen ander doel dan zich zelf nastreeft, bijna altijd ontneemt. Hij is immers gebonden aan zijn opzet, die hem nauwelijks of zelfs in het geheel niet toelaat op andere wijze te werk te gaan dan zijn personen en zijn lezers naar de onvermijdelijke ontraadseling te voeren. Hoe geslaagd de ‘poëtische’ beschrijvingen in sommige gevallen ook mogen zijn, de lezer heeft vrijwel altijd de indruk, dat zij een sausje vormen waardoor de hoofdspijs voor enkelen (zeker niet voor allen!) nog smakelijker wordt gemaakt.
Wat men hiervan theoretisch ook kan denken, een feit is dat in de praktijk vrijwel geen enkel groot literator er toe gekomen is detectives te schrijven. Zeker, in sommige romans van Dostojewski, Dickens of Faulkner zijn detectivistische elementen aan te wijzen en men zou er nog talloze andere werken zo niet alle bestaande romans aan
| |
| |
toe kunnen voegen. In alle is immers altijd sprake van een raadsel of liever mysterie dat gesteld wordt en op eigen wijze wordt ‘opgelost’, maar het gaat juist om de aard van het raadsel en de wijze van oplossing. Daarom ook is het zeker nuttig niet alle romans te willen vangen onder deze categorieën. Desondanks lijkt het mij niet onjuist bij de genoemden althans enige relatie tot het detectiveverhaal als zodanig vast te stellen, terwijl voor Poe en Simenon geen twijfel kan bestaan aan hun detectivistische inslag. Met deze enkele namen is het dus wel zo ongeveer gezegd en de vraag rijst waarom een groot schrijver blijkbaar geen detectiveverhalen kan of wil schrijven. In vorige hoofdstukken is daar zo nu en dan wel over gesproken, en ik zal op dit punt gekomen er zeker niet verder op in gaan. Uiteraard wacht ik hier met spanning af wat Vestdijk zeggen zal!
Kan in het detectiveverhaal de manier van vertellen op zich zelf zeer wel literair verantwoord zijn, een literaire om der wille van zich zelf vertelde inhoud is hoogst zeldzaam en werkt vrijwel altijd storend. Hieraan zou nu nog toegevoegd kunnen worden, dat de schrijver van deze romans te vrij is dan dat hij werkelijk literair werkzaam kan zijn. Er is al eens eerder het denkbeeld van ter Braak aangehaald, die meende, dat de romancier alles in zijn macht moest hebben behalve de idee van zijn schepping die hem moest bezitten. Dit laatste is bij het detectiveverhaal nooit het geval. De schrijver is nooit een ‘bezetene’, integendeel hij is oppermachtig en kan doen en laten wat hij wil. Deze volkomen vrijheid, waaraan geen innerlijke gebondenheid met de stof ten grondslag ligt, maakt reeds dat men niet met literatuur in de strikte zin van het woord te maken heeft. Op bepaalde wijze heeft de schrijver van detectives het te gemakkelijk met zijn stof! Vandaar dan ook, dat men om de verantwoordelijkheid van deze auteurs toch enigermate te tomen een aantal voor allen geldende regels heeft opgesteld. Een romancier zou iets dergelijks nooit
| |
| |
kunnen aanvaarden: hij is alleen gebonden (maar dan ook zeer innig) aan de stof die hij wil uitbeelden. In de detectiveverhalen waarin de schrijver te vrij is om een werkelijk literator te kunnen zijn, wordt nu bovendien nog het vreemde middel der regels te baat genomen. En laat men hier geen parallel zoeken met de regels van de XVIIe eeuwse Franse tragedie bij voorbeeld, aangezien deze een korte tijd op natuurlijke wijze (dat wil zeggen zonder van buiten opgedrongen te zijn) een rol hebben gespeeld en al spoedig trouwens tot het meest verderfelijke epigonisme hebben geleid. Hoe dit ook moge zijn, een ieder is bekend, dat tegenwoordig voor de detectiveverhalen vaste regels in acht worden genomen. Door S.S. Van Dine zijn al in 1928 ‘twenty rules’ opgesteld, in hetzelfde jaar werden de Ten Commandments of Detection van Ronald A. Knox gepubliceerd, en het zou niet moeilijk vallen nog vele dergelijke geschriften te noemen. Het is ook niet de bedoeling hier de juistheid van de regels te testen. Tegenwoordig weet immers iedereen, dat de moord niet begaan mag worden door een of ander geheim genootschap met een onbekend vergif of door de detective zelf. Toen The Murder of Roger Ackroyd het licht zag, waren vele lezers diep geschokt door het feit, dat Agatha Christie hier geen ‘fair play’ gespeeld zou hebben, dat wil zeggen zich niet aan de bestaande officiële of officieuze regels zou hebben gehouden. Dat de regels echter geen absolute waarde hebben, kan bewezen worden door de merkwaardige toestand, dat andere lezers in dit zelfde verhaal juist het meest geraffineerde voorbeeld van een detective story zagen. Een feit is - en hier ligt de meest fundamentele en onontkoombare regel van het detectiveverhaal - dat geen enkel detail waaruit de oplossing afgeleid zou kunnen worden voor de lezer verborgen blijft. Hij heeft dus alle gegevens van het raadsel en verder heeft ook de schrijver van
detectiveverhalen de volledige vrijheid te doen wat hij wil.
| |
| |
Dat deze vrijheid zeer ver ging, werd reeds eerder opgemerkt, en het ogenblik is gekomen om te tonen dat ondanks de objectieve regels die voor het schrijven van detectiveverhalen gesteld kunnen worden deze vrijheid zo uitzonderlijk groot is dat het detectiveverhaal zich gaat bedienen van middelen die nooit tot de literaire kunnen behoren. De literatuur is immers een woordkunst en haar staan alleen woorden, die zich op een bepaalde wijze laten ordenen, ter beschikking. Het detectiveverhaal maakt gebruik van wat het nodig heeft en grijpt met genoegen naar middelen die buiten het eigenlijke woordgebruik vallen. Een voorbeeld hiervan is onder andere het bekende Murder off Miami waar men plotseling midden tussen de tekst een lucifershoutje of een plukje haar vindt, dat wel noodzakelijk is voor de oplossing van het raadsel maar als middel niet meer tot de woordkunst gerekend kan worden.
Tot nu toe blijken het voornamelijk de directe gevolgen van de grote vrijheid te zijn, die maken dat de schrijver ondanks zijn dikwijls voortreffelijke verteltechniek toch geen werkelijke literatuur kan scheppen. Hij is te weinig aan wie of aan wat dan ook gebonden. Daarnaast echter zijn er andere factoren te noemen, die hem niet in staat stellen (waarbij steeds afgezien wordt van de persoonlijke begaafdheid) tot het schrijven van een echte roman. Ik zou dan nogmaals kunnen wijzen op het ‘burgerlijke’ van de moraal en het recht dat hij wel bijna noodzakelijk in zijn romans moet brengen en dat nu uitgebreid zou kunnen worden tot het wereldbeeld in het algemeen. Terwijl de lezer van een echte roman zo niet voortdurend dan toch zeer regelmatig in zijn gewone doen wordt verrast door de schok van het nieuwe, dat zijn lectuur hem biedt, versterkt het detectiveverhaal juist zijn gewone denkbeelden en normale leefwijze. Hij wordt voor een intellectueel raadsel en nooit voor werkelijke levensmysteries geplaatst, ja het lijkt zelfs alsof leven en werkelijkheid tot een rationeel oplosbaar raadsel gereduceerd
| |
| |
kunnen worden. De werkelijke, misschien zelfs wel grondeloze, geheimen van ieder leven worden in het detectiveverhaal zo niet ontkend dan toch stilzwijgend ter zijde geschoven. Maar daarmede is tevens de mogelijkheid tot werkelijke literatuur weggenomen.
Men zal zeggen, dat noch schrijver noch lezer van detectiveverhalen literatuur willen; wat zij wensen is ontspanning en niets anders. Over deze tegenstelling is zeker wel het een en ander te zeggen, maar ik bewaar dat voor een ander en laatste hoofdstuk, aangezien ontspanning het gemakkelijkst bij de lezer, die zich wil ontspannen, nagegaan kan worden. De schrijver probeert, zoals gebleken is, op verschillende manieren en ook door het genre zelf gedwongen deze ontspanning bij de lezer te weeg te brengen. Als hij daarin slaagt en dus succes kan boeken, schroomt hij niet dat succes op alle mogelijke manieren uit te buiten. Er zou juist naar aanleiding van de detectiveroman een uitvoerige ‘psychologie van het succes’ te schrijven zijn en ik vrees, dat er niet de allernobelste elementen van het menselijk karakter in te voorschijn zouden komen. Er is bij voorbeeld geen twijfel aan dat de gemiddelde schrijver van detectiveverhalen zijn blijkbaar gewaardeerde en beproefde procédés blijft herhalen en geen enkele moeite zal doen zich te vernieuwen en te verrijken, hetgeen bij de werkelijke romancier (of hij succes heeft dan wel onbekend blijft) juist niet het geval is. Vandaar dan ook, dat in de verschillende verhalen van één schrijver de detective bijna altijd dezelfde blijft. Het is gemakkelijk! Terwijl het de schrijver van detectives om succes te doen is en hij er dus naar streeft de gunst van het publiek te veroveren en met de gebruikte middelen ook te behouden, haakt de romancier niet op deze wijze naar populariteit. Zeker, hij verlangt er ook naar gelezen te worden, maar hij is niet bereid ter wille van deze gunst en alle gemakken die hij daarvan ondervindt, zijn eigen groei te belemmeren of zelfs te verstikken. Hij wijkt niet voor de ver- | |
| |
leiding, die in feite voor de schrijver van detectiveverhalen in het geheel geen verleiding is maar het eigenlijke doel van zijn schrijven.
Men zou meer en meer tot de overtuiging komen, dat de detectiveroman niet tot de literatuur behoort en er ook moeilijk of niet toe behoren kan. Dit lijkt ook wel het geval en het zou gewenst zijn deze soort romans met bij voorbeeld feuilletons en vaudevilles tot een groep te maken, die om het zo uit te drukken op weg is literatuur te worden, maar het nog niet is. Over feuilletons is al eerder iets gezegd. Ook bij de vaudeville zou ik niet lang stil willen staan. Het is duidelijk, dat dit genre evenmin tot de eigenlijke literatuur gerekend kan worden, dat het onafhankelijk daarvan toch buitengewoon grote successen kan hebben en in vele opzichten bijzonder ‘knap’ in elkaar kan zitten. Nog opmerkelijker is misschien, dat men van Feydeau, de grootmeester van de vaudeville, heeft kunnen vaststellen hoe voor hem dit genre ‘une forme de mathématiques supérieures’ was, hetgeen de gelijkenis met het detectiveverhaal nog groter maakt. Ik zou dan ook niet graag, zoals wel gebeurd is, alle vormen van feuilletons, vaudevilles, detectiveromans enz. tot literaire Kitsch verklaren. Bij het woord Kitsch in de schilderkunst denkt men onvermijdelijk aan het onechte, aan het valse of om met ter Braak te spreken aan de ‘functie van het quasi’; Kitsch lijkt wel bijna altijd een parodie van de werkelijke kunst en heeft pretenties, die alleen maar schijn zijn zonder door een authentieke gedachte of emotie gevoed te worden. Dit nu behoeft in het detectiveverhaal in het geheel niet het geval te zijn. Deze romans dienen zich in verreweg de meeste gevallen geenszins als kunst aan en varen dus ook niet onder valse vlag. Zij ontlenen hun wetmatigheden, ook al vindt men deze soms in de literatuur terug, toch in de eerste plaats aan zich zelf en zij wensen zich niet als de eigenlijke literatuur voor te doen. In feite willen zij niets anders zijn dan een in woorden omhuld raadsel,
| |
| |
dat aangenaam en prettig wordt opgediend. De wijze waarop dit raadsel wordt gepresenteerd kan soms quasi-literair zijn, maar behoeft het niet altijd en in alle omstandigheden te zijn. Het is inderdaad zo, dat de detectiveroman ook al gebruikt hij soms haar procédés alle problematiek van de werkelijke literatuur afwijst, maar juist daarom is hij nooit Kitsch of schijnkunst.
|
|