| |
| |
| |
De detective en zijn Watson
Ieder die een detectiveverhaal begint te lezen, weet wat hem te wachten staat. Hij weet in ieder geval dat vrij vlug een of ander misdrijf en hoogstwaarschijnlijk een moord zal plaats vinden of al plaats gevonden heeft. Hij verwacht niet anders dan dat hij in enkele honderden bladzijden langs vele schijnbaar juiste sporen naar een toch nog onverwachte oplossing gevoerd zal worden. En hij is van begin af aan volkomen zeker van het feit dàt er een bevredigende oplossing is. Moet men bij een gewone roman een beetje bladeren in de laatste bladzijden om te zien ‘hoe het afloopt’, in een detectiveroman is de afloop altijd bekend: zo de misdadiger al niet officieel gestraft wordt, de misdaad raakt volkomen bekend en het raadsel is opgelost. Weliswaar wordt de lezer langs vele verkeerde paden gevoerd, maar intussen krijgt hij ook de noodzakelijke gegevens in handen en hij weet maar al te goed, dat hij, als zijn scherpzinnigheid groot genoeg was geweest en hij logisch gebruik had gemaakt van alles wat hem bekend was, zelf had kunnen vaststellen wie de misdaad heeft begaan. Dit alles is waar voor ieder detectiveverhaal. Of men dit genre nu laat beginnen in de eerste helft van de XIXe eeuw dan wel (met Dorothy Sayers bij voorbeeld) terug gaat tot de grijze oudheid, altijd is er sprake van dezelfde inventaris. Ondanks alle verschillen trouwens, die er bestaan tussen de hedendaagse min of meer correcte ‘Engelse detective’ en de hard-boiled ‘Amerikaanse’ verhalen, is nog altijd dit zelfde schema te vinden, dat dus eigenlijk onafhankelijk is van de roman die men toevallig leest, maar eenvoudig tot het type als zodanig behoort. Vandaar dan ook, dat de detectiveroman wel het meest gelezen wordt, naar men zegt, maar de lezer veel minder sterk aan een bepaald auteur gebonden is. Het is hem om een zekere romanvorm te
| |
| |
doen en in veel mindere mate om de schrijver die deze vorm gebruikt. Voor hem zijn enkele van te voren vaststaande zekerheden van meer belang dan de wijze waarop een bepaalde schrijver in zijn romans te werk gaat. Terwijl een romanschrijver in hoge mate vrij is te doen en te laten wat hij wil, is de schrijver van detectiveverhalen in dit opzicht gebonden en wel aan de onvermijdelijke inventaris, die zijn lezer verwacht en ook mag verwachten.
Hiertoe behoort in de allereerste plaats degene aan wie het genre zijn naam heeft ontleend, namelijk de detective zelf. Geen detectiveroman is mogelijk zonder in enigerlei vorm de figuur van de speurder, die de misdaad oplost. Men heeft dan ook geen ongelijk, wanneer de eerste voorbeelden van het detectiveverhaal in zijn moderne vorm ook gesteld worden bij het eerste optreden van detectives in de wereld van de misdaad. De schrijvers hebben al spoedig een dankbaar gebruik gemaakt van dit gegeven en het snel ontwikkeld tot een geheel eigen vorm van letterkunde waarop men wel smalend kan afgeven, maar die toch in korte tijd een onnoemelijk aantal lezers heeft weten te verkrijgen en daarmede ongetwijfeld tot een probleem met vele kanten is geworden. De detective is bij voorbeeld zeker een van de vormen die het moderne heldendom heeft aangenomen, een held die alles kan en alles weet. De lezer laat zich dan ook door hem leiden en de schrijver maakt het hem daarbij zo gemakkelijk mogelijk. De lezer kent immers meestal van te voren reeds zijn held! Het valt altijd een beetje tegen wanneer men bij Agatha Christie niet de figuur van Poirot ontmoet en Lord Peter Wimsey is toch eigenlijk een onmisbare persoon, als men Dorothy Sayers in handen neemt. De lezer raakt gehecht aan deze altijd weer verschijnende detectives, hij kent hun hebbelijkheden, hij weet wie en wat zij zijn, hij weet hoe zij optreden en hoe zij plegen te spreken. Hij raakt gewend aan zijn held, hij verplaatst zich in zijn leven en denken,
| |
| |
en wanneer hij eenmaal zo ver is, kan hij hem heel moeilijk missen. Het bekendste voorbeeld daarvan is Sherlock Holmes: toen deze gelijk met zijn grote tegenspeler Moriarty in de afgrond stortte waar beiden de dood vonden, ontving Conan Doyle zo veel brieven van verontwaardigde en diep teleurgestelde lezers, dat hij de geliefde held schijndood verklaarde en in zijn volgende werken weer liet optreden. De detective kan nooit dood gaan!
Het verschijnsel van de steeds terugkerende personen is niet alleen in het detectiveverhaal bekend; het stamt uit de ‘grote’ roman en is door Balzac voor het eerst systematisch toegepast. Dit vond juist in de tijd plaats, dat de roman, die meer en meer in de kranten als feuilleton werd opgenomen, handelsobject begon te worden. Er ontstond een zekere commercialisering en zelfs industrialisering van de letterkunde, en één van de eerste eisen waaraan deze industriële literatuur (die overigens helemaal geen slechte literatuur behoeft te zijn!) moest voldoen was het gemak van de lezer te dienen. En wat is er voor welke lezer dan ook gemakkelijker en behaaglijker dan romanfiguren terug te vinden, die hij al kent? Hij behoeft zich niet meer af te vragen wie de man is, die hij in zijn lectuur tegenkomt. Het is niet meer nodig kennis te maken met het volstrekt nieuwe en onbekende, wat altijd vermoeiend is en inspanning vereist. Als zeer groot schrijver is Balzac er in geslaagd van deze noodzaak een deugd te maken. Hij weet zijn herhaaldelijk optredende personen juist daardoor een zekere diepte, een vagelijk bekende achtergrond te geven, welke tot grondiger kennis van die personen kan leiden. Maar na hem heeft men steeds meer alleen de gemakkelijke kanten van het procédé belicht en ten slotte uitsluitend het gemak van de lezer in het oog gehouden. Niet ten onrechte heeft iemand als Claude-Edmonde Magny dan ook de huidige figuur van de detective in de eerste plaats met de filmster vergeleken. Ook hier bestaat het per- | |
| |
manente type, dat belangrijker is dan het individu waardoor dit type toevallig eens vertolkt wordt. Het publiek verlangt van de ster, dat deze in iedere film dezelfde (men zou bijna zeggen: hetzelfde) en toch een klein beetje anders is. Zo is Poirot eigenlijk overal een figuur, die de lezer al lang kent, van wie hij in feite zelfs niets nieuws verwacht en die alleen het nieuwe van
de situatie waarin hij verkeert om zich heen heeft.
Aangezien de detective eerder een type is dan een individu, is het begrijpelijk dat iedere schrijver zich bij één figuur of althans bij zeer weinige in zijn werken houdt. Evenmin als het voor de lezer gemakkelijk is afstand van zijn detective te doen, is het de auteur mogelijk zich van hem los te maken. Dat er echter ook andere, minder psychologische oorzaken zijn aan te geven, is zeker niet te betwisten en zal ook nog wel aan de orde komen. Nu het evenwel duidelijk is, dat iedere detective in de inventaris van het verhaal thuis hoort en een onmisbaar type is, kan ook worden nagegaan aan welke eisen dit type moet voldoen. Hoe verschillend de detectives, die men in de loop der jaren verzonnen heeft, ook mogen zijn, zij komen in vele opzichten toch ook weer overeen en het is niet onmogelijk een algemeen type te beschrijven. Het gemakkelijkst is uiteraard te constateren, dat een detective zonder gepleegd misdrijf, geen enkele zin heeft. Hij bevindt zich altijd tegenover een misdadiger en een misdaad, die hij om de een of andere reden wil ontmaskeren. Daarbij gelden voor alle detectives bepaalde karakteristieke verschijnselen. Wanneer Wimsey ergens zegt: ‘I can't help taking notice’, dan geldt dat niet alleen voor hem, maar voor al zijn collega's.
Philo Vance heeft weinig gemeen met Dr Thorndyke, Maigret lijkt niet erg veel op Inspector French, maar hoe groot de verschillen ook mogen zijn, zij stemmen toch op één fundamenteel punt overeen. Zij merken veel meer op dan waartoe gewone mensen en vooral de
| |
| |
gewone lezer in staat zijn. Het befaamde sigarettenpeukje ontsluiert voor hen een geheim, terwijl het voor ons iets doodgewoons is waar men niet bij hoeft stil te staan. Iedere detective blijft nu juist wel staan, hij registreert bewust of onbewust alles wat zich aan hem voordoet, en de fouten die hij maakt berusten vrijwel altijd op het feit dat hij zich nu juist nog niet alles bewust heeft gemaakt of nauwkeurig overdacht en ten slotte in een gesloten systeem heeft geplaatst, waarin X noodzakelijkerwijze de misdadiger moet zijn. Aan dit laatste zijn wij echter nog niet toe; voorlopig doet de detective niets anders dan uiterst nauwkeurig opnemen wat zich aan hem voordoet. Hij registreert en vervolgens combineert hij. Hij wordt eigenlijk een registratie- en denkmachine. De wijze waarop dit gebeurt, is van later zorg. Wat hier het eerst treft, is in zekere zin de ontmenselijking die de detective ondergaat. Hij neemt zo zuiver waar, hij heeft zo een ontzaglijke aandacht voor de kleinste kleinigheden, hij denkt daarna zo nauwkeurig en zo feilloos, dat al het menselijke hem wel vreemd schijnt te zijn. Reeds de eerste detective in de moderne tijd, namelijk Dupin in de verhalen van Edgar Allan Poe, bezit deze bovenmenselijke eigenschappen. En ook al heeft men dit schema na hem wel trachten te veranderen, zijn voorbeeld heeft zo grote indruk gemaakt, dat het sindsdien vrijwel tot traditie is geworden. Zeker, het is een feit dat tegenwoordig detectives soms bijzonder sluw redeneren en het toch bij het verkeerde einde hebben; zij schijnen zich te vergissen als doodgewone mensen. Maar deze vergissing is alleen maar een klein stapje achteruit om tot een nog slimmere redenering, een nog vernuftiger systeem te komen, dat uiteindelijk altijd tot het vinden van de misdadiger zal voeren. Op deze wijze wordt het karakter van de detective als held bevestigd; de lezer heeft de zekerheid, dat hoe moeilijk het geval ook moge liggen, de detective er ten slotte raad mee zal
weten en alles in orde zal komen. Voor de schrijver van het detective- | |
| |
verhaal schuilt er echter een grote moeilijkheid in deze noodzaak, waaraan altijd voldaan moet worden. Zijn detective moet immers enerzijds schijnbaar meer dan menselijke mogelijkheden bezitten of althans anders zijn dan andere mensen, maar er mag toch ook niet aan de menselijkheid van de detective getwijfeld worden. Met andere woorden: deze registratie- en denkmachine mag nooit de indruk van een machine wekken. Poe heeft deze moeilijkheid maar nauwelijks weten te ontwijken en allen, die na hem gekomen zijn, staan tegenover hetzelfde probleem. De eenvoudigste oplossing lijkt hieruit te bestaan, dat men de detective die nu eenmaal uit hoofde van zijn werk zo zeer bijzondere eigenschappen moet bezitten maar in het geheel tot een bijzondere en enigszins vreemde man maakt. Van Dupin tot Wimsey zijn alle detectives tamelijk excentrieke heren: zij leven dikwijls als bohémiens, roken heel bijzondere tabak of geparfumeerde sigaretten of ten slotte zware sigaren, zij hebben verstand van de meest uitzonderlijke zaken en interesseren zich, zonder dat nu precies blijkt waarom, voor Chinees aardewerk, incunabelen of de metafysische poëzie van Donne. Hoe naïef dit alles ook is, het bewijst hoe zeer de schrijver van detectiveverhalen moeite doet van zijn detective een in het algemeen vreemde man te maken, zodat de bijzondere kwaliteiten die hij als speurder bezit op zich zelf niet meer al te vreemd aandoen. Terecht heeft du Perron dan ook gezegd, dat de detective in de verhalen een figuur is, die veel schmink nodig heeft. Anderzijds kan men zich er moeilijk over verbazen, dat door vele schrijvers moeite is gedaan zich aan dit traditionele schema te onttrekken en hun detective een menselijker allure te geven. Zij stonden dan evenwel voor een andere moeilijkheid: de detective moest enerzijds een heel buitengewone, anderzijds een doodgewone man zijn. De denkmachine diende in een
gewoon omhulsel geplaatst te worden. Degene die daarin het best is geslaagd is zonder twijfel Simenon. Zijn commissaris Maigret lijkt
| |
| |
in feite op iedere Franse burger, maar is tegelijkertijd veel meer dan deze. Het merkwaardige is daarbij, dat Simenon geen gelegenheid voorbij laat gaan om op het fysieke aspect van Maigret te wijzen. De sandwiches die uit de bistrot naar de P.J. worden gebracht en het vele bier dat gedronken wordt, maken dat de lezer niet in de eerste plaats aan de denkarbeid van Maigret herinnerd wordt. Dit denken ligt, zoals bij een ieder het geval is, in het fysieke leven ingebed. In ieder verhaal van Simenon trouwens weet men, dat wanneer Maigret slaperig is en afwezig lijkt, het eigenlijke denkwerk begonnen is. Wie kent niet van de commissaris ‘cet aspect pesant, comme endormi’, ‘cet état d'engourdissement physique’? Nu zijn er naar aanleiding van het regelmatig herhalen van deze en dergelijke feiten twee opmerkingen te maken. De eerste is dat de denkarbeid van Maigret niet meer bewust logisch schijnt te zijn maar in een soort van (dikwijls door alcohol verwekte) droomtoestand lijkt te geschieden. Het gevolg is dat het denken niet naar boven toe machinaal wordt zoals bij sommige Engelse schrijvers wel gebeurt, maar naar beneden toe. Het wordt eigenlijk onbewust, maar tevens menselijker. Bovendien verzuimt Simenon nooit mede te delen, dat Maigret met zijn volle gewicht op de aarde steunt en zijn lichaam als het ware een ding is temidden der dingen. Hij zweeft dus niet boven het menselijk gebeuren, wat Lord Peter Wimsey dikwijls lijkt te doen en als Pierrot in Murder must advertise ook zo karakteristiek doet. Zodoende slaagt Simenon er in van zijn detective een menselijke figuur te maken.
Men kan trouwens op geheel andere en naar het schijnt veel effectiever wijze tegen de excentrieke detective-denker protesteren. De Amerikaanse ‘black-mask school’ geeft daar vele voorbeelden van. In plaats van de beschaafde, overgecultiveerde, rijke Engelse detective, die nauwkeurig denkt maar zijn handen niet vuil maakt, komt nu de vechtersbaas, de koude, harde, cynische speur- | |
| |
der die in feite vrij dicht bij de misdadiger staat. Hier is geen sprake meer van een denkmachine, zodat de detective van Hammett bij voorbeeld heel wat meer levensecht schijnt dan van Dorothy Sayers. In werkelijkheid zijn Nick Charles en alle andere ‘tough guys’ even onecht als hun Engelse voorbeelden. Zij vechten en drinken en vrijen, maar lossen intussen toch de misdaad op. Hun denken ligt meer verscholen in hun handelingen, maar deze blijven toch altijd en zeker in hoge mate excentriek. Er is niet aan te ontkomen: iedere detective heeft iets vreemds en moet dat ook hebben, aangezien hij daarzonder nooit tot de held zou kunnen worden die hij is. Zou dit ook de reden zijn waarom men altijd weer de voorkeur geeft aan de amateur-detective boven de politieambtenaar? Zouden de oorzaken talrijker kunnen zijn dan alleen maar ‘een artistiek arrangement’, zoals du Perron meende? Van begin af in ieder geval is de amateur veel intelligenter en scherpzinniger dan de officiële politie. Na Poe heeft Conan Doyle daar een bijna onwrikbare vorm aan gegeven en vermoedelijk enigszins gespeculeerd op de smaak van het publiek, dat gemakkelijk het politieapparaat afwijst, ook al profiteert het er dagelijks van.
Hoe dit ook moge zijn, in de detectiveroman is de domheid van de politieambtenaar sinds Sherlock Holmes spreekwoordelijk. De amateur vindt de oplossing waaraan de politie in de verste verte niet gedacht heeft, hij laat zich niet zo vlug op dwaalsporen brengen en ziet veel sneller de eigenlijke moeilijkheden. Ook hier treft men weer een vast schema aan en het spreekt dus ook weer van zelf, dat vele schrijvers dit hebben willen doorbreken zonder er overigens volkomen in te slagen. In Trents last case, tijdens de grote Holmes-mode door Bentley geschreven, is de politie bepaald niet dom en antipathiek, maar desondanks is Trent een amateur en lost hij uiteindelijk de misdaad op, omdat zoals hij zelf zegt deze moord ‘a case for ideas’ was en ‘imagination’
| |
| |
vereiste, hetgeen de politie klaarblijkelijk niet op kon brengen. Peter Wimsey onderhoudt goede betrekkingen met Scotland Yard, die gesymboliseerd worden in het huwelijk van zijn zuster met Parker, maar desondanks voelt men in ieder gesprek van de twee zwagers hoe de één weliswaar zeer honorabel is en consciëntieus zijn werk verricht, terwijl de ander eenvoudig een geniale slag heeft om de raadsels te doorzien. Ngaio Marsh is zo ver gegaan van haar detective Alleyn een politieambtenaar te maken, hij wordt op bijzonder sympathieke wijze geschilderd, maar zij is toch ook gedwongen hem juist door zijn familierelaties toegang te verschaffen tot zeer gesloten kringen waarin hij anders met veel groter moeite of in het geheel niet doorgedrongen zou zijn. Maar de meest flagrante uitzondering op de amateurdetective lijkt toch wel Maigret te zijn, commissaris van de Police Judiciaire. Daar staat echter tegenover, dat Maigret dikwijls officieus optreedt en zelfs bij zijn officiële enquêtes van een vrijheid en onafhankelijkheid geniet, die in het gewone leven nauwelijks aanvaard zouden kunnen worden. En wat meer is: in de figuur van Inspecteur Cadavre heeft Simenon tegenover de zelfstandige commissaris Maigret het type van de ijverige, sullige ambtenaar gesteld, die het routinewerk voortreffelijk doet, geen fout maakt, maar toch de snelle scherpe blik mist.
Het is onwaarschijnlijk, dat alleen de excentriciteit, die detectives in het algemeen eigen is, de oorzaak is van deze voorkeur voor de amateur. Er is ongetwijfeld meer in het spel en zeker meer dan de afkeer ten opzichte van de ambtenaar. Een van de belangrijkste mogelijkheden, die de auteur bij voorbeeld bezit wanneer zijn detective amateur is, ligt in de vrijheid waarmede deze detective te werk kan gaan. Hij is geen ambtenaar en dus ook niet gebonden aan administratieve ambtelijke voorschriften. Hij kan zich veroorloven zijn eigen uren en zijn eigen methodes te kiezen en is niemand verantwoording van zijn optreden en zijn daden schuldig. De
| |
| |
schrijver maakt het zich dus in zekere zin wat gemakkelijker door een amateur te kiezen. Bovendien voldoet hij daarmede, zoals bleek, aan de smaak van het lezend publiek. Uiteraard zit er ook een keerzijde aan deze voordelen vast. Op een of andere wijze moet de amateur toch in zijn onderhoud voorzien en zijn werk moet hem tijd en lust geven het speurwerk te verrichten. Deze moeilijkheden zijn echter gemakkelijk te verhelpen: Wimsey is zo rijk als het maar kan, Trent is een begaafd schilder en kan natuurlijk de uren waarin hij schilderen wil zelf kiezen, en van vele anderen weet men eenvoudig niet precies hoe zij aan de kost komen. De schrijver spreekt er niet over en de lezer verlangt er overigens ook niet naar het te weten. Dit is trouwens een bewijs te meer voor het feit, dat de detectiveroman in het geheel niet zo levensecht is als wel wordt gedacht en de detective niet zo een gewoon mens, die gewoon het dagelijks leven moet leven.
De amateur-detective is dus in wezen vrij en onafhankelijk. Wanneer hij als detective optreedt, doet hij dat voor zijn plezier en niet uit ambtelijke noodzaak. Hij weigert ook wel in bepaalde gevallen zijn hulp te verlenen en in andere wordt hij geheel tegen zijn zin betrokken. Bij Dashiel Hammett, die op bijzondere wijze en met een eigen stijl er naar gestreefd heeft de detectiveroman echter te maken en dichter bij het leven te brengen dan de Engelse verhalen deden, is de detective weliswaar een beroepsman, maar dan toch een die zijn beroep er aan heeft gegeven en soms terugkeert tot speurderswerk ‘just for the fun of it’. Wederom wordt dus de mogelijkheid geschapen tot een grotere vrijheid en een persoonlijk optreden, dat volkomen onafhankelijk is van welke officiële instantie dan ook. Dit houdt echter ook in, dat de detective zich juist door zijn absolute vrijheid buiten het leven van de andere mensen plaatst. In het detectiveverhaal is alleen de detective vrij te doen en te laten wat hij wil. Hij heeft bij wijze van spreken voor alles altijd de
| |
| |
tijd, hij is niet onderworpen aan de noodzakelijkheden, die anderen ondergaan, hij staat daarbuiten en kan voortdurend afstand behouden tot alles wat er gebeurt. Door deze afstand raakt hij wel betrokken bij het gebeuren, maar hij is er niet in betrokken. In een parodiërend detectiveverhaal van Elliot Paul, The mysterious Mickey Finn, zegt de detective dan ook van zich zelf, dat hij het liefst boven de gewone wereld zou zweven: ‘The great loafer. That's what I want to be.’ Daardoor zou hij, en met hem iedere detective, afstand behouden tot de wereld en de mensen. En deze neiging vindt men niet alleen bij de amateurs, die als het ware van nature zo ingesteld zijn; ook Alleyn, de officiële Scotland Yard-detective, bezit vele malen deze houding van ‘detachment’. Voor de amateur geldt het echter in veel sterker mate, aangezien deze in principe aan geen beroep, aan geen strikte opdracht, zelfs niet altijd aan de wet gebonden is. Een bepaald persoonlijk rechtsgevoel is, zoals later nog duidelijker zal blijken, bij de meeste amateur-detectives veel sterker en ingrijpender dan het voldoen aan de dorre wet. Door de afzijdigheid van het gewone leven, door het typische amateurisme, dat de meeste detectives kenmerkt, worden zij tot heel bepaalde figuren, die het leven en zelfs de misdaad, die zij wensen op te lossen, op zeer speciale wijze benaderen. Men krijgt dikwijls de indruk, om het in éen woord te zeggen, dat zij niet serieus zijn. In ieder geval doen zij het veelal voorkomen alsof het speurwerk voor hen eerder een soort van bijzonder moeilijk en ingewikkeld spel is dan een bittere sociale en menselijke noodzaak. Dit spel-element vindt niet alleen zijn oorsprong in het gemak waarmede de detective de oplossing verkrijgt. Het zou kunnen schijnen alsof het speuren, dat bij voorbeeld Wimsey in de eerste plaats met zo veel zwier en elegantie
verricht, hem geen enkele moeite kost en daardoor eerder een spelletje dan een ernstige aangelegenheid wordt. En inderdaad lost hij ook het moeilijkste probleem om zo te zeggen in een hand- | |
| |
omdraaien op, maar desondanks ligt hier niet de enige en zelfs niet de belangrijkste oorzaak van het spelen, dat de detective in zekere zin altijd doet. Deze is juist te vinden in het feit, dat de detective los staat van alles, de schijn moet wekken ergens hoog in de ruimte te zweven, ver boven het kleine menselijke gebeuren, dat hij daardoor ook kan overzien en doorzien. De amateur-detective wordt dan ook een speler, die deelneemt aan de gebeurtenissen, maar er tegelijkertijd niet echt bij aanwezig is: hij staat niet alleen wat intelligentie betreft maar in alle opzichten ver boven de andere mensen en stelt zich buiten hun wereld. De detective kan meer en weet meer dan de anderen, en dat is hem in de eerste plaats mogelijk door de volledige onafhankelijkheid, die hem niet alleen tot de held en het middelpunt van het verhaal maar ook tot speler maakt. Niet ten onrechte hebben Chesterton en na hem Du Perron, Kempe en vele anderen er op gewezen, dat de detectiveroman een moderne vorm van het oude heldendicht is. Zeker is dat waar, maar er had aan toegevoegd moeten worden, dat deze moderne held ook in een bepaalde betekenis van het woord een speler is, die zich buiten de situatie stelt, die misschien zelfs, sociaal bezien, in het geheel niet in de misdaad geïnteresseerd is, maar uitsluitend in zijn eigen capaciteiten om deze misdaad op te lossen. In éen van de eerste romans van Dorothy Sayers, Whose Body, komt een merkwaardig gesprek tussen Wimsey en Parker voor, waarin de eerste verweten wordt dat hij er op een gegeven ogenblik genoeg van krijgt, dat hij het onderzoek niet tot het einde, dat wil zeggen tot het uitleveren van de misdadiger aan de rechter wenst voort te zetten. Voor de speler, die Wimsey in wezen is, behoeft dat ook
geenszins noodzakelijk te zijn in tegenstelling tot de politieambtenaar Parker wiens plicht het is en die er van leeft. Wimsey is tevreden met het feit, dat de misdadiger gevonden is en acht de zaak daarmede ten einde, evenals trouwens de lezer van detectiveverhalen.
| |
| |
Hoe dit ook moge zijn, de afstand die de spelende detective noodzakelijk bewaart (en die hem tot zo een typisch Engelse figuur maakt!), houdt in, zoals gezegd, dat hij buiten de eigenlijke situatie van de misdaad en wat daarmede samenhangt blijft staan en deze beheerst. Het is opmerkelijk hoe in vrijwel ieder detectiveverhaal de verschillende personen afhankelijk zijn van de detective. Hij heeft ze in de hand en laat hen dikwijls doen wat hij wil. In Murder must advertise wordt Wimsey verweten ‘that he makes things happen’ en dikwijls heel wat meer zaken overhoop haalt dan hem zelf lief zou zijn geweest. Niet alleen laat de detective een aantal feiten gebeuren, hij weet ook dat en hoe zij zich zullen afspelen. Hij voorziet de gebeurtenissen, hij weet hoe de personen zullen reageren en hij beschouwt het als een fout van zijn redenering en inzicht als zij niet precies in overeenstemming met zijn opvatting handelen. ‘Si j'ai raison’, denkt Maigret op een gegeven ogenblik, ‘elle descendra. - Et elle était descendue’. Krijgt men niet de indruk, dat deze ongelukkige vrouw op een bepaalde manier vastgebonden zit, dat Maigret haar leidt, haar als een ledepop laat doen wat zij moet doen, zoals marionetten wel moeten gehoorzamen aan degene, die de touwtjes in handen heeft? Niet dat deze touwtjes altijd goed zitten: de detective moet zich wel regelmatig vergissen, omdat anders zowel hij zelf als de personen, die hij bestuurt, hun menselijk karakter geheel en al zouden verliezen. In het algemeen dreigt dit gevaar trouwens veel meer dan het tegenovergestelde. De detective zet de personen met wie hij te maken heeft als pionnen op hun plaats en tracht daarna de werkelijkheid, zoals deze zich heeft voorgedaan, in elkaar te passen; de vergelijkingen met schaken of enig ander soort van spel, in ieder geval met iets dat niet gewoon echt en aan de werkelijkheid ontleend is, zijn dan ook talrijk. Wanneer
Maigret zit te ‘dromen’, is ook hij met een bepaald spel bezig: ‘Il était là-bas à essayer de mettre les gens en place, comme au théâtre’.
| |
| |
Eerder werd al gezegd, dat het de detective niet in de eerste plaats te doen was om het bestraffen van de misdaad; nu kan er aan toegevoegd worden, dat zijn eigenlijke bedoeling ligt in het hanteren van mensen. Hij wil de bedoelingen en handelingen van een aantal mensen begrijpen en is tevreden wanneer zij inderdaad gehandeld hebben zoals hij meent dat zij het moesten doen. Dat hij daarmede tegelijkertijd een misdaad oplost, is voor de lezer misschien wel het belangrijkst maar voor hem een in zekere zin toevallige bijkomstigheid waar hij zich bijna altijd zo gauw mogelijk van af maakt. Dilwyn Rees laat in The Cambridge murders zijn academische amateur-detective Sir Richard Cherrington, vice-president van Fisher College, zeggen: ‘I am merely curious for the truth, in an abstract, academic way’. Dit kunnen alle amateurs bevestigen; zij zijn nu juist te zeer speler, te ‘abstract’ en afzijdig, om verdere sociale of juridische belangstelling te hebben. Zij willen niet anders dan mensen begrijpen en het menselijk gebeuren doorzien. Daartoe moeten zij evenwel de mensen juist als marionetten beschouwen met wie zij in zekere mate kunnen doen en laten wat zij willen. In een bepaalde zin speelt de detective dus de rol der Voorzienigheid. Toen Maigret jong was (La première enquête de Maigret) en nog niet wist wie en wat hij zelf eens zou worden, peinsde hij wel over ‘un homme très intelligent, très compréhensif surtout, à la fois médecin et prêtre, par exemple, un homme qui comprendrait du premier coup d'oeil le destin d'autrui. Il aurait été, en quelque sorte, un raccommodeur de destins’. Het grote woord is hier gesproken: de detective staat niet alleen buiten en boven de wereld, maar hij bepaalt ook het lot der anderen. Hij heeft hen in handen! In het detective-verhaal vindt men dus merkwaardig genoeg personen, die niet op
éen niveau staan: de detective enerzijds en verder vrijwel alle anderen. De detective begrijpt hun leven en laat hen handelen; bovendien echter verklaart hij hun manier van doen. Uit naam van
| |
| |
de schrijver, die uiteraard een geheel eigen rol speelt waarop ook teruggekomen moet worden, legt hij de lezer uit waarom verschillende feiten hebben plaats gevonden zoals zij gebeurd zijn. Zo staat hij tussen de overige personen van het boek, de schrijver en de lezer. Hij is evenals alle andere figuren afhankelijk van wat de schrijver wil, maar de anderen zijn weer afhankelijk van hem, zodat hij de typische tussenpositie inneemt. Hij kan als persoon in het boek toch namens de auteur spreken over en handelen met de andere personen. Hij lijkt kortom op de vreemde figuur van de raisonneur uit de Franse burgerlijke toneelstukken van de XIXe eeuw, die op het toneel als een explicateur namens de schrijver tot het publiek sprak over de andere personen, die evenals hij zelf trouwens eigenlijk slechts schimmen zijn.
Nu is echter de detective zo ver boven de wereld verheven en bezit hij een zo superieure intelligentie, dat hij zich in feite niet direct tot de lezer kan wenden. Deze zou immers overweldigd raken, en ook al zou zijn eerbied voor de detective misschien wel zeer groot zijn, het is niet onwaarschijnlijk, dat deze enorme superioriteit hem ook zou prikkelen. Uiteraard wil de schrijver dit vermijden, want meer dan enig ander auteur schrijft hij juist om gelezen te worden, maar anderzijds is het onvermijdelijk dat hij door middel van zijn detective explicaties verschaft. Zo is de noodzaak ontstaan van de vriend, die de detective begeleidt. Een verschijning, die al bij Poe begint en met Conan Doyle vaste vorm heeft gekregen. Een ‘Watson’ is in iedere detectiveroman onvermijdelijk, ook al kan men het schema enigszins verdoezelen. Overal treedt iemand op (een journalist, soms de vrouw van de detective of zijn verloofde), die inside-information ontvangt, commentaar levert, kleine werkjes opknapt en natuurlijk altijd zijn inzichten aan de detective mededeelt. Met deze figuur zijn twee voordelen behaald: de detective kan nu tot iemand praten en hij kan tevens nog gemakkelijker zijn grote gaven doen blijken. Watson
| |
| |
is veel dommer dan Sherlock Holmes, zelfs soms wel dommer dan de lezer. Hij is ook in het algemeen minder nobel, wat ‘kleiner’ dan zijn geniale vriend wiens kwaliteiten dientengevolge des te beter uitkomen. Ook al is het misschien vreemd op het eerste gezicht wanneer men de detectiveroman met de klassieke Franse tragedie vergelijkt, het valt niet te betwisten, dat Watson aan de figuur van de ‘confident’ herinnert, die de tragische moeilijkheden van de held aanhoort en op een lager menselijk niveau verwerkt. Detectiveroman en tragedie maken op dit punt van dezelfde technische hulpmiddelen gebruik! De afstand tot het publiek wordt door beide types verkleind en enigszins overbrugd. Naar men wel gezegd heeft vervult Watson zo doende de rol van de ‘average reader’, met het gevolg dat ook de lezer als het ware doordringt in het verhaal en daarin een plaats vindt. Men zou er zelfs aan kunnen denken - en dat is ook gebeurd - de betekenis van de Watson-figuur te vergelijken met de functie van het koor in de Griekse tragedie, ook al heeft Huntington Wright (die als schrijver S.S. Van Dine heet) dit nu juist voor de detective zelf gedaan. In ieder geval blijkt hieruit, dat de detective en zijn helpers twee aparte figuren in het verhaal zijn, dat zij gedeeltelijk persoon zijn als de anderen, maar verder meer gericht zijn naar het publiek en ten slotte namens de schrijver de andere figuren in hun macht hebben.
Onafhankelijk, vrij en spelend treedt de detective als een merkwaardig man met vreemde eigenschappen de lezer tegemoet. Hij begrijpt veel zo niet alles, is bij allerlei situaties wel en niet betrokken, behandelt zijn medefiguren als marionetten en trekt zich weinig aan van de misdaad als zodanig omdat hij alleen belangstelling heeft voor het krioelen der mensen op aarde en daarbij niet als rechter wil optreden. Hij zoekt een raadsel te ontsluieren en meer niet. Door de wijze waarop hij dat doet is hij de held van het verhaal, het middelpunt dat overal zijn macht doet gevoelen.
|
|