| |
| |
| |
De adelaar en de slak
Van Dostojewski naar Kafka in verband met het detectiveverhaal is na het bovenstaande misschien geen al te vermetele stap, zij het dan ook een, waarbij men ogen ziet verdraaien van verbaasd ongeduld over zulke hardnekkige en waarschijnlijk detectivistische onkunde verbergende parallellen tussen laag en hoog. Hopelijk zal men later Dresden en mij niet ten laste leggen, dat wij ook nog de bijbel hebben geplunderd ten behoeve van onze twijfelachtige essayistiek. Intussen lijkt mij de overgang Dostojewski-Kafka niet zonder betekenis in het licht van wat ik de degeneratie van de ‘detective’ heb genoemd, iets wat Dresden ook wel met mij eens is, in zover de door hem zo liefdevol bestudeerde gegalvaniseerde kadavers en hard gekookte eieren van tegenwoordig hem des te beter in staat stellen het hele genus de doodsteek toe te brengen. Dat Kafka's werk een vervalstadium vertegenwoordigt, behoeft wel enige toelichting. In het wilde weg zoiets beweren is zaak van ontaarde-kunst-kenners met meer oogklep dan oog; maar in cultuurhistorisch verband weerspiegelen zijn romans toch ontegenzeggelijk zoiets als verval en ondergang, afgezien nog van satirische tendensen met betrekking tot een op haar laatste benen lopende Oostenrijkse bureaucratie. Kafka staat een stap dichter bij het einde der Westeuropese beschaving dan Dostojewski; enerzijds moet dit de intrinsieke waarde dezer figuren als zodanig wel onaangetast laten; anderzijds maakt deze visie hen geschikt voor een vergelijking met alles en nog wat onder het gezichtspunt van een zich naar haar bezegeling spoedende cultuurfase. Wie dus Dostojewski op éen lijn stelt, laat ons zeggen met Conan Doyle, - ik noem hem nogal vaak, hij is voor mij een ware vriend in de nood, - en Kafka met Agatha en Dorothy en hun talrijke afstam- | |
| |
melingen, hoeft zich nog niet noodzakelijkerwijs belachelijk te maken: hij geeft slechts een ontwikkeling aan van romantiek naar zakelijkheid, langs twee evenwijdige lijnen,
die even hemelsbreed van elkaar afliggen als het genie en het onbenul. Niet in de laatste plaats om dit rangverschil goed in te prenten wil ik hier het werk der beide grootmeesters afmeten aan hun verhouding tot het bovenzinlijke.
De diepte van Dostojewski's religieus gevoel is niet te danken aan een zich verheugen in rustig bezit. Hij bezit niets. Hij weet, dat God bestaat, als een macht die hem persoonlijk aangaat; maar de vereniging met Hem is alleen mogelijk sprongsgewijs, volgens de schokkend catastrofale zigzaglijn, waarvoor psychopathologen zijn epilepsie aansprakelijk stellen. Als een roofvogel stijgt hij op om God te benaderen, en naar beneden te halen, als het kan; wat daarboven geschiedt weet niemand, en gaat ook niemand aan; maar daar stort hij al weer omlaag met gebroken pennen en bebloede snavel; en er verloopt heel wat tijd voor hij zijn veren heeft gladgestreken en de snavel gereinigd. Dan, geleidelijk aan, vindt hij de rust en de moed voor een hervatting van de tocht, die hem opnieuw ten val zal brengen. Een romantische hemelbestormer, een half barbaarse lucifer, die telkens weer door God wordt verstoten, op grond niet van zijn opstandigheid, maar van een onbedwingbare vroomheid, die zich in maxima en minima uitput: dat is Dostojewski.
Voor Kafka, geen romanticus meer, en zo weinig luciferistisch, dat hij op het eind van zijn leven nauwelijks nog voor een individualist kon doorgaan, boden zich twee mogelijkheden ter realisering aan: òf een volledig bezit van God, dogmatisch volgens het Boek, middeleeuws rationalistisch, òf een volledig afstand doen. Het merkwaardige verschijnsel doet zich nu echter voor, dat, in aansluiting aan Kierkegaard, een van Kafka's leermeesters, de ene mogelijkheid de andere niet buitensluit. Integendeel, het absolute bezit valt hier goeddeels samen
| |
| |
met de absolute ontzegging, omdat dit in religieuze zaken de enige weg is om iets te bereiken dat zich op een oneindige afstand bevindt en derhalve volgens de logica onbereikbaar is. Paradox, waarvan men de vertwijfelde willekeur vooral niet te hoog moet aanslaan, want het paradoxale ligt hier in het wezen van Degene die de paradox geldt, niet in de man die de paradox stelt, en daar vrijwel toe gedwongen wordt.
Deze opheffing, bij Kafka, van de gescheidenheid van twee polen, waartussen Dostojewski's vonken sprongen, heeft het aanzijn gegeven aan het statische wereldbeeld, dat ons uit zijn werken zo grandioos tegemoettreedt. Daar, in die kanselarijen en advocatenspelonken, gebeurt niets, of zo goed als niets, en wat er gebeurt draagt maar zelden het karakter van een sprong; zo ja, dan wordt de sprong onmiddellijk gecorrigeerd. Geen beweging dus meer? Toch wel; maar het is de beweging van een slak, een ongemeen traag en volhardend dier, dat naar het model van de spiraallijnen van zijn eigen huisje een cirkelbeweging beschrijft, die uit twee componenten is opgebouwd: een kleine beweging naar boven toe (misschien kan ik God bereiken, mij met hem verenigen?), terstond gevolgd door een benedenwaarts gerichte beweging van dezelfde geringe omvang, die bepaald wordt door het berustende inzicht, dat God weliswaar niet te bereiken is, maar dat dit er in het geheel niet toe doet, aangezien men Hem allang heeft bereikt, altijd heeft bereikt, en nooit iets anders heeft gedaan dan dat. Waarna onmiddellijk de tegenbeweging weer inzet, dan weer de beweging, dan weer de tegenbeweging, en zo door; en al deze beweginkjes vloeien continueel in elkaar over, zodat zij gezamenlijk alleen voor de scherpe opmerker van de rusttoestand zijn te onderscheiden. Waar Dostojewski zijn heil zoekt in intermitterende roofvogelvluchten, opvliegt, neerstort, gebroken neerligt, een wijle wacht, weer opspringt, stijgt, valt, etc., daar beschrijft Kafka de kleine, nijvere kringen ener kalme dubbel- | |
| |
zinnigheid, zoals die verbeeld is in zijn schermutselingen met de ambtenaren uit ‘Das Schlosz’, - die tussen haakjes nauwelijks schermutselingen zijn, een slak schermutselt niet, - en dit alles op grond van zeer geringe onvolmaaktheden in de wezenlijke identiteit van de twee mogelijkheden, die zoëven ter sprake werden gebracht. Was hij zich op ieder moment van zijn leven volledig
bewust van de volstrekte congruentie van onbereikbaarheid en bezit, dan zou hij zich niet bewegen, hij zou geen romans schrijven, hij zou nog maar kunnen leven op een voor ons onvoorstelbare wijze: de slak die niet kruipt en die in zijn huisje alles vindt wat hij nodig heeft. Maar er zijn, zoals gezegd, geringe verschillen, zodat de onbereikbaarheid telkens éven de overhand krijgt, in de vorm van twijfel, ongeduld, gekrenkt rechtvaardigheidsgevoel: crises van godsvertrouwen, die die naam eigenlijk niet verdienen, omdat zij, niet in wezen, maar naar hun graad, al te onbeduidend blijven. Deze infinitesimaalrekening der religieuze krachten, deze uiterst discrete schokjes en stuipjes, zijn net voldoende om Kafka in beweging te houden, een beweging die zichzelf voedt, zonder merkbaar initiatief van zijn kant, en zonder kans op een andere afloop dan in de beweging zelve is voorondersteld. God wordt niet benaderd in catastrofale waagstukken, die elk voor zich een wereld vertegenwoordigen, maar ergens in God draait een klein dubbelsterretje om zich zelf heen, gehoorzamende aan de som der aantrekkingskrachten, heersende in het stelsel dat hem omringt. Wij kunnen natuurlijk zeggen, dat ook Dostojewski telkens weer op zijn punt van uitgang terugkeert, terugvalt. Maar dat is enkel in abstracto waar; want tussen twee van zijn steile vluchten naar het onzienlijke ligt een rustpoos, die hem in staat heeft gesteld zijn brandende aandacht aan nog enkele andere wereldse of onwereldse zaken te schenken. Kafka komt nooit uit die ene beweging vandaan. Hij vertoeft in een gesloten systeem, zodat leven bij hem hetzelfde is als niet-leven, spontaneïteit
| |
| |
hetzelfde als een dodelijke systematiek (en omgekeerd, want de spontaneïteit blijft even groot, en overtreft altijd nog die van de doorsneemens). Voor hem is ieder einde tevens een begin, en begin en einde zijn met elkaar te verwisselen... Halt! Hier is het, dat de ‘detective’-lezer, en de genegen lezer van Dresden, de oren begint te spitsen.
Willen wij deze inzichten nu in onze detectivistische filosofie inbouwen, en de beide bewegingen, de scherpe en geïsoleerde curve-uitslagen en de in elkaar grijpende cirkels, substitueren voor detectivistische motieven waarmee wij allengs vertrouwd zijn geraakt, dan moet onze eerste taak wel zijn, uit te maken wie of wat hier de functie heeft te vervullen van God. Pijnlijke vraag, maar die niet is te ontlopen. De detective? Hij is, zegt Dresden, de prins uit het sprookje, - we zouden hem als een heros kunnen zien, een halfgod. Maar hij is niet iets waarnaar wordt gestreefd: hij streeft zelf, soms voor zijn genoegen, soms voor geld; en de lezer streeft ernaar hem te begrijpen en te volgen, maar dat speelt zich buiten het verhaal af en komt dus niet in aanmerking. Neen, wat hier goddelijke allures aanneemt, dat is niet een persoon, hoezeer met macht bekleed, hoezeer vereerd door lezersscharen, - het is een abstract beginsel. Het is het raadsel, het is de plot van het detectiveverhaal, en de oplossing van het raadsel, die als een hemelse genade komt nederdalen, wanneer eenmaal de laatste bladzijde zuchtend is beëindigd.
De parallel tussen Kafka en de moderne, uitgebeende en uitgekookte speurdersverhalen is vrij ver door te voeren. Het raadsel, dat wordt opgegeven, is van te voren bekend, zij het ook slechts aan de auteur. Maar dit maakt niet zo heel veel verschil, want de gehele opzet, de legkaarttechniek, de gemechaniseerde schrijftrant, de zelfverzekerde logica, zorgen ervoor, dat de lezer van het begin af aan althans het gevoel heeft, dat de auteur het weet. Het wat onthult zich eerst later, maar blijkt dan
| |
| |
ook voor de lezer van betrekkelijk weinig belang te zijn: hij is tevreden gesteld, denkt er niet meer over na, en grijpt naar het volgend verhaal, waar het spel zich op precies dezelfde wijze herhaalt, met als gangmaker steeds datzelfde verschil tussen ‘dat’ en ‘wat,’ dat, op zichzelf vrijwel te verwaarlozen, net voldoende is om het verhaal aan het rollen te brengen. We hebben hier dus een cirkel, die in de volgende cirkel grijpt, op grond van de houding van de lezer. Er gebeurt nooit iets nieuws, alle verhalen lijken op elkaar, de oplossing van het raadsel is er, en is er niet.
Tot zover is de overeenkomst frappant. Waarin Kafka van de moderne detectivisten afwijkt is, afgezien van het enorme verschil in literair peil, voornamelijk te zoeken in een synthetisch element van inwikkeling of inspinning, dat in de ‘detective’ ontbreken moet, omdat men daar gebonden is aan een traditionele rolverdeling. De roman ‘Das Schlosz’ zouden wij met enige goede wil en veel fantasie kunnen zien als een speurdersroman, waarin detective, misdadiger en slachtoffer tot één personage zijn samengeperst: tot de landmeter K., die zoekt te ontraadselen wat hijzelf aan zichzelf heeft misdaan door het blote feit van zijn existentie. Actie wordt tot zelfbespiegeling, gesymboliseerd in een actie op de grens van het niets-doen. Vandaar dat hier de cirkels vrijwel feilloos kunnen verlopen, daar waar in het moderne detectiveverhaal altijd nog een schijn van variatie moet worden opgehouden, alsof er werkelijk iets nieuws aan de hand was. Bij Kafka ontbreken eigenlijke protagonisten, en dat de landmeter K. drie personen in zich heeft opgeslokt, kan zijn beweeglijkheid moeilijk ten goede komen. Toch blijft hij nog wel in beweging, en waarom? Omdat hij voortdurend door het onduidelijke vermoeden wordt gekweld, dat hij toch níet de misdadiger is, en níet het slachtoffer; en dit vage besef, dat nooit tot een definitieve daad kan voeren, is precies toereikend om hem tot zijn monotone en tot in het oneindige voort te
| |
| |
zetten werkzaamheden aan te sporen, waarbij nu eens het accent ligt op de misdadiger (hij voelt zich ‘schuldig’), dan weer op het slachtoffer (God is schuldig), en ook wel eens op de detective (wie ben ik, wie is God, wat is schuld, waarom word ik vervolgd, waarom hoor ik er niet bij, wórd ik wel vervolgd, waarom geven ze me geen baantje, etc. etc.).
Bij een uitwerking van de parallel tussen Dostojewski en onze goede Conan Doyle zal men, bij al het andere, - en dit is zoveel, dat ik mij voor het eerst een weinig begin te schamen, - terdege rekening moeten houden met een temperamentsverschil, dat bij deze soliede Engelsman grillige en bruuske sprongen naar het onkenbare ietwat onaannemelijk maakt. Maar daar kom ik nog op terug. Ten aanzien van zijn creatie, Mr Sherlock Holmes, schijnt de zaak er anders voor te staan. Het zou mij helemaal niet verwonderen, wanneer op grond van apocriefe kladjes van Watson kon worden aangetoond, dat de grote man behalve cocaïnist ook een epilepticus is geweest; het verschil is niet eens bijster groot, als is cocaïne in den beginne prettiger, naar men zegt. Niet dat ik dat geloof, van die epilepsie, maar als nauwgezet student in de holmologie moet ik toch met de mogelijkheid rekening houden. Holmes' eerste optreden, in het lange verhaal ‘A Study in Scarlet’, geeft blijk van een beschamende onevenwichtigheid: sprongen en grimassen, slecht bestuurde bewegingen, neurotische trekjes, kortom, dingen die men bij Sir Arthur nooit en te nimmer zal mogen verwachten, zo stoer en dommelig als hij op zijn foto de wereld in blikt. Maar weten wij dit wel zeker? Misschien was, achter deze buitenkant, Sir Arthur wel een getourmenteerde geest. Maar van Holmes kunnen wij ons al niet eens meer voorstellen, dat hij ‘in werkelijkheid’ ook maar enigszins normaal was. Een bloeiende gek, met permissie. Zijn buitensporigheden worden alleen nog getemperd door zijn intellect, al is ook dit buitensporig. In zijn eerste bijdrage wees Dresden erop, dat een detec- | |
| |
tive ‘vreemd’ móet zijn; maar waar in de hedendaagse voortbrengselen een tot sleur geworden procédé de vreemdheid van buiten af aanbrengt, als een make up, daar bespeuren wij bij Conan Doyle nog zoiets als een innerlijke behoefte, een zekere levensechtheid,
zekere banden ook met een werkelijk bestaand prototype, dat de literatuurgeschiedenis inderdaad weet aan te wijzen in de persoon van Prof. Joseph Bell, Conan Doyle's medische leermeester in Edinburgh. Met andere woorden: de detective is hier nog niet tot symbool verstard, nog niet geheel tot zakelijkheid verkild. Hij leeft nog, en leven betekent instorting, en kunnen wachten en rusten, zich kunnen overgeven aan de organische ritmiek van bewegingen, die niet als ringen berekenbaar in elkaar grijpen.
Hiermee moet wel samenhangen, dat menig verhaal uit deze hoek op de onbevangen lezer nog de indruk kan maken van een avontuur, dat losstaat van wat eraan voorafgaat en van wat erop volgt. De holmologisch geschoolde criticus, natuurlijk, híj ziet overeenkomsten, híj legt de hand op het zichzelf gelijkblijvend schema, de stereotypie der intriges, de schablone van de listige boef en het arme slachtoffer, de domme boef en de koele denker, de koele denker en de achterlijke Watson, steeds weer hetzelfde, ad infinitum. Voor hém is er inderdaad de cirkelgang van het begin, dat met het einde samenvalt. Voor de lezer niet, of in veel mindere mate. Zelfs ten aanzien van de schrijver, Sir Arthur zelf, zou men kunnen twijfelen. Misschien begon hij toch altijd weer op virgin soil zijn holmiaans standbeeld op te richten, verheugd wel dat het op de vorige standbeelden leek, maar daar lang niet zeker van, wanneer hij de pen opvatte. En de oplossing van het raadsel? O, hij zal het in de meeste gevallen wel geweten hebben, Sir Arthur. Maar in hem, ergens diep in de flegmatische speklagen van het Angelsaksisch savoir faire, daar werd telkens die sprong gewaagd naar het onkenbare dat tijdelijk gekend zal worden, daar was de creatieve spanning, een vleug van de frene- | |
| |
tiek epileptische drift om het absolute in bezit te nemen in méer dan een visioen, - daar was die instorting, met de bittere smaak van het vergeefse, wanneer de boef eenmaal gevangeniswaarts schreed, en er opeens geen boef meer was, geen raadsel meer, niets meer. Alleen die zachtjes naar de keel tastende teleurstelling van de nevelige heide, waarover een bloedhond buitelde, die men, mijn hemel, alleen maar stomweg had kunnen doodschieten...
In de terugblik hebben dan ook maar weinig van deze verhalen het bevredigende, dat de oplossing der latere ‘detectives’ schenkt, hoe weinig de gewoontelezer ook in staat is deze bevrediging op prijs te stellen. Bij Conan Doyle bevredigt de oplossing natuurlijk wel kortdurend, maar zij wordt op de voet gevolgd door ontgoocheling en moede ontspanning, die niet binnen een uur te niet zijn te doen door de spanning van het volgend verhaal. En dit interim schenkt Sherlock Holmes de rust waar hij recht op heeft, híj meer dan menig ander! Verduiveld, hij moet zijn pijpje toch kunnen roken, hij moet toch eens kunnen slapen, zich rekken in het veren bed, zich vergissen, eens een keertje niet uit zijn woorden kunnen komen, - een gewoon mens kunnen zijn. Dan, na deze revanche van de goede aarde, waarop zijn schepper Conan Doyle zo stevig stond geplant, kan hij weer een gloednieuwe Holmes zijn, scherp als een mes, edel als de Britse leeuw, helpend, zwoegend, deducerend en combinerend, en met sadistische didactiek vriend Watson diens geestelijke onvolwaardigheid onder de neus wrijvend. Bij Conan Doyle heeft men altijd nog wel gelegenheid, niet alleen om van het verhaal te bekomen, maar ook om te erkennen, dat de ontknoping der intrige, het bezit van het raadsel, de ontsluiering van de detectivistische godheid, uitsluitend geldt binnen de grenzen van het verhaal en niet door de werkzaamheid van het almachtig verstand naar het volgende kan worden overgeheveld. Er is hier de grote cesuur van een uitgeputte inspiratie,
| |
| |
die zich neerlaat in het Niets, om adem te scheppen, en om droevig te zijn. Want Stapleton, de schurk, die in het moeras stikt, is voor ons verloren, niet omdat hij doodgaat, - wat is de dood in de wereld der verbeelding? - maar omdat hij plotseling, schrijnende ontdekking, Stapleton niet meer is, de man met het vlindernetje en de geheime adellijke voorouders, die Baskerville heten zoals het slachtoffer dat hij beloert. Stapleton, dat blijkt nu, wanneer wij het boek terzijde leggen, Stapleton was een bedenksel van Sir Arthur Conan Doyle: een onanoniem sprookje, een flitsgewijs voortbrengsel van de morbus sacer, die schrijflust heet. Ach, zijn wij na afloop niet even melig als de kinderen in bed, wanneer de kindermeid het sprookjesboek afneemt en de kaars uitblaast? Wij zijn moe, doodmoe en doodarm, uitgeput als na een werkelijke aanval van vallende ziekte, deze adelaarsvlucht van elektrisch doorschokte hersencellen. Wij zullen wel weer naar dat gif grijpen, o ja, maar nu niet, nu niet...
Men kan helaas niemand verbieden op de wijze van geïnspireerde adelaars de moderne massaproductie tot zich te nemen, maar er zijn hier, dunkt mij, toch karakteristieke verschillen met de oudere detectiveliteratuur. De romantische bezieling moet de lezer zelf in het verhaal leggen, terwijl bij Conan Doyle zij hem, in bescheiden vorm, uit het verhaal tegemoet straalt. Anderzijds zou ik het betreuren, wanneer een vonnis gericht tegen zielloosheid en ontzinde mechanisering, een figuur als Kafka suspect zou maken, al is het natuurlijk waar, dat alleen ongeëvenaard schrijftalent, gevoeligheid en mensenkennis, humor en subtiele detailkunst, zijn romans vermogen te redden van de vloek van het robotsysteem, waartoe de genius der historie het mensdom voorlopig schijnt te willen veroordelen. In principe zie ik dan ook geen verschil tussen de werkelijkheidsvervreemding in ‘Das Schlosz’ en in de vergelijkbare ‘detectives’. Verarming in beide gevallen, verschralende schematisering:
| |
| |
zelfs een metafysische achtergrond kan ons de ogen daarvoor niet doen sluiten. Kafka's waarde wordt bepaald door literaire rang en hoedanigheid, niet door zijn wereldbeeld en de diepere zin daarvan.
Zelfs zou men zich kunnen afvragen, of hij in zijn derealisering niet nog verder gaat dan de meest kale ‘detective’, waarin boeven en burgers achter elkaar aan razen met de onverbiddelijkheid van de welbediende machine. In Kafka's romans, zei ik, zijn de drie hoofdpersonen tot éen verenigd, als ingesponnen door de slijmdraden van een reuzenslak: de detective, de misdadiger, het slachtoffer. Vertaal dit in speurdersmogelijkheden, en men ziet een soort literatuur of schijnliteratuur of wanliteratuur opdoemen, waarin het verhaal nog maar bestaat uit het in werking stellen van een elektronisch apparaat, dat zo juist uit de science fiction is opgeklommen tot huishoudelijk voorwerp. Mag ik een schets beproeven van zulk een verhaal? De hoofdpersoon wordt 's morgens geeuwend wakker. Hij heeft gedroomd, dat hij bestolen is. Of heeft hij het soms niet gedroomd, is de droom soms werkelijkheid? Zo ja, wie heeft hem dan bestolen, waar is de man te vinden, hoe was de toedracht? Of, tweede gedachte, heeft hij, wanneer hij inderdaad geld mist, het soms verloren of weggelegd? Hij wil zekerheid, staat op, steeds nog geeuwende, kijkt in zijn brandkast: er ontbreekt geld, inderdaad. Hij herinnert zich niets. Geeuwend en steunend scheurt hij een geprepareerd papiertje van een blocnootje, kruipt ermee in bed, krabbelt het biljetje vol met enkele gegevens, stopt het in de muil van het elektronisch brein, dat, zoals bij iedere burger die zich respecteert, vlak naast zijn bed staat, nog dichterbij dan de brandkast; hij drukt op een knop, het elektronisch denkmonster slikt, zegt brrr, en uit zijn andere opening valt net zo'n vodje, waarop in fraaie drukletters te lezen is, dat het geld daar en daar ligt en dat de eigenaar het daar zelf bij vergissing heeft heengebracht. Deze gaat niet eens kijken, hij gelooft het
| |
| |
monster op zijn woord, geeuwt bevredigd, en slaapt weer in. Het verhaal is uit. Een verhaal over een feilloos denkende detective, die tegelijk de schuldige is en het slachtoffer. Een nogal gek verhaal.
Een verhaal, dat, en ik ben wel zo boosaardig het daarom hier te vermelden, overtuigender dan welk literair argument ook het einde der detectiveliteratuur in zicht brengt, - en moge ditmaal Dresden bevredigd geeuwen! Het faillissement is uitgesproken. Er is niets meer te bedenken over. Niet omdat voortaan de robots voor ons denken en met hun subtiele kortsluitingen de menselijke demonie tot zich hebben getrokken, maar omdat de synthese volledig is geworden, de samenvatting tot het éne cijfer, zij het een éen, zij het een nul. Nòg vollediger dan wij bij het verzinnen van dat malle verhaal wel konden vermoeden. De detective, de misdadiger, het slachtoffer, ze zijn in elkaar weggekropen; maar dat niet alleen: ook de roofvogel en de slak hebben zich met elkaar vermengd, zodat men veren aantreft in dat lege slakkenhuisje in mijn tuin, en slakkenslijm in de harde maag van de adelaar. Wat toch is het geval? De modern-detectivistische cirkeltechniek speelt zich hier met zulk een onvoorstelbare snelheid af, dat zij niet meer te onderscheiden is van een epileptische aanval van Dostojewski of een van zijn remplaçanten. Eén elektrische klap, éen klik, en het is gebeurd, en de waarheid is geschouwd, God was weer eens genadig. Dostojewski en Kafka zijn éen geworden. Maar dat betekent, dat de historie is stilgezet, en dat de literaire produkten, aan deze situatie ontsproten, alleen nog genietbaar zijn voor denkers in het laatste stadium van seniele aftakeling. Voor de frisse jonge lezer lijken mij verhaaltjes als ik mij zoëven veroorloofde veeleer stom vervelend, tenzij hij een elektrotechnisch ingenieur is, die die knaap van staal naast het bed van de toekomstburger wel eens op fouten of onwaarschijnlijkheden zou willen betrappen. Ook wanneer het monster, ons onze menselijke vrijheid benijdend, tot
| |
| |
razernij zou vervallen en de slaper in bed zou doodslaan, - opstand der robots, - ook dan kan het verhaal nog wel boeiend zijn. Alleen moeten wij, bespiegelende detectivisten, bij onze bezoekjes aan de hogeschool der literaire vergelijkingen in dit laatste geval de gehoorzaal van Kafka verruilen voor die van Goethe met zijn ‘Zauberlehrling.’
|
|