| |
| |
| |
De kat en de tijger
Dresden's stuk las ik niet alleen met warme instemming en oprechte waardering, maar ook met de bescheidenheid, welke de leek siert en waarvan hij zich nooit en te nimmer een sieraad mag maken om zich op te verhovaardigen. Zonder veinzerij, zonder een zweem van vals verlegen gegrijns geef ik mij gewonnen. Het is dus vastgesteld, dat ik in detectivistische zin een halve eeuw te laat leef, ziekelijk gebonden aan de Arthurlegende van de mahoniehouten Ronde Tafel in Bakerstreet, beklagenswaardig achterlijk en verstard, - zij het dan ook verstard in zoiets golvends en deinends en somwijlen zelfs glibberigs als de romantiek. Ik ben uit de tijd. Als levend lijk reik ik de kille hand aan de allernieuwste objecten van Dresden's scherpzinnigheid. Ja, in zijn tweede opstel herken ik mijn trouwste lotgenoten! Daar zijn ze allemaal: roerloze en livide heren, die mij uit hun morgue hol aanstaren en mij lidloze knipoogjes toezenden: ‘Je bent er óok bij, ventje, je bent dood als wij, je bent zelfs nooit gestorven, en bijgevolg ben je - net als wij - behalve dood ook levend, en dat heet in beschaafde kringen levend dood, dat heb je heel goed gezien. Wanneer je morgenochtend een wandelingetje maakt, doe je in wezen niets anders dan wanneer wij als duveltjes uit doosjes in ons volgend verhaal springen, om ons door mes of gifbeker opnieuw van de noodzakelijkheid te laten overtuigen om iets te worden wat wij al zijn. Wij slachtoffers van het detectivistisch kwaad missen éen ding: een eerlijke begrafenis. Als wij doden ontwaken, - o Ibsen, - is dat enkel maar, opdat er een nieuwe moord kan worden gepleegd. Wat dood is kan niet nòg eens dood gaan, dacht je dat? Weet jij veel! Wij zijn eigenlijk planten, bomen, wilgjes: blaadje dood, stammetje leeft, zo zie je me en zo zie je me niet. Dat heeft zijn voordelen; maar naar ons gevoe- | |
| |
len komt de menselijke waardigheid er bij te kort, en onze enige troost is, dat onze collega's er op zijn minst even
erg aan toe zijn als wij. Om te beginnen de bewerkers van ons repeterend ongeluk, de misdadigers. Vervolgens onze helper en wreker, ons speciaal opperwezen, dat wij met onze vreemd geurende wierook vereren: de detective. Ze zijn allemaal dood. Wij gaan nog een stap verder: ook het detectiveverhaal is dood, althans ten dode opgeschreven. De lezers van het detectiveverhaal zijn dood, díe vooral. Gegalvaniseerde lijken, bekommer er je verder niet om. Schrijf Dresden en Bert Bakker, dat je ermee uitscheidt.’
Dat kon ik natuurlijk niet doen. Ik liet ze praten, en dacht bij mijzelf: wanneer het waar is, dat wij allemaal lijken onder elkaar zijn, wordt het dan niet eens tijd enige verstandige woorden aan de dood te wijden, die ons aller ziel en weefsels op zo eigenaardige wijze doordringt? Ik ben dood, omdat ik niet lang na Sir Arthur Conan Doyle overleden ben; en Mr John Openshaw uit ‘The Five Orange Pips’ is dood, omdat ruwe lieden hem in de Theems wierpen, waarvan de reacties van ongeveinsd mededogen bij Holmes en Watson een indruk maken van overbodigheid, aangezien hij in het volgend verhaal onder een andere naam opnieuw wordt vermoord; en Holmes zelf is dood, omdat hij maar een schraal bedenksel was van Sir Arthur Conan Doyle; en Watson is dood op grond van zijn verregaande medische onbeduidendheid; en het detectiveverhaal is dood, omdat mij dit momenteel beter uitkomt; en Dresden is dood vanwege zijn bemoeienis met dode en gemechaniseerde dingen; en Bert Bakker is dood, omdat hij zich doodergert aan Dresden en mij, of aan mij en Dresden, om de beleefdheid op te offeren aan de waarheid. Allemaal levende lijken, allemaal afgezanten uit het rijk der bezige schimmen. Maar wat de dood is, daar komen wij geen van allen achter. Geen intiem symposion met erewijn en kransen om de nekken, wanneer dit boekske eenmaal
| |
| |
het licht ziet, zal ons aan een bevredigend antwoord helpen. Dat is nogal sterk, met betrekking tot iets, waarmee wij op zulk een intieme voet verkeren. Maar vraag het toch de medici, vraag het Watson! Zij weten het niet.
Indien de dood niet te begrijpen is, dan zou hij in ieder geval toch aangrijpend kunnen zijn, afschuwelijk, uiterst beklemmend. Helaas, ook deze veronderstelling dient te worden afgewezen. Alleen wat aan de dood voorafgaat behoort tot de grote menselijke kwellingen, en zelfs dat niet altijd; en dit lijden onderscheidt zich niet wezenlijk van ander lijden, dat níet met de dood eindigt. Pijnigend is soms het sterven, het gestorven zijn van medemensen, maar in andere gevallen wekt het, schandelijk genoeg, een gevoel van opluchting of leedvermaak. Gezien al deze onzakelijkheden en onzekerheden moeten wij wel tot de slotsom komen, dat niet alleen in het verstand, doch ook in het gevoelsleven de dood ons volstrekt vreemd is. Zekere sociologische waarnemingen schijnen dit te bevestigen. Het gemak, waarmee over de dood wordt gepraat, rouwranden rondom drukletters vervaardigd, ‘val dood’ tegen de buurman gezegd, wijst er op, dat de mens de dood een ding van niets vindt. Dit is ook redelijk, - voor zover op dit gebied iets redelijk kan zijn. Dingen, waar men niets, letterlijk niets van afweet, kunnen geen vrees inboezemen, en eerst recht niet wanneer zij bovendien zó innig met ons eigen leven verstrengeld zijn, dat wij ze er niet uit kunnen nemen om ze van nabij te bezien, zonder dit leven bij de operatie ernstig te schaden. We kunnen niet bang zijn voor het niets, en we kunnen niet bang zijn voor onszelf, ook al heeft de existentiaalfilosofie van het omgekeerde dezer stellingen een niet onimposant leerstuk gemaakt. We kunnen het ons alleen maar inbeelden. Illusieloze mensen evenwel, lezers van ‘detectives’ en dergelijke, beschouwen de dood als een peuleschil. Zij zijn volkomen zeker van hun zaak; en mocht twijfel hen bekruipen, dan nemen zij na de nuttiging van hun lijfdetective een duik in
| |
| |
Sartre, en wat lezen zij daar? Angst voor zichzelf, angst voor het niets, zegt Sartre, dàt is belangrijk, dat is essentieel, angst kan niet anders zijn dan dat. Angst voor de dood, -en hierin wijkt hij, kleine Franse ketter, af van zijn leermeester Heidegger, - angst voor de dood is een onding. Zoiets bestaat niet, want de dood bestaat niet. De dood hoort er niet bij.
En, in gemoede, hoe kan iets ‘er bij horen’, wanneer het niet alleen maar niets is, doch minder dan niets? Wie stelt zich de dood voor? Wie heeft er bruikbare denkbeelden over? Wie ziet de dood, als op een dodendans uit de late middeleeuwen? We zien alleen maar lijken, véel lijken, ook al ontvluchten we ze meestal. In een roman van John Cowper Powys vervalt een der hoofdpersonen tot opstandigheid op het zien van een kattenkadaver in de modder van een rivier, - opstandigheid tegen God, niets minder dan dat. Hij balt zijn vuist tegen Hem. Ongevoelig voor deze geste ben ik niet, want ik houd van katten, en mijn lievelingskater slaapt bij mij in bed. Maar ik houd alleen van ze in levende staat. Voor een kattenkadaver sta ik onberoerd en in volledig onbegrip, met hangende schouders, suf grinnikend, - hetzelfde gegrinnik wellicht, dat Dresden de bioscoopbezoekers aanwrijft, wanneer de filmhelden aan de lopende band doodvallen. Waar is die kat toch gebleven? Zo zie je me, zo zie je me niet. Waar is hij? Is hij er wel ooit geweest? En dat daar, is dat de kat, was dat de kat, stelt dat de kat voor, ben ik het soms zelf, is het mijn angst voor het katloze dat dood heet, mijn redeloze angst, die zich daar naar zijn eigen evenbeeld die doffe ogen, die arme scherpe klauwtjes, die kale plekken op het lijfje heeft geschapen?
Ik noemde de dood ‘minder dan niets’. Ik overdreef, ik maakte mij aan ijdele en ongenuanceerde retoriek schuldig. Behalve met het niets, zijn ook de associaties met koude, roerloosheid, wurmen, straffen, zerken, geraamten, en wat dies meer zij, nauwelijks ter zake dienende, want
| |
| |
er is in het geheel geen zaak. De onverschilligheid van de detectivelezer, weerspiegeling van de opzet dier verhalen, is, voor zover niet wijzende op een opzettelijke verharding des gemoeds, een gezonde reactie, - een begrijpelijke reactie. Het is zelfs het enige wat er aan de dood begrijpelijk is. Wie met de dood wordt samengebracht vindt een waardig antwoord alleen nog in de onverstoorbaarheid waarmee hij constateert iets niet te begrijpen, in tegenstelling tot de velen, die, omdat zij liever niet worden gestoord, alles menen te begrijpen. Toegegeven, deze stoïcijnse houding kan wel eens stuitende vormen aannemen, en op een rijk geschakeerd geestesleven wijst zij in geen geval; maar dat hier in het geheel geen ‘doodsproblematiek’ mee gemoeid zou zijn, dat ben ik toch niet met Dresden eens. Dat er niet bij gepeinsd en gewroet en geleden wordt, wat bewijst dit nòg? Hoofdzaak is, dat er een probleem is gesteld, en dat dit probleem wordt opgelost, buiten alle filosofie om, maar daarom niet minder radicaal, of daarom eerst recht radicaal. Nu kan men zeggen: ontkennen, dat er een probleem is, staat niet gelijk met het oplossen van dit probleem. Maar ten aanzien van de dood is dit nu juist wèl het geval.
Bezien wij de zaak iets nader. Laat mij u meevoeren naar het zwarte bord. Deze koude en zakelijke lezers, aan wie Dresden niet ten onrechte zoveel betekenis toekent, deze hardboiled bioscoopklanten, zien zich met de dood geconfronteerd. Zij verschieten niet van kleur. Zij gapen de lijken aan. Zij lachen. Zij slaan de bladzij om. Zij verlaten de verduisterde lokaliteit. Zij gaan naar huis. Onverschilligheid? Ja, zo noemde ik dat. Afstomping? Branie? Luiheid des geestes? Overstemmen van angst? Maar dit alles treft niet de kern van de zaak. Engelen, die hen uit hemelse verten gadeslaan, huldigen een geheel andere opvatting omtrent hun gedrag. Zij weten, dat deze ongevoelige lieden iets proberen te vatten wat niet bevat kan worden, en dat zij, met een van die bliksemsnelle spron- | |
| |
gen, die de in het nauw gebrachte mens zo oneindig ver boven het dommelig vee verheffen, hun doel bereiken door zich aan het onbegrijpelijke gelijk te maken. Hun onverschilligheid is de getrouwe vertaling in hun eigen menselijk idioom van het niets of minder dan niets of nòg minder dan niets van de dood. Zij mimeren de dood. Zij zíjn dood, morsdood. Dooddood. Het dooddoodzijn van deze metafysische acteurs vernietigt de laatste mogelijkheid om bang te zijn voor iets dat zij zelf zo feilloos nabootsen. Zij zijn als de wijze leraar, die, door zijn leerlingen gevraagd naar uiterlijk en gedragingen van de tijger, zich van verder mondeling onderwijs onthoudt en zich bepaalt tot het trekken van een tijgersnuit en het volvoeren van elastische sprongen door het lokaal en over de banken. De meisjes gillen, de jongens juichen, maar zij hebben hem, geloof ik, toch wel begrepen, en zij zullen de laatsten zijn om staande te houden, dat hun leraar geen waardevolle bijdrage tot het oplossen van de tijgerproblematiek heeft geleverd. Wie is hier de tijger: dat verre beest in de wildernis, of de leraar? Aanziet de ijskoude tronies bij het creperen van weer een
duizendtal in oorlog, revolutie en folterkamers. Wie zijn hier dood: de lijken, of de tronies?
Ik noemde mijzelf een levende dode. Om particuliere redenen, die hier niet ter zake doen, wil ik echter liever niet een dooddode zijn, en daarom verkeer ik in de noodzakelijkheid tussen levend dood en dooddood een principiële tegenstelling te construeren, die ik de filosofen overhandig ter nadere uitwerking in dikkere banden dan waarover Dresden en ik de beschikking hebben. Tegenover de dood zijn in beginsel twee houdingen mogelijk, en niet meer dan twee. De mens kan zich aan de dood trachten aan te passen door het leven aan de dood gelijk te maken, - dat is dooddood, - en hij kan het proberen door de dood op enigerlei wijze in het leven toe te laten, - dat is de levende dood. De verdere verschillen zijn te talrijk om op te noemen. Dooddood is b.v.
| |
| |
iets zakelijks en logisch onweerlegbaars en kan maar éen ding betekenen; levend dood daarentegen kan van alles betekenen en verleent hand- en spandiensten aan bloemrijke taal en slordige gedachtenverbindingen. Levend dood is men, wanneer men in verbinding treedt met iets onder welks gedaante zich de dood laat voorstellen, b.v. het ‘verleden’, zoals in mijn geval van zoëven, of het ‘lijden’ (‘de dood in het hart’), of de angst (‘ik ben er als de dood voor’), of een serene, half religieuze stemming (‘goede Dood, wiens zuiver pijpen...’). Overigens kan men zich óok levend dood noemen, wanneer men zich door de dooddood, de algehele onverschilligheid, het afsterven van alle belangstelling, de fatalistische vertwijfeling, bekropen voelt, - let wel: bekropen, hetgeen wil zeggen, dat men het niet is, doch alleen maar vreest te worden. Wie zich in deze betekenis levend dood noemt staat op het punt om dooddood te zijn. Maar hij is het nog niet. Het scherp van de snede scheidt niet leven en dood van elkaar, maar levend dood en dooddood.
Mag men nu stellen, dat de detectiveliteratuur - in haar moderne, uitgebeende vorm, wel te verstaan - een symbool is van de dooddood, terwijl de levende dood in zijn talrijke schakeringen aan de resterende literatuur moet worden toegewezen, aan filosofie en wereldbeschouwing, binnenkamerse gedachten en opbouwende bijeenkomsten en wat niet al? Dit mag men; maar van de dooddood zijn óok nog wel meer symbolen te noemen waar de lezer wat aan heeft: de natuurwetenschap, de machine, de warmtedood in het heelal, het absolute nulpunt, de absolute staat an und für sich, dictator Jansen, het logische schema, de collectiviteit, de dieren voor de mens, de planten voor het dier, de stenen voor de plant, de atomen voor de steen, de elektronen voor het atoom, de ‘ingestorte materie’ voor de elektronen, het niets voor de ‘ingestorte materie’, het minder dan niets voor het niets, het nòg minder dan niets voor het minder dan niets, - genoeg, ik kan niet zeggen, dat dit alles de zaak erg verhel- | |
| |
dert, al voelt de lezer natuurlijk wel waar ik naar toe wil. Maar dat is het juist: vóelen, vermoeden, peinzen, speculeren, filosoferen, symbolen bedenken, dat doet men onherroepelijk binnen de grenzen van de levende dood. Alleen de dooddood staat toe te weten. Hij is de monumentale houding van de man, die het antwoord kent, ook al drukt hij dit antwoord uit in niets méer dan een houding. Rechtopstaan, strak kijken, en als men u vraagt: wat is de dood? - dan net doen als die leraar van de tijger, en geen spier van uw gezicht vertrekken, in de gegronde hoop dat het wel een beetje op een doodskop zal gaan lijken. En wanneer het mensdom dan gillend van u vandaan loopt, dan zegt u: waarom lopen die mensen toch weg, er is toch niets aan de hand, niets tragisch, geen fundamentele tragiek van ons bestaan?
In die geest zijn de detectiveromans dus geschreven, de ‘detectives’. Voor de Agathachristianscientists lijkt het bijna compromitterend, want dat hadden ze er nooit achter gezocht. Deze perfectie, deze meer-dan-filosofie, dit marmeren wonder der menselijke natuur of bovennatuur. Maar aangezien mijn ongeschiktheid voor het hele genre opnieuw zonneklaar gebleken is uit mijn neiging om het wezen er van te benaderen door middel van zoölogische grappen en quasi-literaire vergelijkingen, die uit hoofde van de zo juist gevolgde redenering dat wezen juist geweld aandoen, terwijl ik daarenboven moet bekennen, dat dit onderwerp mij op de zenuwen begint te werken, ga ik er thans toe over, Dresden's tweede opstel nog eens te herlezen, op zoek naar opmonterender materie.
Wat vind ik daar? Eigenaardige jongens, - zware jongens, - misdadigers! Nu, díe zullen mijn plezier niet vergallen. Ik vind ze namelijk nog het meest levend onder alle detectivistische figuranten, of, zo men wil, het minst dooddood. Zij doen om de haverklap de meest onverwachte dingen. Zij zorgen voor verrassingen, ‘sensaties’ zo gezegd. Van Sherlock Holmes weten wij van te voren
| |
| |
wat hij doen zal, en ook de slachtoffers kunnen niet op een hoge graad van onberekenbaarheid aanspraak maken. Holmes zal triomferen, het slachtoffer zal creperen; en indien het al waar is, dat de derde partij haar constante bestemming vindt in cel of hennepdas, dan is het al evenzeer waar, dat geen lezer daaraan denkt. Ziet, daar komt de bleke en blode John Openshaw bij Holmes aankloppen om hulp tegen de Ku Klux Klan, het verfoeilijk genootschap, dat geheimzinnige familiedocumenten van hem wil hebben. Die zou hij best willen afstaan, maar hij heeft ze niet in zijn bezit, en daar de duisterlingen dit niet geloven en hij niet de kans krijgt zich met hen te verstaan, is hij volledig aan de verstarring des doods ten prooi gevallen. Hij is al dood voor hij in de Theems gesmeten wordt. Holmes zegt tegen hem: ‘Tut tut tut, wees verdomme niet zo bang’, maar hij kijkt Holmes aan met de bekende glazige blik der ontoegankelijken, en hij voelt zich ‘als een konijn, dat een slang naar zich toe ziet schuifelen’ (vertaling van mij, niet geheel juist, want een gebiologeerd konijn voelt helemaal niets). En Holmes? Ik laat nu nog daar, dat hij er in dit verhaal niet in slaagt zijn cliënt te redden, dat hij achter de gebeurtenissen aanhinkt, en pas aan het eind, ten overstaan van de meegaande Watson, met de hem eigen verbetenheid wraak zweert: hij zal die Amerikaanse schoeljes wel krijgen! Wat hem ook gelukt zou zijn, wanneer de onredelijke smeerlappen op hun schip de ‘Lone Star’ niet vergaan waren in een storm. Neen, over deze mislukking wil ik het nu niet hebben. Maar stel, Holmes had na toepassing van een van zijn beproefde methoden de belagers aan het gerecht uitgeleverd, wat schoten we daarmee op? In zekere zin komt Holmes altíjd achter de gebeurtenissen aanhinken. Zijn methoden mogen dan subtieler, gevarieerder, doeltreffender zijn dan die van zijn tegenstanders, zíj zijn het toch die het initiatief
nemen. Terecht zegt Dresden, dat de misdadiger degene is, ‘die de detective de gelegenheid schenkt zijn grote
| |
| |
gaven te tonen.’ Onweerstaanbaar wellen zij op uit de donkere stroom van de wereldstad en daarbuiten, als spontane afgezanten van een leven, dat nog niet door de dood is getekend, al zal de vreugde van uiterst korte duur zijn. De enige springlevenden in het land der doden, het fameuze grensgeval, de witte raaf, zij het ook een weinig met bloed besprenkeld. Zij geven inhoud en gehalte aan het verhaal, Holmes zorgt alleen maar voor de vorm.
Men begrijpt nu ook waarom de moord zozeer in het middelpunt er van moet staan. Daarbij is het van weinig belang, dat een schrijver als Conan Doyle bij tijden aan andere misdrijven de voorkeur geeft, en dat Holmes op een goede dag de verzuchting slaakt, dat Bakerstreet een bureau voor het opsporen van verloren voorwerpen van naaimeisjes dreigt te worden. Want nog daargelaten, dat Dresden heeft uitgemaakt, dat Conan Doyle geen typische ‘detective’-schrijver was, dient men er rekening mee te houden, dat in het verlengde van de onschuldigste benadeling het vermoorden van de benadeelde ligt. Bij kleuters, die snoepgoed stelen, puilt de revolver al uit de zak. Wanneer ik zo iets onpersoonlijks als ‘de fiscus’ bedrieg door mijn belastingbiljet aan de lage kant in te vullen, en er komt een ambtenaar om mij te ondervragen, dan ontsteek ik in woede en sla hem dood. Ik dóe dat natuurlijk niet, maar ik zou het kúnnen doen, en het zou zelfs min of meer voor de hand liggen. Detectives en politiemannen denken altijd dadelijk aan een moord, wanneer iemand verdwenen is, zoals in het vermakelijke verhaal ‘The Man with the Twisted Lip’, waarin een veel kopergeld beurende bedelaar een zich grimerende heer van goeden huize blijkt te zijn, luisterend naar de naam Neville St. Clair. Maar behalve deze zeer reële betekenis van de moord voor criminele zaken in het algemeen, is er nog een abstracte en symbolische betekenis voor het detectiveverhaal. Dat de misdadiger de enige levende man is in deze entourage, kan hij, binnen de grenzen
| |
| |
er van, niet beter bewijzen dan door een ander te doden. Contrastwerking dus. Bewijs uit het ongerijmde. De levende moet nog meer leven dan hij al doet, hij moet opbranden in leven, tegen de dofzwarte achtergrond van wat hij uitricht met mes of pistool. ‘Als de ander doodgaat, leef ik nog, en hoe!’ - ‘Ik ben niet dood, de ander is het!’ Deze bloedige confrontatie van naakte, tot hun atoomkern herleide Ikken verdraagt zich wonderwel met het machinale, het schematische, de laboratoriumsfeer van het detectiveverhaal. Men ziet ze in postuur staan, die twee; in dit pipse hanengevecht pikken ze net zo lang tot het skelet van de kopjes blootkomt, maar dat was allang niet meer nodig. Welk een adembenemende symboliek ligt er in Holmes' befaamde eindstrijd met professor Moriarty, een asceet als hij, een bijziende geleerde met gebogen rug, geladen met de eruptieve krachten van de oorspronkelijke en voorbeeldige Misdaad. Ze zijn aan elkaar gewaagd, Holmes en Moriarty, ze zijn eigenlijk dubbelgangers, innig verwante geesten (de tekenaar in mijn vertalingen tekende ze ook als dubbelgangers, hij tekende ze slecht, maar hij had inzicht), en alleen het kleine streepje, waardoor plus zich van minus onderscheidt, scheidt hen van elkaar, maar wie is de plus en wie is de minus? Ieder schoolkind weet hoe het dan verder gaat. Holmes sterft door de hand van deze hooggeleerde schelm. Europa, in zijn liefste dromen beledigd, verheft zijn culturele stem. Sir Arthur is genoodzaakt Holmes het leven te hergeven, - doodeenvoudig, hij hoeft het alleen maar te doen voorkomen dat Holmes nooit dood is geweest. Uit die afschuwelijke waterval van Reichenbach klautert dus de levende, dode, levend dode, dood levende Holmes naar boven, hij keert terug, jaagt Watson de stuipen op het lijf, de lelijke sadist, en ziet zich op staande voet belaagd door een van Moriarty's gevaarlijkste luitenants. Ik vergat nog te zeggen, dat Moriarty
dood is, gewóon dood. En dan begint het weer, dan begint de symboliek weer. Holmes heeft een wassen
| |
| |
beeld van zichzelf in zijn bezit, en biedt deszelfs slagschaduw op een verlicht gordijn aan de kogels van de nieuwe vijand aan. Deze wordt gepikt. Hij is een formidabele grijsaard, jager op groot wild, op tijgers, ‘recordhouder in het aantal tijgers, dat hij geschoten had’, zo vertaalde ik destijds, nog niet geheel vertrouwd met het feit, dat men in zijn eigen tijgers geen recordhouder kan zijn. Uiterst vitaal en woest. Hij lijkt zelf wel een tijger. Het leven druipt en stroomt en flitst van hem af. En daartegenover Holmes als wassenbeeld. Wenst men een nòg duidelijker toelichting van datgene waar het in het detectiveverhaal eigenlijk om gaat?
Wanneer inderdaad in deze tak der schone letteren de moordenaars en aspirant-moordenaars de ware levenden zijn, het levend water voor onze dorstige geest, de sappigste vruchten van de boom uit het midden van het Paradijs, dan voel ik mij genoodzaakt vast te stellen, dat het detectiveverhaal het zuiverste, misschien enige voorbeeld is van perverse literatuur. Het zet de wereld op haar kop en grijnst in omgekeerde richting, zoals de dunne professionele glimlach der geniale speurhonden zich weerspiegelt in de breedkakige aangezichten der hogere bruten. ‘Detectives’ zijn slechte boeken, en laat het u gezegd zijn. Dat men ze niet pervers nóemt, komt alleen omdat er niet in gevrejen wordt. Ik vermoed, dat deze opmerking Dresden des te meer nadruk zal doen leggen op de correcte logica van het geval, daar waar de correcte moraal aan zulke onthutsende salto-mortales onderworpen blijkt te zijn.
|
|