| |
| |
| |
De bloedhond en de detective
Hoe heerlijk is het zich dom te mogen voelen. Het heeft de bekoring van het luieren, vermeerderd met die van het afleggen van alle verantwoordelijkheid; het is een terugkeer naar de paradijselijke oerstaat, waar leeuw en lam tezamenliggen en ieder blad een onbeschreven blad is. Men mag nòg zoveel schelden op de lowbrows, -en ik heb mijn partij met gevoel geblazen,-de ontdekking, dat de mens weliswaar veroordeeld is om niet dom te zijn, doch van dit vonnis dispensatie kan verkrijgen, vervult het hart met een dankbare vreugde, een niet te betomen geestdrift, - waarin men dan bovendien met de laatste resten van zijn in slaap gewiegde intelligentie tot de ontdekking komt, dat men de lowbrow niet gehaat en tot bloedens toe vervolgd heeft, omdat hij dom was, maar omdat hij zijn agressiviteit en bekrompenheid uitleefde onder het mom van die bepaalde gezonde domheid, in het teken waarvan het land Nederland vijf jaar lang is uitgemergeld. Men spreke mij dus in geen geval van gezonde domheid. Dat is de domheid van de duivel, een lagere, niet geheel oneffectieve vorm van slimheid. Waarover ik het hier wil hebben is de goddelijke domheid, het alles en niets van voor de schepping, de gladgestreken, tot het laatste golfje vereffende chaos, die voorlopig van de mogelijkheid heeft afgezien een kosmos te worden, met alle moeiten en noden daaraan verbonden. Nirvana, -geestelijk luilekkerland, paradijs, ja zeker, maar zonder appels, zonder boom der kennis, -vakantie van het in zichzelf opgerolde Ik, dat altijd maar denken moet en denken moet, en daar niet eens mee uitscheidt wanneer het als kronkelende slang Eva belaagt, die harerzijds, eerder stom dan dom, in dezen niet van nut kan zijn en de domheidszoeker naar zijn huiselijke plichten verwijst... Hoe dit alles zij, het is heerlijk om dom te zijn.
| |
| |
Zo heb ik mij altijd buitengewoon stupide gevoeld ten overstaan van z.g. detectiveromans en -verhalen (ook, naar ik meen, kortweg ‘detectives’ geheten, wat mijn intelligente helft als onzuiver Nederlands meent te moeten veroordelen), en ik ben Dresden, de schrandere auteur van het hierboven afgedrukte stuk, oprecht erkentelijk, omdat hij dit gevoel in mij heeft vernieuwd en mijn dierbaarste herinneringen aan vroegere domheidstoestanden tot leven gewekt; en onze uitgever ben ik erkentelijk, omdat hij mij in al mijn massieve onervarenheid in zake ‘detectives’ als een bloedhond op het spoor van Dresden heeft gezet, zodat wij nu om beurten een stukje mogen schrijven, hij sprekend, ik blaffend.
Inderdaad, ik heb mij altijd een klein kind gevoeld bij het ‘sprookje van de misdaad’, om een term van Du Perron te gebruiken. Een klein kind, - maar echt niet de intuïtieve, vroegrijpe en neuswijze kleuter, die deze sprookjes begrijpt, eerder en beter dan de volwassenen, die met ‘detectives’ opstaan en naar bed gaan. Veeleer snapte ik van de ‘detectives’ geen sikkepit, - ook van èchte sprookjes trouwens niet, als nòg jonger kind, dat, schandelijke ketterij, Max en Grietje de appel liet inslikken die Sneeuwwitje in haar glazen pannekoekenhuisje had uitgebraakt, en Blauwbaard van een toversleuteltje voorzag om de Zeven Langslapers te veranderen in Nieuwe Vrouwen, die door Klein Duimpje door het sleutelgat werden bespied, en overreed, en beïnvloed, met heilloos gevolg voor Blauwbaard zelf, afrukken van de baard, vallen in een bloedplas, zenuwzinkingen, inteelt, impotentie, - genoeg, het was de meest tomeloze en moedwillige, zij het ook sprookjesachtige chaos dwars door de zo vernuftig afgewogen microcosmos van het sprookje die zich maar denken liet. Ik zat bepaald nooit met wangen als bellefleuren en wetende schitteroogjes te luisteren of te lezen. ‘Heb je dat sprookje begrepen, jongen?’ - ‘Nee, pappa’. - ‘Dan moet je voor straf naar
| |
| |
bed, zonder sprookjesboek’. - ‘Dank u wel, pappa, morgen weer.’
Zonder mij als uitgesproken achterlijk te willen voordoen, zonder die zalige dikke donzige gonzige sensatie in mijn hoofd bij het verslinden van sprookjes en ‘detectives’ voor de gewone kinderdomheid met lage schoolcijfers uit te willen geven, veeleer de mogelijkheid openlatend dat mijn domheid een hogere vorm van verstandigheid was, en dat Sneeuwwitje en Roodkapje en Sherlock Holmes en Geoffry Gill zich geen betere lezer en luisteraar hadden kunnen wensen, wil ik toch ruimte laten aan enige twijfel, of Dresden er wel goed aan gedaan heeft mij als volger op zijn crimineel spoor toe te laten. Ik beschouw mijzelf ten enenmale als overbodige luxe in dit boek, sterker, ik had mij liever helemáal van de domme gehouden, toen de vererende uitnodiging dezer heren mij bereikte. Of ik had, waarheidsgetrouw, kunnen schrijven: ‘Wat wilt u van mij, heren, ik kan niet eens mijn eigen lucifers vinden, als ze zoek zijn’. Met deze hulpeloosheid in het dagelijks leven, waaraan in de ‘detectives’ zo weinig aandacht wordt geschonken, - al heeft Sherlock Holmes, meen ik, wel eens moeite met de tabak in zijn slof, tot geniepige vreugde van Watson, - met deze praktische blijken ener ingeschapen ongeschiktheid, schijnt in tegenspraak te zijn de tamelijk indrukwekkende staat van dienst in het detectivistische, waarop ik terug kan blikken. Ik zal hier verslag van uitbrengen. Dat is vast vijf of zes bladzijden winst.
‘The Hound of the Baskervilles’ las ik op de leeftijd van veertien jaar. Lezen, nu ja, zo kan men het noemen; men heeft nog wel heel andere dingen lezen genoemd, met de duimen draaien bijvoorbeeld. Het was een oud, gescheurd boekske, een aflegger van mijn vader (hij las geen ‘detectives’ meer, naar ik vermoed omdat hij slim genoeg was van zichzelf, in huiselijke en andere verborgen zaken). Het was bepaald geen cultuurmonument om te zien, die vertaling van Conan Doyle's meesterwerk,
| |
| |
maar het behelsde die onvolprezen tekeningen van Sidney Paget, die mij onmiddellijk veroverden en mij van de plicht verlosten om ook nog van de rondom geschaarde drukletters kennis te nemen. Die hond, mijn God. Hij brulde, die hond! En dit diep en dierlijk gebrul kwam van heel, heel verre, raadselachtig over de heide, die in dat beduimelde deeltje wel met ‘moeras’ vertaald zal zijn geweest. En dan gebeurde het. Daar kwam hij aan, die hond, daar kwam hij aan, vuur vlamde uit zijn muil; en hij zat een vent achterna, buitelend zat hij een vent op de hielen, net als ik nu Dresden, die in zijn artikel heeft verklaard, dat detectives rekenmachines zijn en de ‘detectives’ glasharde en kilgladde constructies, waarin het menselijk intellect hoogtij viert, in plaats van de romantiek van het tot razernij vervallen Dier! Niet dat ik Dresden niet geloof, - men is dom of men is het niet, - maar deze goedgelovigheid staat mij toch niet toe hem onvatbaar te achten voor huiveringen als mij op de meest kritieke leeftijd te beurt vielen, en ik vermoed, hoop althans, dat wij in zijn volgende opstellen daar nog wel een en ander over te horen zullen krijgen. Met dat al was door dat boekje van mijn vader mijn baan getrokken, mijn lot beslist. Als ‘detective’-lezer was ik een nul. Het volgende stadium viel, op de gis, in mijn twintigste jaar. Ik studeerde, soms, leed aan wereldsmart, die kwaal der twintigjarigen, en een medelijdende vriend stopte mij de verhalen van Sherlock Holmes toe, weinig bevroedend, dat ik door de prenten van een Hond reeds volledig voor Sherlock Holmes was gewonnen, op een leeftijd dat híj nog Dik Trom las. Ondanks de zorgvuldige opvoeding, die mijn vader mij had menen te moeten geven, zei ik ‘Holmes’. Hij zei ‘Holmzzz’, en reeds dit insinuerende, blijmoedig hatelijke sissen kon mij de afgrond tot bewustzijn brengen tussen hem als
‘detective’-lezer en mij als hondenliefhebber meer in het gruwelijke; maar aangezien de goede wil bij mij nimmer door het universele leed aangetast placht te worden, kon ik hem met de hand op het hart
| |
| |
verzekeren, dat de verhalen als een bus sloten, dat de boeven niet beter verdienden dan tegen Holmzzz' intellectuele meerwaardigheid aan te lopen, dat het mij, nu ja, wel volkomen koud liet hoe dit raadsel werd opgelost en dat geheim ontsluierd, maar dat de spanning... de sfeer... die Engelsen... die geruite petten (zijn deeltjes waren overigens niet geïllustreerd)... die vereniging der roodharigen, waar je je ondanks de wereldsmart een breuk om lachen moest, wat Holmes en Watson zelf óok deden... kortom, dat ik weliswaar mijn Hond betreurde en zijn van bloed en vlammen druipend muilwerk, maar dat de verhalen een redelijke compensatie vormden, en dat mijn begrip ervoor heus wel komen zou; ik moest er als het ware nog in groeien, ik moest nog rijpen en gisten en zwellen; kortom, ik gaf hem Holmzzz terug; ik genas; ik studeerde, soms; ik kreeg een aanval van wereldsmart te verduren, de dokter gaf geen hoop meer, mijn vriend hield zich verre, hij wou het nu wel geloven; ik meende een daad te moeten stellen; ik kocht de verzamelde werken van Ivans, aan een kiosk.
Deze patriottische stap heeft mij nooit berouwd. Nog zie ik mij onhandig manipuleren met mijn oude school-dictionaire, waar ‘combineren’ in stond, maar ‘deduceren’ door schennershand was uitgescheurd, onderaan. Maar dan begon ik te lezen, mij tot diep in de nacht te verdiepen in Ivans' kranige creatie, Geoffry Gill geheten, al had hij misschien beter Boomsma kunnen heten, wanneer men dan tòch van Conan Doyle wilde gappen op een Nederlandse manier. Maar, alle purisme nu even terzijde, het is zeker merkwaardig, en op mijn woord waar, dat het geestelijk lijden der eenentwintigjarigen mij toestond op Ivans te reageren zoals ik deed: met een verrukte bedremmeling, een dromerig wegdeinen op golven ontroering zonder naam, waaraan vroegere generaties de namen ‘blaue Blume’, ‘Sehnsucht der Ferne’, ‘ewige Geliebte’ verbonden zouden hebben. Mijn ver- | |
| |
stand rustte, heerlijk, ik begreep er geen snars van; nu goed, ik was ziek, zíek, een tijdelijk wrak, net als Beets en Helmers en J.J.L. ten Kate in hun zwarte dagen; maar ik ben ervan overtuigd, dat ik in gezonde en dartele staat niet zo héel veel anders met deze Ivans was omgesprongen. ‘Het sprookje van de misdaad’, - mon Dieu. Hoeveel misdaden moet ik niet aan mijn laars hebben gelapt, hoeveel ‘clues’ over het hoofd gezien, hoeveel sluwe redeneringen met meegaande zwakhoofdigheid voor zoete koek opgegeten. Wanneer Geoffry Gill zwijgend nadacht of nadenkend zweeg, dan was er voor mij alleen maar dit zwijgen, het grote Zwijgen van dit opmerkelijke kereltje, - en het Zwijgen werd groter en groter, ruimer en wijder, en werd tot de heide van het avontuur, in Wiltshire of Derbyshire of de Mendips, en daar draafde voor de donder die Hond weer voorbij, goddank, hij was er weer, bloed en vuur en zijn hete adem aan mijn gezicht, en hij draafde mij voorbij met een ondoorgrondelijk sarcastische blik in mijn
richting; en ik genas, en ging weer studeren, en ik zou er niets op tegen hebben gehad, zo mijn Hond behalve de zwager van Barrymore - die tuchthuisboef, u weet wel - alle combinaties en deducties van de Nederlandse schrijver Ivans in stukken had gescheurd.
Eerst Du Perron slaagde er in mij tot een draaglijk ‘detective’-lezer op te voeden. Ik bestudeerde zijn dialogen over het onderwerp, hij droeg mij op het boek van Bentley te excerperen, dat ook Dresden vermeldt, en ik wist mij tot het inzicht op te werken, dat een ‘detective’ (synoniem van ‘detectiveverhaal’, de Sanskrietwortels zijn dezelfde) op twee verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd: als romantisch verhaal (‘blaue Blume’, Hymnen an die Nacht, Wanderpoesie), en als puzzel of schaakspel (Aljechin, Botwinnik, Zlimwinnik, Zetmatzky), voor zover het kennis nemen van dezulken ‘lezen’ heten mag. Maar ‘lezen’ betekent wel eens neuspeuteren, tenslotte. Mijn eigenaardige achterlijkheid finaal over- | |
| |
winnend, suggestibel als geen tweede, maakte ik onder Du Perron's vaste hand zulke onvermoede vorderingen, dat ik, na verloop van tijd als zelfstandig baasje optredend, die oude verhalen van Sherlock Holmes weer eens ging lezen, dat wil zeggen vertalen, aangezien ik op een leeftijd gekomen was, dat ik ten gevolge van bibliofiele overvoeding liever schreef dan las. Die verhalen werden uitgegeven, wonderlijk genoeg. Vlak na de oorlog, en zij waren heel zonderling geïllustreerd: met de Hond als een hond die op een vuurspuwende worm leek en Sherlock Holmes als een ondervoede spitsroedenloper. Deze vertalingen nu werden op slag herkend voor wat zij waren: de belangrijkste bijdrage tot de holmologie sinds decennia. Dit te meer omdat ik er een Inleiding bij geschreven had, waarin mijn leermeester en ik de mysteriën van de ‘detective’ wijsgerig uit de doeken deden, niet zonder vermelding van de Hond en de superioriteit der romantiek. Er is mij nog een eredoctoraat aangeboden, een professoraat zelfs, onder voorwaarde dat ik de Hond thuisliet en ook zelf niet al te veel snuffelde; maar ik was reeds in een volgend stadium beland, waarin ik
geen detectiveverhalen meer kon zíen. En ofschoon ik mijn eigen vertalingen nog wel eens met genoegen overlees en ze werkelijk probeer te begrijpen, heb ik mij, nu reeds twaalf jaar lang, geen enkele inconsequentie in dezen te verwijten gehad. Zelfs de Hond kon van mij geen recidivist maken, en de detectiveliteratuur werd voor mij het gesloten boek dat zij altijd was geweest. Alle reden dus voor onze uitgever om mij er bij te halen.
Intussen, de moeilijkheden van de ‘stories’ mogen mij dan al spoedig over het hoofd groeien, Dresden's uiteenzettingen heb ik vrij behoorlijk kunnen volgen, en met name de talrijke begripstegenstellingen, waaraan zijn betoog de overzichtelijkheid dankt, - de ‘detective’ eerder een constructie dan een verhaal, de detective meer een type dan een werkelijk bestaand individu, en meer een
| |
| |
denkmachine dan een intuïtieve geest, - doen een krachtig beroep op mijn eigen denkapparaat, niet om met deze tegenstellingen dialectisch te gaan kegelen, niet om duiten in het zakje te doen in de vorm van neuswijze vraagtekens achter wat door Dresden wel eens voor al lijkt vastgesteld, maar om het na zoveel obscure ontmoetingen met de Hond nog eens in het openbaar voor de romantiek op te nemen, ongeacht de bij uitstek onromantische taal, die de ‘detective’ spreekt in zijn meest geperfectioneerde gedaante. Trouwens, ook Dresden smokkelt heel wat aan romantiek binnen, en ik geloof dat hij dit weet. Ik vraag: is het toeval, dat Poe, de vader der speurdersliteratuur, op en top een romanticus was? Zijn zijn verhalen een weerklank van de rationalistische exempelen van Voltaire, of veeleer een gestroomlijnde editie van E.T.A. Hoffmann's eindeloze familiegeheimen? Is de verzakelijking bij Poe niet eerder een gevolg van de behoefte aan concentratie dan een blijk van nuchterheid? Of, zo al nuchterheid, dan de nuchterheid in haar meest romantische vorm, de nuchterheid als gloeiende hartstocht. De historische situatie, waarin de detective in de wereldliteratuur zijn intree deed, lijkt mij veelzeggend. De detective als held, als legendarische Schim der intellectuele volmaaktheid en superieure slagvaardigheid, kan zijn afkomst van, althans verwantschap met de Byronistische rebellen moeilijk verbergen, en de vrijheidszin en wereldvreemdheid van Manfred en Childe Harold weerspiegelen zich zelfs nog in bepaalde trekken van de moderne speurder, die anders moet zijn dan de anderen en die enkel door het toeval van zijn talenten tot maatschappelijk nuttige werken wordt gebracht, waar hijzelf geen andere waarde aan hecht dan André Gide aan de ‘acte gratuit’. Natuurlijk kan ik ten aanzien van deze Byron-Holmes-Gill-parallel bevooroordeeld zijn, omdat ik van de laatstgenoemden kennis nam tijdens een vlaag van Weltschmerz; maar ook in
gelukkiger levensperioden heeft de Man van Bakerstreet altijd iets van een revolu- | |
| |
tionair voor mij gehad, en wie zal ontkennen, dat hij de boel op stelten zette en de wereld in haar hemd? Er is ook iets in hem van de dandies van Oscar Wilde, want alles wat hij zegt is éen grote paradox, en dat die paradox aan het eind van ieder verhaal ‘verklaard’ wordt, zou alleen dan mijn romantische overtuiging aan het wankelen kunnen brengen, indien zijn onverzadelijkheid hem niet terstond nieuwe paradoxen aan de hand deed, onder het mom van nieuwe avonturen. Romantiek, - fin de siècle, - symbolisme misschien wel, - en post-symbolisme, want herhaaldelijk tijdens de lectuur van Dresden's stuk moest ik aan Paul Valéry denken, bij wie het universele intellect dezelfde rol speelt als de detective in de ‘detective’, waar hij alle krachtlijnen in zich verenigt, zelfs die van de kunst, want Sherlock Holmes is een begaafd violist, wiens ‘deducties en combinaties’, naar Conan Doyle niet onduidelijk suggereert, met de praktijk van het componeren meer gemeen hebben dan men wel zou verwachten.
Inderdaad, in deze man, die zoveel draden in handen heeft, komen ook alle draden samen. Sherlock Holmes is niet alleen een revolutionair, een bommengooier, maar ook een komediant, een nufje, een dégénéré supérieur, een cocaïnist, een Don Quichote (met Watson als Sancho Panza), een outcast, een hermetist, een kluizenaar, een heiland, een moralist, een immoralist, een mensenhater, een misdadiger (met dieven vangt men dieven), een brave weldoener, een robot, een weke dromer, een artiest, een kleinburger, een grootburger, een edelman, een proletariër, - hij is zóveel tegelijk, en alles zozeer op de spits gedreven, dat alleen de wanorde der romantiek hem in zich op kan nemen. Dat staat wel niet in de verhalen, maar zijn scherpe, rijzige figuur is tot in al deze sferen verlengbaar. Bovendien staat het soms óok in de verhalen. Sherlock Holmes verkleedt zich als los werkman en gaat vrijen met de meid van Milverton. Sherlock Holmes laat speelgoedbommen gooien om
| |
| |
een geheim te ontfutselen aan een vrouw, op wie hij eigenlijk verliefd is, - ja zeker, verliefd, want zijn merkwaardige gebetenheid op de minnaar van de vrouw, zijn opdrachtgever, is alleen verklaarbaar op déze wijze. Wie schat de fantastische neigingen, die deze man in zich bevredigde, de duistere driften, de speelse opwellingen, terwijl dat intellect van hem maar gonsde en ratelde? Maar hoed u voor die machinehal, blijf uit de buurt, want het kost u een been of een arm, en dan legt Sherlock Holmes zijn lange, pezige vingers tegen elkaar, en trekt aan zijn korte, knoestige pijp, en zegt: ‘Weet wat je doet, lezertje, ik ben óok maar een mens’. Romantiek dus. Daar blijf ik bij. Het pandemonium van ‘The Hound of the Baskervilles’ is in de grond van de zaak een Hoffmanneske aangelegenheid, met dubbelgangers en alles, en de ironie van Conan Doyle is romantische ironie. In ‘modern gewaad’, toegegeven. En dat in de latere ‘detectives’ de romantiek er steeds bekaaider afkomt, dat wil ik op gezag van Dresden graag aannemen.
Ik krijg de indruk, dat Dresden deze deromantisering, zonder haar nu bepaald toe te juichen, gelijkstelt aan een ontwikkeling van het genre naar zijn zuiverst denkbare vorm: het volmaakte type van de detectiveroman, de abstracte Formule, het algemeengeldig en eeuwig Schema voor wat zelf zo schematisch heet te zijn. Ik voor mij zou aan een omgekeerde uitleg de voorkeur geven: het vernuchteren, verzakelijken en indampen van dit genre een bewijs van de ontaarding er van, en een teken aan de wand, een aanwijzing dat het over een jaar of vijftig wel eens met de ‘detectives’ afgelopen zou kunnen zijn, waarvan de auteurs nu reeds in steeds hetzelfde kringetje ronddraaien, voor zover ik mij van hun ambities en gedragingen een juiste voorstelling heb kunnen vormen. En toch was het genre zo veelbelovend! Du Perron zegt, dat de ‘Gebroeders Karamasoff’ geen detectiveverhaal is, al wordt er een moord in ontraadseld. Maar, vraag ik mij af, waarom is er nooit een detective- | |
| |
verhaal geschreven, dat net zo goed is als de ‘Karama - soffs’? Omdat het niet kan, omdat de hoge graad van technische specialisering het algemeen menselijke en de fundamentele tragiek van ons bestaan niet meer laat opkomen? Ik weet het niet; maar was ik een fokker van mensen, in plaats van een heimweelijder met betrekking tot honden, ik zou een homunculus scheppen uit drie delen Poe, twee delen Conan Doyle, vijf delen Dostojewski, met een flinke scheut Dickens en een snuifje Nietzsche, ik zou het gedrocht een pen in de hand drukken, desnoods mijn eigen pen, maar liever niet, - en dat boek, die detectiveroman, die behalve naast Holmes en Gill ook naast Sophokles, Dante, Cervantes en Shakespeare genoemd zou worden, kwam er tòch. Indien detectives in het werkelijke leven onbestaanbaar zijn, dan zou ik mijn schepsel dwingen er een te maken. Niet als ‘constructie’, maar bloedwarm en lillend en kreunend en ontzaglijk imposant. O, hij zal
heus in werkelijkheid, de niet-literaire werkelijkheid, nog wel eens opduiken, over duizend jaar. De romantische hunkering wordt tot utopie...
Met dit maken van een detective door een maaksel van mijzelf heb ik mij, ontdek ik, op glad ijs begeven. Onverhoeds heeft de laboratoriumsfeer bezit van mij genomen, en wat romantiek moest zijn blijkt een vuige triomf van het mechanistische tijdperk. Het zij zo; de tegenstellingen liggen nu eenmaal overal en altijd zeer dicht bijeen; en de kubistische capriolen van de hogere dievenvangers zijn misschien juist datgene wat later als ‘moderne romantiek’ zal worden aangemerkt, zoals het koude intellect van de besten onder hen niet meer te onderscheiden is van dommelige intuïtie, en hun typische algemeenheid niet van hun opzichtigste excentriciteit. Ik wil alles wel met elkaar verzoenen, en mijn homunculus ongedaan maken ten gunste van een superdetective als telg van een ruwe Tiroler boer en een blond kind uit Karelië. Wanneer ik geen genieën mag vervaardigen in mijn retort,
| |
| |
voor de duivel, laat de geniale natuur het dan doen, in de bergen of bij de meren; het komt tenslotte tòch op hetzelfde neer. Maar, hoe verzoeningsgezind ik ook mag zijn, en hoezeer van jongs af aan geïmponeerd door de eenheid der tegendelen en de synthese en het vereffenen van harde en kantige verschillen, - wanneer men aan mijn Hond raakt, zijn kromme sprongen berekenbaar acht, en zijn van bloed en kwijlvocht druipend bakkes vatbaar voor de muilkorf der Zuivere Rede, dan rebelleer ik met alle kracht die in mij is, en doe de Keuze, die niet alleen het existentialisme van mij eist!... Dan kies ik de Hond. De Hond als detective, dat is trouwens óok een mogelijkheid... Maar neen, neen!! - ik kies partij alléén voor de Hond, en tégen de detective, indien hij enkel maar, en al was het in de schaduwrijke torenkamer van Baskerville Hall, een spelletje schaak mag spelen!
In ernst, zou het niet kunnen zijn, dat Conan Doyle toch een beter schrijver van detectiveverhalen is - ik bedoel nu niet zozeer: een beter literator - dan de geestelijke ongeestelijke vaders van de gladde jongens met ruwe manieren van tegenwoordig? Vraag van een onwetende, maar er moet toch zoiets als rang- en waardeverschil bestaan in de detectivistische branche der schone letteren. Misschien laat Dresden daar zijn licht eens over schijnen. Maar ook wanneer hij zich hiervan onthoudt, geloof ik nog veel van hem te zullen leren. Dat is altijd meegenomen. En ik mag dan hardleers zijn op het stuk van Honden, daarbuiten is nog die grote, boze mensenwereld met haar dieven en moordenaars en schootverkrachters, waar zogenaamde detectives, deze laatsten der romantische Mohikanen, hun plicht vervullen op de hun eigen onverstoorbare wijze.
|
|