| |
| |
| |
Het paard en de koning
Wel zeer dicht zijn Dresden en ik elkaar thans genaderd. Het moge dan tragisch en zelfs ietwat compromitterend klinken, dat wij elkaar in de dood gevonden hebben, deze dood heeft gelukkig alleen maar betrekking op zoiets onbelangrijks als het detectiveverhaal, waarvan Dresden eens voor al het levenloze, onwerkelijke karakter heeft vastgesteld, op grond van een overwoekering door de zuivere logica. Ik van mijn kant verklaarde het levenloze dezer produkten door een aanpassing aan de dood. Maar onze wegen voerden naar hetzelfde doel; wij hebben dit doel bereikt; wij nemen rust, zien uit naar lauweren, schouderklopjes, lekkere verversingen; net zolang totdat ik, deze verwekelijkende bijval moe, spelbreker, zoal niet van nature, dan toch door mijn plaats in een mij opgedrongen spel, mij plotseling door de neiging bekropen voel om het detectiveverhaal tegen Dresden in bescherming te gaan nemen. Renversement des alliances? Toch niet. Ik blijf de ‘detective’ een twijfelachtig literair genre vinden, een ornament van drugstores, een oefenterrein voor springerige intellecten zonder behoorlijk turnmateriaal. Ik heb deze kinderziekte in mijn groene jaren doorgemaakt; ik heb daar geen spijt van; ik beroem mij niet op mijn huidige immuniteit; maar het ligt achter mij. Ik zal niet eens een detective in mijn huis halen, wanneer ik er een nodig heb. Mijn moorden verzorg ik zelf. Mijn talrijke onvindbare voorwerpen - onder andere een exemplaar van Die Kunst der Fuge - draag ik liever op aan de Heilige Antonius van Padua dan aan een van die aan alle kanten gepolijste heren, wat Dresden ook moge beweren over hun voorkeur voor klassieke muziek (Sherlock Holmes speelde geloof ik alleen rotstukjes op zijn viool, maar daar wil ik van af zijn). Dat ik voor hun gestroomlijnde avonturen ergens nog een zwak heb is, zoals
| |
| |
gezegd, een rest van romantiek, in wezen al even kinderlijk als het oplossen van criminele puzzels. Het is sentimentele dankbaarheid jegens vroegere geneugten, die nu achteraf niet eens zo heel veel met het detectivistische te maken blijken te hebben, die veeleer als een geur, een etherische toegift, die sterke verhalen omzweven: een iriserende nevel, waaruit beurtelings opdoemen de figuur van Holmes de Held, deze ingetogenste aller Don Quichotes met Watson als Sancho Panza, en het buitelend Dier met bloed en fosfor op zijn lelijke toet. Misschien was het ook alleen maar de humor, die mij aan die verhalen bond, het ‘gekke’, of het ‘griezelige’, dat Dresden verwerpt; en dan vooral ook dat heerlijke onbegrip en dat kostelijke slechte geheugen, die mij in staat stelden Conan Doyle niet éen, doch tien maal zonder misprijzend gegaap te herlezen (èn te vertalen, daar moet men niet licht over denken). Dresden heeft gelijk: wie een detectiveverhaal gelezen en begrepen heeft, herleest het niet. Begrepen heb ik ze zeker nóoit.
Maar nu ik merk, dat hij het detectiveverhaal als ‘literatuur’ verwerpt om redenen analoog aan de mijne, d.w.z. in laatste instantie om gevoelsredenen, nu ga ik ook beslist uit een ander vaatje tappen: niet, dit keer, het vat vol romantische bedwelmende dranken, waaronder in dit geval alleen de liefdesdrank ontbreken moet, maar een van die oersterke stalen bollen uit het kryoscopisch laboratorium der zuivere wetenschap. Ik zoek het in de denkkracht. Waar Dresden zegt, dat de ‘detective’ te rationalistisch is voor het werkelijke leven, zoals dat in de hoogstaande romans wordt uitgebeeld, benaderd, omslopen, en nooit genoeg gekend, doch alleen maar voelbaar en ervaarbaar gemaakt, daar zeg ik nu, - let wel: nú, in een volgend stuk zeg ik het misschien weer anders, - daar zeg ik hier en nu, dat Dresden zich vergist, en dat de ‘detective’ voor hem zulk een onbevredigend, zij het blijkbaar toch met graagte nagejaagd tijdverdrijf vormt, omdat het genre niet rationalistisch genóeg is. Inderdaad,
| |
| |
dat meen ik (nu); en de lezer, die mij tegenwerpt, dat iets niet tegelijk te weinig romantisch en te weinig rationalistisch kan zijn, die kan ik volstaan met op die eigenaardig schrale en uitgepieterde gestalten te wijzen, die tot barstens toe de wereldsteden overbevolken: anonieme figuren met een gemoed zo droog als gort, maar die bovendien te stom zijn om voor de duivel te dansen, en bij wie derhalve zowel de ‘romantiek’ als het ‘rationalisme’ alles te wensen overlaten. Neen, een innerlijke tegenstrijdigheid kan ik in mijn frontverandering niet ontdekken.
Om mijn bedoeling zo plastisch mogelijk te verduidelijken vat ik een oude vergelijking op, die in de theorieën over het detectiveverhaal zelden wordt gemist: die met het schaakspel. Is het een gelukkige vergelijking? Dat Dresden het schaakspel niet noemt, is, meen ik, niet uitsluitend te verklaren met afkeer van afgesleten beeldspraak. Veeleer geloof ik, dat hogere wijsheid hem van Euwe's kunst verwijderd hield. Enerzijds voelde hij natuurlijk wel, dat een parallel met zoiets edels als het schaken de ‘detectives’ niet minder dan verplettert en dus opperbest in zijn nieuwe tactiek van koele bejegening zou hebben gepast; anderzijds, en dit zal hem evenmin verborgen zijn gebleven, lijkt deze vergelijking maar weinig geschikt om het speciale ‘rationalisme’ dezer verhalen in het licht te stellen, de beperkte en beperkende verstandelijkheid, die volgens hem het minderwaardige ervan bepaalt. Om het maar dadelijk te zeggen: het schaakspel is veel en veel rationalistischer dan de handigst verzonnen intrige ooit kan zijn, maar tevens is het zo volledig en rijk geschakeerd, zo volmaakt in zijn samengaan van systematiek en verrassing, dat men het haast gelijk zou willen stellen aan de meest levende en spontane roman, handelend over levende en spontane mensen. Daar kan trouwens iedereen over denken zoals hij dat zelf wil. Maar ten aanzien van het detectiveverhaal, zoals Dresden het in zijn laatste opstel heeft geanalyseerd, is de verge- | |
| |
lijking beslist foutief, - en dubbel foutief door de schijn van aannemelijkheid, die de vergelijking voor zich heeft. Volgt daar nu uit, dat men het rationalisme in de speurdersintriges maar behoeft te versterken of te verfijnen om tenslotte een ‘detective’-genre te krijgen, waarvoor Dresden's bezwaren níet gelden, omdat het tegelijk rationalistisch is èn spontaan èn levend en volledig als de werkelijkheid zelf? Zeker, dat zou eruit moeten volgen, in theorie. Of
zulk een super-‘detective’ praktisch mogelijk is, staat te bezien. Waarbij ik natuurlijk niet in de eerste plaats aan de hoofdkussens denk, waarop slapeloze hoofden Engelse woorden verslinden. Het debiet van de ‘detective’, de smaak of de capaciteiten van het lezend publiek, zijn mijn zaken niet. Ik heb er eerbied voor, ik ben ervan afhankelijk, maar ik acht mijzelf onbevoegd om erover te oordelen. Naar mijn mening is in beginsel - en dus ook in werkelijkheid - een detectiveverhaal mogelijk, dat volgens de boven vermelde criteria inderdaad met het schaakspel op éen lijn staat en dat, na het romantische en het logisch-schematische type, een derde, hogere soort vertegenwoordigt, hoger zowel door zijn onmiskenbare kern van kloppend leven als door het subliem vernuft, dat hier het ‘rationalistische’ verstand ver beneden zich laat. Dit superrationalistische speurdersverhaal is nog niet eerder beoefend, zelfs niet door Poe, - dit duidelijkheidshalve. Stellig ook niet door Conan Doyle, al is het waar, dat er een oppervlakkige overeenkomst bestaat met het romantische genre, méer althans dan met het alleen-maar-rationalistische. Conan Doyle was waarschijnlijk toch niet intelligent genoeg om zijn romantiek, zonder haar uit het oog te verliezen, te sublimeren in het licht der Rede. Doe ik hem onrecht, wordt in zijn nalatenschap een holmisch avontuur gevonden, dat mijn twijfel te schande maakt, dan doe ik boete door het onmiddellijk te vertalen.
Wie het dan wèl zou kunnen? Nu, Spinoza misschien, zo hij, behalve de kunst van brillenslijpen, ook die van
| |
| |
het schrijven van ‘detectives’ had beheerst. Kant niet, die is te zwaar op de hand. Aan een ‘Kritik der detektivistischen Vernunft’ hebben wij vooreerst geen behoefte. Ook Descartes mag niet meedoen, want die zou het zoeken in de richting van Lamettrie's machinale mens, ‘l'homme machine’, en dat is nu precies wat ik nìet bedoel. Leibniz maakt al betere kansen, maar hij hield niet van boeken schrijven. Schopenhauer? Geen liefdeshistories in elk geval in zijn ‘detectives’. Hegel? Neen, Hegel niet. Hij zou, volgens de eenheid der tegendelen, de detective in de boef veranderen. Dostojewski had enkele eigenschappen van de figuur waar het ons om te doen is, maar enkele andere eigenschappen, die hem ten enenmale ongeschikt maken. Einstein? Niet onaardig gevonden. Botwinnik? Hè, dat is flauw, ik heb pas gezegd, dat mijn supergenre enigszins aan het schaakspel doet denken, halen we er nu Botwinnik bij, dan kan ik wel inpakken. Hij zal ook niet mogen. Bohr, Planck, Heisenberg, een atoomgeleerde... We komen er al dichter en dichter bij. Een constructeur van robots, van elektrische breinen... Neen, we verwijderen ons weer van de gezochte. Hij zal dus wel niet bestaan. Des te beter; want bestond hij, dan rustte ik niet voor ik al zijn verhalen had verslonden, zodat aan deze voor mij zo leerzame samenwerking met Dresden voorlopig een einde kwam.
Doch genoeg algemeenheden, en thans een blik geworpen op het schaken, dat ons toch nog het meeste houvast schijnt te bieden. Inderdaad, welke vorm van literatuur zou men eerder met dit spel kunnen vergelijken dan de speurdersverhalen? In een van zijn dialogen noemt Du Perron het om de andere bladzijde. De schrijver van de ‘detective’ schaakt, de detective schaakt, de boef ook, al zou hij misschien het liefst met ruwe hand alle stukken van het bord vegen, en het slachtoffer wordt in elk geval matgezet, al doet hij niet veel terug. Zij allen doen kleine zetten op het grote bord, volgens vaste regels, die tijdens het spel niet veranderd mogen worden. Maar nu de
| |
| |
verschillen. Van een schaakpartij kan het resultaat drie vormen aannemen: winst voor de ene speler, winst voor de ander, en remise. Maar de detective moet altijd winnen! Dit is ongetwijfeld een regel met uitzonderingen; bij Conan Doyle b.v. wordt de held wel eens mat gezet door uiterst sluwe tegenstanders, en de eindstrijd tussen Holmes en Moriarty zou men als een soort remise kunnen beschouwen, waarbij de overwinning van Moriarty - later door de schrijver gecorrigeerd - aan de toevallige uitkomst is te wijten van een worsteling boven een waterval, waarbij het determinisme zich alleen nog maar handhaaft in de graad van oneffenheid en glibberigheid van rotsen en in de onberekenbare prestaties van door woede, angst en verbetenheid bezielde spieren. Maar ik geef dadelijk toe, dat dit geval nòg uitzonderlijker is, nòg meer van het detectivistisch gemiddelde afwijkt dan dat van de zware jongens, die de man van Bakerstreet een incidentele nederlaag bezorgden. Het is meer een verhaal over een detective dan een detectiveverhaal. Daar in de Zwitserse Alpen, schandelijk maar waar, wilde Sir Arthur zich namelijk van zijn detective ontdoen, niet omdat hij zijn tijd gekomen achtte, op de manier waarop het noodlot dit aan ons stervelingen pleegt te decreteren, maar omdat hij hem niet meer kon luchten of zien. Dit is de onbarmhartigste kritiek die deze literatuur ooit heeft getroffen, maar zij draagt niet bij tot ons inzicht in het wezen ervan.
Normaliter moet de speurder het dus winnen. Op zijn minst heeft hij de beste kansen, plus de sympathie van de schrijver en van de lezers. Dit heeft even weinig met schaken uit te staan als het verdonkeremanen van een paard of het stiekem op het bord vastspijkeren van de zwarte koning. Maar de verschillen gaan nog veel dieper. Naar Dresden betoogt, heeft de schrijver van de ‘detective’ voor hij begint te schrijven alles in zijn hoofd. Of dit zo is, wil ik in het midden laten. Ik twijfel wel eens aan het alziend oog bij deze heren en dames, die tenslotte
| |
| |
toch óok maar mensen zijn, en ik geloof, dat zij bij tijden net zo goed met de handen in het haar zitten als hun lezers en hun personages, dat zij er onderwijl veel ‘bij bedenken’, en dat de gewoonte van de ‘summing up’ om de zoveel hoofdstukken bij Agatha Christie op de duur zeker wel een ‘irritant procédé’ geworden zal zijn, maar oorspronkelijk kan hebben beantwoord aan momenten van aarzeling, aan de behoefte om zich een overzicht te verschaffen van een onvolledige of al te gecompliceerde situatie. Maar in zoverre heeft Dresden toch weer gelijk, dat deze romans en verhalen in tegenstelling tot de gewone roman op zijn minst de indruk maken, dat de auteur alles van te voren heeft geweten, terwijl hij bovendien na afloop alles inderdaad te weten is gekomen, en met hem de lezers.
En dan is er altijd nog éen ding, dat de schrijver niet alleen weet, maar dat hij weten móet: de gepleegde misdaad, de aard daarvan, een paar bijzonderheden en mogelijkheden eromheen, en de wenselijkheid om de misdaad te ontraadselen en de dader op te sporen. Dit is een minimumeis. Het is datgene wat als ‘stelling’ aan ieder detectiveverhaal voorafgaat, terwijl aan het eind ervan de ‘stelling’ als het ware ‘bewezen’ wordt: opgehelderd, ontraadseld, van haar geheimzinnig dogmatisch karakter beroofd. Eerst zegt men: er is een moord, later wordt het hoe en waarom van de moord aan het licht gebracht. De schrijver werkt dus steeds terug naar het gegevene van vóor zijn verhaal, en in zoverre kan men met Dresden zeggen, dat de speurdersverhalen van achteren naar voren zijn geschreven.
Hoe wil men dit in schaakmogelijkheden transponeren? Welk huwelijk van Holmes en Caïssa is hier denkbaar? Aan een schaakspel gaat niets vooraf: geen diefstal of moord, geen interessant geval, geen raadsel. Het enige raadsel is de afloop van de partij: wie winnen zal. Wat vaststaat zijn de regels van het spel en de waarde der stukken, zodat men er van op aan kan, dat pionnen kleine
| |
| |
kereltjes zijn die zich voetje voor voetje verplaatsen en dat een toren niet plotseling kan gaan springen als een paard. Maar dit alles is bekend, het is openbaar, het is zó vanzelfsprekend, dat niemand het gevoel heeft, dat hier iets ontraadseld of opgehelderd moet worden, tenzij hij een historische geest is, die wel eens zou willen weten hoe die schaakregels in de wereld zijn gekomen en waarom b.v. die paarden zo eigenaardig scheef springen, of waarom zij niet over een pion heen kunnen springen, net als bij dammen. Wat voorts tot op zekere hoogte vaststaat zijn de openingen. Hierover bestaan wetenschappelijke gegevens, die men uit het hoofd kan leren; en wij zouden nu de opening kunnen opvatten als een soort symbool van het vóor en reeds half ín het detectiveverhaal gelegen uitgangspunt van de intrige. Maar ook hier laat het schaakspel ons volkomen in de steek. Kenmerkend voor de ‘detective’ is immers niet, dàt er een uitgangspunt is, maar dat het uitgangspunt identiek is aan het eindpunt, met geen ander verschil dan door de term ‘ontraadselen’ wordt uitgedrukt. En bij het schaken wijkt niet alleen het eindspel in alle denkbare opzichten af van welke opening ook, en omgekeerd, maar ook naar die eigenaardige spiegelverhouding tussen ‘raadsel’ en ‘ontraadseling’ zoekt men tevergeefs. Geen schaker zal ooit op de gedachte komen, dat het eindspel hem iets zou kunnen leren omtrent de door hem gekozen opening, tenzij dan in de zeer oppervlakkige zin, dat een sterke opening meer kans heeft door een voor hem gunstig eindspel gevolgd te worden dan een zwakke. We kunnen dit nog anders formuleren: raadsel en ontraadseling liggen in het schaakspel beide aan het einde, en zij zijn belichaamd in de twee koningen, van wie er éen zal worden matgezet. Holmes en Moriarty. Wit en zwart. Dáar rukken de stukken op aan, dáar is het spel op gericht, en bij het
terugschouwen is al het gebeurde functie van dit ene einde met zijn twee aangezichten. Maar het ligt niet vóor het spel, in geen enkele vorm.
| |
| |
Wel ontwikkelt het zich tijdens het spel, - terwijl wij van de intrige in het detectiveverhaal veeleer kunnen zeggen, dat zij zich afwikkelt, - maar deze ontwikkeling krijgt eerst haar beslag door de matzet, of wat daarmee gelijkstaat: het opgeven van de partij. Vóor het spel ligt het zwijgen, het niets. Er is geen ‘stelling’ anders dan die der opgestelde stukken, en geen andere identiteit tussen begin en einde dan krachtens spelregels, waaraan alles zich onderwerpen moet, in alle stadia der ontwikkeling.
Omdat zij geheel bepaald wordt door haar gerichtheid op het doel, kunnen wij deze ontwikkeling ‘finaal’ noemen, en de beschouwingen, waartoe zij aanleiding geeft, ‘teleologisch’. Daartegenover staat dan de gebruikelijke structuur van het detectiveverhaal als typisch ‘causaal’: het te ontwarren raadsel ligt hier als een substantie, als een zwaar, onverteerbaar brok, vóor het begin der dingen, - een ‘primum movens’, een ware ‘causa efficiens’, - en bepaalt deze dingen tot aan het moment der vertering. Men zou ook kunnen denken aan de tegenstelling tussen ‘indeterminisme’ en ‘determinisme’; maar men verlieze daarbij niet uit het oog, dat in beginsel de gedetermineerdheid door een doel niet bij die door een oorzaak hoeft achter te staan. Het verschil ligt minder in de mate van principiële bepaalbaarheid dan in de talrijkheid of ingewikkeldheid van datgene wat bepaald moet worden. Er leiden vele wegen naar Rome (‘finaal’), maar van Rome gaat slechts een beperkt aantal wegen uit (‘causaal’). Ergens ontmoeten de uitgaande en inkomende wegen elkaar, en daar wordt iedere onderscheiding kunstmatig, maar in Rome bekijkt men de wegen toch met een ander oog dan duizend kilometer van Rome vandaan. Pas dit op schaakspel en detectiveverhaal toe, en wij zien het markante verschil opdoemen tussen de talloze doolwegen naar het matzetten van de tegenstander en de vier of vijf wegen (‘clues’), die van de moord uitgaan, tussen het oneindig aantal combinaties
| |
| |
van 32 stukken op 64 velden, - of ze werkelijk oneindig zijn, laat ik aan de wiskundigen over, - en het eindig, en dikwijls zeer beperkt aantal mogelijkheden bij het ‘deduceren en combineren’ van onze goede vriend Ivans. Goed, deze laatste kunnen oneindig líjken, zolang men ze nog niet overziet en men de eindeloze moeite ducht die hun opsporing vergt. Is dit gevoel van hulpeloosheid eenmaal overwonnen, is het verhaal ten einde, dan kan men ze overzien, men kan ze als het ware tellen. In het schaakspel is daarvan geen sprake: wat men tellen kan, d.w.z. de mogelijke zetten in die en die situatie, overtreft in aantal niet alleen de ‘zetten’ in een detectiveverhaal, maar is ook slechts een fractie van het aantal combinaties in totaal.
Dresden, en velen met hem, zullen zich afvragen wat deze formalistische redeneringen nog van doen hebben met de overwinning van het detectiveverhaal door zijn eigen vervolmaking, en van het intellect door een superintellect. Dat de vergelijking tussen de bestaande ‘detectives’ en het schaakspel onhoudbaar is en alleen op uiterlijkheden betrekking heeft, is hij allang met mij eens. Het ‘spel-element’, dat zij met elkaar gemeen zouden hebben, is immers in hoge mate misleidend: in het ene geval hebben wij te doen met een echt spel, in het tweede is het spel maar zogenaamd. Het is een spel, waarbij de inzet prevaleert, en de werkelijkheid, hoezeer gefatsoeneerd en besnoeid, het eerste en het laatste woord heeft. De ‘regels’, waaraan de detectiveliteratuur gehoorzaamt, zijn niet van mathematische, maar van conventionele orde; ook waar zij hun nuttigheid bewijzen, zijn zij nooit van te voren als bindende normen opgesteld. Men houdt er zich aan, omdat het goed uitkomt zo: de lezers zijn tevreden. Gaan de lezers geeuwen, dan verandert men ze. Hoofdzaak is en blijft, dat de boef ontmaskerd en voorgeleid wordt; en de koning, die mat wordt gezet, is niet alleen geen boef, maar hij heeft ook niets op zijn geweten wat Dresden en mij, fijnbesnaarde zielen als
| |
| |
wij zijn, slapeloze nachten zou kunnen bezorgen. Hij is geen werkelijke persoon, doch slechts een symbool, een knooppunt van streng bepaalde, zij het ook van te voren niet bepaalbare bewegingen over een regelmatig ingedeeld veld. Zijn koningin is een koele en wiskundige dame, met verder niets om het lijf. Als realiteit zijn de paarden en de torens hoogstens onduidelijke souvenirs aan een Indisch of Arabisch verleden, toen er nog paard gereden werd en torens werden bestormd. De pionnen zijn het magerste en nonfiguratiefste voetvolk dat zich denken laat. De misdaad zou hier niet eens kunnen tieren wanneer Satan wiskunde ging leren bij Dr Euwe.
Dat is allemaal wel waar, en ik ben ook de eerste om te erkennen, dat ik nog in het geheel niet weet hoe ik mijn superdetectivistische literatuur uit het schaakspel te voorschijn toveren zal. Ik ben nog maar halverwege. Generaties en generaties zullen lijden en zwoegen aan dit probleem, en ik kan tenslotte niet àlles op mijn schouders laden. Laat ons stapje voor stapje verder gaan. Van enig belang is, nogmaals vast te stellen, dat de brug van schaakspel naar super-‘detective’ niet lopen kan over het indeterminisme, dat het determinisme van het ‘gewone’ detectiveverhaal verre achter zich zou laten. Indeterminisme bestaat niet, tenzij àlles indeterministisch zou zijn. Determinisme en indeterminisme zijn beschouwingswijzen, die beurtelings op een en hetzelfde object kunnen worden toegepast, en een ‘gedetermineerd’ elektron is niet alleen ‘vrij’, omdat het met zijn determineerbaarheid in de moderne natuurkunde tijdelijk (?) spaak is gelopen, maar het is altijd ‘vrij’ geweest, hoezeer tevens gedetermineerd. Niemand dwingt de biljartbal, die ik voortstoot, werkelijk ook te gaan rollen; zijn ‘vrije wil’ stelt hem volledig in staat mij met mijn keu voor gek te laten staan, en wanneer dit tot dusverre aan het groene laken nimmer is waargenomen, dan danken wij dit alleen maar aan diezelfde ‘vrije wil’ van de bal, die wel rekening wilde houden met onze verwachtingen nopens zijn
| |
| |
gedrag. Omgekeerd blijkt onze eigen ‘vrije wil’, - aan de ‘vrijheid’ waarvan wij overigens tot aan het eind der discussie streng behoren vast te houden, - in stijgende mate ‘gedetermineerd’ te zijn, naar gelang wij de hand leggen op steeds meer bepalende factoren. Het is echter wel zo, en hierop wees ik al eerder, dat de deterministische kijk ons de beste diensten bewijst, zolang het materiaal enigermate overzichtelijk blijft: een elektron, een biljartbal, een steen naar het hoofd, een moord in een detectiveverhaal; terwijl met name de z.g. psychische verschijnselen maar weinig van het determinisme laten doorschemeren, waaraan zij toch op enigerlei wijze onderhevig moeten worden geacht. Vandaar dat de ‘echte’, de literaire roman, - die in zoverre juist níet literair is, dat zij de werkelijkheid, en in het bijzonder de psychische werkelijkheid, tracht uit te beelden zoals zij is, - alleen maar een schijnpleidooi levert voor het indeterminisme als enige aanvaardbare filosofie. En in de naturalistische roman (Zola, etc.) openbaart zich de keerzijde: hier wordt de deterministische wereldbeschouwing dogmatisch toegepast op een materiaal, dat daar enkel in theorie geschikt voor is.
Wij stellen nu het volgende vast. Het determinisme van de detectiveroman, het streng causaal verband tussen de beslissende gebeurtenissen, die tot de oplossing van het raadsel moeten leiden, wordt slechts mogelijk gemaakt door een besnoeiing der verschijnselen, die Dresden van de ‘beslotenheid’ der intrige doet spreken, en bovenal door het feit, dat deze romansoort zich liever met ‘dingen’ dan met ‘mensen’ bezighoudt en de mensen overwegend tot ‘dingen’ degradeert, hetgeen eenzelfde besnoeiing, eenzelfde vereenvoudiging met zich brengt. In zoverre overdrijven deze verhalen het determinisme, en doen zij het indeterminisme te kort: níet omdat alles zo onbarmhartig logisch en verstandelijk in zijn werk moet gaan, maar omdat zij automatisch de werkelijkheid beroven
| |
| |
van de gelegenheid om te bewijzen, dat zij óok indeterministisch is.
Zou men het materiaal minder eenvoudig maken, uitbreiden, verrijken, verfijnen, meer met mensen vullen dan met bloedvlekken en sigarettenas op het tapijt, dan steeg onvermijdelijk de graad van indeterminisme of wat mij betreft schijnbaar indeterminisme, tot aan de limiet, zeg van het schaakspel, of zelfs van de menselijke ‘vrije wil’ in zijn opperste en religieus gesanctioneerde vorm, zonder dat evenwel - en dit onderstreep ik vele malen - zonder dat evenwel sprake hoefde te zijn van een verzwakking van het determinisme en van een versterking van het z.g. irrationele element. De detectiveroman blijft in wezen even rationeel, maar aangezien hij zich met een uitgebreider en belangrijker, ‘levender’ materiaal heeft te meten dan de agathiaanse en dorothiaanse geschriften, noemen wij hem superrationeel. De geesteshouding blijft dezelfde, in beginsel. De detectiveroman wordt dus niet romantischer, of hoogstens in schijn romantischer. Zijn verruiming ligt niet aan deze zijde van het verstand, naar het gevoel toe, maar aan gene zijde, naar het hogere verstand toe, naar het vernuft, de rede, of hoe men het noemen wil.
Zo werd het probleem teruggebracht tot dat van een te niet doen van versimpelingen, die de ‘detective’ weliswaar rationeel maken, maar daarnaast vooral onbenullig. Maak het geval zo gecompliceerd als een middelmatige schaakpartij, schakel in plaats van marionetten spontaan handelende mensen in, vervang de beslotenheid der intrige door de autonomie van een enorm levend organisme, en het determinisme moet de ‘vrijheid’ wel naast zich toelaten, en het is dan alleen nog zaak van de schrijver niet terug te deinzen voor verwikkelingen, waar ‘het verstand bij stilstaat’. Het verstand staat nooit stil. Het verstand gaat verder, en mijn superdetective denkt veel meer en beter dan Sherlock Holmes op zijn meest begenadigde momenten.
| |
| |
Een ander gevolg van het achterwege blijven van vereenvoudigingen, die meer en meer het karakter van schablonen zijn gaan aannemen, is dat de ‘stelling’ aan het begin, of vóor het begin, komt te vervallen. Onze superdetective stelt geen belang in overzichtelijke, zij het vooralsnog mysterieuze moorden. Hij vindt ze vervelend, en dat zijn zij ook. Alles wat vóor het eigenlijke verhaal is gelegen dient zwevend te blijven, en aan geen andere wetten te gehoorzamen dan aan die van het schaakspel van het leven. Wees gerust, er is niets aan de hand, nòg niet. Er staat een rij pionnen als in iedere andere, niet-detectivistische roman; de paarden trillen op hun ivoren achterste hoogstens een beetje van strijdlust, zonder door een wild oogblikkeren kenbaar te maken naar welk veld zij hun vreemd geknikte sprong zullen wagen; de torens zijn stoer en ondoorgrondelijk. Werkelijk, geen bebloed lijk zal op het nippertje te voorschijn worden gehaald. Er heerst de spanning van de eerste dag en het edelste aller spelen, en ik geloof, dat menig lezer een zucht van verlichting zal slaken, omdat het nu eens niet gaat over moord zus of diefstal zo, maar alleen over criminele zaken in het algemeen, die hun vorm nog moeten vinden. Want ook de schrijver, let wel, weet het niet. Zegt hij anders, dan liegt hij.
Maar wanneer gebeurt nu de moord? Er is maar éen antwoord: aangezien de moord niet kan plaatsgrijpen in het begin of vóor het begin, moet hij aan het eind worden gepleegd, geheel naar analogie van het doodvallen van de witte of de zwarte koning. En aangezien, uiteraard, ook de ‘ontraadseling’ van de moord enkel maar aan het eind kan geschieden, vallen hier ‘raadsel’ en ‘ontraadseling’ samen, - zoals al weer in het schaakspel. Gevolg: de superdetective lost geen moord op, die gepleegd is, maar hij ziet een moord aankomen, die nog gepleegd moet worden, en dan níet op de manier van de romantische Conan Doyle, die zijn Hond allang klaar heeft liggen aan de ketting van de ongelooflijke schurk
| |
| |
Stapleton, die de lezer eerder ruikt als aspirant-moordenaar dan Holmes zelf. Hij vindt niet de waarheid, maar hij weegt de waarschijnlijkheid, en deze waarschijnlijkheid ligt in de dingen zelf verborgen, en bestaat niet alleen maar voor hèm. De schurk weet nog niet eens, of hij wel een schurk zal worden; och, misschien is hij tot niet méer kwaad in staat dan volgens Shakespeare en Goethe ieder mens van vlees en bloed. ‘Novel of suspense’, - waarlijk! Maar nu niet alleen voor de lezer, ook voor de schrijver. De schrijver zal dan niet meer voor het goede geld zijn spanningen opvoeren, maar zuiver voor zijn particuliere genoegen. Zoals, gelijk bekend, alle auteurs van ‘echte’ romans dat doen.
Nadere precisering verwachte men niet van mij. Men schelde mij een dromer, maar ik ben aan het eind van mijn betoog. De mogelijkheden zijn overigens legio. Hoewel men hem een detective kan blijven noemen, ligt het voor de hand, dat onze speurder naar waarschijnlijkheden in plaats van waarheden een andere gedaante zal aannemen, en in maatschappelijk opzicht nauwelijks nog te herkennen zal zijn. Welke functie zal hij bekleden? Adviserend psycholoog? Beoefenaar der criminalistische kansrekening? Detectivistisch dilettant, in zijn vrije tijd romancier, of andersom? Chef van de bewakingsdienst van een staatshoofd, of van een dictator uit de ‘collectieve dictatuur’, die door Molotoff, maar even goed door Chroesjtsjow om zeep geholpen kan worden? Berekenaar van roerselen en aandriften? Een Father Brown met tien maal meer mensenkennis dan Chesterton's voorwendsel voor charmante stukjes? Men ziet, de hele wereld staat voor hem open, en het enige wat ik hem weigeren moet is... neen, niet de liefde, want dat zal een van zijn belangrijkste arbeidsterreinen worden; maar de helderziendheid. Dan was er geen aardigheid meer aan. Hij blíjft rationalist, daar brengt de vervanging van waarheden door waarschijnlijkheden niet de minste verandering in, - rationalist en relativist, tot in de uiterste
| |
| |
consequenties. Hij laveert tussen de mogelijkheden door als een beoefenaar van de moderne cybernetica; hij laat de elektronen hun ‘vrije keuzen’, en vangt ze onder het hoedje van zijn statistiek; hij schat en weegt af en ontneemt niet het initiatief aan wat onder zijn korte blik het leven moet behouden en zijn verstand moet laten leven. Zijn intuïtie is hem van onberekenbaar nut, maar zonder dat hij zijn berekeningen in de war laat sturen. Mensenkenner als Dostojewski, veegt hij aan de wereldbeschouwingen zijn rubberzolen af. Wel zal een zekere beheerste humaniteit hem van tijd tot tijd de rol van waakhond naast die van speurhond opdringen; niets nieuws onder de zon, overigens, want deze preventieve beslommeringen neemt men reeds herhaaldelijk bij Holmes waar, die behalve een hoog en welgevormd voorhoofd ook een hart had, dat voor arme opgejaagden klopte. De moorden, die hij in een zeer ver verschiet ziet opdoemen, zal hij te lijf gaan als Sint George de draak: een abstract, geometrisch gestileerd beest met de sylfachtige beweeglijkheid van de mobielen van Calder. Welk een genoegen zal het weer worden detectiveromans te lezen! Gaarne verdiep ik mij dan met Dresden opnieuw in ons onderwerp. En de misdadigers? Gaan zij een goede tijd tegemoet, gaan zij een slechte tijd tegemoet? Beide, zou ik zeggen. Want waar zij de vrijheid hebben een heel boek door als een paard te springen, daar worden zij tenslotte toch matgezet als de koning.
|
|