| |
| |
| |
De bokken en de schapen
Waar ik tot dusverre alle reden had Dresden's deskundigheid te bewonderen, daar wordt voor mij thans de situatie ietwat benauwend door een toegevoegde volledigheid zijnerzijds, die mij dreigt te verlammen, niet alleen met ontzag, maar ook door gebrek aan stof. Ik ben eerder in de stemming om op straat kwaad te gaan doen dan om mij bezig te houden met het kwade, zoals dat gestalte aannam onder zijn pen, - gestalte aannam en toch ook weer eigenaardig vervluchtigde, belicht werd, alzijdig, uitputtend, om onmiddellijk daarop met de slinksheid van boeven weer in de detectivistische schaduw te treden, waaruit het geboren heette te zijn. Dresden's volledigheid is zó volledig, dat hij ook nog voor een dubbele bodem heeft gezorgd, een toneelluik, waardoor het Kwaad, na overdacht, ontleed en in kaart gebracht te zijn, verdwijnen mag met het odium der nietswaardigheid.
Want inderdaad, het Kwaad, dat hij oproept, blijkt niet te bestaan. En zo het al bestaat, dan dringt het in het detectiveverhaal enkel maar door om er een schimmenspel te volvoeren van handelingen zonder zin en misdaden zonder gehalte. Zijn dit wel echte misdaden? Is het er niet mee gesteld als met de denkbeeldige ziekten waarover men in wachtkamers van artsen elkaar aan de oren zeurt tot troost en boosaardig amusement? En minder dan dat, want in een wachtkamer heeft iedereen tenminste nog zijn eigen ziekte terwijl het enige kwaad, waarvan de ‘detective’-lezer zichzelf kan betichten, hierin bestaat dat hij zich van het kwaad geen steek aantrekt. Hij is als de man, die de wachtkamer binnenstormt onder het jolig gegil van ‘Zijn jullie getikt met zijn allen? Ziekte bestaat niet! Ruk jullie verbanden los, dan zul jullie eens wat leuks zien! Echt een prettige avond! Griezelen! Spanning!’
| |
| |
Van Dresden's welbereide dis enkele serieuie kruimpjes samenlezend, zou ik willen zeggen, dat de detective, als apotheose van de burgerlijke orde, waarin moraal geen probleem meer is, doch een mechanisch toe te passen regel, mij een treffend voorbeeld lijkt van wat in de filosofie ‘legales Handlen’ is genoemd, in tegenstelling tot het ‘moralische Handlen’. Volgens beide criteria laat men het kwaad na en doet men het goede; maar welk een verschil in motivering, in menselijke sfeer, in levensbeschouwing! Men zou zelfs staande kunnen houden, dat het ‘legale’ handelen in het geheel geen levensbeschouwing of iets van die aard vereist: het komt er alleen maar op aan een correct burger te zijn, die de zonde daadwerkelijk schuwt en zich daarvoor gerust schadeloos mag stellen door in zijn binnenste een slangennest te koesteren vol bloeddorst, haat, naijver, achterdocht en hardvochtigheid. In het verlengde van het ‘legale’ handelen vindt men de farizeeër (die overigens aan zijn hardvochtigheid nog danig de vrije teugel laat), daar waar het louter ‘morele’ handelen gecaricaturiseerd lijkt in de dostojewskiaanse misdadiger, die tot de zonde staat in een volstrekt paradoxale verhouding, en wiens daden niet meer als weerspiegeling van zijn morele waarde kunnen worden opgevat. Daarom is ‘Schuld en Boete’, waarin een stuitende moord wordt gepleegd door iemand die het tegendeel is van ‘slecht’, zodat de grootst mogelijke spanning gaat heersen tussen het ‘legale’ en het ‘morele’, of tussen maatschappelijke en persoonlijke ethische maatstaven, het tegendeel van iedere bestaanbare detectiveroman, al wordt er dan ook danig in gespeurd, politioneel gewichtig gedaan, ontdekt, en gestraft, - gestraft trouwens op volkomen ondetectivistische wijze, waarbij ik mij slechts hoef te refereren aan Dresden's uiteenzettingen over een straf, die altijd geruisloos
achter de schermen wordt voltrokken.
Het is heel goed mogelijk, dat de aangename dromen, die mij als jong student bij de lectuur van Ivans omhulden,
| |
| |
in wezen niets anders waren dan een gepoëtiseerd veiligheidsbesef van ultraburgerlijke geaardheid, waarin ik mij als kneusbare vlegel gepantserd kon voelen tegen alle stoten van het leven, dank zij de suggestie die van de Wet uitging. Marxistische zelfkritiek; maar als troetelkind der burgerlijke orde heeft men, meen ik, zelfs volgens Marx nog wel het recht zich te laten vertroetelen, wanneer de omstandigheden daartoe leiden. Het is nooit aangetoond, dat Marx niet naar een Engelse politieagent zou zijn gelopen, wanneer men hem bestolen had; en zo ver ging ik nog niet eens, want ik had niets anders om te stelen dan mijn gipsen Minervabeeld en een paar tweedehands boeken, en ik zou zeker niet ergens naar toe zijn gelopen, want ik zat liever op mijn kast Ivans te lezen, - schandelijk parasitair, walgelijk klaplopend op de maatschappij; maar men kan, dunkt mij, beter een passieve parasiet zijn dan een actieve.
Er is wel eens gezegd, en Dresden's betoog bracht het mij weer in de herinnering, dat het ‘legale’, de eerbied voor wet en orde en collectieve moraal, waarbij het ‘morele’ op de achtergrond en zelfs in het vergeetboek kan raken, een typische aangelegenheid is van het Engelse volk. ‘I am the Law’, deze hoogst opmerkelijke personificatie van een abstract begrip, rijmt zich met geen andere volksaard; en naast de historische factoren, die hiervoor natuurlijk in de allereerste plaats aansprakelijk zijn te stellen, zal men er goed aan doen zich terdege in de Engelse psychologie te verdiepen, voor zover die zich aan historische bepaaldheden schijnt te onttrekken, in de mate waarin zij deze bepaaldheden zelf heeft bepaald. Aardige, wat simplistische verklaringen van dit symboliseren van de wet tot iets van vlees en bloed kan men zoeken in de taal. Het Engelse laconisme staat voor niets, en wie ‘Ik ben de Wet’ zegt in plaats van ‘ik ben een vertegenwoordiger van de Wet’, spaart drie woorden uit, waaronder éen lang. Bovendien maakt men op deze manier veel meer indruk op ongeletterde boeven. Door
| |
| |
zich als ‘vertegenwoordiger’ aan te dienen loopt men kans niet geheel au sérieux genomen te worden en voor een handelsreiziger te worden aangezien, die aan de deur ‘wet’ verkoopt. Intussen geloof ik niet, dat de Engelsen aan andere abstracte begrippen zoveel symbolistische zorg besteden als in dit geval aan de ‘wet’ juist. Deze eerbied voor het ‘legale’, deze visie op de wet als op een goede oude oom, bij wie men in moeilijkheden nooit tevergeefs aanklopt, moet bij de Engelsen in sterke mate gebonden zijn aan hun handelingsleven, waarbij ik niet zozeer denk aan het op de voorgrond treden daarvan, het cultiveren van al het praktische en daadwerkelijke, vaak ten koste van de intellectuele bemoeiingen, als wel aan het bijzondere karakter van deze handelingen. De Engelsman handelt het best, wanneer hij er niet bij na hoeft te denken. Hij weet wat hij doen moet, maar hij heeft er geen weet van. ‘England peopled the world in a fit of absence of mind’. Algemeen gesproken is zoiets alleen mogelijk bij een grote praktische intuïtie, - die toch moeilijk bij alle zonen van dit volk in gelijke mate aanwezig kan worden geacht, - òf bij een hechte traditie, die zekere gedragspatronen voorschrijft, die het zelfstandig overleg van de enkeling zoveel mogelijk ontlast en het daardoor vrijmaakt voor het essentiële en naastbijliggende. Maar deze traditie moet oorspronkelijk tot stand zijn gekomen door toedoen van bepaalde karaktereigenschappen, die dan van lieverlede historisch uitkristalliseerden tot instellingen en gebruiken, waar iedereen die zich respecteert, en ook wie zich niet respecteert, houvast aan heeft.
Dit is een volk, dat handelen wil, dat handelt wanneer dat nodig is, en dat daarom in de tussenliggende perioden heel goed de indruk kan wekken van een sportief laisser-aller of van indolente eigengerechtigheid. Wie ervan overtuigd is, dat hij onder alle omstandigheden doelmatig zal kunnen handelen, die is de ware man voor lange vakanties, en de ‘gentleman of leisure’ heeft altijd
| |
| |
zeer dicht bij de avonturier gestaan en viel vaak samen met de dichter en de geleerde. Een volk van veroveraars, van militante volksverhuizers, in de eeuwen dat voor het bevolken van een vreemd land nog initiatief en zelfvertrouwen waren vereist en het gevoel het recht aan zijn zijde te hebben. En vooral niet te veel nadenken, want dan is het recht geen recht meer. De structuur van het Amerikaanse volk laat een heel ander soort emigrantenpsychologie zien, geboren uit heel andere historische constellaties: geen conquistadors, maar vrijheidslievenden, die dwangstaten ontvluchtten, economisch gefnuikten, die het ‘beter’ dachten te krijgen, idealisten, die verstikten in het proza van de oude wereld, of alleen maar optimisten, die de zon achterna reisden. Willem de Veroveraar was daar niet meer bij.
Deze nadruk op het handelen moet vanzelf leiden tot een overschatting van het ‘legale’, ten koste van het ‘morele’. De waarlijk actieve mens houdt zich zo weinig mogelijk op met de grondslagen van zijn handelingsleven: hij veronderstelt ze bekend, als iets waar hij tegenover zijn medemensen altijd een beroep op kan doen. Want in tegenstelling tot het gevoel en de verstandelijke werkzaamheid is het handelen iets zichtbaars, dat door de omgeving onmiddellijk wordt opgemerkt, gekeurd en beoordeeld, en dit moet iedere moraal, die zich niet uitsluitend tot de gezindheid beperkt, wel doen verschuiven in de richting van het collectieve. Dit te meer, waar iemand, die de handeling beoordeelt, ook zelf volgens de gebezigde maatstaven handelt of handelingen nalaat. Door deze wederkerigheid is ieder individu een levend exempel van de algemene moraal, die door steeds herhaalde kleine kortsluitingen tussen gedrag en beoordelen van het gedrag reflectorisch op peil wordt gehouden. Allen zijn de medeplichtigen van allen, onder de machtige bescherming van gemeenschappelijke beginselen, die recht heten of wet. Deze wet zijn zij zelf: het geraamte van hun vlees, het evenwichtszintuig van hun
| |
| |
bewegingen, de automatische sanctie van hun misdaden. Die daarom ook nooit in de ware, de morele zin ‘misdaden’ (zonden) kunnen zijn. Voordat men ze als zodanig tot bewustzijn kan hebben gebracht, heeft de wet reeds ingegrepen, door simpele toepassing van de rubriek ‘legaal’ of ‘illegaal’, waaruit al het andere, tot de bestraffing toe, rechtlijnig voortvloeit, zonder innerlijke conflicten, wroeging, zondebesef of jeremiërend beterschap beloven. Met deze uiterst zakelijke houding tegenover de misdaad, waarvan het beginsel niet kan nalaten indruk te maken, en die zowel degelijke en betrouwbare burgers als misdadigers van imponerend formaat heeft gekweekt, hangt b.v. ook de grote mate van persoonlijke vrijheid en waardigheid samen, die in Engeland de misdadiger geniet zolang zijn misdaad niet is bewezen. Bepaalde trekken van het detectiveverhaal, zoals die door Dresden zijn geanalyseerd, sluiten zich hierbij aan. De detectivistische misdadiger is nooit ‘slecht’. Maar in Engeland is ook de werkelijke misdadiger dit niet, want vóor zijn schuld is aangetoond is hij geen misdadiger, en daarna, in de gevangenis of aan de strop, is hij niet ‘slecht’, hij is alleen maar iemand die zijn schuld boet, zonder moralistische omhaal.
Dit mag dan een oppervlakkig volkenkundig schema zijn, eenzijdig en onder voorbijzien van allerlei culturele complicaties en persoonlijke uitzonderingen, de ‘legale’ Engelse houding tegenover het zondigen als daad steekt toch, ik wil niet zeggen gunstig, maar wel als stoer en consequent af bij de tweeslachtiger, aarzelender omgang met de zonde als innerlijke gesteldheid, die men in oostelijker gelegen landen waarneemt: Duitsland, Rusland, ergens daartussen, ergens in die grote half- of kwart- of achtste-Aziatische ‘Ostraum’, waar het Oosters dualisme tussen goed en kwaad het gevoel beheerst, het wijsgerig vernuft van loodzwaar materiaal voorziet, de religie paradoxaliseert, en het handelingsleven òf belemmert òf tot zulk een bedenkelijk chaotische aangelegen- | |
| |
heid maakt, dat, om slechts iets te noemen, wereldoorlogen er wel het gevolg van moeten zijn. Hier vindt wat door Dresden het Wereldgericht wordt genoemd zijn ware klimaat: de strijd tussen goed en kwaad, wit en zwart: een werkelijke, adembenemend dramatische strijd, niet éen, die bij voorbaat al beslist is ten gunste van een der beide partijen, zoals in de Engelse ‘detective’, waarin het recht triomfeert, omdat het niet anders kàn dan triomferen, bij gebrek aan gelijkwaardige tegenstanders. Want het recht is de wet, en onrecht en wetteloosheid zijn verachtelijke blunders, waarvoor men de schouders behoort op te halen. Zij staan niet als zwart tegenover wit, maar zijn slechts de vlekjes op het blinkende schild van het ‘legale’. In die Germaans-Slavisch-Byzantijns-Mongools besmette gebieden evenwel is niets ‘legaal’, doch alles ‘moreel’, en zolang de volkeren elkaar niet in de haren zitten, is het individu met zijn zedelijke conflicten opgescheept en laat er zich door verscheuren alsof hij werkelijk niets beters te doen heeft. Bleek van wroeging, star van verantwoordelijkheidsgevoel,
doof voor de snode wereld, maar niet zonder wijsgerig behagen in de grootse apocalyptiek van de stoten der bokken en de onbeschreven onschuld der schapen, begeeft hij zich in een gevecht, waarvan de uitslag naar de verste toekomst wordt verschoven, - móet worden verschoven, aangezien de enkeling nu eenmaal niet in staat is algemene beginselen een beslissing te laten forceren. In plaats van de prooi van het Kwaad, zoals hij zich inbeeldt te zijn, is hij het lijdelijke slachtoffer van de strijd tussen Goed en Kwaad, met al zijn ‘illegale’, want onvoorspelbare gevolgen en bijverschijnselen. Men moet medelijden met hem hebben. Want voor hij het weet trappelen de bokken en de schapen over hem heen in vrolijke stampei, en de bokkenmest zit aan zijn gezicht, en hij zucht en hij steunt, en hij roept God aan tegen de Duivel, en het volgend ogenblik, als hij niet oppast, de Duivel tegen God, en gebeurd is er helemaal niets. Niets anders dan
| |
| |
een ‘persoonlijk ongeval’, zonder wet of recht, zelfs zonder detective, om een beroep op te kunnen doen.
Stel daartegenover de Engelse zakelijkheid, uit hoofde waarvan bokken in precies dezelfde gevangenis verdwijnen als schapen die zich misdragen, en men ziet in waarom ten oosten van het Kanaal, een eind landinwaarts, nooit een detectiveverhaal geschreven is kunnen worden, en waarom een groot Duits classicus, die zich ongemeen voor de misdaad interesseerde, tenslotte van zijn eigen feuilleton, dat een bepaalde, waarschijnlijk politieke misdaad als avontuurlijk raadsel stelt, zozeer begon te walgen, dat hij de afleveringen niet voortzette, kennelijk bij gebrek aan voldoende ‘moralische Zerknirschung’ in het verhaal zelf. Natuurlijk kan men beter ‘Der Geisterseher’ van Schiller lezen dan Conan Doyle. Beter uit literair oogpunt althans; of het voor onze innerlijke en uiterlijke gedragingen wel zoveel bevorderlijker is, waag ik te betwijfelen. Ik houd niet van wit en zwart. Bokken en schapen vind ik beesten, die nauwer aan elkaar verwant zijn dan alleen maar krachtens hun hoeven en hun holle horens. In de Alpen, laatst, zag ik tegen de avond een troep huiswaarts keren. Schatten waren het: voorop liep een bokje, dan kwamen veertig mekkerende schapen, blank woelend als golven van de fijnste wol, soms éen met de voorpoten bovenop het achterdeel van de voorbuurvrouw, zó dicht was het gedrang; en achteraan kwamen tien of twaalf bokken en geiten, hoogst ernstige gestalten, zwart als de zonde, en met satanische baarden, maar op de keper beschouwd net zulke dotten als hun collega's voorop. Allemaal met dezelfde belletjes in de zuivere sneeuwlucht. Wel verdorie, dacht ik, toen de stoet uit het gezicht verdween, als de zonde nu eens niet bestond? Als die bokken, zwart maar liefelijk, nu eens even weinig slecht waren als de witte schapen? Als het eens zo was, dat goed-en-kwaad veel schadelijker is voor het menselijk gestel dan het kwaad alleen?
In mijn dorp woont een achterlijk meisje met Centraal- | |
| |
Europese vlechten, die bij de mensen gaat om te werken, en die dan de eerste maand góed werkt; daarna, zelfs in deze tijd van personeelschaarste, moet ze worden verwijderd. Haar conversatie, die blijk geeft van primitieve opmerkingsgave en een soort rechtzinnige afpersersmentaliteit, pleegt te culmineren in haar judicium over al weer een andere dorpsgenoot (e, vooral e): ‘Dat is een slechte’. Ik blijf erbij, dat dit kind geholpen zou zijn met een ‘detective’-kuur. Laat ze de plots gerust maar eens proberen te begrijpen. Het is in het geheel niet nodig, dat ze ook nog met Nietzsche's antimoralinezuur wordt ingespoten. Maar er moet wel iets aan gedaan worden, want zet tien van zulke al te schaapachtige schapen aan het roer van de staat, en we hebben zó weer een wereldoorlog. Als men zelf ‘goed’ is, en de anderen ‘slecht’, dan moeten, of ze willen of niet, de bokken en de schapen hun horens wel tegen elkaar wetten; en het mag dan waar zijn, dat ook de goede detective danig huishoudt onder zijn traditionele vijanden, hij maakt ze toch niet tot duivels, en hij gaat niet bovenop ze staan om ze lekker moralistisch te bekwijlen. Hij levert ze alleen maar over aan de Wet.
|
|