Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 5]
| |
Aan alle anti-Cairojanen | |
[pagina 7]
| |
Hoofdstuk een(1)‘...et Spiritus Sanctus!’Ga naar voetnoot1 ‘Aaaaaaaaaaaaaaaaaaamen!’ De oude man pakte die hand vast van zijn kleine jongen daar met 'em. ‘Boi, kow' gwe!’ Weg zijn, voordat kerk was aan het leegstromen, met ouden van dagen, hippige jongemensen met hun teenage-gezicht, klaar om te gaan dansen al. Buiten vrat je op (‘O mijn Goede! Het wezen van Uw Dag, heb ik aanschouwd!’) D'r begon licht, op die straattegels. Die krakende schoenen fo zondagmorgen. Een fietsbel die je wegklinkelde. Ezelsbek schreeuwde. Die man met die jongen begon nu alweer te zweten. Al tijdens die gezangen daar in kerk, had hij mond opengemaakt. ‘Gloria...’ Zijn geloof konkelde uit hem, die innerlijke roddels van het religieuze, zo diepzinnig. Nèks was hem geheimnisvoller dan Latijn, al had hij geen weet van wat hij zong. Het Woord zelf, was een soort Maggius Emmaculatus, of in termen van zijn krottenhuishoudtongtaal: zingen was zo oud als wonen, wonen was zo waardig als een mens zijn Zelf, zijn Jeje in 'em daarzo. Zingen in kerk was al zelf religie. Een waaiwind, voorbij een schutting met amandelboom d'rachter, schudde aan een bloemenstruik. In 't jongetje z'n ogen, ergens net iets te heftig, dan een kind verdragen kon met zien. Alsof die bloemen met pracht en praal, geweldig wouwden blijven staan mooier worden, naarmate licht dag gaf aan ze! Hoe voller bloei, hoe stormachtiger die wind. Om dalek later, bloem z'n blad weg te gaan waaien, zo vlak bij | |
[pagina 8]
| |
kerk en toch zonder Gods proteksie. Want die was machtig, no? In droge tijd stond dat gebouw alleen, hoog met een toren. De aarde en de plant, verschroeide langs pad omheen. Pad voor de loop van voet erover! Dat kleine jongetje, huppeliger dan ooit te voren, trok die ouwe man vooruit, met spirit van bewegen, zo een ongeduld. Die ouwe, zijn mond dichtgevouwen. Kerklied was op. Dan nu gewillig op zijn schots en scheefse benen, met witte kakhibroek en piepzoolschoen aan voete, terug na' huis te lopen. Heel zijn hart stond op de praal van sanctus nog; hij nie van plan een kind 'em te laten sjouwenGa naar voetnoot2, op de paden van de wereld, toeter-auto, zangvrouwen in koorverband, zondaglawaaimakers, bijthonden. Hun weg, die naar huis ging, liepen zij, alletwee, die beide, man en jongen. Langs een fietspad, om een hoek met winkel daarzo, voorbij een open erf met awaraboom, voorbij wat schutting, dan daar aankomen, vlak in de kontreien waar ze woonzaam waren. ‘Oup'pa, kijk ons huis, hoe 't staat daar nog!’ (Net of de hoogmis 't had weg te vagen!) ‘Ija, boike! Ija Mandwe!’ (Een stem, oud, op 't latijn gebroken.) Een dringend dwingend kind, dat al die tijd wou gaan vooruitlopen. Had ook meer energieverspilling dan zijn ouwe man aan hand. En dat huis, zoals gewoonlijk wachtend, altijd gastvrij fo teruggekeerde wezens. (Hoe kon iets anders, dan? Met deur en raam eraan, kon niets met 't méér gebeuren, dan dat 't na dicht zijn, kon opengaan. Gesloten huis en open huis. Thuis-huis!) ‘Kom hier, jo vervloekte kind!’ riep Mandwe z'n grootmoeder van ver daar bij dat huis staand al. Ze zag 'em dwarrelen als vér beeld van bewegingen, te ver dichtbij langs autopad gaan lopen. Zo'n kleine kreool, die pas thúis was, wanneer hij op het woonterrein terug ging keren. Thuis in huis, vlak onder 't vel van d'r oog! Dan pas veilig, no? Is nie fo nèks was Mandwe z'n moeder, 'em daar komen laten, om d'r elke dag werk te gaan doen. Met een kleine ruk aan grootmoeder's rok en z'n groetgevende ‘Dak oum'ma!’ was hij met z'n granp'pa nu welletjes thuis. Trok schoenen uit en kousen. Dompelde zijn brood onder in thee, na die kleren van zijn zondag te hebben geruild. Nu met een kleine kakhi aan, zou hij gaan zwerven. Een speeltuin die 't stadsdeel was omgooien. En zorgen dat | |
[pagina 9]
| |
geen klacht kon komen van wat buren inhielden. Want anders... zou z'n lichaam zweepslag fo je lijden! ‘KeGa naar voetnoot3, kijk hoe die Mandwe z'n kleren heeft gegooid! Die jongen hij lijkt net een kleinvarken zonder één enkele moraal van trots! Want hoe hij die kleerstukken hier heeft gegooid...’ Dat ding was al begonnen: praterij aan een mens z'n hoofd. Hij glipte al, langs deurpost. Een schaduw sneed zijn eerste weg. Als je buiten kwam, (kende hij tochtgang,) dan moest je bijna nie direkt in zonlicht gaan. Een soort konfrontasievermijding. Een soort ‘binnen’ meenemen en meehouden, daar buiten. Een soort ongezien-zijn houden, met wegboren na' buiten en toch nie direkt zons spetterlicht opzoeken. Je bleef nog half onder daks rand, om daarna met een soort geslepen schaduwgeest weg te duiken naar het onvindbare. ‘Mandwe! Kom een manja halen dan!....’ (Granm'ma d'r roepmond daarzo.) ‘Die sátan! Hij's met kwik geboren! Ik weet niet waar die moeder dit kind heeft gevonden! Aaj-o! Ke!’ Dan was hij tweetal erven verder al. Een toevallige sprinkhaan die uit gras was aan het opduiken, had hij in mensenklauw. Met drama-ogen zo, vlak op dat beest, waaruit een monsterlijk menselijke nieuwsgierigheid, was hij 't swaar aan 't ontleden: trek z'n poot weg van die haan z'n sprinkbuik! Een echte bout, met lange benen. Taai van omhulsel dat zonder gevoel als mens moest zijn. Klein en gewapend dier, met vreselijke monsterkaak. Klein, zeer ongewapend kind, met z'n vreselijke kijkogen, terwijl zijn handen dat gedierte uitmakaar rukten, zijn vleugels in de lucht gegooid. Waarheidswerkelijkheid in gruwelijke ontleding. ‘Wind neem 't! Je gaat sneller vliegen met 't!’ Het lijfje, kronkelend van doodsaanstaande, gegooid in modderstinksloot daar. Sprinkhaan in stinksloot. Wie wou wenen daarover was niemeer kind, ook niet zijn vriendjes die aan kwamen koekeloeren met hun: ‘E, kow gwe go pré!’, een oproeping tot lekker spelen. Gericht tot hem, Mandwe. Ze gingen djoelen en elle spelen, zelfs waka tjopoe met knikkers, die ongemerkt ze als kindertal liet afdwalen, een halve straat, zover, verder als een getraliede bakovewinkel daar. Kochten met verzameld geld uit broekzak leegkloppen, een handje bakove, bananen dus, en kregen | |
[pagina 10]
| |
ruzie om verdeling d'rvan. Tenslotte terugkerend, alweer met waka tjopoe, hun spel van knikker rollen over ruimte daar aan aard z'n oppervlakte. Het was al verre uren verder, toen ze goed hun ruzie kregen. Die een sloeg die ander met een hand over z'n mond, zo blats! Vuistslag werd teruggezwaaid. Een van die vriendjes, Boenkoe, groot als Mandwe, duwde hem met een wapperklap na' voren. Bams!, viel hij met mond en al, in 't zand daar op die grond. Begon te huilen met bloed van lip. ‘Jullie jongens jullie! Wáárom vechten jullie zo, als honden? En?!’ Een mens was daar al bezig met berispingswoede. Toen hij, Mandwe, al bezig was na' huis te gaan. Hij hoorde ze al roepen, die grootmensen van 'em: ‘Aaj! Dat ding heeft je móói beeld!:Ga naar voetnoot4 A kis' i moi! Fo wáárom speel je altijd loopse beest, om te gaan lopen regeren met al die kwasten! Zet je mars hier! Die sprinkhanenpoten onder je buik! Ik rampenéér ze fo je!’ Dan zag hij lang van te voren al, van links op 't erf, onder zons balkon hoog van den hemel, die gestalte van zijn grootvader: ‘Kom jonge! Wat mankeert je weer dan?’ Verderop een beetje rechts en rechter staand, die granm'ma van 'em, zo eenzaam van gestalte, dat hij beter kon gaan lijden aan nèksziende verblinding. Zij was een werveling in vergelijking met die achtergrond van zinkschutting en wildkleine paloeloe, klaroenklaroen, ander gewas ook, dat daar groeide, huis met zijstandje,Ga naar voetnoot5 vogelkooi van een paar gevederde toktoktok-wezens met leg-ei, lekpunt van dakgoot met in zand duikende pijp, waar groene aanslag zijn verrotting kweekte. Van agavestruik en vuilvat met z'n zware antihonden-emmer. En dan dat vreselijke geschreeuw van ‘Kon mek' mi sor’ i!: Kom, laat ik je tuchthuis tonen, ‘jo beestekoet jo!’ Zwaaide met die klaphand van d'r, grootmoeder, vóórdat z'n bil d'r was aldaar. Hij stond stil op zijn weg na' huis. Een wachtwoord voor een wachtmoment aan 'em: eerst wachten tot geen bloeding meer aan lip; gezicht schoonvegen daarna, laat vuil weggaan; kleren van z'n schone zondag, met z'n platte hand tot minder vuil schoonkloppen; z'n kale voeten, onder z'n buik, schoonstampen, zodat hij nie uitzag als zandgeest. Dan pas misschien een beetje thuis naderen. Om zo te zien of hij aanvaardbaar was in buren hun ogen. En als die nie riepen: ‘Wáár van daar komt deze lebaGa naar voetnoot6 vandaan, deze gedaante?’, dan pas verder | |
[pagina 11]
| |
koekeloeren tot thuis. Zo stil stond hij, een moment dat op zichzelf stond ook, toen een muziek hem kwam bekoren. Ergens in de buurt waren ze een feest aan 't feesten. Bigi pokoe zeker. En dat op zondag, eigen godse dag van paterse kerk, met latijnse mis aan uiterlijk! ‘Kijk,’ zei z'n nieuwsgierige gezicht 'em,’ kijk, daarzo (waar ik 't nie kan zien, ma' hóór,) zijn ze aan 't feest houden! Ik boor na' daar om te kijken!’ Hij zag die schutting met dat huis van Oom Alex. Dat langgerekte Aa-lex van ze! En voordat hij dacht, tussen die halfverwerkelijkte schuttingen, van achteroppen aan die erven daar, míjn god!, één menigte. Hij loerde ze! Mensen bij makaar, zag hij, aaneengesloten en gevangen in een ruimte. Hij piepte nader om te zien, (als een donsjong van een verenbeest dat gluipgraag aan het oog een helse toeschouwing versierde,) wat zich afspeelde in de zinnen van uitbundig zijnde mensen. Loekoe! Kijk! Kijk!! Mensen rondom iemand op de grond. ‘Weg jo! Toemarsi! Met vrijpostigheid!’ Een wegjager die op 'em afkwam, nadat hij was naderbij gekomen. ‘Is geen zaak fo kinderen!’ Maar hij had mooimooi gezien. Mandwe, tussen die rokken en die fladderbroeken, tussen de wriemelworstellichamen daar in die ruimte, vol met muziek en in de rijpste regels van bewegingsleer der zwarte dans.... vrouwen, stuiptrekkend... woi!, whoh!, whéééé,.... de buik omgooid met doeken, hoofddoek vallend van hun hoofd op romp... mannen omheen, ook aangedaan... woewoewoeh!... hoho!... hohoooo!!!.... kruipend in hun vuist... een vuurkracht van de geest, gedrongen in het woord, verdronken in hun lichamen... De extase van een wederzijds bestaan, tussen de mensen, tussen de geslachten, tussen de hunnen die zij waren, van en met elkaar, de mensen daar, verenigd in muziek en ruimteritme. En wie als kind dat daar kwam zien, was één en al vrijpostig, brutaal no? Met deze indruk van het verboden uur der volkse kultuur aan hem, verdween hij, verder gaand zijn huis nabij. Weg!, weg van dat huis van meneer Alex! Het gaf een soort verdriet, om zijn nieuwsgierigheid te zien vernietigd zijn. Een ongegunde blik naar het dichtbij, van hen die daar zichzelf als neger waren. Iets hopeloos in die kinderkijkogen van Mandwe, kon vertellen, dat hij die weg naar huis opeens veel verder schatte, dan weg was in werkelijkheid. Zon brandde, brandde vol van z'n schroeikracht midden in z'n kinderhoofd met klein verstand. | |
[pagina 12]
| |
(2)‘Mandwe?!’ ‘Ija?’ ‘Pe j' komoto? Vanwaar vandaan kom je? En!’ Hij kwam net van dat swáár verboden negerdrama bij Oom Alex' huis. Er was zijn grootmoeder niet thuis. Alleen zijn oup'pa, die een kuch uithoestte. Langs dat onderdak een vogeltje, dat vreemdsoortig hem aankeek, terwijl 't, momentje daarop, wegvloog. De orde was verstoord bij 't insekten zoeken. ‘...waar die vrouw is gegaan, weet geen niemand zo! FadeGa naar voetnoot1, als 't dóód was, die d'r was komen wegdragen met baar en koets, dan had ik nog geweten, dat wanneer ik d'r iets wou vertellen, dat ik d'r daarvoor in d'r graf moest gaan opzoeken waar ze begraven ligt. Uchu, uchuchu! Ma' nu lijkt dat ding net of ze zichzelf, met al d'r signalement zelfs, heeft meegenomen, na' ik-weet-nie-waar dat ik moet zoeken! Baja! Deze brekfest!, dit hete uur midden op dag! Dan die kleine jongen weer: neemt geen genoegen met thuis blijven hier! Eerstdaags ga ik z'n moeder voor 'em zeggen, laat ze 'em komen halen, wèg hier op mensen, fo hun eigen zielerust.’ Op dat moment kwam Mandwe, aangeschaduwd vanonder overhellende voorschutting. Hij dook een beetje - granp'pa mocht niet zien toch - in zijn sluiperij. Maar wat ouwe ogen waren... ze zágen op gezag van een gehoorde voetstap, alles van de rest van de persoon. ‘Hé joe boi! Is nu pas kom je hier no? Drie uur z'n uur geslagen al, op klok! Dan nú pas kom je met die zelfvertoning van je! Je oum'ma 's, 'kweet nie waar dat, gegaan! Goeiegod weet, wat fo afgoderij ze weer gaan doen is op deze christenzondag! En j'hebt nog nie gegeten op je maag! Goeiegod met z'n heiligheden weet, hóe jij daar met je magere lichaam loopt te groeien!’ Dan liet wanhopigheid uit hem een soort van weerloosheid in een gevoel los: ‘ahahèmmmmm!’ Middag ging dood en werd begraven door duizend siksijoeroe's, krekelbeestdieren, met hun rekwiërende vooravend-violering, daar in boom en struik, boesboesi, waartussen de huizen. Je hoorde hoe natuur omviel, vanuit de zachte tred van dat welvarende voort-wake-wake van de dagen. Dan kwam niet nacht, maar navend: het weelderige sluimeren van alles | |
[pagina 13]
| |
wat werd aangebaard vanuit het niets. Of misschien alleen vanuit de nok van je kop, zoals die Mandwe dat aanvoelde. De schoonmakers van je ogen, met borstels vol nachtsop, wreven je slaapkop dicht. Uit donker, groeide je in woekertempo verder naar geheugens... Binnen die manchetten van de halfslaap reikten twee handen uit, beide van ze, met handpalm daar open. Je kon hun lot zó lezen (menend, lot van de persoon, van welke ze waren) en hardop zeggen. Alsof net een gesprek gaande zou zijn. Er was één gaande, basterende ruzie aan een mensenoor. Gesprek van felle ruzie tussen z'n grootouders, diep in het nachtdom, toen hij lag te slapen. ‘Ik wil niet dat je die stronterij maakt! Je laat ons hier alleen! Kind boort rond, niemand weet waar! Ik zit hier, niemand ziet hoe! Dan kijk: je gaat die negerafgoderij doen! Is dat ze geen LantiGa naar voetnoot2 hebben gestuurd op jullie, om jullie in die gevangenis te gooien!’ Die stem van Mandwe z'n granp'pa, op zoek naar ruimte, ma' gebonden aan het enkelkamerhuis. Een tranende grootmoeder. Hoor wat ze verdedigde no: ‘Ija! Je begríjpt die dinges niet! Het was geenszins bedoeling! Mensen hadden gister nog, al feest gedanst fo ze. Ma' eensklaps zo, terwijl nie opgeruimd: jorka komt daar aan hoofd van één van ze!Ga naar voetnoot3 Hij leek op sterven, zweer ik fo je!: dede a ben e dede kba! Als nie ze kenners hadden saamgeroepen... om bijstand! Een geest in 'em! Eén bevlieging!’ Granp'pa kwaad: ‘Wat zegt deze vrouw dan? Is fo dáárom moet je hier weggaan no? Gooi kleren over je hoofd! Ren en breng jezelf daar! Nieuwsgierigheid! En dommigheid! Dat gaat neger uitmoorden!’ Hij was zelf een neger. Sprak met alle mondholte aan 'em. Hij haatte al die negerachtigheden, negerdinges, afgoderij, slechtgeestigheid! Dan hoor, hoe ze alweer verdediging aanwierp: ‘Nono! Nono ba! Praat nie zo! Een mens moet zijn gelijke in hulp voorzien! Als mensen je tot hier laten komen halen, omdat ze weten, j'hebt nieuwnieuwe prapiGa naar voetnoot4 om te lenen...’ Hij liet d'r mond niet koud worden! Hoor hoe hij lucht in woord uitraasde: ‘San?! Een prapi in mijn huis hier? Wát fo plan mankeert je hoofd zo? En? Je wil zeker afgoderijdoem, koenoe!, hier brengen?!’ Ze wist nie hoe te zeggen. Dat ding was nijpend, nijpende ervaring. | |
[pagina 14]
| |
Hoor granp'pa verder: ‘Hoe lijkt dat ding, dat je iets hier van plan was, zelf in dit huis?... Is nie hier! Ik wil niet! Een afgodische prapi in me huis?! Géén negerdinges op me! De eerste medicijnman die ik op me drempel zie, ik jaag 'em als een hond!’ Ze bleef staan, want die plankvloer daar, had geen gekraak meer na 't drentellopen van d'r vrouwenvoeten, met die rok tot lang onder d'r knie, net halve kotoGa naar voetnoot5. Net of een wasem uit d'r neus wou slaan, van woede, onbemindheid, onbehagen en misschien ook spijt dat ze daar was gegaan. Daarzo, die middag, op die plek... ‘Alex van om de hoek bij Dina had zo mooi verjaring gevierd, gister. Gewoon kawna heeft hij laten dansen, geen afgoderijmuziek. Dan vandaag vandaag krijgt hij plotseling een jorka op 'em... en is bezeten door een geest van een overleden persoon. Wat moet ik doen? Mensen komen me halen...’ ‘Wat fo halen? J'hebt temaken met ze! Deze vrouw deze! Je wil dat ik je láát no? Vouwendertik jaar ben ik met je! En afgoderij van negerachtigheid, gaat maken, dat ik je ten leste láát!’ Ze schreeuwde één gehuil uit, dat je nie kon zeggen. Verweerde zich met woorden en gebaren. ‘Pe mi sa tan dan?... O, waar ga ik blijven dan, míjn god!’ Dat kleine huis daar was in opschudding. Niet hard genoeg om heel die buurt te wakkermaken, zo laat op de nacht. Ma' wel om Mandwe in zijn slaap te laten onrust krijgen. Hij lag met niks te worstelen. Hoor granp'pa: ‘Hele babari die je maakt! Zoveel kabaal! Kijk hoe dat kind ligt daar zweet uit te breken, van onrust! Is beter ga je 't weerom brengen, na z'n moeder, laat hij daarzo gaan blijven! Want met al deze dinges bederf je z'n toekomst, hele opvoeding!’ Eén groot en groffig wraakgeluid d'r achter. Een nacht van woorden die tegen makaar leken te boksen in dit huis z'n binnenste. Zo weinig licht daar aangedragen door die kokolampoe, hangend aan de wand, met z'n petroleum. (Het was een tijd van jaren her. De jaren na de Tweede Wereldoorlog.) Diepte der nacht daar, viel niet aan te meten. Alleen een schrikgevoel met een onrustig slapen daar van kind. Huis van één kamer. Volgende morgen, toen de zon zijn lichteffekt daar uitprobeerde, was geen ruzie over nog, want ruzie blééf. Hij was in badkamer gegaan en | |
[pagina 15]
| |
net terug gekomen, Mandwe, toen hij schoonhelder hoorde vragen van zijn granm'ma aan zijn granp'pa: ‘I wan' faj'watra no?’ En toen z'n granp'pa kille stilte gaf, als antwoord: ‘Wil je vuurwater?’ Ze meende thee. Hij gaf een killer antwoord nog, van nieuwe stilte. Draaide gezicht weg. Hij zo daar aanwezig no? ‘Hmmmmm?’ pruttelde woord over d'r lip, als brandde iets van dat vuurgevecht tussen die woorden van gisternacht nog in haar door. In werkelijkheid had ze allang vergeven en vergeten ook. Ma' hij... Ze vroeg alweer: ‘Ik vraagje, Djani, of je gekookte thee wil drinken!’ Djani houdt z'n mond dood. ‘Met melk d'rin no? Of vandaag met nèks?’ Djani laat een wasem van kille imborst uit zijn adem uitslaan. Hij heeft haatgedrag die hij uitdraagt. ‘Wat wil die neger hier op me? En?’ begon ze, met d'r twee handen in d'r zijbuik. Pompte d'r woorden uit d'r mond. 't Had iets fels, dat grilgretige natuurwisselen van een... een... een... pommerakboom in zijn felrode bloesembloei, voordat je denkt weer in zijn rode perenpracht, voordat je weet nog, in z'n felste leegheid, dat wil zeggen totaal uitgebloeid zonder één vrucht, nadat natuur ze heeft verspreid, ze zijn gevreten, óp, door wilde dieren, mensen van de pluk en alles wat op hun bestaan in ging. Boom was nie zomaar fo nèks aan 't bloeien, maar in plaats van kalm natuur, iets wreedadig geweldigs, iets vreselijk stoeierigs, uitbundig bloei uitgooiend. Aldus doorstond ze de beproeving der natuur van mensen. Alleen, als woorden bloeien, bloeien zij meestens in smart... ‘Wat wil deze neger op me dan? En? Fade, is sakasaka maak je me!: Een voeteveeg! Zelfs een bezem heeft z'n merk aan z'n steel! Déze, acht jij geen opmerking waardig!’ (Ze zocht, ze zocht, al was 't lege woord, om iets van weerwoord uit hem te lokken). ‘Dan sta ik hier, je oema, vrouw met wie je vouwendertig jaar leven hebt gekweekt! Ma' je veracht me! Je haat me dat ik neger ben, die negerkinderen fo je heeft gemaakt! Is nie míjn schuld, dat deze hel ons leven heeft gemaakt tot beide!’ Wat ze bedoelde met dit laatste, stond Mandwe, daar in zijn korte blauwkakhi te raden. Hij moest op school gaan, dalek. Half acht ginghels geluid aanfluiten van sirene. Dan rennen met een vouwtasje, paar sneetjes brood met kaas, geen thee vandaag omdat oum'ma maakt ruzie met oup'pa. Kan alleen raden wáárom ze d'r gang had genomen, weg | |
[pagina 16]
| |
van huis op zondagmiddag. Misschien terwijl oup'pa z'n slaapje uit was aan het snorken, die ouwe baard! Oum'ma was gaan ‘negerbenodigdheden’ doen. Afgoderij! Wáár, van zulks had Mandwe geen weet. Ma' één ding was zeker zeker: dat ding mocht niet. Zodanig zelfs, dat granp'pa 't haatte, die granp'pa van Mandwe. Hij haatte, ouwe man, alles wat was verbonden aan het negerachtige. Mandwe hij dacht, terwijl hij met een suf gezicht z'n schoolhemd was aan het dichtknopen, aan dat gedoe van gister. Daarzo bij Oom Alex z'n huis. Die pokoe... pokoe... zwarte muziek... op zondagmiddag: Godsdag. Die mensen, zeer in stemming van het aangedaan zijn... woi!-geschreeuw. Alles vol negerachtigheden! Iedereen bij makaar in kring, rokken, broekvoeten van mannen... iemand rolt op de grond in 't midden... ‘Mars, jo kind! Wát kom je hier bemoeien, met die varkensmond van je, die je hier insteekt! Toemarsi!! Weg!! Ogen van je lijken op kapotgebonsde porseleinen boggels!Ga naar voetnoot6 Marsweg jo!’ Het waren sware dingen die niet waren voor een kind. Het waren grotemensendinges. Negerkultuur was fo volwassen mensen maar! Ook nu, toen dat hij thuis moest staan bedelen in deurmond, om faj'watra, thee en stuk brood, met toespijs. Hij had niet met die ruzie te bemoeien. Anders kwam hij te laat op school, waar ze je wachtten. Met bel en boek en zweep fo tuchten om te leren hoe je gedrag moest hebben. Toen zij, Oum'ma Dina, tenslotte een grote glazen bierkan vol met getrokken waterthee voor z'n granp'pa, die Djani, daar op tafel zette, gaf deze één tjoeri, dat boze en vernederend geluid. Hij wapste met z'n achterhand in één wild gebaar die hele kan van die tafel. Floggop!! Kan viel op die houten grond daar onder voet, thee morste over hele huis zo. Tranen bij Ma Dina, Mandwe's huilende grootmoeder. Ze kon gaan dweilen weer, ze kon gaan koken weer. Djani met al zijn onlust, was gezeten. Hij rimpelde geen huid meer dan hij oud was. Kijk z'n figuur, een ouwe baas. Wat aan hem scheelde was misschien de last van het ouwerwetse negerleven. Ma' hoe, hoe zo dan toch wel enigszins, kon een kleinkleinjongetje, zoals die Mandwe daar, treurig van hoofd, met veterschoenen aan zijn voet, die hij niet goed kon vastbinden, (‘Oup'pa... kom me helpen, die veter wil nie vlechten!’) hoe kon Mandwe iets van dat negerhuis verstaan? Leerde, leerde hij z'n opvoeding, met al wat kind was aan 'em, Mandwe-boi. | |
[pagina 17]
| |
(3)Mi na Opete Kwakoe; na mi de weri ledi! Ik ben de Aasgier-God Kwakoe en draag mijn rood in 't kleed aan lichaam. Alex! Alex van Jana! Kijk 'em hoe hij was aan 't zitten. Op z'n mars op een houten timmermans bank. Hij stak zijn voete uit met ‘So...! De dag is nog lang no?’ Keek met ogen uit z'n hoofd na' die hemel, die hem vanuit hoog en ver aan kwam breden, met blauwsel als een schoon schuimloze wastobbe. Bij wastobbe ging alles vuil worden - dat wisten mensen - ma' die lucht daar verzwartte niet, nono, alles bleef mooi blauw. ‘Arreks, n'e sdonsdon a sma tapoe!: blijf nie zoveel op mensen zitten hier!’ Ze zochten ruimte, mensen daar. Hadden een beetje last met 'em, vooral die langvoet van Alex, gelijkend op been van sabakoe, die steltvogel. Dus werd Alex een beetje weggejaagd. Alex die je met een negertong zo anders uitsprak: Aleksi, kort van a, kort van i, en met een beladen e als die persoon zelve. Aa-lex, A-lèk-si! Baja! Arreks! ‘Ke, ke, ke, ke, ke’ liet hij zijn mondgeluid daar horen, ‘ke ba!’ Dan zweeg hij als vanzelf. Z'n mikrofoon was kapot, leek dat ding. Ma' hijzelf was verder met gedachten. Hij was van werk gekomen, nie zolang nog net. Alex sneed gras weg van de mensenerven, z'n beroep. Was meestergrassnijder, vooral als je zag hoe hij z'n houwer, z'n kaptuig hanteerde. Ma' dan, werk van 'em was andere zaak. Zijn buik, vond hij, gorgelde daarzo vanonder. Hij vroeg ze eten. Eten was nunu de juiste zaak fo Alex. Ze brachten hem een grape fruit (‘great foot’), laat hij voorlopig maagbehoefte afkikken. Schoonmoeder en vrouw, Dodo en Jana, wisten hoe ze 'em moesten aanpakken. ‘Eén ding, baja!’ zei hij, met z'n zweet-onderhandGa naar voetnoot1 daar in z'n borstrok met mouw, ‘één ding kan ik hier nie begrijpen: wát doen jullie vrouwen tussen acht uur smorgens en die achteruren daarna, ma' dan tot vóór half twaalf?’ (Half twaalf was schafttijd van Alex toch.) Ze keken 'em, schoonmoeder en vrouw. Eén was aldaar in bezigheden van opruiming. Ander was net bittere kassave aan het schoonschillen. Moeder, schoonmoeder van Alex schreeuwde eerst uit die mond van d'r, met heerlijk soort verwijtgeluid: ‘Mi boi! Wat | |
[pagina 18]
| |
vrouwen doen, gaat altijd een geheim zijn fo je!’ Hij lachbekte na' d'r. Wijsheid kwam zelfs voor bij ze, die ouwere vrouwen juist, meende hij uit zichzelf ook al bijna filosofisch. Hóór Jana, z'n vrouw: ‘J'hebt je mannekool daar tussen je benen neergezet! Met vouwen van je handen in makaar! Dan zit je zo, net haan die geduldloos wacht op kraai-uur!’ Ze lachte om d'r eigen monduitvindingen. Kraai-uur! Wist ze best beter! Ma' ze doelde ook gewoon op dat bilzitten van 'em, terwijl zij vond, dat ze als werkvrouw al genoeg had uitgespookt die hele ochtend. Elen gaan kopen, haring, om op eettijd met ui te braaien. Was gaan rijst halen en gaan dít doen en dát. Had tussendoor eventjes kleer gedompeld in water en geborsteld. En aan draad die daar liep over erf, had ze die klere gegooid, laat ze nu drogen. En nunu, was ze ook weer bezig met d'r dinges. Z'had bittere kassave, waaruit gif moest gaan, anders was't nie te eten. Alex begon met roepen: ‘Jana, me skat! Kom ga een bier fo me kopen!’ Ze keek 'em aan met durf. Zie je hoe hij daar was aan het zitten, met dat houten zoutvleesvat gestolen naast 'em? Z'n elleboog als boomknobbel d'rop ge-knolleplant?! Alsof z'n arm-met-hand een koendoe-koendoeGa naar voetnoot2 boompje was? Hm! Als Tingikownoe, Stinkkoning van zoutvleesrijk! Chm! Jana was verontwaardigd. ‘Afèn!’ dacht ze onder gevlochten haren. Dan wou ze ook nog gaan, toen Alex' schoonmoeder nee verbood: ‘Waar ga je meisje? Laat hij z'n twee benen zelf optillen en gaan! Die mannenneger!’ Met dit laatste meende ze, dat hij was manspersoon met kracht om zelf iets gaan kopen te kunnen. Met d'r laatste ziel uit d'r, mompelde ze een verwonderige ‘Masra nengre!’, eigenlijk mengsel van verwondering en verontwaardiging. Maar Jana dát, ze was nie klaar nog met 'em. Want d'r mond aan d'r... hoor no, wat Jana aan Alex riep: ‘Je wil eten, je wil drinken, beide samen tegelijk! Hoe kan een mens als ik, twéé dinges doen, dirèkt, om jou ook tegelijk twee dinges te laten doen, allebei! A lawman-sani: Gekkemansdinges, ja!’ Alweer lachte ze om d'r eigen humorachtigheden. Hij wou net antwoord, als een soort gericht vuurwerk lanceren, toen dat vlak iets gebeurde achter 'em. Raai wát! Gangan Ma Dina, grootmoeder van Mandwe, was voorbij aan het komen. Rent als een hupsakee altijd toch, dat mensfiguurtje, met d'r | |
[pagina 19]
| |
haast! Kijk hoe ze naderbij kwam aanlopen. Al vanaf ver riep ze. vragend hoe 't ging: ‘Dodo faigo dan?’ Dodo, schoonmoeder van die Aleksi, was aan 't lopen daar, met d'r lichaamsbeweging aan d'r, een blakerGa naar voetnoot3 van email in d'r zijbuik gedrukt, zodat ze dikker mens leek in d'r vrouwenvlezigheid. ‘Ope? Wat?’ Ze dacht, dat 't was een rare ouwevrouwestem die Jana, d'r buikdochter, zo opeensklaps, zoals ze 't zo mooi kon zeggen, zou hebben gekregen. Dan fief herstel van d'r, gauwgauw. Weg met vergisgedachte! Want ze zag Ma Dina nu. ‘Tan! Ma Dina! Is jij?!’ riep ze, met mond en al, gebaar daar ook zo! Hóór Ma Dina: ‘Ija! Is me voet komt me brengen! Kijken kom ik eventjes kijken, hoe dat ding hier gaat, of geen gewaarlozing van die zaak gebeurt!’ Ze liep nader. Om die gewichtigheid van wat ze kwam bespreken te vergroten (dan werd ze zelf ook belangrijker bezoekster) riep ze nog een keer, met meer dan smaak d'rbij nu: ‘... die áángelegenheid! Je weet toch!’ En om helemaal zeker te zijn van d'r volle persoonsgewicht van aanzien, mompelde ze uit d'r plompe lippen: ‘Bisnos! Bisnos!’ Ze meende bisnis, zaken. Dan wát fo zaken dan? Alex keek schuins. Over wát moest 't gaan? Pramp!, een rem op die gespreksaanvang. Want kassave-Jaantje daar, die Jana, vroeg hoe 't met d'r vrouwspersoon ging. Dus hoe't ging met Ma Dina. Hoor, d'r mond geeft uiting aan ziel: ‘Vrouw Dina! Al ware ik je dochter niet, ik vraag hoe 't gaat met u, nu dat u zo komt binnenloodsen hier, zoals Oranje Nassau, groot van schip in die monding van die rivier aan stadskant!’ Ze lachte, grapbui vandaag toch! Ma' onder en tussen: ze maakte één fout, want ze was geen dochter van Ma Dina. Ma Dina's dochteren, met al hun kinderkoppen rond hunne jurken, woonden en huisden omtrekver, in stad en land, waarvan zij waren, de inheemsen. Zij, Jana, was een vrouw daar in de buurt, nie ver, net niet vlakbij ook, wonend op dat erf van buikmoeder Dodo. Misschien dat z'had gewouwen, dochter te zijn van Ma Dina. Ach, zulke dinges waren nie van gansch wezenlijker aard. Je was al bijna familie uit vriendschap, daarbij vrouwen! Ja, vrouwmens waren zij. Dan dat was ook 'n soort familieschap. ‘Ija me schat! Me gaat goed!’ zei Ma Dina. Dan zichzelf verbeterend | |
[pagina 20]
| |
(die eeuwige strijd met bakra-taal!Ga naar voetnoot4 Met struikelwoede!) ‘Is goed met me, hòr!’ Dan maakte ze weer een mondfout: ‘Ik breng mezelf goed door die stad!’ Ma' nu, sprong ze over op natuurspraak van d'r; ‘M'e tja misrefi boenboen!’ Kon nie láten, om te laten zien, dat ze toch weer (die jaren vijftig!) kon onrrans praten. Orrans was Hollands toch. ‘Ija me kind, me dokter, ik ben goed hor! Alleen heb ik last van kronkelzenuw, zo haf en toe!’ (Met dokter had ze dochter in d'r bedoeling.) Dan schakelde ze haar verhaal over, op dat wat ze kwam bespreken: bisnos bisnos! ‘Aleksi, hoe ben je dan?’ Alex! Dát was die bisnos, had jorka op 'em gekregen. Hij was dus bezeten geraakt. Een voorouder-overledengeest op 'em, midden op zondag. Ma' dat was een lang verhaal. Die kring van mensen... dansend... rokken... broeken... kuiten... loerende kinderen uit de buurt die met koekeloeren kwamen kijken wat gebeurde... weggejaagden... Ach! Láát dat verhaal! Fo andere keer ook, met details details. Nu wou ze allenig weten, hoe hij voelde. Voelde hij goed? Voelde hij lelijk, slecht dus? Die zondag, m'ma m'maGa naar voetnoot5 zondagmiddag. Dat beeld kwam even terug: Paar klapstoelen fo feestigheid... Alex leek of hij nie wilde horen meer, over die tori, die gebeurtenis. ‘Ma Dina, láát die tori, hoor! Met mij is alles geheel en al goed! Hoe gaat 't met die kleinkind van u?’ Is dat zei hij. ‘O?! Mandwe? Hij's met z'n moeder weg gaan gaan, gaan klere kopen! Want hemd aan z'n lichaam heeft hij zo wreeddadig laten scheuren door een bijthond, dat 't is nie te zeggen! Die jonge heeft elastiek in zijn mars! Rekt na' hier en daar, dat niemand 'em zo bijtijds-bij-wijlen kan vinden, ook al schreeuw je fo die hele straat hier in die stad! Is béésachtigheid met 'em! Een wreedadig kwaaddadige jongen!’ Ze ging verder: ‘Ik ben blijd hij's weg. Gron krin!: me huis is wel geledigd met die jonge! Aaj.’ Hier stónd ze, dacht aan die Mandwe, die ze onder die tipje van d'r jakkostuum, als kleinkind opkweekte. Baja, 't was wat met zo'n kinderbeest! Om 't als grootmoeder in je huis als opvoedsel te hebben! Dan beter kweekte ze een konijn no?! Ma' dan! Ze kreeg d'rzelf weer, toen ze aan die ruzie dacht, | |
[pagina 21]
| |
vermande zich dus. Met Mandwe z'n granp'pa twee dagen al, geen woord zo. Ach, mensen hoefden 't nie te weten. ‘Dodo, 'k ga weg weer. Me bezoek was net een vluchtgeest: loweman-jorka!’ ‘Zo vroeg, dan ga je weg? Ma Dina? Hou op hoor! I no koso wan tori srefi?: J'hebt nog niet eens een verhaal gekucht aan me!’ Dodo! Wist ook van grappigheden. Ma' ze begreep: die ander had geen tijd. Attent wel, dat baja! Om langs te komen en te vragen hoe't met Alex z'n ‘zaak’ ging. Een soort gemeenschapsgeest dreef ze, om d'r even te komen kijkenGa naar voetnoot6, no? Een mens had zo, wel ook iets aan een anderman. Al was 't lichte liefde in de vorm van een meegevoel. 't Bracht je uit je hoede, zogezegd: je raakte in ontspanning door dat vriendelijk kontakt met ander. Je voelde je minder belaagd door dit leven. Je raakte als het ware levenssterker aan de gang. ‘Is goed! Wanneer tijd noodzaak loslaat om te haasten, zal ik met je rustig praten, hor! Ija, mi goedoe!’ Vrouw Dina liet d'r mond nog even nawerken. Eentje laat die ander weg: brengt haar na' die poort van d'r huis, wuift met hand aan lichaam. Jana, alwederom verdiept in bezigheden. D'r man moest dalek eten toch, en zij ook trouwens wel. Alex met z'n ‘Blijf goed, vrouw Dina,’ groette de scheidende en zat op bil, moe van ochtendwerken. Later vanavond vroeg, al tegen vier uur had hij een ‘teki n'njan’ ergens: een stuk fabriekaanlegsterrein schoonkap geven. Gras wegmaaien. En 't betaalde, hadden ze gezegd. Geld maken dus. Alleen, je kon 't werk beter nie in volle zon doen. Buitendien, men diekte daar met dragline, die graafmasjien, op dat moment. Dan beter strekte hij z'n voet, met standbepaling van schuins, in 't zand. Ledige feeling gaf dat ding je, terwijl je rug een beetje schuins na' voren kwam aanhangen. En dan, hij zat alweer op denkbrug, in gedachten dus. Hoe moest hij zélf prakkezeren, over hetgeen hem overkomen was? Die dag, zondag afgelopen, drie dagen eerder? Bezeten raken door een geest van iemand, overleden! ‘Ach, prakser' n'e kiri sma!: gedachte zelf doodt geen mensen.’ Tuinmansfilosofie bij onkruidkap zeker! Hoorde hij, met z'n twee oren aan hoofd, hoe die twee kleinste kinderen van 'em van school al kwamen rennen. Hij gedachte in schuilhoek weer wegjagend. | |
[pagina 22]
| |
(4)‘Dan wélke van ze, wi'je dan?’ Hij stond, hij keek, hij had geen genoeg weet, hoe of welk lapje stof! Allemaal van ze even gedrochtig lelijk, alleen al vanuit hun goedkoopte. Kleine Mandwe, met moeder van 'em kleren kopend. ‘Deze jonge! Kies uit! En laat mensen (ze bedoelde: laat mij) nie te lang wachten hier hoor! So!!’ Ze gooide die toon van d'r stem omhoog. Mensen draaiden hun lichaam, keken om. Die vrouw daarzo, met die piepjongen aan d'r hand, die ze een ekstra duw gaf tegen z'n mars met d'r vrouweknie: ‘Moeilijk een mens niet! Hij draalt, hij draalt! Hij weet niet hoe hij z'n kleer moet uitzoeken. “Plaats van zwart met groen, of groen met grofgrijs, te gaan staan nemen, koekeloert hij maar! Ik ga 'm hier laten staan!” En dan, zo zonder omweg uit d'r hart hem bejegenend: “Ik ga je hierzo laten staan!” Armarme Mandwe! Gegaan was hij, met z'n m'ma, om hemdestof bij winkel daar in Maagdenstraat. Ze was 'em tot daar bij z'n grootjes komen halen. Want met al die gescheurde lappe-lappe dinges aan z'n borstboven, kon hij nie blijven lopen. Granm'ma en granp'pa hadden 'em nie willen laten gaan, hun kleinzoon die ze kweekten. “Wacht tot 't maandeinde, tot ons pensioen. Dan gaan w'em zelf brengen, kleermaker gaat 'em klejen, dat je die boi van je, niemeer goed gaat herkennen!” Klejen no? Met die éénvijftig per el kostende, van zichzelf al vuil en versleten uitziende kleren! Goedkoopste stof, “Fruit of the Loom” in laagste kwaliteit, hele pièssen, hele rollen stonden opgestapeld in die winkel daar. Je struikelde bijna over al die rafels die nu al d'ruit kwamen. Met traanoog in z'n gezicht, maakte Mandwe een keus. Weg van die schande, altijd bij die goedkoopste kleren te staan. Ach, die negers... hoe donkerder van zwarte kleur, hoemeer je ze zag staan bij die goedkopere stoffen. Bosnegers dat’, bosnegers kochten zelfs aparte pangistof, fo lendedoek en schaamlap, speciaal zoals dat ding leek, gemáákt fo ze. Echte djoekaGa naar voetnoot1-kleren. Hoor hoe ze mauwel-mauwelden, waar een zich aan hun taal ergerende stadsman ze nie kon verstaan. En fo de rest waren die nette en geweldige mensen, vooral die lichtkleurige, in duidelijk andere winkelafdeling aan het gaan. Zo dicht mogelijk paradeerden ze, | |
[pagina 23]
| |
bij glansstof en satijn, bij dubbelbedrukt en bij kleurerecht. Daar waar een arme mens nie kon in de buurt komen, om met z'n zakgeld tekort te schieten. Je zou automatisch ‘een blaka slaan’, zoals dat ding heette, wanneer je een ellendige vergissing maakte, van nie je poen tevoorschijn kunnen halen en dat dure, wég uit winkel te betalen. Wanneer je als arme nie erkende dat je was arm. Geen wonder dat Mandwe met oognat stond, temeer om die duwende woorden van z'n m'ma met wie hij was. ‘Weet je wat? Als je geen hand hebt om te pakken, hand die aan je lichaam plakt en nie weet hoe te nemen, welke smaak uit deze kleren hier, dan ga ík fo je nemen!’ Dan voor hij dacht, had ze gepakt al: de lelijkste stof die een mens kon denken. (En die goedkoopste ook, bij satans ballenweefsel!) Ze liet hem, met een resolute loop, staan. Waagde d'r weg, na' kassa nu, om uit d'r portemonnee wat geld te dieken. Een duizendmaal opgevouwen vijfentwintig gulle bankbiljet. Geen mens als zij moest wagen, zulk een hele-maand-geld te verliezen. Met al die broe'tjes en susje van Mandwe ook wachtend op d'r zorg daar thuis. Met een ‘Mars ko'w' gwe!’ duwde ze 'em die houten draaideur uit. Z'n hand raakte, slingerend achter z'n broekje aan, bijna uit schroefGa naar voetnoot2. Als hij nog nie wist wat een mensenzorg was... Later zo, daar op straat, kreeg Mandwe z'n moeder, toch een beetje spijt van al die zenuwhaast. Ze gaf 'em toen een stuk bekoring, met 'em aan te persen tegen d'r zij. ‘Mi jonge, begrijp: je m'ma hier, is zo arm als ik-weet-nie-wat! Uit schaamte alleen, heb ik geen durf om je allenig door je granm'ma en granp'pa te laten verzorgen. Kijk, ik neem notisie van je, hoewel je met ze blijft daar. Ik neem je, om kleren te kopen. Schoenen kan ik nieteens fo je betalen! Is met delaila slenter je, slipper aan voet! Dan hóe moet ik meer zorg fo je nemen? Weet je niet, dat ik fo me liefste zélf, een nette bakrapakGa naar voetnoot3 fo je was gaan laten maken? In plaats van gebroken frodjadjakleren altijd!’ Ze zuchte. Zakte door d'r knie, zodat ze hurkend dichter bij z'n ziel kon getuigen: ‘Me lieve kleine Mandwe!’ Zweeg d'r mond even. Daarna dan: ‘Eén dag hoop ik, dat je alléén pak gaat dragen! Echte kantoorman, mán in maatschappij! Met mooiste kleren aan je lijf...!’ Ze lachte zelfjes! Een moederwens. Wie wou nie zulks? En omdat hij | |
[pagina 24]
| |
nog nie echt over z'n gevoel heen was, zei ze 'em vlugjes: ‘Kom, we gaan een schaafijs kopen.’ Schaafijswagen was nie ver, en met smullekkerte kreeg je overal ter wereld kinderen met je. Hoe anders kon hij dan, die kleine kinderman, Mandwe? Hij ging. Wind waaide. Stof op ogen. Hmmm, geef schaafijs in je hand bescherming van je handpalm als kap. En dan je tong laveloos likken d'raan... hhhmmm. Vanuit die heerlijkheden had ze, het wervelende verkeer rondom, met autotoeterij, bromfiets geschreeuw, fietsbel kling-kling-kling, wilderbus, mensenpraat die je bijna gek gaat maken, zo levendig lawaai... (straatleven bombadeerde toch.) Vanuit die heerlijkheden daar aan tong, had ze totaal nie verwacht, wat hij te zeggen kwam, toen hij uitloosde: ‘Mamma! Ik wil niemeer terug gaan bij oum'ma en oup'pa! Hou me met je!’ Vreselijk no? Mijn god! Wat kon die jongen bezielen dan? Was hij nie een godenkalf daarzo, bij z'n grootmensen? Beter dan z'n broe'tjes en susje, die d'r huis vol maakten met altijd weer hun gedjam en krakeri?! Ze namen toch zorg voor 'em? Als hij had geweten hoe 't erger kon, te leven! Een vrouw zonder vaste man, buitendien! Echt-echte buitenvrouwGa naar voetnoot4 wezen! Met aanloop-man, bekende zaak! Dan nu nog, wou hij bij d'r komen, in die kleine bouwval van een kabana, dat gebroken huisje van ze, daar bij onderloop straat! Wanneer één druppel uit de hemel kwam gehuild al, zonk die hele straat in vloed. Wanneer hele aluminiumblik en zelfs plank van huis, op drijfreis ging, met waterblank? Wanneer dan alles aan je lekte, zonder nog maar tranen? Want je huilde toch niemeer om die kommerzorg? Dan wou meneertje bijkomen, in die ratteval van ze. Hij kon toch zelf nie weten, hoe verwende leventje die grootmensen 'em gaven. ‘Wachte, laat 'em komen fo de test,’ dacht ze, diep in d'r hart. Ma' dan kwam, als uit tweede hart, tegengedachte: ‘N'no! Ik kan die jonge dit nie laten gaan ervaren.’ Vragen vroeg ze 'em, wáárom hij bij d'r thuis wou komen wonen. Granp'pa en granm'ma waren toch mensgoed voor 'em? Dan wát zo dan? En? Welke reden wou hem hun huis laten verlaten? Straat speelde met 'em, straat stopte 't spel. Een kind van acht jaar om nabij, stond in z'n treuzelmood. Hij was te jong, fo handen op de buik, ten teken van geen weg meer weten. Of handen in je haar, | |
[pagina 25]
| |
radeloosheid. Zwaaide z'n hand met tasje maar. Een theekan van aluminium en iets metaligs d'rin, maakten een soort lelijk geluid. Misschien, kande, sonte, misschien was dat zijn ziel op dat moment. Straat stoeide verder, maar dan in straat z'n alleentje. Waar hij stond, Mandwe, perste hij woorden uit z'n lippen: ‘Ik wil weggaan daar, weg! Ik wil niemeer bij oum'ma en oup'pa!’ Dat was geen reden, dat was zeggen maar gewoon. Dus reden, reden, wélke dan zo toch man? Hij kon 't nie vertellen. Was hij bang? ‘Ben je baank?’ vroeg ze 'em, doelend op die bange rust van een oudmensenhuis. D'r jurk kneep d'r, straat zo, was een mens te warm. ‘Nee mamma!’ Hij gooide z'n hoofd na' twee kanten. ‘Enèn, nee!’ ‘Slaan ze je?’ Ze dacht hierzo zelf in d'r hoofd. Stel je voor! Die ouwe mensen daar, met hun armpzalige lichaam als twee guyavetakken zo stijvig! Moeite al hadden ze, om een blokje blauwsel in waskleren te roeren, daar in tobbe. Dan gingen ze dit duik- en vluchtbeest die bij 't spelen van djoel in meters leek te lopen, dan gingen ze 'em slaan? Slaan kunnen? ‘Antwoord me! Kijk nie na' die bus met mensen daar! Ze zijn te volgepakt! Dalek bastert die bus met ze!’ gaf ze d'r kommentaar. Hij zei geen niets, hij schudde hoofd, net kleine malengriman, gebrekkige, die in zijn ontwikkeling was stom blijven staan. Hoe zeggen? ‘Als ze je nie slaan en ze geven je goed zorg, dan fo wáárom wi'je weg dan? En?’ Die wringdoek om d'r hoofd werd schuinser goed getrokken. Zo! 't Was aan 't zitten nu, beter model op hoofd. Ze zou gaan ergens in de buurt iets doen verder. En dan met 'em terug, wegbrengen. Eten koken fo die anderen. Vandaag was vrije dag fo d'r. Werk op werk wachtte. Zeer betamelijk van lichaamsschudding, ging ze met 'em verder. ‘Je weet, mi jonge, al ben je klein, hoeveel zorg ik heb. Kijk me dan!: vandaag zo, juist ben ik vrij mens zonder zwoegenstaak.’ Ze dacht, sekonde sekonde, na over d'r laatste woorden. Een bromfiets sneed adem met exaustpijpGa naar voetnoot5-stankrook die je adem bbbbrrruchte in je borstkas van nood om frisse lucht. ‘Me werk ja, me werk. Wanneer dag opengaat...’ Ach! Wat had hij temaken met grotemensenwereld no? Hij? Hij was piep! Broek aan gat, schoentje aan die kleine rattepoot van 'em, en dan kon je gaan! Broekvoet danst met pijpgedeelte onder z'n jongetjesgat. Met een kleine | |
[pagina 26]
| |
leerboeba, kleine riem, (geen echte, want dat was te duur.) Een kleine glimgeps d'raan. Een hemd met knopen. Als hij wou kon hij pet dragen, een ding met kap, tweemaal zo groot als een kinderhoofd, aan te schaffen bij die straatverkoopmensen, die zo'n vergeeld ding op je hoofd gooiden. (‘Hierzo! Deze maat is uw jonge z'n maat! 't Dekt z'n haar gans helemaal!’) Die jongen zelf zag die dag nèks meer, met petkap fo z'n ogen. Dan wát wou zo'n kind nog meer? 't Mocht gelukkig zijn met zo'n betaald geschenk! Ze sjouwde 'em weg. Schaafijs was opgelikt met spoed. Geen cent fo nieuwe. Misschien toffie voor 'em stelen uit dat ene pak, dat was fo al die andere kinderen thuis. Dan 'em terugleveren bij z'n grootmensen. Tocht was teneinde no? Hij duizelig van uitgaan in die stad, lopen dromend. Dat ding was volop dag. Geen luchtje nacht was daar te zien. Nacht? Nacht moest komen. En natuurlijk ook, na avond; avond ook na middag; middag daar met spel. Spel buiten, en nie bij die grote mensen daar. Hij wist... hij had weet... hij wist nèks! Alles vergeten, van verleden zeker, toen met knikkerspel en daarna. Verleden betekende fo kind, nog maar je knikkers tellen, hoogstens tot gister. Gister wát? ‘Ik win je! Libi!: láát! Als je aanraakt wat ik gewonnen heb nu, m'e kir' i!: ik maak je dood!’ De winst van één partij knikker, te verdedigen met hand en tand. Wist hij zelf wat z'n half bedorven mond schreeuwde toen ‘niet aanraken of ik vermoord!’ eruit vloog? Vermoorden! Wát was vermoorden! En wát aanraken! Knikkers, boggels, die grote stuiters, als een echte schat! Een kind! Geen binding met een werkelijke schat. Behalve buitendien z'n m'ma daarzo dan. Of wie, thuis wachtenden? Of buurt? Of stad? Of volk zonder kultuur no? | |
[pagina 27]
| |
(5)Dat van zon! Wanneer 't jou en aarde schijnt, pinaarGa naar voetnoot1 je geen genoegen, noch van blijdschap, noch van goeie leven! Uitslaande leven, om zich heen gaand, die uitwaseming van groei in wijdse loop van groen en kleurgewoeker. Als soort aparte leeftijd, kom je tot ontdekking van schoonheid, groei je mee met 't. Met kleine loopvoetjes in 't gras ging Mandwe, terwijl zon daar hing te schijnsel geven. Een goeie dag van jeugd en welbehagen aan oor en oog, langs bomen, zijgoot, wankelgebouwtjes achter veel bosgages, solide nieuwe huizen met dubbele verdieping zonder neutenGa naar voetnoot2, gatige zandweg. Na' school was hij aan 't gaan, broekriem die te lang was, langs z'n dij bengelend. En zong z'n versje: fajasiton no bron mi so! Dat ding was een historisch versje, dat kinderen, ook grote mensen, zongen. Spel d'rbij, met een steen of zo. Fajasiton, no bron mi so: hete steen, verbrand me niet! Een vers, dat spel opriep, met doorgeven van steen. Net ofdat onheil, aan die steen vastzat. Je gaf 't dóór! Net een lot, wat je doorspeelde, van generasie over op generasie. En wie tenslotte steen hield, werd verbrand no? Zeker niet letterlijk. Misschien ooit vroeger! Ach, kinderen wisten nèks. Zongen toch ook hun adjosis-nemes-izes-karamba, elmere-koembe, of in godsnaam hoe dat prevelversje heette. Z'hadden zelfs geen naam voor 't! Zochten zomaar hun energie te uiten, zonder nauwgezet te letten op hun gekozen woord. 't Ging bij ze om hun emosie toch! Weldan! Ma' één ding was wel goed te begrijpen: hoe j'em daar zag, Mandwe, gaande na' school, nu met een paar speelvriendjes slenterend hun weegs gaande, ze mochten op straat zingen wat ze wilden. Of thuis, nie echt thuis, ma' achter op 't erf. Of waar ze overal heen slingerden. Zodraas ze thuis waren, of op school, dan golden opvoedingsregels. Wie nie hoorde, moest voelen: zodra je ook maar iets van je eigen moedertaal begon te spreken, was je vemegerd! Als neger vemegerd! Een klap tegen je kop, koko! met vuist. Al bloedde je, 't kon geen niemand nèks schelen! ‘Jonge, hóór Je niet? Je moet Hollands praten!’ Later, een oudbekend verhaal. In schoolpauze: ‘Gi'm mi jowka!’ Dan zodra meester met zijn | |
[pagina 28]
| |
tamarindezweep kwam in de buurt klonk 't in mooimooi Nederlands... ‘Geef me me knikkers!’ Meestal riep je 't prompt verkeerd: ‘Kééf me me gniggers!’ Die kinderen! Deden massaal alles verkeerd! Hoe meer ze negerachtig waren, hoemeer hun verkeerdheid, no? Dan hoor weer snel een bekende situasie: ‘Jonge! Wát scheeltje!’ (altijd zo bazig uitgeschreeuwd dat je al van tevoren beefde!) ‘Meester, ik heb draaihoofd!’ Een meesterlijke vertaling door zo'n kinderkopje. Zonder dat 't kon weten, bouwde 't vanuit achtergrond, een nieuwe taal. Echter, systematisch weer door school daar, afgebroken. ‘Draaihoofd? Hoor die aap! Hij komt zeker uit 't bos! Een echte bosneger! Ik ben duizelig, dát moet je zeggen! Ga je mond drie keer spoelen! En vijftig strafregels!’ Daar ging dat achterbuurtse kind. Baja! Wat een opvoedingsaanpak. Schoon vergeten werd, dat 't een ‘draaihoofd’ had, omdat 't uit pinarie in 't geheel niet had gegeten, die ochtend. Ma' wat kon dát meester schelen? Als hij die zorg aan z'n hoofd moest krijgen, van héle bevolking, dan kon hij ophouwen. Dan buitendien, als ze probleem hadden, thuis, fo wáárom kwamen nie hun ouders op school? Ze kwamen alleen, die achtersloot-ouders, om meester te rampeneren! Pas wanneer die kinderen waren blijven zitten. Of meester had ze gekastijd. Terwijl, die welopgevoede mensen, met hun goeie manier van doen! Ze kwamen, auto parkerend waar dat auto hoorde, mooi langs trotwaar. Stapten beleefd uit, kwamen beleefd aanbellen. Hoor hoe beleefd hun mond klank had: ‘Goeiemorgen’ (zeiden nooit ‘koeiemorken’) ‘eh... heeft u één momentje voor ons...’ Wachtten in wachtkamer, waar hoofdfrater ze met z'n witste rok ontving. Het meest beleefde gesprek ter wereld. Ma' zie je, die ouders van onopgevoede negerbeesten? Kwamen dronken dronken al op meester. Voor je dacht (braken zowat in!) stonden ze met hun vinger onder meesters neus. ‘Ik ben je m'mapima komen geven!’Ga naar voetnoot3 Voor meester dacht, kon hij bloeden! Of wegvluchten naar kollega's, ‘Hellep me in jesesnaam! Een kind z'n ouder wil me vermoorden!’ | |
[pagina 29]
| |
Dan kon kind automatisch vanaf voortaan thuis blijven. No chance! Meester wou 'em nooit meer hebben in de klas. Dat waren meestal toch al die blote-voet kinderen. Of die wormbuik figuren. Of die kinderen, die kwamen met gebroken kleren, lappe-lappe. Altijd weer herkenbaar aan hun uiterlijke armoe. Dat ding straalde van ze af! Dan kijk ze: nette kinderen waren altijd vooraan aan 't zitten. Gaven altijd, zo vol vertrouwen, hun goeie antwoord. Konden in zulk mooi Nederlands hun antwoord formuleren, dat ze automatisch goeie punten kregen. Hadden thuis ook hun mooidadige leerruimte, zonder gedrochtelijke schreeuwfamilie op ze, met één twee drie storing (‘Wáár heb je me kleren gezet?’ ‘Zijn in de wastobbe!’ ‘Me enigste kleren? Dus dan moet ik met blote bal blijven, totdat ze schoon droog zijn no?’ ‘Ija?’ Voordat je dacht: pak slaag! Grote huilbrigade, wuuuu...) Of broertjes en zusjes die je schoolschrift met gemaakte sommen gingen stelen. Om te gebruiken... fo w.c. papier! Want ander papier was nie in huis. Volgende dag kon je ekstra strafwerk maken. Geen wonder van draaihoofd! ‘Heb je huiswerk al gemaakt, Mandwe?’ Wie? Hij? Hij kende 't hele versje al. Van Hansje-Gansje deed niet wijs, hij wou lopen op 't ijs. IJs? Wat was ijs? Dit was een tropenland van broeikashitte, altijd. Als je 't koud noemde, was dat met een zeewind savens. Dan had je hoogstens kans op lichte kou, door scheuren in je kleren, in je achterhemd bijvoorbeeld. Ma' geen vriezen. IJs? Je bedoelt toch geen stang ijs die die mensen van mooie huizen verkochten uit die ijskasten?, zo smiddags met etenstijd toch!
Mandwe had vriezer nooit gezien, zelfs niet uit ijskast van die fraterschool waarop hij ging. Dat ding moest een kouwe hel zijn, met bevroren zwarte duiveltjes. Anders, kon hij niet verbeelden. Stel je voor! ‘Zij waadden door 't water van de Schelde en de Rijn...’ Weer zo'n ander vers. Of neem dat andere verhaal, mooimooi voorgelezen, door frater met z'n rooie nek. Met één hand onder dat boek, zó fo de klas op een kruk. Andere hand bladerde door 't. Of stak, fo wie oplette, in die zijopening van z'n toog. Dan ging zijn hand binnen die fraterrok. Geen kind wist wat hij daar moest zoeken. Wel zág je aan frater, dat hij met zo een verhaal lekkere spanning opbouwde. Hij werd rooier, rooier, z'n hele onderkakoembe, z'n gezicht netals zeekrab op een goeie dag op 't strand. Dan, vrijdagmiddag... hij moest even na' dat zijlokaal... om | |
[pagina 30]
| |
daar misschien z'n bal te kloppen.Ga naar voetnoot4 Hoor 'em later weer: ‘Jongens, een mooi verhaal!’ Met zijn heus Hollandse tongval, kwam hij hun 't verhaal zeggen, van de drie zwarte martelaren van Oeganda. Martelaren... gemarteld door negers! Omdat ze 't geloof aannamen van een blanke missionaris. Foei! Wat waren negers slecht en barbarig! Ze hadden zelfs hun eigen ‘christen’ geworden kinderen willen opeten, wanneer nie pater door een godswonder 't had verijdeld. Een witte held. Luister! Sttttt! Wees muispiepstil! Om dat verhaal je oor te laten kriebelen! Dat verhaal, van die negerjongen! Kikki's verdriet, zo had 't naam. O, o, och, ach! Wat was hij droevig! En fo wáárom dan? Omdat hij niet kon blank wezen! Hij prakkezeerde dag en nacht, hoe hij kon komen aan een witte huid. Wit en geacht, zoals die blanke pater, witte huid en witte ziel. En dat niet alleen. Die pater had ook de mooiste en stevigste woning van dat dorp. Werd nie door storm omgeblazen of door tijgers bezocht en slang. Nono! Die pater had ook alles wat een neger kon gelukkig maken. En met hem, die hele blanke wereld die hem stuurde, ze hadden nog veel meer fo de mensheid in petto! En kijk: die arme neger, kan geen eten vinden, eet boomwortel. En mier! En sprinkhaan! Bah! Wat vies! Hij is bijna gelijk één aap! (‘Hoe spel je dat, frater?’) En ja! Door een ingeving wist hij wat hij moest gaan doen! (‘Een moeilijke zin om 't op te schrijven, hoor, met al die werkwoorden.’) Hij, Kikki, die wit wou worden. Sochtends bij dag en dauw, wist hij 't zeker! En ziedaar: toen de zon scheen en de school openging, kwam hij al uit de verte: hij had krijt gebruikt. Hij zag er van boven tot onder wit uit. Maar helaas! Nog voor hij bij de school was, brak een regenbui uit. En ziedaar: eenmaal op school verscheen hij, zeer beschaamd, als een weer zwarte. ‘Het geeft niet mijn jongen,’ zei de missiepater,’ net ofdat 't klonk uit God de Vader's mond, ‘als je zieltje maar blank is!’ (Blank, zoals die witte mannen in de hemel, zoals die prentjes ze toonden, met hun mijter op hun heilige hoofd, terwijl die zwarte zielen in de hel verdwenen, met geknars van hun schitterend witte gebit!) Mandwe met bidprent. En o! Wat vonden al die negerkindertjes in de klas het een mooi verhaal! Inkluis Mandwe, die nu zijn gang naar school vervolgde, met het in zijn hoofd gestampte gedicht over sneeuw... Met nog veel meer | |
[pagina 31]
| |
d'rbij, fo taalles toch, van hyacinten, krokussen, narcissen, om te onthouwen met je hoofd. Hij had een acht fo spelling bij diktee. Enigste fout van 'em was krook-kussen. Diktee, de tee die hij jammer nie kon drinken!, zoals hij vond met kinderdorst aan 'em. Al kende hij geen een van ze, daar in z'n boesboesi, rimboe. Hij kende herfst, lente, zomer ook, naast winter uit de boeken. Die vier seizoenen nee, geen zij-zoenen! (‘Domme koebeest jo! Is dáárom ga je nooit een vent worden! Zíj - zoenen! Zeker een zoen op je billemoot! Wij negers, zijn gewend zo los, zo brabra, te praten met die mond van ons! Zonder ook één gedachte! Dan leren ze ons op school! Dan nóg is ons hersens te hard d'rvoor! Mars! Neem je schoolboek en breek je hoofd met studie!’) Die vier seizoenen... Het was een echt gezégde denken. Net zo echt als dat huis, vlakbij die drukte aan straathoek om over te steken. Met huis daar, met die vent op stoep. Hoor 'em, tegen een ezel (die domgeboren dieren!) z'n stem uitroepen: ‘San a boeriki disi e loekoe mi dan?: Wát kijkt deze ezel me zo dan? En?! Héle tijd al, terwijl ik morgenwind hier ben aan 't vangen, mooiheid op me hart!’ (Dan verwijt hij die ezel:) ‘Ezel jo, mars daar!, in je gras! Een echte boeriki, met staart achter z'n hol! Een ware beest! Lijkt op boze geest, met die oren daar op hoofd!’ (Kijkt zéér terug naar ezel.) ‘Mars, jo beestekoet! Sta nie zo na' mensen te kijken, net of in uitstalkast we zijn fo je! Met vrijpostigheid! Als een mens een beebie is, ik zwéér!, deze ezel geeft die beebie ogr'ai! Ija!: 't treft die kind met Boze Oog! Kijkt hoe 't kijkt! Dan vreet die m'moerbeest die gras daar zo wreedadig met z'n wrakelkaak! Je hoort die gras in z'n kaak malen, zo grroek, grroek, grroek! Net ofdat gras pijn lijdt! Dalek maalt hij die gras met z'n zeven magen in z'n buikhol! Om 't als groene bol te poepen, ezelbol, uit ezelbilgat! Die m'moer!’ Lachende kinderen gingen voorbij. Ezel bleef kijken, Mandwe ook daar tevens, gaande. | |
[pagina 32]
| |
(6)Zijn zondagmorgen was alweer gekomen. Een dag van licht, aan ieders oog. Je was geprikkeld deel te nemen aan het leven. Zoals met baden, kleden, kerkgaan vol zang en godsaanbidding van de harten. ‘I boi! I klari kaba?: Ben je klaar dan?’ Een stem sneed na' achter, na' badkamer, voorbij die schuinse laphoutdeur, met weggerotte drempel en stellaasje naast die schuins staande badkamer (een gebouwtje dat leek of 't wou een salto gaan nemen.) ‘Ija! Ik kóóóóóóm! Ik ben al kláááááár met mezelf te baden!’ Dan diezelfde stem van Mandwe z'n granp'pa, mompelend aan 'em: ‘Ik weet nie hoe die jonge zo blijft daar! Aan 't wassen is hij! Dan is zeep hier gebleven. Hij daar, zonder zeep. Klein beetje water in dat bekken, van die erfkraan is hij gaan sjouwen, zonder dat hij grote mensenhulp heeft gevraagd! Mi no sabi-o!, ik weet niet...’ Je had een wereld daarzo, aan het oog geschonken. Geteerde zinken schutting, gaten, waardoor ratten boorden, snachts en ook wel overdag. Over die schutting een tros manja's. Verderop slierten van suikerriet, althans hun blad van die plant van riet. Je kon 't nie krijgen, enkel water langs je tanden laten lopen, met ‘hmmm.’ Die buren waren niemeer aan het slapen. Ze waren vroeg, en maakten dinges schoon. Klopten hun voetenveeg, matten, die bestonden uit ouwe séri's, jutezakken waarin vroeger suiker of ook rijst. Zij waren ook verrezen na de zaterdag. Leven dat brouwde, voor je hoorde. Nèks leek, alsof zij waren opgestaan. Tot hun lachmoment, zo ‘Woiii!!’ Dan basterde die lucht open! De dag was schokkend aangestoken met een vreugde die nie was te temmen. Mooi met hun kleren. Goed met hun plezier rondom de tanden uitgestraald, ‘Hoe gaat't, me schat? Faigo?’ ‘Ach, goed, goed, goed!’ Eén beving aan de harten van plezier en ruimtescheppende behagens. De wegen werden op gelopen. De gangen werden op gegaan. Mens als de mens, na' alle kanten uit! ‘Hierzo! Borstel je tanden snelsnel voor we optijd zullen aankomen! Dan maak snel, want we moeten weg!’ Mandwe z'n granp'pa, klaar klaar om te gaan. Hij had een ouwe hoofd, half met haar, ouwe oren d'raan, een mond zo oud als hij. Rug krommig. Lichaam droeg hem in zijn kleren, met geplooide broek, trekband aan buik omhoog met hemd. Bij hemdsmouw een omhooghouwer, tegen die uitslip van die mouw. | |
[pagina 33]
| |
Want mouw was lang, viel konstant over z'n handpalm. Een das om z'n nek. Een hoed van alleen op zondag. Met oxblood-schoenen aan z'n voet, geborstelde, zo blinkend. ‘Kow' gwe! Laat ons weggaan’ zei die ouwe mond aan 'em. ‘Is mij zeg je no?’ Vrouw Dina, hem z'n vrouw. Hij gaf geen mondje antwoord daar. Keek alleen een beetje stierig om, met handen in zijn zakken, haalde zakklok d'ruit, om uur te kijken, klok aan ketting daar in zijn borstkas geplant, net of het uur kwam uit zijn harteboezem. ‘Dus is nie mij zeg je?’ vroeg weer Dina, Mandwe z'n granm'ma. Alwederom geen antwoord. Waren ze boos met makaar? Alweer een ruzie? Waarom dan ditmaal zo dan toch opnieuw? Mandwe haastte z'n kinderziel te vragen, vanwaar ditmaal onbehagen. Geen bemoeiing vanuit kinderzaken naar de grotemensen, wie weet. Maar... Klokslag, bimbambim. Hoe later blijven, hoe later komen. Nee, echt optijd of liever niet gegaan, terwijl die rest daar in de vroegmis kucht en vroom gedijt! Dan binnen komen stapvoeten en storen? Nono! Optijd! Optijd! ‘Verlos ons! Breng de vrede tot ons! Gloria...’ Wat fo k'ka!Ga naar voetnoot1 De wegen waren krom en loos! Ze waren staven treinrail die opeens door gloeihitte van losgeslagen zon waren gekromd en sloegen uit hun baan! De lucht was opgebrand en een kanjergrote ruimtevis lag in de lengte, in de breedte en zonder diepte, uit te wasemen, de adem van verschikkelijk gedierte! Hoor, hoor hoe het anjoes dejoesGa naar voetnoot2 de goden slacht, die verder gaan dan mensgeheugens, en die terugkeren na duizend jaar zwarte odyssus, om zo hun rijk te eisen, dat schattendom van volmaakt onschuldige vredebrengend zielscheppende gezang aan mond. De vis wordt kanjervogel, die een walvis lijkt, zo zoogdierachtig! Kanjervogel vliegt, ondersteboven in een wip van huis tot kerk, draaft terug als wilde paarden over wegzand! Kijk, hoe kerkgaanders zwijgend in het stof worden gebaad, zo zelfs, dat zij schaduwen omhoog doen gaan! Zij worden stofwezens en schijnen erger dan de zonnen, van een stelsel dat uiteenvalt! Zij sterven met het knallende geluid dat stem kan zijn, vanuit de keeleksplosie wijder, wijder geluid, geluid dat zelfs licht voorbij lijkt, licht aan ogen, ogen van een zondagskind, daar staand in opening, en hoort hoe ruim, ofwel hoe klein, grootouderlijk het aldaar staande huis, waarin de wezens van die twee! | |
[pagina 34]
| |
‘Dus is nie mij zeg je? Je gaat na' kerk no? Je brengt die jonge weg? Kijk, ik heb z'n schoen geborsteld. Kijk, ik heb mooimooi z'n broek geperst voor 'em. En z'n hemd. En hij's gaan baden, met dat lichaam van 'em. En nu is hij klaar aan het staan fo kerkgang. En ook gij die daar staat. Aan mij dit woord: breng 'em, breng 'em, gauwgauw, om vrede’. Mandwe z'n grootmoeder had met d'r woord gesproken. Wanneer de mensen weg waren gegaan, voorbij de struiken die de grenzen van het ochtengloren aanduidden, met wollig aanzien en met waai van wuivige gebladerte, dan was een stilte aan de mensen, nee, aan huizen waarin mensen woonden. Want immers zij, zij waren weg. De rest bleef slapen, om z'n zondag uit te gapen vanuit dieptegeest, los, losser dan verdriet van alledagen. Zonder die troost van zon, die lang uitbleef, naarmate meer het slapen. Buitenoogs was beminde kind. Mooi als een engelwezentje, donker van huid. Met witte broek aan, kleermakersgenialiteit, om vlees te kleden en eep mens te krijgen. Met ziel en al, voortwandelend over het zand van straat van stad. Zonder omkijkerij. Langs gevels gaand, maar dan beneden. Want de wereld was iets dat je raken moest, met je geteende voet, alvorens je kon weten, hoever in de ruimte je gevorderd was. Bijna, bijna aldaar, waar misdienaren. Kind dat de kerk als z'n circus zag: je gooide daar je ziel, vanaf trapeze. Deed je ogen dicht en... in de zweef werd je gevangen onder het santania, het heiligheilzame. De nooit missende handen, van... wie eigenlijk? Ach, als een kinderziel tijdens een val z'n nekje had gebroken, dan kwam 't door de zangkoren, niet door de vloed! Vloed van belijdenissen, waarin de kerkbanken dreven, uiteendreven, soms naar elkaar, vol van gelovigen, die dachten dat zij knielden op een rots. Mandwe z'n land, kende alleen maar zand en modder. ‘Kom, veeg je knie, zo wittig! Dan schiet op met vlug te gaan’. De verte kwam er al aan, met vlugge loopvoeten. Hij werd getrokken door een hand. |
|