| |
| |
| |
Recht en moraal
‘I am the Law’, zegt Chief-Inspector Alleyn van Scotland Yard soms, wanneer hem naar zijn naam gevraagd wordt. Het klinkt misschien nogal pedant en zelfs wel een beetje belachelijk, maar er ligt toch een feit in besloten dat voor vrijwel iedere detective geldt en door vele lezers niet alleen aanvaard maar zelfs verlangd wordt. De detective als belichaming van de wet, als verdediger van de verdrukte onschuld, als onverzettelijk bestrijder van de misdadiger, is de paladijn van een modern sprookje en een heldendicht zoals men zich dat tegenwoordig klaarblijkelijk wenst. Op een geheel eigen wijze handhaaft hij de wet, dat wil in zijn geval zeggen de maatschappelijke orde en daarmede de rust die door de misdaad tijdelijk verstoord werd. En niet alleen handhaaft hij de wet, hij ìs als het ware de wet zelf, een incarnatie van het goede. Eens te meer is de detective daarmede boven zich zelf uitgeheven, hij is ook op dit punt niet zo maar een persoon, een mens zoals wij allen, maar een type, dat volkomen in dienst staat van een macht die verre boven hem uitgaat en tegelijkertijd in hem herkenbaar wordt. Deze macht is niet alleen de Wet, zoals uit de bovenstaande woorden afgeleid zou kunnen worden, maar bovendien iets dat nog grootser aandoet. Het karakteristieke van verreweg de meeste detectiveverhalen is namelijk, dat wet en recht gelijk worden gesteld. Door zich in dienst van de wet te stellen, is de detective automatisch rechtvaardig, ook al doen zich hierbij merkwaardige verschijnselen voor waarop nog teruggekomen zal worden. Voorlopig kan men volstaan met te constateren dat de detective op een bepaalde wijze recht uitoefent, dat de lezer in hem de verdediger ziet niet alleen van wet en orde maar daarmede ook van recht. De detective is de held, die in dienst staat van wat goed is,
| |
| |
ja van het Goede zelf, en dus noodzakelijkerwijze de misdaad en in het algemeen het Kwade bestrijdt.
Nergens vindt men dit duidelijker dan in de werken die nog altijd als het prototype van de moderne detectiveromans kunnen worden beschouwd en waarop Vestdijk dus ook terecht iedere keer terug komt, namelijk de verhalen van Conan Doyle. Ongetwijfeld vindt men bij deze schrijver in wie Vestdijk een getourmenteerde geest zou kunnen bespeuren, iets van de grondslagen, die zich in het Middeleeuwse mysteriespel openbaren. De strijd tussen God en duivel, tussen Goed en Kwaad, is zeker van alle tijden en deze eeuwige tegenstelling kan zich heel goed in alle mogelijke vormen voordoen. Maar de meest populaire zienswijze is uiteraard altijd te vinden geweest in die vormen waar bewust of onbewust een radicale tegenstelling tussen beide machten, een soort van manicheïsme, aanvaard werd. Een dergelijk zwart-wit patroon vindt men veelal in de mysteriespelen (de duivel alleen maar kwaad) en dikwijls in de detectiveroman (waar in ieder geval de detective zelf alleen maar goed is). Weliswaar werd eerder opgemerkt, dat de detective (en ook de lezer) dikwijls een onmiskenbare sympathie voor de misdadiger heeft, maar dit is geenszins in strijd met wat zo juist betoogd is. Integendeel! Ook in het mysteriespel wordt om de duivel, voor wie men in de eerste plaats een geheimzinnige huivering voelt, toch ook gelachen en in vele gevallen wordt hij om zo te zeggen officieel tot de komische figuur van het stuk. De toeschouwer lacht graag om wat hij vreest, aangezien hij dat in het werkelijke leven ook zo graag zou willen doen. Weten bovendien zowel lezer als toeschouwer niet van te voren wat de afloop zal zijn? Is hun lachen dus niet een ongevaarlijke uitlaatklep waardoor zij in het gewone leven vrijer komen te staan en niet het gevaar lopen te sympathiseren met wat hen bedreigt? Zo zou men met Van der Leeuw tot de slotsom kunnen komen dat het detectiveverhaal een ‘als spel, als puzzle gesaecu- | |
| |
lariseerd wereldgericht’ is. Het lijkt alsof het woord
wereldgericht wel al te zwaar geladen en in zekere zin te kolossaal is voor het gemakkelijke, licht verteerbare en dus ook zo verbreide genre van de detectiveroman. Maar bij nadere beschouwing en zoals ook reeds uit het voorafgaande bleek, is de benaming zeker juist. Er moge geen sprake meer zijn van apocalyptische visioenen in dit gericht, het bovennatuurlijke en goddelijke, het fantastische zo men wil, kunnen geheel verdwenen zijn, er blijft toch nog altijd over dat ook in de allergewoonste detectiveroman recht geoefend wordt en het licht stralend zegeviert. Zeker, het geheel is een rationalistisch opgezette en ten slotte volkomen doorzichtige puzzel geworden waaraan zelfs niets onbegrijpelijks over mag blijven, maar desondanks vindt men ook in deze verhalen de bekoring van de onverbiddelijke strijd tussen twee radicale machten, die elkaar op leven en dood de heerschappij in de wereld betwisten.
Voor de lezer van detectiveverhalen is, zoals gezegd, het aangename en geruststellende, dat hij weet hoe het recht zal overwinnen. Het ogenblik is aangebroken om na te gaan waaruit dit recht eigenlijk bestaat en wat het inhoudt. Er behoeft niet met nadruk op gewezen te worden, dat volgens de detectiveroman het recht in deze wereld tot uitdrukking moet komen. Hierin ligt voornamelijk het onreligieuze en geseculariseerde waarover Van der Leeuw sprak. Geen lezer zal genoegen nemen met de zekerheid, dat de misdadiger wel in een andere wereld gestraft zal worden, maar ondertussen zijn leven in de gevangenis of daarbuiten rustig voort zou kunnen zetten. Het radicalisme, dat deze verhalen in zo vele opzichten eigen is, verlangt dat er onmiddellijk na de ontdekking van de misdadiger een absolute straf, en dat wil bijna altijd zeggen de dood, plaats vindt. De lezer eist, ook al is hij zich dat niet voortdurend bewust, een immanente rechtvaardigheid, dat betekent een recht waarvan de voltrekking in deze wereld plaats moet vinden en zichtbaar
| |
| |
worden. Hij neemt geen genoegen met allerlei bovenwereldse verwachtingen en zodoende is hij dus ook nooit tijdens zijn lectuur religieus gestemd of gericht. Hij verwacht, hij weet zelfs, dat in de detectiveroman het recht reeds in deze wereld een door hem kenbare en verwachte loop zal hebben. Op die manier geven de verhalen hem misschien wel een zekere troost, want in het gewone leven ziet hij maar al te dikwijls hoe het onrecht ongestraft voortgaat en schijnbaar nooit te gronde wordt gericht.
Nu is het niet moeilijk aan deze troost ook een keerzijde te vinden, en deze kan men het best belichten door terug te komen op de identificatie, die vrijwel altijd bestaat tussen recht, orde en wet. Voor de lezer van detectiveverhalen (die zich trouwens nauwelijks bekommert om dergelijke onderscheiden) ligt het recht namelijk in de eerste plaats besloten in het handhaven van de bestaande rechtsorde, dat wil zeggen van de bestaande maatschappelijke orde. Deze is eigenlijk de enige zekerheid waarover hij op dit gebied beschikt en die op zich zelf als absoluut en onaantastbaar gesteld wordt. Dit lijkt misschien tamelijk vreemd op het eerste gezicht, omdat immers zowel de detective (gelijk door Vestdijk is betoogd) als de misdadiger in het detectiveverhaal van romantische oorsprong zijn. Nu is het een feit, dat ten tijde van de Romantiek de eerste protesten tegen de sociale orde steeds luider worden en zich ook steeds heftiger in de praktijk doen gelden. De eerste socialistische en communistische theorieën stammen uit de Romantiek en zijn afkomstig van romantische denkers. Het zou absurd zijn vol te houden, dat in deze denkbeelden de bestaande maatschappelijke orde niet wordt aangetast, ook al kan men van mening verschillen of dit te recht dan wel zonder enige verdere noodzaak geschiedt. Hier ligt voor ons ook niet het eigenlijke probleem. Het vreemde is namelijk, dat de detectiveroman ondanks zijn romantische afkomst niets van dit romantisch-sociale
| |
| |
protest in zich heeft of het in ieder geval zo veel mogelijk beperkt. Eerder reeds werd er op gewezen, dat de ‘gentilhomme cambrioleur’ in zekere zin de bestaande orde doorbreekt maar deze toch ook tegelijkertijd handhaaft. Hij wil, dat in feite een ieder de mogelijkheid heeft rijk te worden, maar verzet zich niet tegen de structuur van de maatschappij die als zodanig rijken en armen moet hebben. Deze orde wordt incidenteel in de populaire literatuur, in de film en ook in het detectiveverhaal doorbroken, maar blijft op zich zelf bestaan. Het is nu wel noodzakelijk met grote nadruk op het burgerlijke aspect van deze literatuur te wijzen. Burgerlijk in die zin, dat men individueel gaarne bereid is en er zelfs naar streeft de maatschappelijke orde voor zich zelf te veranderen, maar in het geheel bezien toch weer met deze orde tevreden is en zich verre wenst te houden van alles wat een algemene omwenteling zou kunnen betekenen. Vraagstukken van deze aard worden in geen detectiveroman gesteld.
Het ligt voor de hand te zeggen, dat dit soort verhalen daar ook niets mee te maken heeft. Waarom zou een detective tegelijk een soort van sociale roman om maar niet te spreken van sociaal requisitoir moeten zijn? Daarmede dreigt immers het typische amusementskarakter van dit genre verloren te gaan! Dit moge het geval zijn, toegegeven dient anderzijds te worden dat voor dit amusement dan ook een prijs betaald wordt. En de prijs ligt hierin, dat het genre als geheel zich veroordeelt tot een onvermijdelijke burgerlijkheid, die zich op velerlei manieren openbaart. Wanneer namelijk de bestaande orde op moreel of maatschappelijk gebied als onaantastbare zekerheid bestaat, houdt dit uiteraard in, dat van enige problematiek op dit gebied geen sprake kan zijn. En het is ongetwijfeld typisch burgerlijk te noemen de traditionele moraal en het bestaande recht klakkeloos te aanvaarden. Een nader onderzoek van deze waarden wordt niet alleen vermeden, maar bijzonder onwenselijk
| |
| |
geacht, ja veelvuldig als gevaarlijk en op zich zelf reeds revolutionair beschouwd. Is dit het geval, dan is de detectiveroman zeker het tegendeel van revolutionair en volstrekt ongevaarlijk te noemen. Daarmede is het genre ook burgerlijk geworden, en iedere lezer van detectives is tijdens zijn lectuur ook een burgerman, die er zich niet om bekommert een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van het recht dat bedreven wordt of naar de reële betekenis van de moraal die er in voorkomt. Moraal en recht van het verhaal zijn hem trouwens maar al te goed bekend: zij zijn immers in alle opzichten traditioneel en wijken in het geheel niet af van alles wat hij op deze gebieden gewend is.
Geldt voor moraal en recht in deze romans dus dat zij zeer algemeen en banaal zijn, dat goed en kwaad elkaar radicaal bestrijden en het goede overwint, voor de detective persoonlijk moet toch nog iets toegevoegd worden. Men zou kunnen zeggen, dat de moraal van deze verhalen verloren gaat in een banaliteit, die tot gevolg heeft dat de lezer zich niet met deze zwaarwichtige vraagstukken hoeft bezig te houden. De detective daarentegen wordt nogal dikwijls gekweld door alle mogelijke problemen van morele aard, maar deze zijn nu juist persoonlijk, zij betreffen zijn verhouding tot het werk dat hij verrichten moet of tot de misdadiger, terwijl hij ten opzichte van de algemene moraal in hoge mate onverschillig staat. Met vele anderen zegt Nagel bij voorbeeld, dat de detective ‘etisch indifferent’ is en zich geenszins bekommert om de morele resonanties van zijn handelingen in de wereld zelf. Van een detective wordt door Timothy Fuller op een gegeven ogenblik vermeld, dat ‘his interest was not concerned with justice and punishment’. Op deze wijze blijft zijn geestelijke werkzaamheid volkomen gereserveerd voor het ophelderen van het raadsel dat hij met al zijn intellectuele krachten moet oplossen. De sfeer van het detectiveverhaal wordt dus op dit punt gekenmerkt door het ontbreken van morele en sociale
| |
| |
problematiek, door het ontbreken tevens van enigerlei emotionele reactie bij de lezer (ten opzichte van de dood bij voorbeeld!), terwijl de detective zelf weliswaar een zekere moraal bezit (hij is eigenlijk nooit in de strikte zin van het woord immoreel) maar dan toch de moraal van een speler, zoals hij ook al eerder een speler bleek te zijn. Het zou dan ook niet onjuist zijn te beweren, dat het wezenlijke en misschien wel enige principe van zijn ethiek besloten ligt in wat men nog het best ‘fair play’ kan noemen. Natuurlijk heeft ook de detective wel eens manieren die niet volstrekt door de beugel kunnen, hij maakt soms gebruik van trucs die misschien niet helemaal eerlijk zijn, en houdt er bij tijd en wijle foefjes op na, die moreel niet altijd te verantwoorden zijn. Maar hoezeer dit ook het geval kan zijn, wat men dan ook op de detective aan te merken moge hebben, één ding staat vast: men zal hem nooit kunnen betichten van werkelijk gemene streken! Hij is nooit om met Wölcken te spreken een ‘amoralisches Charakter’, hij neemt overal en altijd de regels van een overigens door hem zelf uitgedacht spel in acht en blijft de strijdende held in dienst van het wezenlijk goede. Zelfs wanneer men dus bij de detective allerlei morele aanmerkingen zou kunnen maken (hetgeen slechts zelden het geval is!), blijft nog altijd de zekerheid bestaan, dat hij zich slippertjes op zijpaden veroorlooft omdat recht en orde zulks van hem eisen. Welke middelen hij ook aanwendt, zij blijven altijd goed en in een bepaalde zin is het ongetwijfeld waar dat de detective geen kwaad kan doen. De moraal van de detective is dan ook typisch een sportieve te noemen. Binnen bepaalde vastgestelde grenzen houdt hij zich aan zekere regels zonder zich af te vragen of deze regels ook nog buiten het door hem afgebakende terrein geldigheid bezitten. Daaruit blijkt eens te meer hoe ver het detectiveverhaal zich van de werkelijke situatie die de
misdaad in het gewone leven biedt, verwijderd heeft. Terwijl immers in het verhaal met de grootste
| |
| |
aandacht gevolgd wordt welke middelen de detective gebruikt en de lezer eigenlijk ook altijd wenst dat zijn held niets onfatsoenlijks aangewreven kan worden, is bij de werkelijke misdaad dikwijls een geheel andere mentaliteit van de toeschouwer op te merken. Daar wenst men in de eerste plaats de misdadiger op welke wijze dan ook en door ieder ten dienste staand middel te leren kennen en te straffen. Het onmiddellijke doel is op enigerlei wijze altijd de vergelding. In het detectiveverhaal heeft in feite niemand belangstelling voor de straf, maar alleen voor de wijze waarop de misdadiger gevonden wordt. De lezer van deze verhalen wil weten hoe de misdadiger ontdekt wordt; als hij in zijn krant het relaas van een gepleegd misdrijf doorneemt, hoopt hij dat de schuldige gestraft zal worden.
Van deze straf trekt de lezer zich, gelijk meermalen werd opgemerkt, weinig aan.
Het is zelfs vrijwel altijd zo, dat de misdadiger niet officieel gestraft wordt en aan een eigenlijke rechtspraak ontsnapt. Een schijnbare uitzondering hierop wordt gevormd door het feit, dat in vele romans zittingen van de Coroner voorkomen. Met andere ten onrechte verdachten verschijnt dan ook veelal degene, die het misdrijf gepleegd heeft. Dat dit geschiedt vindt zijn oorzaak in de wens zo ‘realistisch’ mogelijk te zijn en de gang van een werkelijk onderzoek zo getrouw als het maar kan na te bootsen. Maar een dergelijke rechtszitting vindt altijd plaats in de loop van het onderzoek, dat wil zeggen op een ogenblik dat velen verdacht zijn en nog niemand met absolute zekerheid als de werkelijke misdadiger beschouwd kan worden. Het zou dus onjuist zijn te beweren dat in deze gevallen de misdadiger wel degelijk met het recht in aanraking is gekomen. Met vele anderen wordt hij in deze verhalen wel beoordeeld door een rechtbank, maar het is zeer uitzonderlijk dat hij ook werkelijk veroordeeld wordt.
Het is trouwens karakteristiek voor de amateur-detective
| |
| |
dat hij er wel toe neigt de misdadiger die hij zo hardnekkig achtervolgde op het laatste ogenblik niet uit te leveren aan de officiële politie-instanties en bij gevolg aan het recht. Een van de merkwaardigste voorbeelden wordt wel geleverd in de reeds eerder genoemde roman van Dilwyn Rees: de amateur-detective (die trouwens zelf door de politie verdacht wordt) weet de misdadiger te vinden in Parijs en maakt het hem mogelijk te vluchten om zodoende aan het recht te ontkomen. Op het laatste ogenblik kan de politie zulks voorkomen, en het gebruikelijke slot, dat zich met de oplossing van het raadsel tevreden stelt, vindt op de gewone wijze plaats. Ik vermeld deze enkele episode, die met talloze andere vermeerderd zou kunnen worden, omdat hieruit blijkt hoe zeer het speuren in de detectives een sport blijft, die zijn doel in zich zelf vindt en voor de verdere gevolgen onverschillig blijft. Sterker nog: er zijn in het geheel geen verdere gevolgen! De misdadiger straft bijna altijd zich zelf, en daarmede uit.
Zou men nu ook het recht hebben alleen op grond hiervan reeds een zeker moreel gevaar in het detectiveverhaal te zien? Is het niet bijzonder verderfelijk, dat deze amusementsverhalen tegelijkertijd een in alle opzichten banale opvatting van recht en ethiek hebben en een sportieve spelhouding bij hun held als het hoogste goed proclameren? Om andere redenen heeft Vestdijk al eerder gezegd, dat het detectiveverhaal het zuiverste, misschien enige voorbeeld van perverse literatuur is. Wordt dit niet alleszins bevestigd door de morele en rechtsopvattingen die in deze romans gangbaar zijn? En er zou nog meer te noemen zijn: de rauwheid, het cynisme zo men wil en in ieder geval de brute kracht van de Amerikaanse verhalen zouden eveneens kunnen doen twijfelen aan de zuivere moraal en bij gevolg kunnen leiden tot een slechte invloed op de lezer. Alvorens echter op deze vragen in te gaan, dient eerst éen punt nader toegelicht te worden. De vraag is namelijk of deze
| |
| |
verhalen in het algemeen wel iets met literatuur te maken hebben.
|
|