| |
| |
| |
Sprookjeswerkelijkheid
Op het eerste gezicht lijkt het alsof geen roman zich systematischer en nauwkeuriger met de alledaagse werkelijkheid bezig houdt dan het detectiveverhaal. Waar vindt men plattegronden van de huizen, die het toneel van de handeling zijn, waar zulke uitgewerkte ‘time-tables’, waar ten slotte die gedetailleerde beschrijvingen van de gehele omgeving en van alle voorwerpen, die er in gevonden worden? Altijd weer opnieuw vindt men in de detectiveroman alle mogelijke soorten van realia die een rol kunnen spelen en waar in ieder geval voortdurend met grote aandacht op gelet moet worden. Zij vormen immers de feitelijke aanwijzingen waardoor het raadsel zich zal laten oplossen, en de schrijver is wel verplicht althans de indruk te wekken alsof hij een precieze afbeelding van de werkelijkheid geeft. De vraag is dan echter of de detectiveroman hierdoor nu ook in de gebruikelijke zin van het woord realistisch genoemd kan worden. Afgezien van alle bij-betekenissen die dit woord in de loop der jaren gekregen heeft, wenst de realistische roman als het ware een fotografische afbeelding van de werkelijkheid te verschaffen. Elk detail wordt minutieus beschreven, waarbij uiteraard toch nog altijd door de schrijver een keuze in de omringende realiteit wordt gedaan. Ook de schrijver van detectiveverhalen is dus gedwongen deze keuze te doen, maar bovendien is voor hem de keuze ook nog zeer beperkt. Zoals reeds eerder bleek, kan hij bij voorbeeld maar een gering aantal personen gebruiken, die daarenboven in een besloten, afgebakende ruimte bijeen zijn geweest. Alleen door deze noodzaak reeds zou men kunnen zeggen, dat het detectiveverhaal slechts schijnbaar op de werkelijkheid gericht is en zich inderdaad in de beschrijvingen ver verwijdert van de gewone werkelijkheid.
| |
| |
Zowel de detective als de misdadiger bleken trouwens reeds geen ‘gewone’ mensen te zijn. Zij zijn beiden meer dan levensgroot en daardoor in het geheel niet zo levensecht als wel gedacht wordt. In één van zijn werken schrijft de Franse politieambtenaar Locard dan ook niet ten onrechte, dat ‘le roman policier est aussi voisin de la fable que le roman de cape et d'épée’. Nu lijkt alles wat hieromtrent tot nu toe gezegd is eerder van toepassing op de zogenaamde Engelse detective dan op de Amerikaanse. In de werken van Hammett, Chandler, Mickey Spillane en vele anderen kan men zich waarachtig niet beklagen over een gebrek aan realisme. Rauwe vechtpartijen zijn niet van de lucht, het bloed stroomt op iedere bladzijde en voor martelingen deinst men niet terug. Van Hammett zegt Chandler, dat ‘he gave back murder to the kind of people that commit it for reasons, not just to provide a corpse’. Laat dit zo zijn, laat het misschien zelfs mogelijk zijn in deze veranderde detectiveverhalen een verontrustende neiging tot geweldpleging bij de gemiddelde lezer te ontdekken, dan blijft toch nog altijd de vraag of hier niet over realisme in de zin van sensationele en overdreven nadruk op lichamelijke bruutheid wordt gesproken, terwijl de eigenlijke literaire betekenis zo niet verdwenen dan toch verdrongen is. Bovendien is al eerder vermeld hoe zelfs in de ruwste en bloederigste Amerikaanse verhalen het intellectuele raadsel, zij het in verhulde vorm, toch nog altijd duidelijk aanwezig is. Weliswaar kan men met Wölcken over de ‘Wirklichkeitsnähe’ van het Amerikaanse detectiveverhaal spreken, maar dit houdt niet in dat deze verhalen nu ook realistischer zouden zijn. Het wezenlijke verschil tussen de Engelse en Amerikaanse vorm van verhalen ligt elders: terwijl in de ene soort het raadsel vrijwel volledig geformaliseerd is, ligt het in de andere verhalen binnen de handeling der
verschillende personen besloten. Geheel volgens de leer van het psychologische behaviorisme, die indertijd grote opgang
| |
| |
in Amerika heeft gemaakt, raken de figuren uit de detectiveroman bekend door de handelingen die zij verrichten. Zij onthullen zich in en door de wijze waarop zij te werk gaan, en zo wordt ook het raadsel alleen door de handeling opgelost. Het lijkt dus inderdaad alsof in de Amerikaanse romans niet meer geredeneerd en alleen maar gehandeld en zelfs gevochten wordt, alsof om met Jacques den Haan te spreken de grijze cellen eerder tegen de muur gekwakt worden dan hun denkfunctie verrichten. Maar intussen heeft men al te gemakkelijk een tegenstelling tussen denken en doen aanvaard, terwijl bovendien te dikwijls gedacht wordt dat het denken in het Amerikaanse genre geheel verdwenen is. In werkelijkheid is het ook daar aanwezig, maar het gaat op in het handelen. De tegenstelling is dus zeker niet radicaal te noemen, en de Amerikaanse detectiveroman verwijdert zich ondanks de schijn van het tegendeel ook verder van de werkelijkheid dan men zou denken.
Iedere vorm van detectiveverhaal blijft in eerste instantie een spel, dat wel op verschillende manieren gespeeld kan worden, maar daarom nog niet dichter bij de gewone werkelijkheid behoeft te komen. Over dit spel behoeft nu niet veel meer gezegd te worden. Wölcken heeft het herhaaldelijk over ‘Schachspiele mit lebendigen Figuren’; Vestdijk heeft heel knap aangetoond hoe verleidelijk maar ook hoe onjuist deze vergelijking in wezen is. Het typische van ieder spel is immers niet alleen dat er spelregels zijn (zoals ook in de detectiveroman), maar bovendien dat de uitslag van het spel niet van te voren vast staat. Dit laatste is in het detectiveverhaal juist wel het geval en alleen daarom zou men al kunnen zeggen, dat deze soort van romans altijd een getruqueerd spel moet zijn. De schrijver doet alsof het helemaal niet zeker is, dat het misdrijf opgelost zal worden, ja zelfs geeft hij in bepaalde gevallen de oplossing alleen maar aan. Desondanks- het is reeds meermalen gezegd - wéét de lezer dat er een oplossing en dus een van te voren vast- | |
| |
staande uitslag zal zijn. Moet er nogmaals op gewezen worden, dat het detectiveverhaal zich daarmede principieel van de werkelijkheid verwijdert? Zelfs de spelwerkelijkheid is niet meer zuiver en eerlijk in deze romans gesteld, laat staan de gewone werkelijkheid waarin misschien nauwelijks van oplossingen en resultaten en zeker niet van a priori zekere en onbetwijfelbare resultaten gesproken kan worden. Heeft de lezer in de detectiveroman altijd te maken met situaties, die tot in de kleinste details pasklaar gemaakt zijn voor de komende oplossing, in de werkelijkheid vindt hij deze toch nooit. Hij is in het gewone leven gedwongen zich zijn eigen situaties te scheppen en geniet bij het lezen van dit soort verhalen onder andere juist van het feit, dat alles zo vanzelfsprekend lijkt en zo logisch in elkaar blijkt te zitten. Dit plezier wordt echter gekocht met een nadeel: de figuren
die hij ontmoet in de roman zijn ontdaan van alle wezenlijk menselijke problematiek en marionetten geworden. Evenals de situaties waarin zij optreden, zijn zij naar de maat van de oplossing gesneden en verdwijnen zij als het ware in deze oplossing. Daardoor krijgen zij iets stars en iets vreemds, dat ook de marionetten eigen is en waardoor zij als caricatuur en persiflage onder andere van de levende mens dikwijls een griezelige indruk maken.
In het algemeen trouwens kan men zeggen, dat de gewone wereld in de detectiveroman ongewoon en vreemd wordt, en zeer in het bijzonder voor de personen die er in optreden. Voor de detective en vele anderen met hem is de wereld waarin het misdrijf heeft plaats gevonden en zij dus moeten verkeren, niet meer een geordende, overzichtelijke en begrijpelijke kosmos, maar een chaos die hun geen houvast meer biedt. Aangezien zij van geen enkel feit meer zeker kunnen zijn, verkeren zij in een soort van labyrint waaruit geen draad hen schijnt te leiden. Niets is meer zoals het werkelijk is, men staat voor afgronden die nauwelijks te ontwijken zijn
| |
| |
en niemand weet waarheen hij gaat. In deze absurde wereld is alles vreemd en ondoorzichtig. Als Maigret dan ook een tijdlang in deze werkelijkheid verkeerd heeft, vindt hij het verrukkelijk als een goed burgerman weer in zijn burgerlijke woning te komen: ‘C'était bon de retrouver la voix de Mme Maigret, l'odeur de l'appartement, les meubles et les objets à leur place’. In het gewone leven van de commissaris, die ten slotte ook een honorabel politieambtenaar is, staan de zaken keurig op hun plaats; hij weet ze te vinden, hij kan ze hanteren en om zo te zeggen gehoorzamen zij hem. Deze wereld wordt door de misdaad omwoeld en ondermijnd: hij kan deze nieuwe werkelijkheid (nog) niet doorzien, hij weet niet waarheen zich te wenden, hij heeft (nog) geen vat op deze situatie die zich aan zijn begrip onttrekt en steeds vreemder wordt. Ook voor vele andere figuren uit het verhaal wordt de werkelijkheid waarin zij zo rustig geleefd hebben, waaraan zij gewend waren en die zij zo volkomen meenden te kennen, op een gegeven ogenblik onbekend en vreemd: ‘What an extraordinary state of affairs!’, laat Dilwyn Rees iemand tot de detective zeggen, ‘I must say you have unearthed a lot of strange things in this College’. Zo kalm en onberoerd leek het leven te verglijden in het college, maar zodra er iets als een misdrijf gebeurd is, blijkt er ook veel meer gebeurd te zijn dan de bewoners in hun onschuld gedacht hadden. Hun gewone wereld was in het geheel niet zo gewoon! Van de weeromstuit gaan dan ook velen overal het vreemde en onberekenbare zoeken, zij hebben de (op zich zelf heel goed verdedigbare!) indruk, dat ieder individu geheimen met zich mee voert en feitelijk onbegrijpelijk is: ‘Maigret regardait les passants en se disant que Paris est peuplé d'existences mystérieuses et abracadabrantes qu'on ne découvre que rarement, à la faveur d'un drame’. De werkelijkheid is van
dat ogenblik af onbegrijpelijk en in wezen absurd. Het gevolg is dan ook, dat de detective, alle andere
| |
| |
figuren en zeker ook de lezer zich niet meer rustig thuis voelen in de gewone wereld, maar griezelend verkeren in een labyrintische werkelijkheid waarin zij de weg niet weten en geen einde zien.
De detectiveroman beschrijft zodoende een werkelijkheid die onvermijdelijk aan Kafka doet denken. De wijze waarop K. ronddoolt in de wereld van het slot, die in wezen onze wereld is, zijn radicaal onvermogen een toegangsweg te vinden hetgeen zonder twijfel tevens het onvermogen van ieder mens is, zijn obstinaat doorzetten ten slotte terwijl hij weet, dat al zijn pogingen op niets zullen uitlopen, dit alles schept de obsederende atmosfeer waarin het absurde regeert en de mens moet trachten te ademen. Bij Kafka lijkt de wereld heel gewoon en zij is eigenlijk ook heel gewoon, maar in dit banaal alledaagse dringt het absoluut ongewone, het volkomen andere en ongewone op vanzelfsprekende wijze door. Zo ontstaat bij Kafka de griezelig vreemde wereld die tegelijkertijd en altijd de onze is. De overeenkomst met de detectiveroman is op het eerste gezicht treffend en het zou mij in het geheel niet verbazen, als de mode van existentialistische absurditeitstheorieën, waarvoor de gemiddelde lezer de laatste jaren klaarblijkelijk zeer gevoelig is geweest, behalve aan alle mogelijke sociale oorzaken eerder aan het klimaat van de detectiveroman te danken of zo men wil te wijten is dan aan Kafka wiens werken toch altijd maar een betrekkelijk kleine en geselecteerde lezerskring hebben gevonden. Wat men hiervan ook moge denken, het is duidelijk, dat een zelfde gevoel van onwerkelijkheid in de detectiveroman en bij Kafka gevonden wordt. Er is echter ook, afgezien van het literaire talent, een uiterst belangrijk verschil te noemen. Bij Kafka wordt de absurditeit, de ondoorzichtigheid van de wereld tot het einde toe gehandhaafd: het slot waarin K. wil doordringen blijft gesloten en behoudt zijn volmaakte onbegrijpelijkheid. Het einde van zijn romans, zo er al een einde is, biedt geen enkele vorm
| |
| |
van enigerlei oplossing. De lezer vindt dus ook geen rust als hij het boek beëindigd heeft, integendeel hij is tot in zijn eigenlijke wezen geschokt en weet geen weg meer. Hierom is het de detectiveroman nu wel in de allerlaatste plaats te doen! In deze verhalen is de absurditeit immers alleen maar schijn, zij vindt altijd een rationele oplossing en verdwijnt volkomen in de logische verantwoording die de lezer als de laatste bladzijden eenmaal bereikt zijn volkomen gerust stelt. In de werken van Kafka vindt de lezer geen verantwoording van de levensabsurditeit, deze is er en de mens weet er geen antwoord op. In het detectiveverhaal vindt altijd een verantwoording plaats, de lezer krijgt antwoord op ál zijn vragen en dus is de absurde werkelijkheid er alleen maar schijnbaar geweest. Vandaar dan ook dat de atmosfeer van griezeligheid alleen bij Kafka authentiek is. In de detectiveroman weet de lezer dat alles goed zal aflopen en dat ook de ergste vorm van absurditeit niet echt gemeend en doorleefd maar slechts een spelletje is. Is men bij Kafka volkomen gefascineerd door de beschrijvingen van een onmogelijke werkelijkheid die onze wereld is, de lezer van detectives zit om het zo scherp mogelijk uit te drukken op zijn gemak te griezelen. Hij raakt in het geheel niet door angst overmeesterd om de eenvoudige reden dat hij zich bij deze absurditeit niet betrokken voelt, nog sterker omdat hij weet in het geheel niet met een absurde wereld te maken te hebben maar met een alleszins doorzichtige werkelijkheid die hij alleen nog niet begrijpt doch spoedig zal begrijpen.
Het grote verschil ligt dus hierin, dat de wereld van de detectiveroman van begin af aan een patroon heeft (ook al lijkt dat niet het geval), terwijl bij hen die de fundamentele absurditeit en tragiek van het leven wensen te beschrijven dit patroon afwezig is of althans nooit volledig gekend kan worden. Het determinisme dat de detectiveverhalen reeds eerder bleek te kenmerken verschijnt hier wederom, en maakt dat de werkelijkheid
| |
| |
juist niet griezelig maar te beheersen en kenbaar is. Zelfs wanneer men zou aannemen, dat de wereld in wezen niet absurd is en de mens zich dus op een of andere wijze en in zekere mate een doel weet te stellen, zou de detectiveroman toch nog altijd veel te ver gaan door de volmaakte kenbaarheid van bepaalde situaties stilzwijgend te aanvaarden. Daardoor wordt deze romansoort eigenlijk tot een sprookje, ook al lijkt het vreemd hieraan te denken terwijl over determinisme en zelfs over rationalisme gesproken werd.
Bij een sprookje moet uiteraard niet in de eerste plaats aan verhalen gedacht worden, die men tegenwoordig alleen kinderen meent te kunnen voorzetten. Wanneer hier, in navolging van Wölcken, het begrip sprookje gebruikt wordt, zou eerder de vergelijking met het ‘Kunstmärchen’ van de Duitse romantici opgaan. Het karakteristieke van deze kunstvorm is immers, dat er eerder van types dan van individuen sprake is, dat allerlei dingen mogelijk zijn, die in het gewone leven uitgesloten blijken, dat ten slotte de werkelijkheid van het sprookje in principe niet de echte is, maar naast deze bestaat en alleen een papieren bestaan bezit. Dit alles geldt ook voor de detectiveroman, zij het ook dat er eveneens op enkele overigens onwezenlijke verschillen gewezen dient te worden. In het gewone sprookje vindt men allerlei fantastische zaken: feeën, reuzen, monsters, sprekende dieren en dode voorwerpen, die blijken te leven, zijn de gewoonste zaak van de wereld. Niets van dit alles wordt in de detectiveroman terug gevonden; het is zelfs streng verboden van dit soort middelen gebruik te maken. Maar de detective is op een geheel andere en zelfs volkomen tegengestelde wijze van de werkelijkheid verwijderd en daardoor onecht. Het fantastische van deze verhalen ligt in de absolute rationalisering van de werkelijkheid, zodat men niet ten onrechte heeft kunnen zeggen, dat de detectiveroman het sprookje van en voor rationalisten is.
| |
| |
Ondanks alle zogenaamd realistische beschrijvingen heeft de lezer dus slechts schijnbaar met de werkelijkheid te maken. Dit is trouwens bij iedere roman het geval, maar de detectiveroman verplaatst ons bovendien in een sfeer, die bij uitstek gelijkt op de werkelijkheid van het sprookje. Uiteraard zijn de personen uit welke roman dan ook geen echte levende figuren, maar in de detectiveroman hebben zij zelfs niet de minste gelijkenis met levende mensen: zij hebben het machinale, het houterig-beweeglijke van marionetten, die de handelingen verrichten welke hun worden opgedragen. Zij zijn geen individuen, maar types die een zekere vlakheid bezitten, een heel bepaalde opdracht te vervullen hebben en verder geen menselijke diepte bezitten. Daarmede is ook gezegd, dat iedere psychische gecompliceerdheid hun vreemd is.
Het merkwaardige bij dit alles is, dat men niet in de eerste plaats aan een dergelijke sprookjesachtige werkelijkheid denkt en dat bij nadere overweging de detectiveroman inderdaad nog het dichtst bij een genre als het sprookje staat. Wij hebben ongetwijfeld de neiging juist bij sprookjes gedachten aan idylles, aan zoete weekheid en liefelijke onwerkelijkheid op te roepen. Op zich zelf is dit al niet te rechtvaardigen, want verreweg de meeste sprookjes zijn belangrijk harder en wreder dan men denkt. Maar ook al zou het waar zijn, dan zou men nog met Rolo het recht hebben in de detectiveverhalen ‘blood-stained fairy tales’ te zien. Wat immers is een detective anders dan een held, die tot in het sprookjesachtige verheven wordt, dientengevolge nog maar weinig menselijks heeft en ook inderdaad alles kan? Hij is een fee in het mannelijke, hij maakt dat alles terecht komt, zoals de misdadiger een laatste incarnatie van de boze wolf is, voor wie alleen het kwade bestaat.
In deze sprookjeswerkelijkheid bestrijden twee machten elkaar, en gelijk het in sprookjes betaamt weet men van te voren welke macht het winnen zal. De prins-detective zal
| |
| |
er voor zorgen dat het goede uiteindelijk en ondanks alle moeilijkheden overwint. Deze zekerheid heeft het kind terwijl het toch altijd weer in spanning het einde van het sprookje, dat reeds vele malen verteld is, afwacht. Deze zekerheid heeft ook de lezer wanneer hij een nieuwe detective begint. Hij zal weer tegenover situaties komen te staan die doorzichtig zullen worden en waarin het goede de overhand zal hebben. Hij voelt zich daarin behaaglijk, hoewel (of juist omdat) hij weet dat dergelijke situaties eigenlijk alleen in sprookjes bestaan. Hoe dit moge zijn, hij staat een tijdlang buiten de werkelijkheid die zo moeilijk gekend en beheerst wordt, en treedt een wereld binnen die dank zij het optreden van een sprookjesheld totaal duidelijk zal worden. Alleen hierin ligt al het sprookjesachtig fantastische van het detectiveverhaal. En zijn er niet meer overeenkomsten te noemen? Hoort de strijd van het zuiver goede met het absoluut kwade niet ook in een sprookje thuis?
|
|