| |
| |
| |
Misdaad en misdadiger
Inderdaad, er zijn dieven en moordenaars in de boze mensenwereld! Zij lijken trouwens maar weinig op degene, die in de romans de grote tegenspeler van de detective is. Wel is hij de belichaming van het kwade, maar daarin bereikt hij een dergelijke perfectie en een zo grote geraffineerdheid, dat hij op zijn wijze groots en kolossaal wordt, evenals de detective die het goede gekozen heeft. Van welke werkelijke misdadiger kan hetzelfde gezegd worden? Het is inderdaad waar, dat de detective van romantische oorsprong is en Vestdijk laat dan ook met alle kracht de honden huilen. Maar de figuur van de detective is in de loop der jaren glad gestreken, zodat het romantische meer en meer is verdwenen. De misdadiger daarentegen is in de meeste verhalen nog altijd een figuur waarvan de romantiek met lepels is af te scheppen.
Is het niet merkwaardig, dat de misdadiger dikwijls in het geheel niet onsympathiek is? Blijkbaar vindt de gemiddelde lezer, die in zijn gewone doen een heilige angst bezit voor alles wat aan de zelfkant van de maatschappij leeft het helemaal niet onaangenaam over dit bestaan het een en ander rustig te lezen en het op bepaalde wijze zelfs verheerlijkt voorgezet te krijgen. Nu heeft de romantische auteur er zijn publiek, dat voornamelijk uit burgers bestond, aan gewend geen al te grote eerbied voor de ‘bourgeois’ te hebben en hem te beschouwen als een verwording van wat de mens eigenlijk kan en behoort te zijn. Deze werkelijke mens wordt overal gevonden behalve in het burgerdom, dat zich overigens in alle sociale standen openbaart. Zo komt de Romantiek er toe juist de ‘asocialen’ als de wezenlijke vertegenwoordigers van het authentieke mens-zijn te beschouwen. De misdadiger, de prostituée, de bohémien hebben veel
| |
| |
zuiverder, veel eerlijker, veel krachtiger gevoelens en overtuigingen dan de in domme conventies verstikte burger. Romans, toneelstukken en opera's maken hen in snel tempo steeds sympathieker, en de figuur van bij voorbeeld de ‘brigand généreux’ of de ‘gentilhomme cambrioleur’ begint zijn carrière, die hij tot vandaag de dag in de literatuur met zo groot succes voortzet. Hij is een in alle opzichten populaire figuur: hij wordt met graagte in zijn avonturen gevolgd, en bovendien is hij uit een populair-romantisch genre als de feuilleton voortgekomen. Hij voldoet precies aan wat het lezend publiek op dat ogenblik en nog altijd (maar nu in de film) verlangt. Hij gaat bij voorbeeld uit stelen bij de slechte rijkaards om het geld te geven aan de nobele armen; hij speelt in zijn eentje voor de rechtvaardigheid en lost als individu het bestaande onrecht op. Met Vestdijk geloof ik - het zij nogmaals gezegd -, dat er ontzaglijk veel romantische elementen in de detective schuilen, maar in de misdadiger liggen er nog meer, die bovendien open en bloot te voorschijn komen. In hem vindt men de rebelse held van Byron terug die zich verzet tegen iedere bestaande orde op ieder gebied, maar altijd als individu alleen blijft. Weliswaar verzet hij zich tegen deze orde, maar hij doet dat binnen het kader door de orde gesteld. Hij protesteert eigenlijk niet tegen het feit dat er armen en rijken zijn, maar vindt alleen dat de verkeerde mensen rijk zijn en dat daarin het onrecht ligt. Kortom: hij is gerevolteerd zonder revolutionair te zijn.
Uit deze romantische misdadigersopvatting is de detectiveroman voortgekomen en hij heeft de traditie voortgezet. Het moraliserende sausje is soms wel verdwenen, maar verder heeft de schrijver van detectiveverhalen dankbaar gebruik gemaakt van alle gegevens, die hem voor de figuur van de misdadiger ter beschikking stonden. Hij kon ook moeilijk anders, want zoals bleek verlangt het lezend publiek nog altijd naar ontspanning waarin op enigerlei wijze de maatschappelijke orde tege- | |
| |
lijkertijd aangetast en gehandhaafd wordt. Er moeten rijke lieden en hertoginnen bestaan, maar het arme meisje moet ook de mogelijkheid hebben rijk of hertogin te worden. Daar komt nog iets anders bij: de Romantiek heeft er in alle opzichten naar gestreefd gestelde grenzen te overschrijden. Zelf onder de invloed van bij voorbeeld Napoleon hebben de schrijvers ons er aan gewend bewondering te krijgen voor het kolossale en intensenergieke, waar zich dat nu ook openbaart. Zo wordt in het detectiveverhaal de misdadiger een kolos van het kwade. En dat is juist wat de schrijver gebruiken kon en moest. De misdadiger is immers, zoals wel gezegd werd, de negatieve hoofdpersoon van het boek. Hoe ‘groter’ hij is, hoe spitser zijn vernuft, hoe stoutmoediger zijn daden, des te groter en bewonderenswaardiger wordt de detective, die hem toch altijd zal overtroeven. Naarmate de misdadiger met minder scrupules te werk gaat, zal de detective edelmoediger blijken te zijn. De misdadiger is in één woord bijna het volstrekte negatief van de detective.
Maar juist daardoor kan de misdadiger niet volkomen antipathiek zijn. Hij is wel dikwijls een genie van het kwade (ook al is dat tegenwoordig minder het geval dan bij Conan Doyle bij voorbeeld), maar hij blijft toch ook degene, die de detective de gelegenheid schenkt zijn grote gaven te tonen. Speculerend op het toch reeds aanwezige gevoel dat vele lezers ten aanzien van de misdadiger bezitten, tracht de schrijver van deze verhalen nog een zeker soort van griezelende bewondering voor dit kwade vernuft bij zijn publiek te wekken. In ieder geval is het een feit, dat de detective lang niet altijd afwijzend staat tegenover zijn rivaal in scherpzinnigheid en doorzettingsvermogen. In The Cask van Freeman Wills Crofts bij voorbeeld heeft de detective op het ogenblik dat hij de listen van zijn tegenspeler doorziet een ‘unwilling admiration’ voor hem en denkt hij zelfs dat deze geraffineerde schurk ‘had deserved to succeed’. Wel- | |
| |
iswaar is hij doortrapt, maar hij moet toch ook ongelukkig genoemd worden en men begrijpt hoe hij tot zijn afschuwelijke daad gekomen is. Deze zelfde begrijpende sympathie bezit Peter Wimsey vrijwel altijd en in Busman's Honeymoon is hij bijna ontroostbaar bij de gedachte dat de moordenaar de doodstraf ondergaat. In de verhalen van Simenon ten slotte doet zich iets dergelijks voor. Hij streeft er duidelijk naar de indruk te wekken, dat de misdadiger lang niet altijd een monster is, maar zoals Narcejac ergens terecht zegt, ‘un pauvre bougre d'homme malheureux’. Dit alles is ook heel begrijpelijk: de detective leeft in zekere zin van de kracht van zijn tegenspeler. De enige, die in het verhaal bijna tegen de detective op kan, is immers de misdadiger en zij vatten een zekere bewondering voor elkaar op, omdat zij zich door hun bijzondere gaven buiten de wereld van het gewone mensdom kunnen plaatsen en onderling een bepaalde band gevoelen. Daarbij komt nog, dat
het de detective er in de eerste plaats om te doen is mensen te hanteren, zodat hij voor de misdadiger in de eerste plaats een psychologische belangstelling heeft en deze belangstelling vervolgens met overwegingen van moraal en recht legitimeert. Commissaris Maigret in het bijzonder moet zich voortdurend bewust blijven, dat hij een politieambtenaar is en dat het recht zijn loop moet hebben. Zo neemt hij in bepaalde gevallen (Maigret se trompe) een ondergeschikte mee naar het huis van de verdachte ‘pour se rappeler à lui-même qu'il allait avenue Carnot en tant que commissaire de la P.J. et non comme homme intéressé par un autre homme’.
De detectiveroman kan desondanks nooit worden tot een analyse van de misdadiger, die psychologisch bezien het interessantste ‘geval’ is in het verhaal. De oorzaak daarvan is door Vestdijk genoemd: aan de fundamentele tragiek van ons bestaan komen deze verhalen niet toe, en wel om velerlei redenen, die nog ter sprake gebracht worden. Laat ik er hier slechts één noemen. Wil men de
| |
| |
psychologie van de misdadiger door een roman leren kennen, dan zal uiteraard een misdrijf beschreven moeten worden, zoals ook in het detectiveverhaal geschiedt. Maar daarmede zijn alle mogelijkheden van de detectiveroman op dit punt ook ten einde; het psychologische verhaal is het namelijk niet te doen om de ‘oplossing’ van de misdaad, maar alleen om de motieven, de impulsen, de donkere drift, die tot het begaan van de daad geleid hebben. In Payment deferred van C.S. Forester zijn daad en dader al in de eerste bladzijden bekend; er valt dus niets meer op te lossen en een detectiveroman zou van dat ogenblik af dan ook niet meer geschreven kunnen worden. Maar de schrijver wil de psychische afbrokkeling beschrijven, het giftige ongeluk van de dader, die ten slotte toch nog door een toeval gestraft wordt nadat hij zich dag in dag uit zelf had gestraft. Ook hier vindt men dus nog de poging van de schrijver medelijden met de misdadiger te wekken en een zekere welwillendheid bij de lezer te doen overwegen. De misdadiger verschijnt, evenals in de detectiveroman wel het geval is, in zijn menselijke kleinheid en zelfs in zijn betrekkelijke onschuld!
Of de misdadiger nu klein is en medelijden wekt dan wel een genie van het kwade en daardoor bewonderd kan worden, altijd behoudt hij in enigerlei mate de sympathie van de lezer. Vandaar dan ook dat hij vrijwel nooit officieel gestraft wordt. Enerzijds beschouwt de detective zijn achtervolging, zoals wij zagen, als een spel, en zodra het spel gespeeld is, dat wil zeggen de oplossing gevonden, stelt de detective geen belang meer in de zaak. Anderzijds is bovendien de sympathie van de lezer voor de misdadiger van dien aard geworden, dat hij hem niet graag uitgeleverd ziet aan de rechterlijke macht. Ten slotte heeft de lezer vooral aan de misdadiger te danken, dat hij zich een paar uren aangenaam heeft kunnen bezig houden! Het einde van de detectiveroman is dan ook vrijwel altijd op dezelfde wijze gearrangeerd.
| |
| |
De misdadiger valt net niet in handen van de detective en zijn helpers, maar pleegt zelfmoord of wordt toevallig op het ogenblik van de ontdekking dood geschoten en ontsnapt op die wijze aan het oordeel van de rechters. Geschiedt dit niet, dan worden de rechtszittingen toch altijd weggemoffeld. Blijkbaar heeft de lezer van detectives daaraan niet de minste behoefte.
Het vreemde bij dit alles is hoe een mogelijkheid om de misdadiger sympathiek te maken hierin ligt, dat het slachtoffer tijdens zijn leven antipathiek geweest blijkt te zijn. Algemeen bekend is, dat het lijk of de lijken snel uit de beschrijvingen verdwijnen en er schoon schip gemaakt wordt, opdat het onderzoek kan beginnen. Is nu ook nog het slachtoffer een niet onverdeeld prettig man geweest, dan bestaat er geen enkele kans meer dat de lezer medelijden zou hebben met het slachtoffer en daardoor als het ware niet ‘vrij’ gemaakt zou worden voor datgene waar het in een detectiveverhaal om gaat, namelijk het oplossen van een misdaad. Hierbij moet meer aan het oplossen dan aan misdaad en zeker aan slachtoffers gedacht worden. Zo wordt de vermoorde uit de detectiveverhalen literair-technisch nogmaals het slachtoffer: de lezer mag niet of nauwelijks met het ongeluk meevoelen, maar het alleen als een gerede aanleiding tot vernuftig werk beschouwen.
Hieraan is trouwens een groot bezwaar verbonden, dat de schrijver van detectiveverhalen nooit kan vermijden en dat hem dwingt - ik kom nogmaals terug, en niet eens voor de laatste keer, op wat Vestdijk gezegd heeft - tot het schrijven van werken, die psychologisch niet van belang kùnnen zijn. Als het misdrijf een moord is (en wanneer is het dat niet?), moet er altijd een grote mate van intimiteit tussen moordenaar en vermoorde bestaan hebben. Daarmede bedoel ik niet, dat zij elkaar bijzonder lang en bijzonder goed gekend moeten hebben, maar iets geheel anders. Er is namelijk juist door de moord een relatie ontstaan, die de moordenaar voor altijd bindt aan
| |
| |
zijn slachtoffer. In zijn Oxford Tragedy moge Masterman dan al door zijn detective laten vaststellen ‘how intensely you must know a man to murder him’, in de praktijk van het detectiveverhaal blijkt daar verder weinig van. Op zich zelf genomen is de opmerking echter volkomen juist. Men behoeft maar te denken aan de zo indrukwekkende eerste bladzijden van La Condition Humaine, waarin Malraux een politieke moordenaar beschrijft op het ogenblik dat hij zijn daad weliswaar verrichten wìl maar toch ook niet meer anders kàn. De moordenaar raakt gefascineerd door het zachte mensenvlees dat hij uit volle overtuiging wil doden, maar zo moeilijk kan aanraken. Het lijkt hem alsof hij langzaam dit levende lichaam wordt, alsof hij voelt wat er dadelijk in dit lichaam zal gebeuren, kortom er ontstaat een zekere eenheid, die nooit meer geheel verloren gaat. Voor de schrijver van detectiveromans is het onmogelijk deze en dergelijke gewaarwordingen te analyseren. Niet alleen omdat hij een minder groot schrijver zou zijn, maar tevens omdat het genre dat hij zich gekozen heeft hem er de gelegenheid niet toe biedt. Hij moet er immers voor zorgen, dat de lezer niet van het eigenlijke onderwerp afgeleid wordt en het lijk snel wordt weggewerkt, terwijl de moordenaar op het ogenblik van zijn moord nu juist nooit volledig beschreven kan worden. Maar daarmede ontneemt hij zich ook de mogelijkheid deze wezenlijke relatie van mens tot mens, waarin het donkere bloed stroomt, ooit op passende wijze te beschrijven. Als het zo moeilijk is een moord op psychologisch eerlijke wijze te beschrijven en anderzijds de detectiveroman weinig anders wil als een raadsel oplossen, dan kan men zich terecht afvragen waarom bijna altijd een moord als uitgangspunt van het verhaal wordt gekozen. Een grote diefstal, een uitgebreide smokkelaffaire zouden evenzeer aan dit schema kunnen voldoen. En inderdaad zijn een aantal detectiveverhalen
dan ook niet uitgegaan van de menselijke moord, maar evenzeer is het waar
| |
| |
dat vele lezers zich dan op geheimzinnige wijze teleurgesteld voelen en menen niet aan hun trekken te zijn gekomen. Zij wachten als het ware op de moord en in verreweg de meeste gevallen voldoet de schrijver ook aan hun verwachtingen. Waarom toch altijd een moord? Op deze vraag zijn talrijke antwoorden gegeven: aangezien in de Angelsaksische landen op moord de doodstraf staat, speelt de moordenaar ook letterlijk met zijn eigen leven. De spanning wordt groter nu ook de inzet van het spel de grootst mogelijke is. Onafhankelijk hiervan zou volgens anderen de dood van het slachtoffer alleen al een heel specifieke sfeer te weeg brengen en daardoor bijna onmisbaar zijn in ieder detectiveverhaal. Het zou nuttig zijn hier nog eens enkele woorden te wijden aan de huivering waarover Vestdijk gesproken heeft, maar wat kan men na hem nog zeggen? Wel is deze huiver bij kinderen, die hun eerste schreden zetten binnen het gebied van de detectiveroman, nog authentiek. Maar blijft deze echtheid ook later bestaan? Welke lezer draait zijn hand nog om voor éen of meer moorden? Hij weet, dat ze bij het spel horen, en hij neemt ze helemaal niet au sérieux. Wanneer hij 's nachts wakker ligt en aan zijn eigen dood denkt, rilt zijn lichaam; bij het lezen van detectiveverhalen wordt hij voor de dood van het slachtoffer bijna geheel ongevoelig gemaakt en weet hij dat hij er verder niets meer mee te maken zal hebben. Alles wat direct met de moord samenhangt wordt uit de beschrijving geweerd. Zeker, men spreekt wel over de ‘duistere hartstochten’, de ‘ondoorgrondelijke driften’ en wat dies meer zij, maar de detective en met hem de lezer gaat er nooit heel diep op in. De intellectuele denkmachine, die de detective is, staat eigenlijk tegenover een afgrond, die hij wel kan peilen maar waarin hij niet afdaalt. De dood van het slachtoffer wordt een abstract uitgangspunt, waarbij het concrete vermoorde lichaam geen rol speelt.
Op deze wijze wordt het zelfs mogelijk, dat de dood in
| |
| |
het verhaal bijna een komisch karakter krijgt. Zoals ook wel in sommige films het geval is, raakt de lezer in zo sterke mate ongevoelig, dat hij in lachen uitbarst wanneer weer iemand sterft. Een aantal misdadigers, die met de zekerheid van ontdekking voor ogen elkaar in versneld tempo beginnen te vermoorden, werken onweerstaanbaar komisch. Een messteek en de eerste valt dood neer, een schot en de moordenaar van zo juist behoort op zijn beurt niet meer tot de levenden, en de twee laatsten duwen elkaar onder de trein. Men kan gemakkelijk zeggen, dat dit alles afschuwelijk is en dat is het zeker. Maar ook is het een feit, dat de lezer en vooral de toeschouwer van een film eerder lacht dan huilt; pas later, wanneer hij er over gaat nadenken, komt hij tot somberder conclusies. De lezer van detectiveromans denkt nu juist alleen wat de schrijver en de detective wil. Hij bekommert zich niet om het aantal dode lichamen en om het gruwelijke lijden, want hij wil iets heel anders.
Hij vindt zich dan ook niet geplaatst tegenover een bepaalde doodsproblematiek. In feite gaat de dood hem niet persoonlijk aan, wat bij de toeschouwer van een tragedie wèl het geval is. Deze weet zich in de situatie van de tragische held, die onvermijdelijk sterven moet en daarin de oplossing van zijn menselijk bestaan vindt. De tragische held leeft op het toneel om te sterven, en de toeschouwer is zich op dat moment wel bewust, dat hier de fundamentele tragiek, om met Vestdijk te spreken, van het bestaan onthuld wordt. Op de wijze van de tragische held sterft nooit iemand in de detectiveroman; er worden alleen maar mensen vermoord. Paradoxaal uitgedrukt kan men volhouden, dat in deze verhalen moorden plaats vinden, zonder dat de mensen in de volle betekenis van het woord stèrven. Ook al is het waar, dat in geen ander literair genre als de detectiveroman en de tragedie zoveel doden vallen, het is toch ook onbetwistbaar, dat afgezien van esthetisch niveau en andere verschillen, de dood in de detectiveroman
| |
| |
geen menselijk mysterie is, terwijl dit in de tragedie juist in de allersterkste mate het geval is. De huiveringwekkende dood is in het detectiveverhaal, zoals De Vries zegt, ‘death without its sting’. Het detectiveverhaal is een tragedie zonder enige tragiek en moet dit ook zijn. Hiermede is wederom een oorzaak aangegeven van de beperkingen, die dit genre eigen zijn en het tot een spel maken waaraan de wezenlijke en volle menselijke spanning ontbreekt.
Niet alleen immers worden de mensen in deze romans alleen maar vermoord (‘it is only murder’ vindt men in sommige verhalen), maar bovendien bepalen deze moorden ook in het geheel niet de sfeer van het verhaal. Het lijkt vrijwel zeker dat een moord onvermijdelijk is, maar het is een moord waar de lezer zich verder niets van aantrekt en de detective evenmin. Hij wil een spannende zaak oplossen, omdat hij de wereld en de mensen wil kennen en beheersen. De figuren met wie hij te maken heeft zijn als marionetten in zijn handen en gezamenlijk voeren zij allen een rondedans uit rond het lijk, dat wel het middelpunt is maar er tegelijkertijd ook niet meer is en sinds lang vergeten. Zo wordt de detectiveroman een griezelig spelletje met de dood als uitgangspunt. Het afgrijzen ten aanzien van de dood is er nooit in te vinden en de griezeligheid van het genre ligt juist in deze afwezigheid! De personen spelen hun spel rondom een afgrijselijke aangelegenheid die zij vergeten. De lezer speelt mede en amuseert zich bij de dood van een man die misschien minder sympathiek was maar ook op gruwelijke wijze vermoord werd. Desondanks laat de lezer zich van het ene avontuur naar het andere leiden en hij wéet, dat al deze avonturen niet bestaan zouden hebben als er niet in het begin een lijk geweest zou zijn. Maar dat lijk vergeet hij meer en meer zo hij er al ooit aandacht aan heeft besteed. Zijn belangstelling laat hij, gevoerd door de detective, in een geheel andere richting gaan. Daarom ook moet men de lezer misschien niet te
| |
| |
hard vallen om zijn ijskoude hardvochtigheid, en zich in ieder geval eerst afvragen hoe het toch mogelijk is een lezer zo zeer te boeien.
|
|